<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<itemContainer xmlns="http://omeka.org/schemas/omeka-xml/v5" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://omeka.org/schemas/omeka-xml/v5 http://omeka.org/schemas/omeka-xml/v5/omeka-xml-5-0.xsd" uri="https://cicmrpdigitalarchives.slu.edu.ph/items/browse?output=omeka-xml&amp;page=2&amp;sort_field=added" accessDate="2026-05-10T04:32:28+08:00">
  <miscellaneousContainer>
    <pagination>
      <pageNumber>2</pageNumber>
      <perPage>10</perPage>
      <totalResults>11</totalResults>
    </pagination>
  </miscellaneousContainer>
  <item itemId="20849" public="1" featured="0">
    <fileContainer>
      <file fileId="21080">
        <src>https://cicmrpdigitalarchives.slu.edu.ph/files/original/712ba99dc9583c7bbb99d747b26ef840.pdf</src>
        <authentication>af47ab92eeff0112a7a639b9f9249d10</authentication>
        <elementSetContainer>
          <elementSet elementSetId="4">
            <name>PDF Text</name>
            <description/>
            <elementContainer>
              <element elementId="92">
                <name>Text</name>
                <description/>
                <elementTextContainer>
                  <elementText elementTextId="200994">
                    <text>VERI{LARING

•

\'.\~

.

DEN

•

••

•

Ef~II

s

•

ouou

H. LA.l\IBRECHT
•

Docto1. i1~ de Godgeleel'dheid. Ka11.unnili: '"a11. S. Baals

el'l P1'ofesso1.' in het Seminal.'ie te Gent .

•

IJ E l-t 0 1£ lJ J~ E 1~
•
. ..,

...

.

•

•

•

)

G J~N 1',

•

C.
•

POEL~I,\N,

ORUI{I{EH. \ 1:\N ZIJ NE

1-IOOl~ \VEEH.UIG I-lEI D •

(-loogpOOl'f" 19.- 18S~l.

�VIERDE DEEL.

NEGEN EN T\\TINTIGS'l,E LES.
Van de Heilige Sacralllenten.
San1cnltang van clit dee/ nzel de. drij t•oorgaallde. In de drij ,·oorga\lndc declcn
hccft de Catcch ism us ons gclecrd hoc \Vij, 0111 God te diencn en zoo de ccu,vige
zcllighcid tc 1Jckon1cn, in ~I em moe ten gcloo\'Cnl op· llen1 hopcn en llem door
hct \'Olbrcngcn zijncr gcbodcn bcrninncn. In dit vicrdc c.lecl nu, hanc.lelt hij
over ~c 1111. 8acrllnlcnlen, die de n1iddclcn zijn, \Vaardoor '''ij die hoctlanighcdcn en tlic krachtcn lJckotncn, ,,·c~kc '"ij noodig hchbcn om aan God, on zen
oppcrslcn ~lccstcr, tc kunncn bchagcn, en llcn11 gclijk Hij hct vcrcischt, tc
kunncn dicncn. En dit dee I \'olgt zccr uatuurlijk op de \"Oorgaandc, dc\vijl
men, orn icn1ands dicnaar te \Vordcn of Le zijn, nict allccnlijk den tucestcr
moet kcnncn, op hem hopcn en hen1 \Vi lien dicncn, rnaar ook nog de n1iddelen
n1oct kcnncn, \Vaardoor an en al de hocdanighctlcn kan bckuu1cn en hchoudcn
'
die de n1ccstcr in zijncn dicnaar \\'il zicn, en zich al de krachtcn vcrschalfcn,
die orn den rnccstcr, \'olgcns zijncn \Vii tc kunncn dicncn, noodig zijn. llijgcvolg, '''il de Catcchisn1us ons Len voile in den dicnst van Gotl ontlcr,vijzcn;
hij moct, na al onzc plichlcn jcgcns God voorgcstcld tc hebben (,t gccn hij
gcdaan hecft in de dr·ij cct·ste dcclen), ons nu sprekcn over do 1niddclcu,
\Vaardool' \vij de hocllauighcucn en de krachtcn kunncn hckomcn, die tot zijncn
ditnst \'Crcischt zijn.
\V clnu, '"ij kunnen aan Gotl nict bchagen, noch llcn1 dicncn gelijk I-Iij hct
''raagt, door onzc natuul'lijke kt·achtcn aileen, ,t is tc zcggcn, door onzc rcdc
en door onzcn vrijcn
aileen; '"ij n1oetcn daarhij nog vcrsicrd en ''crsterkt
zijn met bovcnnatuurlijkc graticn of ga,'cn, lc \Vctcn : n1ct de hciligtnakcuc.lc
gratic, die tc zaancn n1ct de ho\'cnnaluurlijkc dcugdcn en de ga\'cu \'\UJ den
II. Gccst, \\'Cikc haar altijtl vcrgczQllcn, ccnc gcschikthcid en scncgcnhcid is
onzcr zicltot aile gocd, door God zcl\'cn ons ingcstort, of ..ccnc tncdcdccling
dcr gcnegcnhchl \'an God zcl\'cn lot hct goctl
ct de dadclijkc gratic, dio
bcstaat in ccnc gotldclijkc vcrlichting ''an on
tand en in ccnc goddclijke
1

1

I

'"il

�844

VlERDE DEEL. -

29sta I~ES, INHOUD.

•

be\\'eging in on zen \vii, 'vaardoor 'vij o1n hct goed tc do en dadclijk opge,vckt
en gcholpcn ,,·ordcn.
Dc,vijl God ons bcstcml tot het gcluk des hentcl:;, dat \Vij niet door onzc
cigcnc krachten, 1naar allct~nlijk door cen ho\'cnnatuurlijk Iicht, 't,,·clk flij ons
zal gevcn, zullcn kunnen gcnicten; zoo '''il llij ook dat 'vij, om dat bo,•ennaluurlijk geluk als loon tc bekomcn, flcm hicr op aardc nict allccnlijk uit
onzc natuurlijke krachtcn, maar onder zijnc rcchtstrcckschc en bovcnnatuurlijkc mcdc\vcrking (ondca· de \\'Crking zijncr gratie) zoudcn dicncn. 1\l deze
graticn been God ''an in het begin nan Adtun, voor hem en al zijne nakoJnelinscn gegeven; 1\dam hccft zc ''oor zich en al zijne nako1nclingcn door zijnczonde ,·crlorcn; maar Christus heeft ze ons door zijn~ dootl op hct kruis
'''cderom vcrdicnd. Om dczc graticn, door Christus' dood ons ''crdicnd,. tc
bckomcn, bcstaan er uit,vendigc middclcn, te \VClcn, de llll. Sacramcnten; en
dczc zijn zoo '"czcnlijk de middclcn, \vaa1·door \Vij die hoeclanighcdcn en die
krachtcn aan,,·inncn, '''clke \vij noodig hel.Jbcn on1 aan God lc kunncn behagen en om llcm tc kunnen dicnen, gelijk llij hct '''il. (Zic T1veccle Dcel,
:\anhangscl O\'er lie Gratic).
Inltoud. Dezc lcs handclt over tic HH. Sacrament('n in 't nlgcn1ecn. Zij kan
allcrhcst in l '"ee dec len ''crdceld '''ordcn, \Vaarvan hct ccrstc de \'ier ccrstc en
hct l\Vecdc de ,·icr laatste \'ragcn bc\'at. In hct cerstc decl handelt zij O\'er de
l\VCC srondstukkcn ,·an gchccl de lt·cring nopcns de 1·111. Sacramcntl'll, tc \\'Ctcn : lt'al ecll II. Sflcrfllllellt is, en uJelkc 1111. Sacl'alncnten cr bestaan : de
grondlaag ccncr '''etcuscltap, 't is gclijk over \Vclkc zaak, is im1ncrs noodzakclijk dezc duhi.Jclc vraag : of cle :aak is, en ll'at zij is. In hct l\VCc•lc dccl
\vordt vcrderc uitlegging gcgcvcn, nopcns de natuur dcr I-III. Sacran1cntcn,
"'elkc reeds in hct cerstc dccl in 'l algcmccn is \'oorgeslcltl f;C\\'ccst.
I. llct ccrstc tlccl bcvat de \'Ol~cnde \'ragcn : \'oorccrst ontlcrzoekt de Catcchisnlus, tvnt een Sllcra.111CIIt is,· en daarna, on1 ons tc lecrcn, '''clkc
Jill. Sacr:tnlcntcn cr hcstaan, stclt hij dczc drij vragcn \'OOr : ll) hoet•ccl
Sa.crar11cnten cr zijn ,· b) lllelkc tlic Sacra1ncnten zijn; en c) U'llllruit 1vij
rveten cl!lt tlie gciZOellule Sarra lliCillen u'aarlijk bestllan, en llat cr buiten l1c1t
gec11e allclere zijn.
II. In hcl t,,·cede dec I, orn IJrectlcrc ui tlcgging tc gcycn O\'Cr de natuur van
tlc 1111. Sacraancntcn, ondcrzoekt de Catcchismus dcze vier puntcn : a) aangaandc de gcldigc bcdicning tlcr 1111. Sacramcntcn, vraagt hij : wclke intcntie
of mcening iu tlen betlienaar IIOotli!J is om ecn waa1· Sarrame11t te hebbcn ; •
b) nopcns hct gcldig onlvangen of hestaan dcr Sacramcntcn en het bekomrn
dcr vruchtcn of dcr uil\vc sclen van dezclvc : of cle kl'acht van &lt;le l5acrarnenle~t ergens door b
rdt,· c) over hct mecrmaals ontvangen der

�•

\1

IERDE DEEL. -

2gsto LES,

Jste \'R.

845

III-I. Sacrament en : of aile SacranJelltelt diku1ijls 1110f1ell ontva.JJgen tuorclen ,·
d) bclrekkclijk de ccrcmonicn, mel de\vclkc de lfll. Sacramentcn bediend
\VOrdcn : of de cercniOilie·,,. 110odig zijll tot de Sacra.mcntcll.

I. "\T. lTTat £s ee1t Sac1'a1ne1tl?
A. Een uihvendig teeken, van Christus ingesteld, be. teekei1e11de ee11e zoi1det'li11g'e gt'atie, clie ons door
hetzelve gegeven 'vordt.
1. De zi11 dezer ':-raag is : 'vaarin bestaat een Sacrame11t va11
de Nieu,,re 'Vet; of '''at is er tot zulk ee11 Sacran1e11t vereischt.
Bier is it11111ers allee11lijk S}lraali 'ran de Sacra1neJ1teJ1, die in
't Nieu\v 'festa,n1e11t i11gesteld zijil· e11 i11 de H~ilige Katholieke
•
l{erlt gebruikt \VOr(lell. - Het ,·voord Sac;~ar;le1zt' beteelie11t uit
•
zijne 11ait1ur ee11e l1eilige zaalt, ee11e zaali die aa11 tle11 godsdie11st
toebel1oort; maar door ee11 algernee11 gebruil\. is l1et ,~all i11 l1et
begi11 cler If. I\:erli aatlgeJ10inei1, 0111 die uitwe11dige n1iddele11 te
beteeke11e11, die Cl1ristus it1gestelcl l1eeft 0111 zij11e gratie aa11 de
geloo,~igetl 111ede te deele11.
2. \Vat is er 11u ,.el'eiscllt tot ee11 Sacrame11t ''ail de Nieu\ve
'Vet1 Uit l1et aJlt\voord ,~a11 de11 Catecl1is1nus leere11 \Vij, dat er
daartoe ''ier di11ge11 11oodig zij11 : te11 eerste, 111oet ~r ee11 'l.tiltoe1~­
clig teel,·ert zij11; te11 t\veede, dat teeliell 'iitoet 'l)lgestelll zy·,~
V(l-'l Clt;·isltts; te11 der(le, dat teel(Clllnoet uit Cllristus' i11stelliJ1g
ee11e ZOJllle;~liJzge g;·atie beteellertert, die 011s daar gegeve11
'vor(lt; e11 te11 \ ierde, (lat teel\.ell n1oet ui t Cl1ristus, iilstelliilg
de 1\racllt l1ebben ons (loor zicl1 zelf cle ZOJ1derli11ge gratie,
\Vell\.e l1et beteel\e1.1t, te ge,yell : beteel;,e,1eJzcle, zegt de Catecllis1

1nus, ecJle zo~lcle;'li1l.ge gi·ctlie, clie orts £loo,·· ltetz·el·ve gege·veJl
wo1~llt; \Vaarui t blijl\.t, tlat l1et teelielt zelf · zot1derlinge g'l'atie

moet ge,~eJI.

•

�846

'rJERDE DEEL. -

.

29ste LES, 1ste \'R.

•

3. Eert ttiltoertclig teeke1~ : door teelle1t 'rerstaa11 wij iets, tlat
011s tot &lt;le ltennis bre11gt eener zaalt, die \Vij recl1tstreelts of Ollmi&lt;ldellijlt niet kun11en ltent1e11. Zoo bij ,,.oorbeeld, l1et kostutttll
va11 den priester is ee11 teelte11, on1dat l1et ons tot de ke1111is
brengt zijner priesterlijlte \Veerdigllei(l, die \Vij reclltstreel\s 11iet
kun11en ke1111en; l1et mltken ,,.an I1et I1eilig l{ruis is ool\. een teeken, daar l1et ons leert, dat de menscl1 die. I1et 1\ruis n1aal\t,

een Christen n1enscl1 is, ''"at ''"i.i oolt recl1tstreeks niet 1\.unnen
\VeteJl; onze 'vo·ordell zijn teekene11 011zer gerlacl1ten, aangezie11
zij &lt;le in,,rendige gedacllte11, die de a11dere metlscllell Ollnli&lt;ldellijlt 11iet liunnen ken11en, aa11 den &lt;lag bre11ge11; de gedacltte11,
die \Vij in ons ' ilt&lt;lei1, zij11 ook teekenen, \Va11t zij be\vijzen dat
\Vij begaafd zijn 1net rede en versta11d, 't\vell\. '''ij onmiddellijli
niet '''eten, de\vijl \Vij 011ze ziel 11iet zie11; e11 de af'''asscltiJlg i11
bet Doopsel te zanlell met de ''roordell ,, il\. (]Oop U, in dell llaanl
des ''aclers e11 des Zoo11s en des I-I. Geestes .., is 11og ee11 teel\.cn,
\Vant zij bre11gt 011s ter ]\ennis der ill\\~e11dige ge11a(le, die daar
gege,'en \vordt, e11 die \Vij recl1tstreel\.s niet l\u11nen be1nerke11.
- Ee11 ttz.lzoertcll~g tecke11, dat is een teel\.ell, (}at 011der een of
meer onzer vijf zi11tuigeJ1 '"alt. Zoo zijn de l~ostut11en, l1et 1\ruisteeken, l1et sprelten, de af\vassclliJlg e11 de '''oorden in l1et
Doopsel, uit,ve11dige teekenen, naar&lt;lieil \vij &lt;lie zien of l1oore11;
maar onze innerl\jlte gedacl1ten zijn gee11e uit'''e11dige teel\.e11en,
'&lt;le\vijl \Vij ze door 011ze zintuige11 11iet kun11en }{eJlllen. - IIet
eerste dan, dat tot een Sacran1ent ,~ereiscllt '''Or&lt;lt, is een teeken, en 'vel een ttitwertclig teelte7~ .
. 4. Va11 Cl~ristus irtgestelcl. Niet alle uit,vell(lige teeliellell, zij11
Sacramenten : tot een Sacrament is er t.en t\\'eede ,·ereiscl1t,
dat l1et '"an Cl1ristus ingesteld zij. Derhalve al &lt;le teelte11en, die
in l1et burgerlijlt Ieven gebezigd \vordell, e11 (loor &lt;lc fge,vootttc
of door de n1enscl1en zij11 ingestelu; ook 11og al de godsdie11stige.
teekenen zooals ge,v·
&lt;1 \Vater, ge\vijde palme11, ge\vijde asscl1e,
.
ge\vijde keersen, en
door de H. l{erk zij11 ingesteld, zijn
1

•

�VIER DE DEEL. -

•

29ste I .. ES, l sto VR.

847

.

gee11e Sacran1et1te11, aa11gezien zij ' a11 Cl1ristus 11iet 'roortl\ome11 •
IIltege11deel, i11 l1et Doopsel, bij 'roorbeelfl, vinden. \Vij ee11 teeke 11
door Christ us i11gesteltl; Hij heeft imtners aatl zijne Apostele 11
gezegfl : '- Gaat ert 07tder·zvi.jst alle vollle'l'e'lt, lze'~ dOOJ~e,zcle i'it
1

. cle1~
'zaa1il cles Vacle;~s, e11 cles Zoo1ts, e11 (les H. Geesles. "
.
(l\fattll. XXVIII, 10.)

.

_5. Beteelte7'tertcle eene zon(ler·li,1ge gratie, clie 011s claar· gegcvert tvol·~clt. Niet alle uit\ve11dige teel\e11en. clie van Cl1ristus
''oortl\omell, zij11 Sacra1nenten : tot ee11 Sacrament is er te11
derde 11og vereiscl1t, dat l1et eene zonclerlinge (ee11e bijzo11dere)
graiie beteeke11e, die 011s i11 dat ooget1blilt, bij ltet ont,"angen '"an
(lit tecl~e11, &lt;loor Go(l gege,re11 \VOr&lt;lt. Bijgevolg de liefde tot cle1 1
e're11tnenscii, die door Cl1ristus als ee11 teelte11 zij11er ''rare discilleletl is 'roorgestelcl: l1et tee lien des H. l(rttis, dat '''aarscllijnlijli
oolt ,~a11 Cl1ristt1s 'roortliomt; de ketlteel\.enetl cler H. l(erl\.,
die voorzel~er , . a11 Cllri8tus zij11 ingesteld, zij11 geene SacraIllenten, o1ndat zij gee11e ZOJ1derli11ge gratie heteel\elten, die ons,
ill l1eL ooge11blil\. dtlt zij gebezig&lt;l '':rorden, 'rc:1n God ''rordt itlgestort : tle \Vederzijdsclle liefde beteelient alleenlijl~, dat \Vij
Cl1risi1ts" \Vet \Vel ,~olbrengetl; l1et teel\eil des I-1. I~ru~s, dat \Vij
Cltriste11e nlet1scl1en zijn; en cle teel\.e11en cler H. l(erk, dat de
l(erl\, die ze bezit, (le \vare 1\:erli. ,.a11 Cl1ristus is. Integeildeel,
i11 l1et Doopsel, bij 'roorbeeld, '?it1de11 \Vij een tee lien ,~an Cl1ristus
ingesteld, 't\vell\. ee11e zonclerli11ge gratie beleekent, die 011s, ter\v·ij l \Vij l1et gebru i I\ ell, ':ran God i11gestort \VOr&lt;l t : l1et beteelte11 t
inlillet"'s, dat 011ze ziel afge\vasscllen '"·orcl t Yan aile 'rlek \ an zo11de.
Door g-;--atie moet l1ier verstaan ''"orde11 : a) de lleili'gi1l(t1te1l(le
g;•(tlie, (lie altij(l ,,.ergezeld is van de bo\enllatuurlijl\.e deug(len
e11 de ze,~~ll ga·ve11 ,~a11 den H. Geest, en 1net hell eene bijblij''ende bovelltlattturlijl~e gei1egei1l1ei(l of gescllil\tllei&lt;l is tot l1et
goed, 'vaardoor ''rij Gods aange110111ene kin&lt;leretl en erfge11amen
(les l1emels 'vorden e11 zijn. Deze lleiligmaltende gratie 'vordt &lt;loor
de HH. Sacramenten Yoor de eer~)f!t'lal of opnieuw ingestort.
1

�848

VIERDE DEEL. -

29ste LES, I ste \~R.

'va111~eer dege11e, die l1et Sacrament Oilt'"ailgt,

•

J1aar 11iet bezit;
of zij \Vordt daaret1tege11 door l1e1t ''er111eerderd, als dege11e, die
de Sacra111enteJ1 ontva11gt, 011 dat oogenblil{ i11 l1et bezit clier
gratie is. In l1et eerste geval \Vordt zij de eer·ste e11 i11 l1et a11der
de tweede lleiligmal{ellde gratie ge11oemd.
b) Daaro11der moet oolt verstaan worden ltet ~~ecltt va7l cladeli;jke g1·al'lert te 07ltvangert. Deze bestaan i11 eene voorbijgaande
bove11natuurlijke ' 1 erlicllti11g des 'rersta11ds ei1 be\veging in de11
,vil; en zij diei1e11. om de 'genegenlleid tot bet goed, die door de
lleiligmaltende gratie in de ziel is, \Verkstellig te maliell, als.
mede on1 OilS de zonde te doen vluchte11, l1et goed te doe11 ,~errichteJt en ons tot bekeering te brenge11, als \Vij in doodzonde
zijn. Bij l1et ont,'a11ge11 van ieder Sacra1nent ltrijgen wij voorzeller reel1t tot de dadelijke gratie11, die 'rereischt zijn opdat '''ij
dat alles zoude11 ku11net1 doen, \vaartoe de heiligmake11de gratie
,~all dat Sacra111ent 011s bijzo11derlijk ge11ege11 maakt; en dit
recl1t behoude11 \Vij voorzeker zoo la11g, als '''ij i11 staat va11 .
gratie blij,'ell. l{.omell \Vij de lleiligmalietlde gratie door de
doodzo11de te verlieze11, '''ij ''erliezeit ool\. tlat recl1t tot dadelijke
gratie11, de\vijl dit recl1t eigenlijk als voltrelilting der lleiligmaliende gratie 'ra11 God is ,·ergu11d. Doell dit recl1t \vordt \vaarscllijnlij lt ller\VOllnen, als \Vij '''ederom in staat va11 gratie
lion1e11; en dit is om zoo te zeggen buite11 t\vijfel, 1.00 dik\vijls er
spraal\. is van ee11 Sacra1uent, dat opnieu'v 11iet ka11 OJltva11gell
'vorde11.
c) 011der die11 11aam va11 gratie moete11 \Vij l1ier nog stellen
het ~~~et•ltteelte1'l dat eenige ~cramente11, gelijk \Vij zullellleerell,
in de ziel prente11. Dit merliteelten is ool{ ee11e lJovetlnatuurlijke
. gave, en daarom mag l1et ool\. zeer wel 011der den 11aa111 ':oa11
gratie, i11 de11 breedsten zi11 des \Voorcls gei1ome11 (zie bladz. 801,
tweecle cleel), ,~erstaan 'vor(len.
De Catecl1ismus zegt ee11e zo,lde;~lirtge g;·~atie, om uit te drukkell, dat aan ieder Sacra
11e gratie eige11 is, die l1et ee11 of

�•

29ste 14ES, ) ste VR.

VIERDE DEEL. -

849

l1et a11der bijzo11der uit\verksel l1eeft, of tot een bijionder einde
dient; gelijlt wij. i11 de volgende lessen zulle11 zie11. Beteel\enden
en gave11 al &lt;le Sacramenten &lt;lezelfde gratie, l1et \vare niet
llOOdig, (}at er versclli llige Sacr&lt;.tmentell· bestOllden : een \Vare
i11 dat ge,"al genoegzaan1.
0. De Z07tclet·lirtge g'r·atie, (lie cloo't~ llel Sacf•e,;?e,zt bctee.
l;,ertd ·zoor·clt, ,;1,oet 011s cloor lletzelve gegeve11, worde11. Tot ee11
Sacratnent, is er (la11 11iet alleeJllijlt ,·ereischt, dat men een uit. '''e11dig teel{en l1ebbe, ''all Cl1ristus ingesteld~ 't'''elk ee11e zontlerliJlge gratie beteeke11t, &lt;lie OilS daar gegeve11 \vordt; er is
&lt;laarellbO\"en ten laatste 11og ' ereiscl1t, dat die zoJlderlinge gratie. \Vellte beteeltend \vordt, 011s door dat teeken zelf gegeve11
''"orde.
'V'at beteelte11et1 die '':-oorden : 07lS (loo;~ llelzelve gegeve11
lt..:OiYle~z? Zij flrulil{ell ttit, dal \vij, door J1et. gehruili aileen ,.a11
ee11 Sacrarne11t, c11 bijge,~olg zonder onze cigene verdienste11 e11
zonder die des bedienaars ,.a11 het Sacran1e11t, (lie ZOJlderlinge
gr·aiie 011 tva11geJ1, \Vell~e (\aar Ui t\Vell&lt;l iglijk ueteeliend \VOrdt;
of i11 andere \voordetl, dat l1e.t ontva11gen Yan ee11 SllCranleilt,
11iet alleenlijk ee11 goed \verlt is, zooals bidden, ,~asten, leetl'''ezetl l1ebben. '''aardoot" '':oij, als '''ij I1et \vel doen, Gods gratie
l\un11en ,~erdie11e11; n1aar dat l1et 011 zij11 eigen ee11 middel is,
,,~aaruoor \Vij, bo,'ell e11 lJtti le11 onze eige11e v~r&lt;lie11ste11 e11 cl~e
''all den bedienaar, &lt;lie zotlderlinge gratie, 'vellte daar beteel\.entl
'''ordt, ·ver){rijgen. '''an11eer wij ee11 Sacrame11t 011tvange11 of
1Jcdiet1e11, l1ebbe11 \Vij \Vel verclieJistell 'roor l1et goe(l \Verk dat
\Vij &lt;loe11, n1aar bove11 e11 buite11 die ,·erdienste11, '?erltrijgt clegeJle, die l1et Sacratt1e11t ot1tvat1gt, 11og &lt;loor l1et Sacra111ent zelf
&lt;lie gralie, die door l1et Sacratne11t beteekend ''ror(lt. ':an dit
bekoi11e11 cler gocl&lt;lelijl\e gratie door cle l\racllt 'ra11 ltet SacraIllellt, l~u1111en ''"ij zo11der moeite zeer l\lare ,~oorbeel&lt;lell aat11lalet1. Een 11as gebore11 ltind, dat ged
\VOr&lt;lt, OJlt,rangt door
dat Doopsel de l1eiligmakende gra -,.... 1 et ont, angt {lie gratie
1

1

,_

�850

VIERDE DEEL. -

29ste LES, tsto \·R.

IlOCll door zijne verdienste11, aangezie11 het 11iet i11 staat is on1 te
''el'die11en; llOCll door de vercliei1ste11 'ra11 de11 doo11er, de\vij 1 die
gratie gegeven \Vordt, 't zij de bedienaar 'ra.l1 l1et Sacran1e11t in
goede11 of in slecl1te11 staat \Veze, e11 daarotn, 't zij I1ij door
zijn 'verl\. i~ts bij God ,~erdie11e of nict; maar door de lirach t van
bet Sacrame~~t:Insgelijks iemand, die inet een Onvolmaakt berou\v (loodzonue11 biecl1t e11 de absolutie 011t,:-a11gt, beltoint '=-ergilfeilis van zijne zonde11 : '''elite gratie l1ij ooli niet 'rerlirijgt,
11och door zij11e eige11e verdie11sten, 'yern1its 1ne11 ee11 ,~oiinae:ll\.t
berouw moet l1ebbe11, om zonder Sacratueut ,~ergilfe11is ,~ail doodzondeil te beliomen; 11ocl1 door cle ,·erdiez1ste11 va11 de11 priester,
die de absolutie gecft, naardie11 l1et Ollverscllillig is, 't zij dezc
in goede11 of i11 slecl1ten staat \Veze, 't zij l1ij 'reruie11e of 11iet;
1naar
\Vel door de ltracl1t va11 bet Sacrame11t der Biecl1t.
.
l\1aar hoe liall me11 zegge11 dat de Sacra111enteil &lt;loor zicl1 zel•
ell de gratie ge''ell, '''elke zij beteelie11e11; l1oe liall ee11 stoll'elijl\.
teel\.ell de goddelijlie gratie instorte111 nle11 zegt n1et rede11 dai
de 1-Ill. Sacralne11teJ1 de gratie i11storte11, omdat zij 11iet slecltts
eill\.ele 'roor\vaardell zij11, clie 'ran alle eige11e \Veerde beroofcl
'veze11, e11 bij ''relli'er 'yer,rulliilg uit l1oofde tler i11stelling ,.a11
Christus de gratie gegeYell \Vordt, n1a,1r \vezelllijli de \vcrl\ell
,ran Cl1ristus zij11, en zoo i11 de ooge11 va11 God \Veerde ltcbbe11
om zij11e gratie te belion1e11. 'Va1111eer Cllristus i11 zij11 sterfelijl~
1eve11 aan de zondaars zeide : '- u''"e Z011de11 zij11 11 ,.e.~gcveJl ,,
en aa11 de A11ostelell : " Otlt,:-angt de11 If. Geest, "'ier zo11deit gij
,, ,,.erge,ren zult, dien zij11 zij 'rerge,~eJl, e11 ,,·ier zo11deJ1 gij zul t
, ,, 11ouden, dien zij11 zij gel1ouden; ,, dezc ,,,.oorde11 ,,~aren ,·oorzeker 11iet slecl1ts ee11e te ':-ervulle11 '"OOr\vaarde opdat C~od die
,,ergilfe11is e11 die n1acbt· zou verlee11d l1ebbc11, 111aar zij ltaddc11
daartoe '''eei. de e11 zelfs ee11e onei11dige ''"eer(le, uit I1oofdo ,.a11
cle persoo11lijl~e 'rereenigi11g del' n1eJ1schelijl~e ll&lt;ltttur i11 Cltristus
nlet den t\veedell l&gt;erso
er H. Drijvul(liglleid, Cll Olll reuell (}Cr
bet liruis. " 7el11u, ''ra1111eer (lc '''et,·erdiet1ste11 zij11er doo
\ 1

�\:-IERDE DEEL. -

•

29~te LES,

I ste ·vii.

851

tige hedienaar de Sacrame11ten toedie11t, dit is zoo·veel alsor
Christus zelf dit deed, aangezie11 cle flie11aar l1et in Cltristus'

11aa1n e11 door Cllristtts' 1nacl1t doet. Dit is bijzonderlijk lilaarblijliend i11 de consecratie (ler ~fis, waar de priester ui tdrulil\elijli
in Cl1ristus' 11aan1 spreekt. 'Vaaruit volgt dat de Sacramenten
rler Nieu\ve \Vet weze11lijk uit zicl1 zelven \Veerde en zelfs eene
oneiJl(lige \Veerde hebben, on1 Gods gratie te bekomen.

De Sacrame11ten zij11 dus geene enl\.ele menschelUlie \verken,
maar l1et z~j11 \Verl(en ,,·elke Cl1ristus, de Gocl-metlscll, door de
tttsscllenliomst zijner afgezanten, ttit,roert. en door de,velke Hij
de oneindige ver(lie11sten i11 zijn heilig lijde11 en dood bekotnen,
aa11 cle geloo, igen toepast.
7

Geheel ile ma11ier dus, op de\velke \Vij de gratie door de
Sacratnente11 bel~ornen, bestaat l1ieri11 : 't is God e11 God alleen
(lie de gratie n1ei der daa(l ,·ergunt e11 ze i11 onze ziel stort; ''ra11t
&lt;le'''ijl zij ee11c ''rare god&lt;lelijlte gave uitn1ae:tkt, zoo ka11 zij n1aar
(loor Go(l allee11 gege,re11 \vorden. - De algen1ee11e en de laatste
reden, \Vaaroill Go(l zij11e gratie 'rergu11t, is de doo(l van Cllristus, door de,v·ellie ,,.oor.. de ZOll(le ' 10l(laaJl, en de l1erstelli11g ':oa11 l1et leve11 der gratie verdieJl(l is ge\veest. E11 de reden
on1 '''ell\e God bij l1et ont'"a11gen der Sacratnente11 zijne gratie
ittstort, is dat die Sa.cratne11ten \Verken zijn, \Vellie Cl1ristus, de
God-Jtlenscll, '"erriclrt om &lt;le gratie, \Vell\.e I-Iij (loor zijne &lt;lood
'rerdie11d 11eeft, ons toe te passe11. (1) Hieruit blijl\.t l1eel (]uidelijlt,
dat de Sacr!llllelltetl '''eze11lijk door zicl1 ze1,re11 011s de gratie i11-

(1) Do go&lt;lgoleerden noomen God de causa llh!!Sicl' dier gl'atie, omdat bet
liij \vczonlij It is~ die de gratio met der daad instoa·t; bet lijden en de &lt;lood
van Christus noenten zij de causa ,n,o)·alis (h. e. mo\·ens facultates n1orales,
intcllcctun1 ct voluntatem, alterius ad aliquid faciendum) p,·i1lCiJJalis, om&lt;lat zij l1et zij n, die deze gratia vea·diend hebben; en de Sacramenten de
causa 1no)·alis instJ·zunentalis, ontdat zij God op cene onfeilbare wijze be\vegen ont de gratia door· Christus reeds verr1!!\ aan dengenen, die het

Saca·amcnt ontvangt, te vergunnen,

J:~~
-

'

1

�-

852

\"IERDE DEEL. -

29ste LES, 1sto \"R.

,..

storten, daar zij i11 Cl1ristus, 11aa1n gedaa11 zijn(le, kra.cbt l1ebbe11
on1 God op eene
011faalbare \Vijze tot l1et ge,:-e11 der gratie te
.

be'''ege11.
Uit l1oofde dezer ltracht. die total de Sacrame11ten der Nieu\ve
'''et vereiscllt is, 111oetetl al deze Sacrat11ettte11 11oodzal\elijl\.
door Cl1ristus, die God e11 ·'111e11scll is, i11gesteld zijn; \v·a11t. l1cl
zij11 zijz1e ''rerl\ell aileen, door Hen1 zelve11 of door zij11e gezante11
'"erricht, die door llUlllle eige11e 'veerde de goddelijlie gratie,
\Velke zij beteelieilell, I\.UllJlell ge,,.el1.
7 .. Uit l1etgee11 \Vij ltier geleerd l1ebbe11, O\'er de ':-ier ,~oor­
\vaarden, die tol ee11 Sacran1e11t \ereiscllt zij11, }{ail 111e11 licl1t
O}lmaliCll hoe l1et tee1\e~1 des I-f. I'Crttis; l1et gebruil&lt;. der ,~oor­
"'·erJlell, die &lt;le If. 1\erl~ tot 011ze zalign1al\ing \Yijdt, zooals ge\vijd
l\eerse11, llaln1e11 e11 asscl1e; zel,ere gods. \Vater, ge\vij(le
.
die11stige teelie11e11 ,,.a11 I1et Oud Testa111ent, zooals rle besllijdeIlis, l1et }Jaasclllatn, tle 'vijdi11g der priesters, e11 zelfs oolt l1et
doopsel ':-a11 de~1 Ii. Joa1111es, gee11e \vare Sacrat11ente11 zijn.
Het teel{ell des I-1. l{ruis is ''rel een uit\,rendig teeliell, e11 ltet is
\Vaarscl1ij11lijk ool~ door Cl1ristus ingesteld, 111aar l1et heteel\ent
g'eene Z011derlit1ge gratie, e11 stort er 011s oo\'- door zicl1 zelf
gee11e in : .het beteelte11t allee11lijk, dat \vij Cl1ristene11 zijn, e11
·voor l1et bekome11 'ra11 gratie is l1et e11l\el die11stig gelijl\ ee11 ail(\er goed \veri~, zooals bij ''oorbeeld bitlde11, vaste11 e11 a11dere
goede \Verken daartoe die11stig zij11 .
. De ge\vijue 'roor'''erpei1, die de I-I. l(erli ous geeft, zU11 ,,~el
uit\\'elldige teeke11el1, maar zij zij11 door Cl1ristus 11iet ingesteld,
en beteeket1e11 ool\ geene zo11derlinge gratie, 11ocll storte11 ons
geene gratie i11. Zij zij11 eill\.el i11gesteld door cle I-I. 1\erl{:
1net ze te gebruil\.en. beteelieilell \Vij 11iets a11ders da11 onze gou''l'UClltige ge,~oelells; en i11 ]llaats va11 011s gratie i11 tc ,storte11,
}lasse11 zij 011s alleeJl~ijl\ de gebede11 toe, die de I-I~ l(erl\. ir1 l1unJ1e
wijdi11g er over gesp
eeft, e11 (loor de\\"ell\e (]eze 'l'oor ons
allerlla11de zegen i11get1
t ge\'r_aagd.

�•

VIEIWE DEEL. -

29ste LES, }Ste VR.

853

De heilige teekenen van het Oud Testament en het doopsel
van den H. Joannes waren wel uitwendige teekenen; zij waren
rloor God ingesteld en beteekenden eene zonderlinge gratie,
die Christus door zijne dood aan het menschdom mocst verwerven, te weten, de vergiffenis der zonde en de vriendschap met
God; ma~r zij hadden de kracht niet, om door zich zelven ,ons die
graJie in te storten. Die gratie nogtans kon wei bekomen worden door degenen, welke die teekei1en gebruikten, doch niet uit
kracht van die teekenen, maar alleenlijk uit hoofde van het geloof. de hoop, de liefde en het berouw van den persoon, die deze
teekenen ontving. Buiten en hoven hetgeen wij door onze inwendige gesteltenis bekomen, als \Vij een Sacrament der Nieuwe
'Wet ontvangen, verl&gt;rijgen wij nog die overgroote gratie, welke
aan ieder Sacmment eigen is; terwijl men in de Oude \Vet, buiten en hoven hetgcen men met dat teeken te ontvangen verrliende, niets verkreeg. - Het is waar dat ''olgens het gemeen
gevoelen de uesnijdenis bij de 1\inderen de erfzonde wegnam en
de gratie ins torte; en dat zij bijge,·oJg niet min dan onze Sacramenten de gratie, welke zij beteekende, schijnt ingestort te hebben. Doell zij was geen waar Sacrament, gelijk de onze het zijn.
Tot het bekomen der heiligmakende gratie, gelde zij enkel als
eene voorwaarde door God ingesteld, die te vervullen was om de
gratie te verkrijgen : zij harl daartoe door zich zelve g:eene eigene
weerde, omdat zij op geener wijr.e het werk van Christus was. Hetgeen wij hier no pens de besnijdenis opmerken, geldt ook voor
het tceken, dat bij de Joden, wanneer de besnijdenis geene plaats
ving, en bij de andere natien, waar de besnijdenis niet gekend
was, de plaats der besnijdenis innam, en gelijk cle besnijdenis
het kind aan den waren God toewijdde.
Integendeel wij vinden, bij voorbeeld, in de Biecht, al het-....._
geen er tot een waar Sacrament ve,·eischt is : in de rouwmoeflige bieci1t, die de zondaar stn·e~in het opleggen der
penitentie en in de absolutie van dei~·;,~:rJ'lester hebben wij een

�854
uit\vetldig teel\.ell; dat teeken is ':-a11 Cl1ristus ingesteld, \Valllleer
•
Hij aan zij11e Apostele11 de macl1t gege,~etl l1eeft on1 de zo11den te
verge\"etl of tQ \Vederlloudeil; l1et beteelte11t uitdrul\kelijli ee11c
zottderli11ge gratie, fl ie daar gege,'ell '''ord t, te '''eten, de ,·ergiffeilis (ler zo11det1; en l1et \Verkt die zotlderlinge gratie door
zicl1 zelf uit, zo11der de ''erdie11sten '"an de11 n1enscll. die zijne
biecl1t gesproke11 l1eeft, of zonrler die va11 de11 priester, diQ (lc
absolutie geeft.

-

2. ''. Hoeveel SaCJ"a'11'te,~te~~ ziJ· '~ er?
A. Zeve11 .
.
De Catecl1isn1us, 11a gezegd te llelJbeJl, wat ec1z Sac;,ar;z.eJlt is,
begi11t 11u te sprelteJl ovea' de t\veede grondvra&lt;lg 11a.n1elijli : O/
el.. tD(lre Sacra·Jllerltert best(tart, ert toellie cr· beslall7l. I-I ier
vraagt l1ij : lloeveel Sacr·a1JlC1'l.lc'~ er· zi,jrt; "t is te zeggen, lloe'reel ttit\vendige teelte11e11 er bestaan. die va11 Cltristus ingestel(l
zijn, en eene zo11derlinge gratie beteeketten, die zij 011s door
zicl1 zelvcn ge,~en: e11 l1ij atlt\\~oor(lt, dater zeve1z zulke teelienetl bestaa11; dat is, dat er ze,·e11 ,,.ersclli II ige ui t \Velltl ige tee l\cnen bestaan. die alle11 '"all Cl1ristus zij11 i11gesteld, en ee11e.
zonderlinge gratie beteekene11, die zij ons door zicl1 zelven geven.
1\faar \Vaarom heeft Cltristus die ltit\ve11dige teeltcne11 \VilleJl
iilstelleil otn 011s de gratie, \Vellte 1-lij 011s ,·erdiend l1ad, tllefle tc
deele11; ltOJl Hij 011s zijne gratie zonder die teeliencJl 11iet ge,·e111
Iiij kOil onget\vijfeld ons zijlle gratie ge,ren ZOllder die uit\\'endige
teel&lt;.enen, rnaar Hij lteeft dit 11ogtans zoo 11iet \Ville11 doe11, Oilldat l1et met onzc 11atuur n1eer o''er·eeJlltoJnt, &lt;loor uit\ve11clig~
teeke11en de goddelijl\e gratie te OJ1tva11get1. Voo;·ee;~st, de,vijl '''ij
uit ziel eJ1licl1~1n1 bestaa11. e11 bijge,rolg Gocl nietallee11lijlt in,vetldig maar oolt uit\veJl(lig moe~~ll eere11. betaan1de ltet teJ1l1oogste,
dat l1et \Verk. 't 'vell\.
tus 011s OJ&gt;leg(le on1 ee11e zondcrli11ge
.leer1 itl\vendig n1aar ook uit,vendig
gratie te Ot1tvat1gei1 11i

�•

855

Te11, ltveede, de\vijl \Vij de uit\vendige zake11 geJnakkelijltst en zekerst ken11e11; l\.011 Christus. om 011s over l1et

zoude zij11. -

OJ1t'"at1ge11 der grat.ie zelterl1eid te geven, 11iet lJeter doe11. dan in
te sleller1, clat zijr1e gratie door uit\ve11dige teekene11, die 'vij
zo11der moeite e11 met \Olle zelterl1eid '''aarnemen, ons zoude
ingestort \vordeJl. - Te'~ cle;'cle, l1et gebruil\. der uitwe11dige
teeke11et1
der Sacran1e11ten be,rat i11 zicl1 de oefe11ing ,~a11 vele
.
~ &lt;1eugden : ltet is ee11e O}le11bare belijde11is ,·an ltet geloof, ee11
•
ope11baar '''erk ,~a11 gods(liet1stigl1eid e11 ootn1oedigheid, ee11e
o'rer,vin11ing op l1et IneilSCllelijl\. opzicltt. - Te7't vier·cle, die
uit,,re11llige teei\.CilCil dier1e11 11og tot 011s OJlder\''ijs : zij too11en
ons ''"elke gratie \Vij Otlt,rangen; 't geen ons l1oogst voordeelig
is, daar 011s verste:i11d zoo gesteld is, dat l1et ,.a11 de ziililelijke
dit1ge11 tot de geestelijl~c n1oet 011klinlmen. - Eitldeli.j/t, ltet gebruili der Sacramer1tei1 die11t 11og recl1tstreel~s on1 al fle geloo'rigeil ill eeJle 'rergadering, ill eeile l{erlt te ,·erzatllelen, ell zoo
l1et bestaa11 e11 de be\,~ariug der H. l(erl\. te be\orderell : 111et
de SacratllenteJl te Otlt,·atlgen zij11 itn111ers cle geloovige11 ,~all de
011gelooviget1 opet1baarlijk Otldcrsclleiden. e11 worde11 zij 111et de
o,·erst.en, die de SacrattletlteJl bedie11eJ1, en met elka11der i1111ig
''erbonde11.

3. ''. Zeg cle zeveJz. ,c;a.Ci"a.nz.e,?.tert?
A. I. I-let Doopsel. 2. I-Iet Vormsel. 3. Het H. SacraJllCJlt cles Altaars. 4. De Biecl1t. 5. 1-Iet I-I. Oliesel.

6. Het Priesterschap. 7. IIet Htnvelijk.
1. J-Iier leert ons de CateclliSillUS de11 11aat11 kent1e11 &lt;ler zever1
HH. Sacl. atllCJtten; i11 tle ,·olgende lesse11 zalltij otts ,~oorstellen,

l1oe zij '"a11 ell\aJtder ,·erscllilletl of \Vat er aa11 ieder eige11 is.
2. l\~Iaar \\"aaro111 lteeft Cltristus joist ze,"ell Sacrat11et1ten,

niet min noch meer, willen instelle~= reflen is, dat er tot
het geestelijk leven (rlat is te zeggen. \·~~~an God te behagen en

�854
uit'''eilclig teelieil; dat teeltell is va11 Cl1ristus i11gesteld, 'va1111eer
•
Hij aa11 zij11e Apostele11 de n1acl1t gege,re11 heeft om de zonden te
verge,re11 of tQ '''ederl1ouden; l1et beteelient uitdrul{l\.elijk ee11e ·
zot1derli11ge gratie, die daar gegeve11 \Vordt, te \vete11, (}e ,~er­
gitreJlis fler zoi1de11; e11 l1et 'verltt die zonderlinge gratie cloor
zicl1 zelf uit, zo11der de verdie11stez1 '"an de11 met1sc11 . &lt;lie zij11e
biecbt ges}lrokeil l1eeft, of zonrler die va11 de11 Jlriester, £lio de
alJsolutie geeft.

-

2. ''. Ifoeveel Sacra'J1le,'tte'~ zij '~ er?
A. Zeve11 .
.
De Catecllistllus, 11a gezegd te l1ebbe11, wat eert Sacr•aJJle1lt is,
begint 11u te spreke11 o':-er de t\veede gro11d, raag Ila111elijl\. : O/
1

er war·e Sacra'l~e,zte,.., bestaa11, e'1 'lvellle er· bestaa1z. II ier
vraagt l1ij : lloeveel Sacr·a7i'le7lle71 e; . zi.jrt; . t is te zeggcn, lloe''eel uit'''endige teel\eileil er bestaa11, die ':oa11 Cl1ristus i1igestel(l
zijn, e11 eene zot1derli11ge gratie beteekene11, (lie zij 011s door
zich zelven ge,"ell : en l1ij ant\\roordt, dat er zevert zullie teel{eIlell bestaa11; dat is, dat er ze\re11 'rerscllillige ui t\ve11d ige teelteJlen bestaa11. £lie alle11 van Christus zij11 i11gesteld. e11 eene
.
zot1derlit1ge gratie beteek~ne11, die zij 011s door zicl1 zelven ge,ren.
1\laar 'vaarom l1eeft Cl1ristus die uit'''endige teeltet1e11 wille11
instelle11 o1n 011s de gratie, 'vellte Hij 011s \"erdiend I1ad, 111ede tc
deele11; I&lt;. Oil Ifij ons zijne gratie zonder die teekenen 11 iet ge,ren 1
Hij kon OJlget\vijfeld ons zijne gratie geven zonder die uitwe11dige
teeke11en, maar I~ij heeft dit 11ogtans zoo 11iet \Villen (loe11, omdat I1et met onze 11atuur meer overeeJlltOillt, floor uitwe11dig~
teelte11e11 de goddelijl{e .gratie te ontvangen. Voo;,.ee1"St, de,vijl wij
uit ziel en licl1~1.m IJestaan. en bijge,rolg God nietalleet1lijlt in,veildig maar ool\ uit,ve11clig moeidll eere11. betaam(le l1et tet1l1oogste,
dat ltet werk. ,t \Velli
tus 011s oplegde om eene zo11d~rlinge
gratie te ont''aJ1ge11 11i
... een . iJl,ve11dig maar 6olt uit\ve11dig
~

I •

•

�•

V!ERDE DEEL. -

29ste LES, 3de VR.

855

:zoude zijn. - Ten tweede, dewijl wij de uitwendige zaken gemakkelijkst en zelwrst l;;ennen; kon Christus, om ons over het
ontvangen der gratie zekerheid te geven, niet beter doen, dan in
te stellen, dat zijne gratie door uitwendige teekenen, die wij
zonder moeite en met volle zekerheid waarnemen, ons zoude
ingestort worden. - Ten derde, het gebruik der uitwendige
teekenen der Sacramenten bevat in zich de oefening van vele
· deugden : het is eene openbare belijdenis van bet geloof, ~en
openbaar werk van godsdienstigheid en ootmoedigheid, eene
overwinning op het menschelijk opzicht. - Ten vierde, die
uitwendige leekenen dienen nog tot ons onderwijs : zij toonen
ons welke gratie wij ontvangen; 't geen ons hoogst voordeelig
is, daar ons versland zoo gesteld is, dat het van de zinnelijke
dingen tot de geestelijl;;e moet opklimmen. - Eindelijk het gebi·uik der Sacramenten dient nog rechtstreeks om al de geloovigen in eene vergadering, in Mne Kerk te verzamelen, en zoo
het bestaan en cle bewaring der H. Kerk te bevorderen : met
de Sacramenten te ontvangen zijn immers de geloovigen van de
ongeloovigen openbaarlijk onderscheiden, en worden zij met de
Oversten, die de Sacramenten bedienen, en met elkander innig
verbonden.

3. V. Zeg de zeven Sacramenten?
A. I. Het Doopsel. 2. I-Iet Vormsel. 3. Het H. Sacra-

ment des Altaars. 4. De Biecht. 5. Het I-I. Oliesel.
6. Bet Priesterschap. 7. Het 1-Iuwelijk.
l. Hier leert ons de Catechismus den naam kennen der zeven
HH. Sacmmenten; in de volgende lessen zal hij ons voorstellen,
hoe zij van elkander verschillen of wat er aan ieder eigen is.
2. Maar waarom heeft Christus juist zeYen Sacramenten,
niet min noch meer, willen insteuem reden is, dat er tot
het geestelijk Ieven (dat is te zeggen, \:~~-an God te behagen en

�856

VIERDE DEEL. -

2gste LES, 3d~ VR.

Hem gelijk Rij bet vereischt te dienen) zeven verschillige zaken
noodig zijn, die ten valle overeenstemmen met de zeyen bijzon&lt;lerste behoeften van het lichamelijk !even; en in· i(lder ._de_zer
zeven geestelijke noodwenrligheden lleeft Christus door: een
bijzonder Sacrament willen voorzien.
;·
Tot bet lichamelijk Ieven is bijzonderlijl( bet volgende vereischt : ten eerste, men moet geboren worden; ten tweede,
men moet de kracht hebben van op te groeien en tot den vollen
wasdom t~ komen; ten derde, men moet voedsel hebben, om
bet leven te bewaren, want zon&lt;ler voedsel zou men sterven bij
gebrek aan kmchten; ten vierde, als men ziek is, heeft men
geneesmiddelen noodig, om de gezondheid weder te bekomen;
ten vijfde, in ge"\Taar van sterven, wordt er bijzondere zorg,
bijstand en hulp vereiscbt; ten zesde, opdat de orde in de
samenleving zou blijven bestaan, moeten er menschen zijn, die
zich de zorg van bet openbaar bestuur aantrekken; en ten zevende, daar wij aan de dood onderhevig zijn, moeten anderen
tot instandhouding van het menschelijk geslacht, geboren worden en ons opvolgen.
'Velnu, in !let geestelijk Ieven vinden wij zeven dergelijli.e
behoeften, in welke Christus door zeven verschillige Sacramenten heeft willen voorzien. - Ten eerste, men moet tot het
geestelijk Ieven geboren worden, of dat Ieven voor de eerste
maal ontvangen; en daartoe client het H. Sacrament des Doopsels. - Ten tweede, men moet in dat Ieven opgroeien of dat
levan ten valle bekomen; en &lt;lit wordt ons gegeven door het
Sacrament des Vormsels.- 'ren derde, men moet, om het geestelijlt Ieven te kunnen bewaren, gespijsd en versterkt worden; en
die spijs vinden wij in het H. Sacrament des Altaars. - Ten
vierde, wanneer wij na het Doopsel wederom in zonden gevallen zijn, hebben wij geneesmiddelen noodig, om ons van de
ziekte der zonde te gEn; en dit geneesmiddel is het Sacrament der Biecht. - WtVijfde, wanneer wij in gevaar zijn van

�•

VrERDE DEEI,. -

29ste _LES, 4do YR.

857

sterven. hebben wij eene bijzondere gratie noodig, om de pijnen der 'fiekte verduldig te lljden, om de hevige bekoringen des
dujv~ls te Iiunnen overwinnen, en om gansch gezuiverd te wor_:den;_~·an aile zonden en scbulden; en die gratie bekomen wij
doot; het Sacrament van bet H. Oliesel. - Ten zesde, wij moeten de baan van bet geestelUk Ieven bewandelen of God dienen,
nietafgezonderd van aile anderen, maar in de H. Kerk; en eene
maatscbappij l{an niet bestaan zonder oversten : welnu, cleze
oversten worden gezalfd door het Sacrament van bet Priesterscbap. -Ten zevende, daar de H. Kerk moet voortduren tot bet
einde der wereld, zoo moeten er nieuwe geloovigen aan~e­
kweekt worden in de plaats dergenen, die afsterven; en dit
geschiedt cloor het Sacrament van het Huwelijk, 'twelk aan de
getrouwden gratien geeft oin kinderen tot Gods glorie op te
brengen, en zoo de H. Kerk ~an nieuwe onderdanen te voorzien. - Hieruit verstaan wij heel gemakkelijl{, dat wij in 't getal der 'sacramenten een allergl·ootste bewijs vinden der
oneindige wijsheid en goedheicl van Christus.

4. V. lVaantit hebben wij, dater zeven Sacra.rnim.ten
zi"jn noch min noclt mee1·?
A. Uit de gedurige leering en overlevering van de
H. Kerk.
1. De Catechismus, na gezegd te hebben, hoeveel en welkc
Sacramenten er bestaan, zal ol1s Limns leeren, waaruit wij dat
weten. De zin zijner vraag is : van waar weten wij met zekerheid, hoe hebben wij de zel{erheid, dat cr zeven Sacramcnten
zijn,en noch minnoch meer dan zeven; of dat de zeven genoemde
Sacramenten waarlijk van Christus zljn ingesteld, en dat Hij
buiten deze geenc anllel'C hecft ingest~
2. In zijn antwoord leert h~j ons &lt;·~~laaste en tevens eene

�858

YIERDE DEEL. -

29 510 LES, 4dc YR.

verdere bron kennen, waaruit wij weten dater zeven Sacramenten zijn, noch.min noch meer.
Welke is de naaste bron1 Het is de gecltwi.ge leering de1·
H. Ke;•k, dat is. hetgeim de H. Kerk ('t is te zeggen, het
leeremle deel der Roomsch-Katholieke l{erli., te weten, de Paus
van Rome en de Bisschoppen) aan de geloovigen ten allen tijde
nopens de HH. Sacramenten voorgehouden lteeft te gelooven,
en ons nog altijd voorhoudt. -En is deze leering het ware middel om met zekerheid te weten hoeveel en welke Sacramenten
van Christus ingesteld zijn 1 Ja, dit is het ware en het zel;.erste
middel, aangezien de H. Kerk door Christus is ingesteld om
zijne leering aan aile voll&lt;eren tot het einde der wereld voor te
stellen, en daartoe de gave van onfaalbaarheid heeft ontYangen.
Hieruit volgt, dat zij onze van God gezondene en onfaalbare
meesteres.is, in de zaken die het geloof en de zeden aangaan.
Waaruit heeft nude H. Kerk hetgeen zij ons over fle HH. Sacramenten voorhoudt? Zij heeft bet uit hare gedtwige ot~erleve1'ing. In de vierde les hebben wij geleerd, dat de H. Kerk hare leeringuit twee schatten put, te weten. uit de H. Schriftuur en uitde
Overlevering. Deze leering nu, hoeveel en welke Sacramenten
er zijn, heeft zij, gelijk de Catechismus ons zegt, uit hare gedurige ovm·levering. lnderdaad in de H. Schriftuur vinflen wij
geene volledige leering over dit vraagstuk; maar de Over! evering bevat al hetgeen wij er moeten van weten.
De eerste woorden dus des antwoords : uit de gedw·ige leering der H. ]{e'l'!t. zeggen ons, dat de H. Kerk ons over dat
punt onderwijst en zekerheid geeft; en de volgende drukken uit,
van waar de H. Ke1·k die leering heeft welli.e zij ons v·oorstelt.
3. De Catechism us stelt deze vraag voor, om te doen zien, dat.
alhoewel de H. Schriftuur op deze zaak niet heel klaar is en
geene volledige leering geeft, wij nogtans daarover ten voile onderwezen kunnen woMen volkomene zekerheid bekomen.
Deze vraag is bijzond
.' gericht tegen de Protestanten die
~

.

�•

VIERDE DEEL. -

29ste LES, 5do VR.

859

beweren, dat de H. Schiftuur de eenige bron is, waaruit wij
geheel de geloofsleering moeten putten, en dat wij niets moeten
gelooven, buiten hetgeen in de H. Schriftuur geschreven staat.

.5. V. lVelke intentie of meening is den dienaar van
noode in het bedienen det· Ileili'ge Sact:arnenten?
A. Eene oprechte meening om te doen hetgene, dat
Christus ingesteld l1eeft, of dat de H. Kerk doet.
l. De Catechismus zal van de vijfde tot de laatste vraag, over
eenige bijzondere stukken. betrek hebbenrle op de natuur der
Sacramenten, handelen, om .ons eene inniger kennis van die
natuur te geven.
. . Hier in deze vraag spreekt hij over de meening, die in den
· dienaar van een Sacrament van noode is, opflat dit Sacrament
waarlijk zou bestaan, en de gratie, rlie het beteekent, zou kunnen geven; 't is te zeggen, over hetgeen de dienaar, die het
Sacrament berlient, moet willen doen, opdat hetgeen hij doet,
een waar Sacrament zou wezen. In de eerste vraag hebben wij
geleerd dat een Sacrament bestaat in een uitwendig teeken; is
dan dit teeken, zoo dikwijls bet gebruikt \Vordt, altijd een Sacrament; moet bet, om een Sacrament te zijn. met geene bijzondere meening van wege den bedienaar gebruil;.t worden1 Bij
voorbeeld, iemand client aan een kind het Doopsel toe, doet de
afwassching en spreekt de woorden uit: .. ik doop u in den naam
., des Vaders en des Zoons en des H. g.eestes, ., wat moet die
mensch willen doen, opdat hij een waar Doopsel toediene, en
bijgevolg het kind van de erfzonde zou verlost worden : is het
genoeg, dat hij de afwassching doe en de woorden uitspreke,
'tis gelijk met welk inzicht, al ware het alleeniijk om te. lachen,
· om zich te verzetten, of om te toonen hoe men doopt; ofwel moet
hij eene bepaalde meening hebben, e1~ke is deze meeniug~
Dit is het vraagstuk dat hier opgelos. :~~lrdt. Welke bttentie

�860

VIERDE Dl&gt;EL. -

29ste LES, 5de YR.

.

of meening, zegt de Catechismus, is den dienam· van noocle in
het bedienen dm· Heilige- Sac1·amenten, 't is te zeggen, wat
moet degene, die een Sacrament toedient. willen doen, opdat
hij een waar Sacrament toediene1
2. In het antwoord leeren wij, a) welke meening rlen dienaar
in het bedienen der HH. Sacramenteu van noode is, en b) hoedanig die meening moet zijn.
Welke meening is er dan vereischt? De meening van te doen

ltetgene dat Clwistus ingesteld lteeft of dat de H. Ke1•ll rloct,
dat is, de wil van bet uitwefidig teeken, waarin het Sacrament
bestaat, tot dat einde te willen gebruil;;,en, tot hetwelk het van
Christus ingesteld is, of tot hetwelk de H. Kerk (te weten, de
Kerk. die de ware Kerk van Christus is) het gebruil;;.t. - Zijn
het twee verschillige clingen, hetgene dat Ch1·istus ingesteld
heefi, en hetgene de II. J(e~·k doet? Geenszins, aangezien de
ware Ker){ van Christ us juist doet, wat Christus lweft ingesteld;
want om de ware Kerl{ te zijn. moet zij het waarachtig gebruik
der HH. Sacramenten hehben.- En moet men, om dit te willen,
duidelijk weten, wie Christus is, of welke Kerk cle ware Kerk
van Christus is 1 Neen; het is genoeg' dat men het Sacrament
gebruike, volgens het inzicht van zijnen waren installer of
volgens het i~1zicht van die menschen. die het naar· den wil van
den installer gebruiken; want in den wil van het z66 te gebruiken, is noodzakelijk de wil besloten van het te gebruiken volgens
de installing van Christus, of volgens hetgene de H. Kerl;;, doet.
En hoedanig moet die meening of die wil zijn ''ante doen hetgen·e Christus ingesteld heeft, of dat de H. l{erk doeU Het moet
eene op1·ecltle meening zijn; dat wil zeggen, dat het niet genoeg
is uitwendig te gebaren, dat men die meening of dien wil heeft,
maar dat men inwendig waarlijk die meaning of dien wil moet.
hebben. Op1•echt is tegenovet·gesteld aan, in den sclt(jn, ge-

t'einsd of leugenacht~
3. Bijgevolg indierWI.' voorbeeld, iemand het .Doopsel toe-

�•

VIERDE DEEL. -- 29ste LES, 5de VR.

861

diende alleenlijk om er mede te lachen en te spotten, of alleenlijl&lt;
om aan anderen te toonen hoe men doopen moet; ofwel nag
indien iemand uitwendig gebaarde het Sacrament des Doopsels
te willen toedienen, maar inwendig volslrekt cHen wil niet
hadde; hij zoude geen waar Doopsel toedienen, of hetgeen hij
doet zou geen Sacrament des Doopse\s zijn, en derhalve, degene,
die zoo gedoopt wordt, zoude de gratie des. Doopsels niet beli.omen; dewijl de meening van te doen wat Christus heeft ingesteld
of 't geen de H. Kerk doet. aan den dienaar 7.oude ontbreken.
Mam· integendeel. ware er een heiden of een J;.etter. die een
kind doopt met den wil van het Doopsel toe te dienen volgens
?.ijne ware instelli!lg of volgens het gebruil&lt; dergenen, die het
wei gebruiken, het Sacrament des Doopsels 7.0U waarlijk hestaan, en het kind zou er de uitwerl\se\s van ontvangen; want
in dit geval7.ou de dienaar de vereischte meening gehad hebben.
4. Hieruit blijkt oak, dat lle bedienaar der Sacramenten,
hunne kracht of hunne uitwerksels niet moet kennen. en bijgevolg de?.e uitwerksels niet uitdl'ukl;.eJijk moet willen bekomen
om een Sacrament ge\dig toe te dienen; het is genoeg dat hij den
wil hebbe van te doen wat Christus heeft ingesteld, of wat de
H. Kerk doet. Wie immers dezen will1eeft, wil geheel bet Sacrament toedienen gelijk het is; en zoo ontbreekt er niets aan
zijne meening.
5. Maar waarom is het niet genoeg uitwendig alles te doen,
wat tot een Sacrament vereischt is; om welke reden moet die
inwendige meening daar nog hijlwmen1 De reden is, dat Cbristus, die de I-IH. Sacramenten heeft ingesteld, het ?.oo gewihl
heeft, gelijk de overlevering der H. Kerk het ons leerl; en gelijk
het blijkt uit de natuur det· Sacramenten door Hem ingesteld.
De uitwendige teekenen, die Christus als Sacramenten heeft
ingesteld. kunnen immers tot verschillige andere inzichten
gebruil;.t worden, zooals tot een natu~ uitwerksel, of om te
toonen hoe men de Sacramenten bedh· :~enz. ; en bet ware on~ ,'C.,

~-.

�862

VIEROE OEEL. -

29ste LES, ()&lt;\e YR.

betamelijk dat die teel\eneu, 't is gelijlt waartoe zij gebezigd
worden, altijd bronnen zouden zijn der goddelijke gratie. Daarenboven die een Sacrament bedient, handelt in Christus' naam en
door Christus' macht, gelijk wij aanstonds geleerd hebben; maar
niemand kan in Christus' naam en door Christus macht' bandelen zonder bet te ~villen, aangezien die wijze van bandelen
gebeel in bet willen gelegen is; en bijgevolg kan niemand een
Sacrament op eene geldige wijze toedienen, zonder de oprechte
meening te hebben van te doen hetgene Christus ingesteld heeft
of de H. Kerk doet.
6. Men merlw hier op, dater in den bedienaa~, om een Sacrament geldig te bedienen, nocb geloof, noch staat van gratie
vereiscbt is; en de reden daarvan is, dat de vruchten des Sacraments niet vloeien uit de verdiensten van den dienaar, maar uit
die van Christus, wiens plaats de bedienaar vervangt. Bijgevolg,
opdat een Sacrament waarlijk zou bestaan, is er niets anders
vereischt, tenzij dat de wettige bedienaar het uitwendig teeken
van het Sacrament gebruil\e, gelijk bet van Christus is ingesteld. en de meening bebbe van ·te doen betgene Christus ingesteld heeft, of dat de H. Kerk doet.

6. V. Wm·dt de kracltt van de Sacramenten e1·gens
door belet?

A. Ja, door de zonden, de geveinsdheid en onbekwaamheid van degenen die ze ontvangen.
I. De Catechismus, na ons geleerd te bebben, welke meening
in den bedienaar van noode is, opdat hij een waar Sacrament
bediene, gaat ons nu spreken over de beletsels, die de kracht
of de uitwerl\sels van het Sacrament kunnen tegenhouden. In
de eerste vraag bebben wij geleerd, dat de 1HI. Sacramenten
de kracht hebben, on~onderlinge gratie in te storten, well\e
zij beteelteneh; welmW/.i er geene beletsels, welke die kracht

�..

V!ERDE DEEL. -

:wsto LES, 6d 0 YR.

863

tegenhouden; of gelijk de Catechismus vraagt: wordt de kracltt
van de Sacramenten e;·gens door belet?
2. In zijn antwoord leert hij ons : a) dat er zulke beletsels
bestaau, en b) welke die beletsels zijn. - En, gelijk wij zullen
zien, onder die beletsels zijn er twee so01·ten : de eene beletten
dat het Sacrament geldig we1.e, en brengen zoo te\veeg dat dit
Sacrament niet het minste uitwerksel, 't zij nu of later, kan
hebben; de andere integendeel beletten het geldig ontvangen
van het Sacrament uiet. maar slechts het een of bet ander uitwerksel van hetzelve.
3. Well~e zijn nu die beletsels 1 De Catechism us antw"oordt:
de zonden, de geveinscllteid en cle onbekwaam!teid van degenen die ze (cle Sac1·amenten) ontvangen. - Is er hier spraak
van beletsels zoowel van den kant der bedienaars, als van den
kant dergenen die de Sacramenten ontvangen1 Neen er is alleenlijk spraak van beletsels van den l\ant dergenen die· de Sacramenten ontvangen; de Catechismus zegt immers : de zon~en,
!le geveindsheid en de onbekwaamheid van degenen die ze ontvangen. - Daarenboven, wat de beletsels der kracht van de
Sacramenten van wege de bedienaars aangaat, is er op te merken dat de vrucht der Sacramenten niet uit de verdiensteu der
bedienaars, maar uit die van Christus, wiens plaatsvervangers
de bedienaarszijn, voortkomt; en dathet bijgevolg, voorde kracht
der Sacramenten, onverschillig is, of de bedienaars in goeden of
in slechlen staat zijn. Daar is van hen, tot de lu·acht van het Sacrament, niets anders vereischt, dan dat zij het Sacrament geldiglijk be!lienen, met het uitwendig teel\en te gebruiken, gelijk
het door Christus is ingesteld, en met te willen doen wat Christus
heeft gewild, of wat de H. Kerk doet. - 1.1en hemerke nogtans •
. dat de heiligheid des bedienaars, alhoewel zij niets bijrlmge tot
de kracht van het Sacrament, ongetwijfeld client om ons buiten
de uitwerksels, die aan het H. Sacram~.gen zijn, nog andere
gratien te bekomen : indien de bediena~ .·;'!:1 staat van gmtie is,

�864

VIERDE DEEL. -

2~stc LES, Gdo VR.

..

en voor degenen die het Sacrament outvangen uit ter herte aan
God die gebeden opdraagt, welke in de berliening der Sacramenten voorltomen, zal voorzeli.er deze smeeking van God verhoord
worden en aan clegenen, die het Sacrament ontvang-en, zeer
voordeelig zijn.
Al de beletsels dan der sacramenteele ltracht, die hier geuoemcl worden, kome11 van den kant dergenen die de Sacramenten ontvangen.
4. Het eerste beletsel dat de Catechismus uoemt, is de zond~.
- Kan de zonde al de uitwerksels det• Sacramenten beletten1
Neen; zij kan wei de goddelijke gratie beletten. maar nooit
llet merltteelten, dat door eenige Sacramenten in de ziel geprent
wordt. - En kan aile zonde (le goddelijke gralie beletten? De
dagelijltsche zoncle l;.an wei den graad van gratie verminderen,
maar nooit, hoe groot zij ook moge wezen, de gratie, die aan
bet Sacrament eigen is, beletten; de doodzonde daarentegen
kan de graiie volkomenlijk beletten.
Wanneer belet nu de doodzonde het ont.vangen der gTatie? Zij
belet de gratie altijd, wanneer iemand wetens en willens, iu
staat van doodzonde ('t is te zeggen. eene doodzonde op de conscieniie hebbencle, die nog niet vergeven is) een van 11ie Sacramenten ontvangt, wellw in staat van gt•atie moeten ontvangen
worden, te weten: het Vormsel. het H. Sacrament des Altaars,
het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk; maar zij belet
ze niet in die Sacramenten. welke in staat van doodzonde mogon
ont\'angen worden; te weten, in het Doopsel en in de Biecht. En
dit lmnnen wij allerbest begrijpen; indien de vijf Sacmmenten :
bet Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, het H. Oliesel, het
Priesterschap en het Huwelijk, rechtstreeks ingesteld zijn voot·
degenen, die reeds in staat van gratie Ieven, om namelijk cle.
reeds in hen bestaancle heHigmakende gratie te vermeerdet·en,
~unnc~ zij ~oorzelte~ degenen, die ze vrijwillig tegen hunne
mstellmg, m staat • ~~doodzonde ontvangen, de eerste heilig-

�..

V!EltDE DEF.L. -

2gsto LF.S, 6&lt;1° VR,

865

makende gratie niet instorten,.dewijl dit ten volle met hunne bestemming zoude strijden. Daarentegen het Doopsel en de Biecht,
die ingesteld zijn om den mensch van .den staat van zonde tot den
staat van gratie ovet· te brengen, zijn natuurlijk geschikt om
ons de eerste heiligmal;:ende gratie in te storten, en worden bijgevolg door den staat van doodzonde, in well;:en zij ontvaugen
worden·, op geener wijze belet ons de gratie te geven : waren zij
daardoot• belet de gratie in ons uit te werken, clit zoude ook
rechtstreeks tegen hunne bestemming zijn.- 'wij hebben gezegd,
dat de doodzonde het bekomen det• gratie belet, wanneer een Sacrament, dat in staat van gratie moet ontvangen worden, wetens
en willens ont&gt;angen wordt in staat van doodzonde : wij hebben
de woorden .. wetens en willens .. daarbij gevoegtl, omdat ltet
waarschijnlijk is, dat indien iemand ter goedet• trouw een Sacrament, 'twelk in staat van gratie moet ontvangen worden, in staat
van rloodzonde on tYing, wel meenende dat hij in staat Yan gratie
is, en te zamen ecn onvolmaakt berouw over zijne zonden hebbentle, hij de heiligmakende gratie zoude bekomen; dewijl de H. Kerk
~chijnt te lceren, dat de I-Il:l. Sacmmenten volgens Gods goedheid altijd de gratie instorten, wanneer de mensch er vrijwillig
geen beletsel aan stelt.
Hiet·uit volgt dat iema111l, die in staat van doodzonde wetens
en willens het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, het
T-1. Oliesel, het Priestet·schap of het I-Iuwelijk zou ontsangen,
cloor die Sacramenten niet tle minste gratie bekomt, als hij ze
ontvang-t; integemleel h~i zoude zich aan eene zeer groote lteiligschenderij plichtig maken. Doch ware er iemanrl die rleze
Sacmmen ten in staat van cloodzonde, zonder het te we ten,
onLYing, en tevens een mwolmaakt !Jerouw over zijne zonden
had, hij zou waarschijnlijk door die Sacramenten Yergiffenis
'zijner zonden bekomen en de heiligmakende gratie ontYangen.
- Het. is nogtans waarschijnlijk, gelijl~ een weinig Yerder
zullen zeggen, dat eenige Sacramenten. ~\v.'~.i gelrlig doch .zondet·
. -""

�866

VJERDE DEEI.. -

29 510 J,ES, 6de VR.

vrucht ontvangen zijn geweest, later de gratie, welke zij betee:..
kenen, instorten, namelijk wanneer de mensch zich in dien
staat bevindt, waarin hij zich zou moeten bevonden hebben,
wanneer hij het Sacrament ontving.
Men merke hier op, dat de Sacramenten, die in staat van gratie moet~n ontvangen worrlen, Sacramenten de1· levenden, en
die, welke in staat van doodzonde mogeu ontvangen worden,
Sacramenten dm· dooden genoemd zijn~ Deze namen hebben
den volgenden oorsprong : het leven bestaat in het vermogen
van zich door zijne eigene krachten te bewegen, van iets door
zieh zelven uit te werl&gt;.en : welnu wij kunnen geene werken,
die in de oogen van Gorl voor den heme! verdienstelijk zijn,
verrichten zouder de heiligmakende gratie, of wij kunnen voor
den hemel niet Ieven, niet verdienstelijk in de oogen van God
Ieven, zonder de heiligmakende gratie te bezitten : en daarom
worden degenen, die de heiligmal;.eJHle gratie bezitten, de levenden genoemd (dat is, de levenden voor den heme I); terwijl de
anderen, die in doodzonde ziju, en bijgevolg de heiligmal;.ende
gratie niet bezitten, de dooden (de dooden voor den heme!)
genoemd worden. Diensvolgens, de Sacramenten welke ingesteld
zijn voor degenen, die cle heiligmal;.ende gratie bezitten, noemt
men met recht Sacramenten der levenden. en de anderen, die
clienen voor degenen, die in doodzonde zijn, Sacram.enten dm·

dooden.
Men bemerl;;e nog, dat het uit de natuur &gt;an ieder Sacrament
vloeit, of het een Sacrament de1· levenden of een Sacrament
de1• dooden is. Het Vormsel, hetwelk het geestelijk !even, do01·
het Doopsel ontvangen, ontwikkelt en tot den volmaakten wasdam brengt; het H. Sacrament des Altaars, 'twelk de spijs is
van het geestelijk Ieven; het H. Oliesel, .'t welk bet geestelij 1&lt;
leven in de grootste en uiterste worsteling tegen den boozen
vijand, die onze ziel.t te dooden, komt ondersteunen; bet
Priesterschap en het IJ'.i,elijk, die l\racht geven tot twee bijzon-

�VIERDE DEEL. -

'"""

~gsto LES, 6de VR.

867

dere werl{en van het geestelijk Ieven, te weten : de anderen
bestieren en ter zaligheid helpen, en· nieuwe onderdanen der
i·I. Kerk aankweekeu; zijn zoovele Sacramenten welke ongetwijfeld veronderstellen dat het geestelijk Ieven (de· heiligmakende gratie) reeds iu den mensch is, door wien zij ontvangen
worden. Niet een doode, maar een levende kan opgroeien en tot
vollen wasdom komen; niet een doode maar een levende wordt
gespijsd; niet een doode maar een levende heeft te worstenlen tegen den vijand zijns levens, en moet in de worsteling
ondersteund worden; niet een doode, maar een levende kan
macht ontvangen tot een bijzonder ambt of werk. - ln.tegen~
deel het Doopsel, door hetwelk wij tot het geestelijk leven
geboren worden, en de Biecht door dewelke wij van de dood,
die wij in het geestelijk Ieven ondergaan hebben, verrijzen, verondcrstellen geP.nszins dat het geestelijk leven reeds in den
mensch bestaat : want niet de levenden, maar die, welke nog
niet lev en, worden door de geboorte i.ot het Ieven gebracht; en
niet de levenden, maar de dooden verl'ijzen. - Uit deze vergelijldng nogtans, mag men niet besluiten, dat de twee Sact·amenten der dooden niet mogen ontvaugen worden, tenzij in staat
van doodzonde; want beide vel'lossen den mensch van de dood
(de geestelijke dood), met hem vergiffenis te schenken van zijne
zonden. Welnu eenieder verstaat, dat Mne en dezelfde zonde
meer dan eens lmn vergeven, en de zondaar meer uan Mns in
vriendschap heraangenomen worden. Een vauer kan immers
meermaals 6ene en uezelfde fout aan zijn kind vergeven, en wij
lwnnen eenen vrieml, die ons Mus beleedigd heeft, dikwijls in
vriendschap heraannemen. En men zegge niet, dat de vergiffenis geene plaats kan grijpen, waar er niets meer i.e vegeven is;
want de vergill"enis, gelijk het berouw, veronderstellen geenen
wezenlijken staat van zonde, maar alleenlijk eene zonde die
bedreYen is geweest, en het is gelijk of~ reeds •ergeven zij
of niet. Eene zonde Mms bedreven blijf;·w~~u hetreurensweet·-

�768

YIERDE DEEL. -

2951" LES, Q&lt;le VR.

·-

dig; en bet leedwezen dat men over eene zonde heeft, blijft altiju
weerdig door den persoon, die beleedigd is geweest, aangenomen
te worden en vergitfenis te bekomen. De vergitfenis bestaat
eigenlijk in eene vrijwillige akte van den beleedigden persoon,
door wellte hti van het recht. dat l~j tegen zijnen beleediger had,
afziet; en deze verzaking ltan hij voorzeker vernieuwen zoo vee!
hij wil. - Insgelijks mag men uit die vergelijking niet besluiten, dat men om bet Sacrament der Biecht te ontvangen, doodzonden zou moeten gedaan hebben, en zoo de geestelijlte dood
gestorven zijn; want de dagelijksche zonde is een beginsel der
uood~nde, een stap tot de dood van onze ziel; en dat Sacrament, 'twelk degenen, die na bun Doopsel wederom de dood
der zonde zijn gestorven, doet verrijzen, dient voorzeker ook
om diegenen te genezen en in voile gezondheid te llerstellen,
die ziel;. zijn en in gevaar zijn ''an sterven : bet middel, dat
eenen doode l&gt;an doen verrijzen, kan voorzeker ook eenen zielie
genezen.
5. Het tweede beletsel is de geveinsdheid. - Wat verstaat
men door dit woord 1 De geveinsdheid bestaat in zich uitwendig
door woorden, gebaren of werken anders uit te geven, dan men
inwendig gesteld is : bij voorbeelrl, zich door uitwendige teeke-·
nen voor iemands vriend doen cloorgaan. terwijl men hem inwendig kwaad wenscht, is eene veinzerij.
En welke geveinsdheid kan er in het ontvangen de1· HH. Sacramenten voorkomen 1 Er kan geveinsdheid voorkomen in al
hetgeen de mensch om een Sacrament te ontvangen moet doen :
te weten, in het willen ontvangen van het Sacrament, en in de
werken, die hij volgens Christus' installing doen moet om het
Sacrament te kunnen ontvangen. :- Er zal geveinsdheid zijn in
het willen ontvangen van het Sacrament, wanneer men uitwendig een Sacrament ontvangt, zonder het inwendig te willen out:..
vangen; bij voorb~wanneer een ongedoopte bet Doopsel zou
ontvangen, om z6~.ij iemand te behagen, maar inwendig zou

�VIERDE DEEL. -

29s1e LES 6de VR.

86!)

zegg:: : ik wil niet gedoopt worden. - In de werken die men
moet doen om een Sacrament te ontvangen, 1.al er geveinsdbeid
bestaan, wanneer rleze niet recbtzinnig zijn, of wanneer ?.ij de
inwendige gesteltenis der zielniet uitdrukken. Zoo, bij voorbeeld
is er geveinsdheid in het berouw, dat tot bet ontvangen T'an het
Doopsel of van de Biecbt vereiscllt is, of in de Biecht die men
aan den priester spreel;.t, wanneer men inwendig ge~m berouw
heeft, of vrijwillig doodzonden verzwijgt; want in dit geval ?.ijn
die uitwendige werken, eene valsche, eene geveinsde uitdrukking van den staat onzer ziel. - Bijgevolg is er in bet ontvangen
der HH. Sacramenten eene dubbele geveinsdheid te onderscheiden : eene, waardoor wij bet Sacrament, dat wij uitwendig ontvangen, inwendig weigeren te ontvangen;' en eene andere,
waardoor wij uitwendig gebaren alles te doen, wat van onzen
kant .tot het ontvangen van het Sacrament ve1·eischt is, terwijl
wij het inderdaad niet doen.
Deze tweede geveinsdheid kan maar plaats grijpen in het
Doopsel dergenen, die tot de jaren van verstand gelwmen zijn,
en doodelijl;. gezondigd hebben, en in het Sacrament der Biecht;
aangezien bet in die Sacramenten aileen is, dat de mensch, buiten den wil van het Sacrament te ontvangen, een bijzonder
werli:. tot het ontvangen :van bet Sacrament moet bijdragen. In
de vijf andere Sacramcnten is geen bijzonder werk, maar alleenlijk de staat van gratie vereiscbt.
Welke uitwerksels belet nu de gevcinsdbcid ~ De eerste gevcinsdheid, die bestaat in het Sac1·ament, dat men ontvangt,
niet te willen ontvangen, belet alle uitwerksels, te weten, niet
alleenlijk·de gratie, maa1· ook bet merkteeken, dat door eenige
Sacramenten in de ziel geprent worclt. En de reden daarvan is,
dat God, die onze meclewerl;.ing vraagt om ons zijne gaven te
vergunnen, deze voorzeker niet geeft, wanneer men ze weigert
te ontvangen. Daarom is de mensch, die een S&lt;1crameut niet wil
ontvang·en, ganscb onbekwaam om bet te \\;'~augen en er de

�870

VIERDE Dl_;;EL. -

2\)Sto LES 6de VR.

·-

minste vrucht uit te trel;.ken. _.:. WaL de andere geveinsd'lleid
beLreft, wanneer het berouw inwendig ontbreekt, 't zij dit vrijwillig of· onvrijwlllig gescbiede; wordt de gratie altijd belet,
aangezien geene· ZOll(Le kan vergeven worden zonder berouw;
maar bet bekomen van het merkteel;.en wordt daardoor in bet
Doopsel op geener 'vijze belet, de\vijl dat merkteeken te zamen
met de zonde kan bestaan: Wanneer men vrijwillig doodzonden
in de Biecht verzwijgt, wordt noodzakelijk ook alle gratie belet;
dewijl Christus volstreli.t wil, dat men in de Biecht alle doodzonden, die men op zijne conscientie heeft, verklare; en dat er zoo
iets ontbreekt opdat bet Sacrament zou bestaan gelijk bet van
Christus ingesteld is.
6. Het derdo beletsel is de onbekwaamlwid. - Wat verstaat
men bier door dat woord 1 De onbekwaamheid, waarvan er bier
spraak is, bestaat in de ongeschikthei&lt;l om een Sacrament
te ontvangen. niet uit boofde der zonde of der geveinsdheid,
die uit hunne natuur de l;.racht der Sacramenten beletten, maar
omdat dit Sacrament door Christus alleenlijk is ingesteld ten
gebruike van eene zekere klas van personen, tot dewelke men
niet behoort. Zoo bij Yoorbeeld, zijn al de menschen die geldig
het Doopsel, bet Vormsel en bet Priesterschap Mns ontvangen
hebben, onbelnvaam deze Sacramenten nog te ontvangen, dewijl
· Christus gewild heeft dat deze Sacramenten maar Mns zouden
ontvangen worden. Insgelijks zijn volgens de algemeene leering
al degenen, die niet gedoopt zijn, tot al de andere Sacramenten onbekwaam; omdat Christus gewild heeft dat het Doopsel
de deur en de ingang zoude wezen van al de andere. 'fat bet
H. Oliesel zijn op dezelfde wijze onbekwa.:1.m al degenen die niet
ziek zijn, dewijl &lt;lit Sacrament eigenlijk is ingesteld voor degenen die in eene doodelijke ziekte verkeeren.
Welke kracht be let nu de onbekwaamheid 1 Zij belet alle
kracht, zoowel bet merkteeken als de gratie. - En hoe belet zij
alle kracbU Dit -ei· natuurlijk : indien een Sacrament voor

�..

VIERDE DEEL. -

.

293 1° LES, (jde VR.

871

.

eene zekere klas van personen niet is ingesteld, kunnen deze
person en uit het mitvaugen vaii dat · Sacra,ment niet de minste
vrucht putten; aange~ien de Sacramenten dit slechts kunnen uitwerken, waartoe zij van Christus ingesteld zijn. Bijgevolg, indien
zij van Christus alleenlijk voor eene zekere klas van personen
zijn bestemd, kunnen zij voorzeker niets uitwerken in al degenen, die tot deze klas niet behooren.
Over deze drij beletsels der kracht van de HH. Sacramenten, merke men nog bet volgende op : bet eerste, te weten de
zonde, vloeit uit den staat in denwelken wij zijn, uit de ongescbiktheid in dewelke de zonde ons stelt om zekere gratie van
God te ontvangen; bet tweede, de geveinsdheid, komt voort
uit onzen wil, die de uitwerksels van het Sacrament weigert te
ontvangen, of ten minste niet rechtzinnig wil doen, wat er tot
het Sacrament vereischt is; en het derde, de onbekwaamheid,
spruit uit de instelling van Christus, die niet gewild heeft dat
zijne Sacramenten aan alle menschen zonder onderscheid toepasselijk zouden zijn, maar alleenlijk aan eeue bepaalde klas van
menschen.
7 . .Als men dan een Sacrament ontvangt, wel wetende dat er
in ons een van die beletsels bestaat, zondigt men daardoor1 Ja;
men bedl'ijft door die daad eene doodzonde van heiligschendei·i_j;
want men misbruikt daardoor eene allerheiligste zaak, een
allerkostelijkst middel van zaligheid, eene heilige bron, waaruit wij Gods gratie, ons door Christus· verdiensten bekomen,
kunnen gaan putten; en zoo onteert men grootelijks God zelven,
van wien de HH. Sacramenten voortkomen, aan wien zij toebehooren, wiens graWin zij uitdeelen, en tot wien zij leiden.
s. Als men een Sacrament ontvangen heeft, zonder er de
uitwerksels van te bekomen, !;.an dit Sacrament later niet herlevan, of zijne kracht beginnen uit te werken, wanneer het beletsel, 't welk bestaan heeft, weggenomen wordt 1 Het kan nooit
herleven wanneer de liraaht belet gew~~st is, 't zij bij gebrek·

�. 872

VIERDE DEEI.. -

29 8 te I.ES, 7de VR.

.....

aan bekwaamheid, of aan den wil van bet Sacrament te ontvangen; dewijl het. Sacrament in _die gevallen op geener wijze iets
heeft kunnen uitwerl~oen en oi1geldig is geweest. Maar buiten
deze gevallen aanveerden bijna al de godgeleerden dat het Doopsel, en waarschijnlijk ook het Vormsel en het Priesterschap
hunne kracht uitwerken, zoodra het onvolmaakt berouw (voor
het Doopsel) en de staat van gratie (voor het Vormsel en bet
Priesterschap), die ontbroken hadden, in de ziel ontstaan. Want
daar het den mensch niet geoorloofd is, de genoemde Sacramenten op nieuw te ontvangen, zou hij anders geheel zijn Ieven de
genade, tot wellier mededeeling zij door Christus zijn ingesteld,
moeten ontberen. Om diergelijke red en en den ken velen, dat bet.
H. Oliesel en het Huwelij k in dezelfde gevallen kunnen herleven;
want anders zouden de getrouwden gedurende dat huwelijk, en
de zieken gedurende die ziekte, aan de gratie van die Sacramenten niet meer kunnen deelachtig worden.

7. V. Mogen alle Sacmmenten dikw1jls ont·vangen
wm·den?
A. Neen; want het Doopsel, Vormsel en Priesterdom,

omdat zij een zeker en altijddurend teeken in de
ziel prenten, mag men.maar eens ontvangen; maar
de andere vier mogen naar gelegenheid tot verscheidene reizen gebruikt worden.
l. De Catechismus handelt in deze vraag oYer l!eL gelal keei.'en, dat \Vij de HH. Sacramenten volgens Chrisius' installing
mogen ontvangen. Mogen alle Sacramenten, zegt hij, dikwijls
ont1'angen wo;·den; 't is te zeggen, mogen alle SacramenLen
volgens Christus' instelling herhaaldelijk of meer dan· eens
ontvangen worden 1

2. In zijn antwoord leert hij ons : a) dat niet al de Sae1·aroen-

�VIERDE DEEL. -

29 818 LES, 7de VR.

873

ten meermaals mogen outvangen worden; b) welke Sacramenten
maar eens mogen ontvangen ;worden; c) welke de reden daarvan
is; en d) hoe dikwijls de andere ontvangen mogen worden.
3. 'Velke Sacramenten mogen maar eens ontvangen worden?
Jlet Doopsel, het Vormsel en het Priesterdom, gelijk de Catechismus zegt, mogen maar eens ontvangen worden; en bijgevolg
al degeuen, die Mn van die Sacramenten ontvangen hebben, zijn
onbekwaam bet nog te ontvangen. - Maar hoe moet men die
Sacramenten ontvangen hebben, om ze niet meer te kunnen
ontvangen; is er daartoe vereischt, dat men ze ontvangen hebbe,
zonder dat eenig beletsel huune kracht hebbe tegengehouden 1
Neen; dam·toe is er alleenlijk vereischt, dat men ze niet outvangen hebbe. met een beletsel, 't welk zelfs het merl\teeken tegenhoudt. Bijgevolg, zoo dikwijls men een van die drij Sacramenten
op ;mike wijze onivangen heeft, dat het inprenten van het merkteeken niet belet is geweest, mag men het nadien nooit meer
ontvangen.
·1. Om welke reclen mogen die drij Sacramenten maar Mms
ontvangen worden? De Catechismus antwoordt: omdal zij een

zeker en allijddw·end teellen in de ziel p~·enten. - Een zelle1·
en altijddw·end leeken, dat is een teeken 'twelk ldaar en duide-:
Jijk is en dat altijd blijft bestaan, en bijgevolg niet, gelijk de heiligmal\ende gratie, door de zonden !tan verl01·eu noch door eenig
middel vermeerderd worden.
'
En waarin bestaat dat teekcn1 Gelijk bij de Joden de besnijdenis een lichamelijk merk was, dat iemand lid maakte van het
Joodsche voll\, van het volk Gods, en te kennen gaf dat men
aan dat volk toebehoorde; zoo is het teeken, 't welk het Doopsel,
het Vormsel en het Priesterschap in de ziel prenten, een geesteJi.jlt en bijgevolg een onzichtbaar merk, waardoor de ziel eene
bijzondere bestemming tot den dienst van God l\rijgt en van aile ·
andere zielen, welke het niet hebben, onderscheiden wordt. Itt
merk bestaat in eene wezenlijke hoerlanigheid der ziel, die wel

�874

YIEROE DEEL. -

:29sto LES, 7da YR.

geene genegenheid tot het goed is gelijk eene deugd, maar ons
geschikt en bekwaam maakt om de Sacramenten te ontvangen
ofte beclienen, en tevens het recht geeft tot de nooclige dadelijke
graWin om aan die bestemming wel te kunnen beantwoorden.
Het Doopsel, door hetwelk wij in het geestelijk Ieven geboren
worden, prent ons een merkteeken in, waardoor wij leden zijn
van de H. Kei·k Gods, en recht hebben o.m al de andere Sacramenten, die de goederen dezer Kerk zijn, te ontvangen : het
Vormsel, 't welk ons den wasdom geeft in bet geestelijk Ieven,
prent ons een merkteeken in, waardoor wij volwassene leden
der H. Kerk zijn, en bestemd zijn om als vohnaakte leden dezer
Kerk te Ieven; en eindelijk bet Priesterdom, dat ons macht geeft
om de HH. Sacramenten te bedienen, prent ons een merkteeken
in, wam·door wij tot het uitoefenen van dat heilig ambt bestemd
zijn en macht bezitten.
\Vam·om is dat meddeeken aan het Doopsel, Vormsel en Priesterschap alleen eigen1 De retlen hiermn vloeit uit de natuur der
zaak zelYe : in alle vergadering van menschen vindt men drij
klassen Yan pet·sonen; namelijl;:, intredende !eden, volmaakte
leden en IJestuurders, welke van elkander duidelijk door vele
teekenen onde1·scheideu zijn. Christus lweft in zijne I-I. Kerk
dezelfde Yerdeeling voor zijne geloovigen aangenomen; en Hij
beeft drij Sacnunenlen ing~steld, om die drij klassen van geloovigen in te brengcn : het Doopsel geeft de intredende, de beginnende !eden; het Vormsel de volwassene en volmaakte, en bet
Priesterschap de bestum·ders. Door bet ontvangen van die Sacramenten, wclke uitwendige teekenen zijn, worden in de I-I. Kerk
die rlrij klassen van !eden genoegzaam onderscheiden en herkend, opdat er orde onder de geloovigen zou bestaan. Maar de
H. Kerk is niet alleenlijk eene uitwendige vergadering, gelijk
de burgerlijke societeit; zij bestaat ook, en wei eerst en
'i~oral in de zieten door de LJovennatuurlijke gaven welke God
in hen storL; en lletgeue uitwendiglijk in de H. Kerk geschietlt,

�VIERDE DEEL. -

29sto LES, 7do ''R.

875
. .
'

dat gescl1iedt ook ill\Vendig in de zielen. Daarom beho.orde het~
dat die · drij Sacrame11ten, door welke de geloovige11 in drlj
. klasse11 uit,vendig ..verdeeld worden, tusschen hen inwendig·
. .
dezelfde 'rer(leeli11g te\veeg breng~11, met een merltteeke~ in de '
ziel te prenle11 .
•
Waarom ''rorclt dat merltteekeil, gelijk de ingestorte .deugden,
.
door de zonde 11iet verloren; e11 'vaarom \VOrdt J1et, gelijk
'

~ie deugden, nooit. vermeerderd 1- "\\'ij vi11den de I~eden. bier-

van i11 l1et \ erscl1il, dat er bestaat ,tussclten de natuur en de ..
bestetlllllitlg ,.a11 de deugdeu en die ,..a11 l1et merkt.eelten.Daar
.
de deugd cene geJ1ege11l1eid is tot l1et goed, is l1et zeer natuurlijk
dat n1e11 de i11gestorte (}eugde11 ver·liest, meter doodclijk tegen te·
zondige11, aangezie11 IllCil door deze zo11de rechtstr~eli.s tegen die
goecle ge11egeullede11 va11 God ingestort werkt. Tege11 l1et nlerktcel\.ell i11tcgeJ1dcel, llet''"ell\. eigenlijl\. die11t om de zielen onder
elka11der te Olldersclleicleil en om 11u11 ee11e ze~ere bestemming
te geve11,. slrijdt op geener \Vijze ee11ige ZOJl&lt;le : dat onderscl1eid
en die bestetuming li.Ullllen allerbest met aile zoiille blij,·en
bestaa11; e11 zoo '''ordt l1et merltteel\.en door de zo11de nooit verloren. - ba~renbove11 de goede orde i11. de H. I\:erk vereischt
.
Ollget\\'ijfeld dat de uit\ve11dige aanJlelllit1g als i11trede11d lid, als
vol'''asseJl lid, uJs tlriester, altijtl blij,~e gelde11; en tlaa:r het
i11'';'endige aa.11 l1et uit'''ettdige moet bca.Ilt\voor(leJ1, zoo 111oet llet·
1

'

Inerl\.teel{Cll, dat i11 de ziel geprent ,,~ordt, altijd blij,·en. &lt;lure11. - '
IIet Illerl\.teel\.CJl 'vordt nooit '"ermccrderd, '"·ant er bes~t:tat
gec11e rede11 0111 'rerscltillige gra(le11 i11 die teel~ens te l1ebbe11, ·
de\,rijl zij recl1lstreel{s die11en, 11iet tot de lleiligmctlling ,~an eellicder,
1naar tot l1et Oiluerscheid &lt;ler zielen .
.
Ei11delijl\, ltoe is nu l1et zeker c11 altij&lt;l(lur~nd merliteel~en,

dat door l1et f)oopsel, l1et 'ror1nsel e11 llet·llric$terdom i11geprcnt
\VOrd t, CClle rcde11 Olll deze Sacrame~ ten 111aa1' eons te lnogeil
1lt\'&lt;l.lln·e11?
o . Dat is 11iet tnoeilijl&lt;. ozn· verst:1-&lt;1.11 : aangezie11 die Samente11 (lie11en o1n tle gcnoenl&lt;le 111erliteelieJ1e11 i11 te pret1te11,

�870

VIERDE DEEL. -

2gste l.ES, 7de VR.

.

en (leze lllei']iteelieneil eeilS ont,ra11ge11, altijcl ill denzelfde11 staat
bli~jven bestaan, is llet ''oorzel\.er .11utteloos, e11 bijgevolg tegen
Cl1ristus' instelling, die Sacramenten te llerl1ale11 0111 op11ieu\v.
&lt;lat 111erkteel\e11 i11 te prente11 of om l1et te ':rermeerderen. ~faar n1oge11 zij 11iet l1erl1aald \VOr(letl alleenlijl\. tot I1et bekomen
der goddelijl\.e gratie1 Gee11szins; \Vant on1 alleenlijk Gods gratie
te bel\.Oillen., (lictlell lle &lt;tlldere Sacra111en te11.
1-Ioe (lil\\\'ijls n1oge11 \Vij de a11tlere Sacratllentett Olltvattgell,
te \VeleJI : l1eL II. Sacratne11t (les .t\ltaars, de Biecl1t, l1et I-I. Oliesel, c11 I1et I-Iu \Velij }( ~ Deze t,ie;" "'Jacr•(tille11tert, zegt de Catecllisnlus. 'iil.ogeJ~, 'l(ta.r· gelcge1lllci(l, tot 'tc;·scllCi(lC1lC ''ei:,·ert
geb;··z1ikl ~vor·cle1l; dat is te zeggcn . zij 111ogeil, '''a1111eer de
o1nstandigl1eden, die tot l1et Ollt,·augcll ''an ee11 Sacrame11t
'rereiscltt zijn, l1et toelalen, 1neern1aals 011tvai1gei1 \Varden. De
Catecl1isn1us lcerl da11 11iet, dat deze ,·ier SacrallleJlteil zoo ·dik'''ijls als 1nen 'vii, of in alle on1sta11diglledel1, mogen Oilt,rangen
\vordeil : l1ij 1.egt : 7~aar· gelegc1zltei(l, dat is, zoo dik\vijls als
de on1slandigl1edei1 l1et 11iet belelteil, of l1et toelate11. Zoo bij
''oorbeeld, de JI. Con1n1uilie 111ag me11 alle dage11 ee11s Olltvangen, als Ine11 genoeg Oll(ler,vezell, 11ucl1ter e11 zuiver is
va11 zo11de11. 1-Iet Sacre:1n1ei1t der Biecl1t, 1nag me11 zoo &lt;lili\Vijls
onivange11, als me11 zij11e zo11dei1 \Vil biechten, gelijk l1et bel1oort,
e11 daaro, er ee11 ge11oegzaam lJerou \V l1eeft. I-Iet II. Oliesel, &lt;lat
· slecl1ts die11t voor de zielte11, llie i11 (loodsgevaar zijn, kan zoo
dik\vijls o11tvatlgei1 \\'ordett, als me11 ·door ziekte in ee11 11ieu'''
gevaar is ,·azl ster,'eil; c11 l1et Iitl\Velijl~ liall ook zoo dil\.\Vijls opllieu\v 011Lvangez1 '''orue11, als l1et '"oorgaa11de door &lt;le clood , . an
den ee11e11 of &lt;len a11dere11 der getrou\\'del1, ontbo11dell is.
Waarom mogen deze vier Sacrameiiteil meer1naals OJlt,rallgell 'vorde11, ter\vijl dit ·voor de drij a11dere 11iet geoorloofd is~
De reden l1iervan is de '"olgende : deze vier Sacra1nenten l1ebbe11
geen ttitwerltsel dat altijd onveralltlerlijli ulijft &lt;luren en
7

l\all Yerloren IlOCll veran(\erd

'vor&lt;len, gelijl&lt;. &lt;le drij a11d

�..-~

VI~RDE DEEI~. -

29ste J,ES,. 88 to VR.

.

877

ee11 hebben; zij storte11 allceniijl\. de gratie ill, die 11iet OllVerli~S­
baar, maar 'rerliesbaar is, e11 die 11iet 011\reratlderlijl\. is, maar
vern1eerderd l\.all \VOrde11. \Vaaruit \1 0lgt, dat zij, 0111 aaJ1llun11e
•
besteinn1i11g te beaJlt\voor&lt;leil, noodzalielijk tnoete11 l1erl1aald
ltun11en \Vorden. l{ondell zij 11iet l1erl1aald \Vorden, zij zoude11
n1aar zeer OllVOllllaalite mi&lt;ldels 'veze11, om 011s de gr,tie te bezorgeil. Intege11deel de tlrij antlcre SacraineJlteil liUI1Ilen 11iet
herl1aal{l \vorden, de,vijl l1et uit\verl\.sel, dat ltu11 eige11 is, e11

door hen allee11 '''ordt bel\.onleil, nocl1 verloren nocl1 vermeerder{l ka11 \\ 0rde11.
7

8. ''. Zij1~ de cere11~o~~ie·,~ 'zoodig tot de Sact~an~e,tle'~?
A. N ee11, "ru11t clc Sacrai11e11tei1 lJestaa11 ool~ zo11der de
ceretnottieil, n1aa1' cleze (lieJ1e11 0111 clie 1net 111eerclet'
eer aa11 te clie11ei1, e11 cle l~racl1t va11 dezelve 011s
•
voor oogen te stellen.
1. In clezc laatste vr·aag lta11llelt tle Ce:ttecllistllUS o'rer de cere•
nlOilieil, \vell~e bij ltet bedie11e11 (ler fii-I. Sacratlleilteil gebruikt
,vorden. Door ccr·cJJlO,liert ,·erstaa,t 111e11 ltier uit\ve11dige gebe&lt;lell e11 uit\vei1(lige teei\Cilell '"an godsuiet1st, zooals l1et n1ake11
''all l\ruise11, J1et besproeien 111et gewijd ·'''ater, l1et gebruili ' 7 all
,vierool\, olie, licl1t, e11z., \vell\e 111eJ1 door l1et gebod der
If. I~erl\. geltoude11 is tc bezige11 i11 l1et bediene11 der Ifl-1. Sacra1neitteJ1. J3ijgevolg 011dcr tle1111aam 'ra11 ceren10ilieil 'rerstaat 111en
11iet l1et uit\VCilllig tcel\ell, 't,vell~ l1el Sacrat11e11t uitmaaltt,
zooals uij voorbeeld, de af\vc.tssclling e11 de l1eilige \VOOr&lt;leil ,, ik
dOOll u, e11z. , i11 l1et Doopsel; n1aar uit\VCildige gebecle11 _of teekeJlen, die bij l1et sacrame11leel teeltell va11 Christus ingesteld,
door de H. l{erl\. ge,yoegd zij11. Over deze cerenlOilieil ,~rllagt de
Catecllismus 11u, of. zij 11ooclig z'{j'~ tot cle Sacr·a1Jlmzle1~; 't is
.
te zegge11, of zij vereiscl1t zij11 opdat l1et Sacrai11e11t zou liUilUetl
bestaa11, e11 zij11e l\.racllt uit.,verketl.
I

�878

VIERDE DEEI... -

29sto LES, gsta VR.

.2. In zij11 antwoord leert l1ij ons : a) of zij vereiscl1t zijn tot l1et
·bestaan der Sacramet1tet1, en .\Vell\.e de red en der gegeve11e opIossing is; en b) of zij 'veze11lijl( riuttig zijn, e11 I1oe zij l1et zijn .
.
3. Zij'~ zi.J· ve..,..eiscl~t tot ltet bestaart cler Sac?·a,1~e,lte'~?
·f.leert, ant'''oordt de Catechismus. E11 toaa7"0f1~ '~iet? De Sacra1ne,1te1l, zegt l1ij, bestaa'~ ook zo,~der de cer•e11'to,zie1~; 't is te
'
zeggen, zij hebbe11 alles 'vat tot htlll weze11 vereischt is, e11 zij
kunne11 llun11e }{racllt uit\verl(ell, zonder dat zij met ceretn011ien
bediend ,,·orden. - Ert ltoe ll017~lllet, dat de Sac,-·ctrrtC1'tlert ooll
.z011.der cer·e11~o'z'ien bestaa11? De re(len is, dat een Sacrame11t van
Cl1ristus n1oet ingestel(l zijn; en (}at bijgevolg l1etgeen er tot l1et
teel~en van een Sacran1ent vereischt is, niet ,~an de installing
der H. l{erli, n1aar alleenlijk va11 de. it1stelli11g va11 Cl1ristus
afha.ngt. Hieruit vloeit recl1tstreel\s, dat de ceren1011iet1 tot (le
Sacran1ente11 niet 11oodig ~t11111en zijn, de'''ijl zij allee11lijl\ van
de H. l{erk voortl\omen.
4. I11dien de ceremo11ien tot de Sacramenten niet noodig zijn,
· moeten zij dan 11iet als nuttelooze, of zelfs als SUJJerstitieuse ge•
bruil\.ell aa11zien \Vorde~ 1 Geenszi11s; zij zijn '''eze11lijl\. zeer nuttig; zij dienen tot een dubbel einde, gelijli de Catechisn1us ons
zegt ·= a) 011~ cle Sac'r·a,1le,ltert r;~et ~7leerder ee'i'' aa'l te diene1't,
en b) o1rt·de ll'r·acltt va'~ dezelve o'zs 'VOO'J" oogcn te stellen.
0111, cle Sacra1?'tertle1~ 11~et ''~eer·cle,,. ee1" aa1z le llie1le1't; dat is,
om de Sacramenten, 'va11neer zij bedie11~ \VOr&lt;lell, tneer en meer
te vereei'·en; of in andere woorden, om in hunne be(lie11ing door
uitwendige teeke11en meer e11 meer te doe11 uitscllij11en, \Vell\e
achting, \Velken eerbied de Sacramenten weerdig zijn; welke
verl1evene, well{e kostelijke zaken l1et zijn; en zoo de11 bedienaar,
degene11 die l1et Sacrament ontva11ge11 en al de aanwezigen n1eer
en meer l1et Sacrament te doen vereeren. 'Verd, bij 'roorbeel(l,
het DOOl)Sel zonder ceremonien, allee11lijk door de af\vasscl1i11g
en de woorden van Cl1ristus ingesteld, i11 de If. Ker]{ toegediend; 'verd de H. niis zonder ceremonien gecelebreer&lt;l en beI

I

�VIERDE DEEL. -

29stc LES, 8 810 VH

879

stonll zij alleenlijk uit de consecratie en de communie, die zonder
het minste gebed of zonder een bijzo.nder uitwendig teel\en zouden geschieden; werd de H. Communie zonder gebeden, zonder
llcbt aan de geloovigen gegeven : bet is zonneklaar dat die
heilige zaken daardoor met veel min eer zouden geschieden.
Niets is natuurlijker dan het gebruik van ceremonien om
iets te vereeren. Als bij voorbeeld, iemand in bediening
gesteld wordt van een ambt of eene weerdigheid; hoe grooter dit
ambt of die weerdigheid is, hoe meer plechtigheden men daartoe
zal gebruiken, om zoo uit te drukken welke achting dit ambt of
die weerdigheid verdient; en claarom is het zeer redelijk dat er
bij het bedienen der HH. Sacramenten, ook ceremonien gebruikt
worden, om meer en meer te doen zien, wat lwstelijke en verhevene zal&gt;.en het zijn.

Om de kracht ·van de:;ch'e ons 1:oo;· oogcn le steUen; dat wil
zeggen, om door de ceremonien beter te doen verstaan, welke
de uitwerksels van de Sacramenten zijn. Gelijk Christus heeft
gewild dat de HH. Sacramenten zouden bestaan in een uitwenwendig teeken, 'twelk de gratie beteekent, die ons door dit teeken zelf gegeven wordt, om derwijze ons te leeren welke gratie
wij daar ontvangen; zoo heeft de H. Kerk, om ons dam·in nog
meer to onderwijzen, bij het teeken van Christus ingesteld er
nog andere gevoegd. De l\ruisteeli.enen, bij voorbeeld, die in het
bedienen der Sacramenten gemaakt worden, drukken uit dat de
li.racht der Sacrarnenten van Christus' dood op het kruis voortkomt; en de gebedeu en de andere uitwendige werken die daar
gedaan worden, dionen om klaar te doen zien, welke bijzondere
gratie door het Sacrament bekomen wordt. Wij moeten immers door woorden en zinnebeelden tot de kennis der verholene en onzichtbare zaken komen; en daarom zien wij in alle
plechtigbeden dezer wereld, hoe men door woorden, door opschriften, door zinnebeelden aan het volk voorstelt wat er
geschiedt.

�880

YIERDE DEEL. -

~gsto LES, AAN~IERK.

Deze twee vruchten der c~remonien zijn van de hoogste
weerde : wanneer immers de geloovigen de HH. Sacramenten
eerbiediglijk zien bedienen en hunne kracht beter en beter beginnen te kennen, zullen hunne gemoederen natuurlijk tot de
beschouwing der heilige zaken. die daar 'geschieden, verheven, en hun Geloof, hunne Hoop en ilunne Liefde sterk opgewekt woruen. Iedereen weet bij ondervinding, hoe wij door het
bijwonen eener groote plechtigheid gemakkelijk bewogen worden : niets heeft meerderen invloed op ons dan schoone en deftige feesten, dan grootsche en praclltige ceremonien.
Aanmerkingen. 1°Om te l;:unnen begrijpen, wat groote weldaden de HH. Sacramenten zijil, en hoe hoog wij ze moeten
achten, vragen wij ons. wat wij zoude.n denken, indien God,
in het midden van eenen hoilgersnood of van eene buitengewone droogte, OilS door een mirakel eten en drinken verschafte; h&lt;5e dankbaar zouden wij Hem daarvoor niet zijn. en
hoe zouden wij zijne goedheid niet Ioven! Welnu, de HH. Sacramenten zijn duizendmaal, ja oneindig kostbaarder dan zulk eene
mirakuleuze spijs of drank : deze zouden alleenlijk ons licbamelijk lev~n. dat maar weinigen tijd duurt en met duizende ellenden vervuld is, ondersteunen en een weinig verlengen, terwijl
de HH. Sacramenten OilS het eeuwig Ieven, het allergelukkigste
leven des hemels bezorgen.
Willen wij nog klaarder de weerde der RH. Sacramentcn
inzien, wij moeten maar op het volgende let ten : bestond er in
de wereld een onfaalbaar middel om rijk te worden, om hier op
aarde gedurende ve~rtig of vijftig jaren een gansch gelukkig
leven te bekomen, of om van de dood of van ziekte gedurende
honderd jaren bevrijd te zijn; eenieder zou dat mid del boven aile
andere goederen dezer wereld schatten, voor den uitvinder van
dat middel de grootste achting hebben, en alles aanwenden om
het te Imnnen bekomen en gebruiken. Nu, er bestaan middelen
door dewelke wij oneindig grootere goedercln kunnen bekomen;

�YIERDE DEEL. -

29stc LES, AANMERK.

881

en deze zijn de HH. Sacramenten. In plaats van de rijkdommen
dezer aarde, geven zij ons de rijkdommen des h~mels, die zoover
de aardsche goederen te hoven gaan, als de hemel, als Gocl zelf de
aarde overtreft. In plaats van ons een gansch gelukkig Ieven
slechts gedurende eenige jardn te verschaffen, leiden zij ons tot
eene eeuwigheid van geluk; en in plaats van ons gedurende een
kort tijdstip van de dood te bevrijden, brengen zij ons tot een
leven, dat eeuwig bevrijd.is van alle dood, van alle ongeluk, van
alle droefheid, &gt;an alle geklag en van alle geween.
Willen wij dan voor de HH. Sacramenten de achting llebben,
die zij verdienen. wij moeten ze oneindig· boven al de aardsche
schalten stellen; willen wij er God over tlankbaar zijn, gelijk de
rechtveerdigheid het eischt, wij moeten Hem over hunne instelling meer bedanken. dan over al de am·dsche en natuurlijke
goederen, die Hij ons heeft geschonken; en will en wij ons te
hunnen opzichte gedmgen, gelijk het Geloof en de rede het ,·ergen, wij zullen ze met meer geestdl'ift, met meer aandacht, met
meer zorg, me~ meer genegenheitl gebruiken, dan al de middels,
waarvan wij ons dagelijks bedienen om de gezondheid te bewaren, om geld en goed in te zamelen, om eenen goeden naam in
de \Yereld te bekomen, om van eene ziekte te genezen. 0;
mochten onze gevoelens en onze handelwijze jegens de HH. Sacramenten beantwoorden.aan hetgeen wij er over gelooven!
2°Om Yoor de HH. Sacmmenten den eerbied en de achting te
hebben, die hun toelwmt, moet men altijd wel indachtig zijn,
dat niet de mensch, die de HH. Sacramenten bedient, maar
Christus zelf, God en mensch. hun b\jzonderste bedienaar is :
de mensch, die ze bedient, is de ware plaatsvervanger van
Christus, God en mensch; en als wij uit zijne handen een H. Sacrament ontvangen, hebben wij niets min, dan indien w_ij het
ontvingen van Christus zelven, zichtbaar bij ons tegenwoordig.
Als iemand doopt, als de bisschop het Vormsel toedient, als de
priester de consecratie doet van brood en wijn, of de zonden in

�882

VIERDE DEEL. -29 5 \ 0 LES, AAN~IERK.

de Biecbt vergeeft; bet is alsof Christus zelf al die werlten deede :
want die bedienaars baudelen niet in bunnen naam, maar in
d~n naam van Christus, wiens afgezanten en vertegenwoordigers zij zijn; en bijgevolg heeft bet werk, dat zij daar in Christus'
naam doen, bij G~d zoo·veel weerde, als ware het van Christus
zelven gedaau. En men merke hier wel op, dat, terwijl de bedienaars de HH. Sacramenten toedienen, Christus, God en mensch,
waarlijk met hen ·medewerkt. Hij, die alles weet en ziet, stemt
als mensch in het werk van den bedienaar toe, en draagt bet aan
God den Vader op tot toepassing der verdiensten, welke Hij op
het Kruis verworven heeft;·en als God stort Hij, met God den
Vader .en God den H. Geest de gratie in. - Onderzoeken wij dus
met welk Geloof, met welk betrouwen, met welke godvruchtigheid wij de HH. Sacramenten uit de hand van Christus zouden ontvangen. Had de het ons gegeven geweest ui t Christus' mond
de zoete woorden te hooren, die l\:Iag~alena uit zijnen mond geboord heeft: •· uwe zonden zijn u vergeven ; .. of waren wij n:tet
de Apostelen aan bet laatsteavondmaal tegenwoordig geweest. en
liadden wij uit Christus' hand de H. Communie ontvangen, met
.· :welke heilige gevoelens zou onze zielniet vervuld geweest zijn 1
Welnu, wilden wij handelen volgens de leering des Geloofs, wij
zouden altijd in het ontvangen der HH. Sacramenten diezelfde
gevoelens moeten hebben, welke onze ziel zouden vervullen,
~ndien wij ze van Christus zelf ontvingen, Daarom, als wij te
l;&gt;iechten gaan, of de H. Communie of een ander Sacrament ontvangen, doen wij altijd al wat wij kunuen, om ons vuriglijk in
~e beelden, dat Jezus Christus zelf ons dat Sacrament bedient.
Indien wij dien geest van Geloof hadden, hoe zou ons Ieven niet
veranderen1
. 3° Denken wij ook dikwijls op bet merkteeken dat in onze
~iel geprent wordt door bet Doopsel, het Vormsel en bet Pries-

terdom. De menschen zijn fier van af te stammen van eene
roemrijke familia, van tot een koninklijk hof te bebooren, van

�VIERDE DEEL. -

29 8 1° LES, AANMERK.

883

met een groot en edel ambt bekleed te zijn; maar wat is alle
edeldom, aile aardsche grootheid, aile eer dezer aarde in verge-'
lijking met hetgeen wij worden door bet merkteeken, dat die
drij Sacramenten in onze ziel prenten! Door het Doopsel worden
wij gemerltteekend als leden van het goddelijk buisgezin; door
het Vormsel ontvangen wij bet teeken van volwassene leden
dezes huisgezins; en door het Priesterdom ontvangen wij in de
ziel een merkteeken waardoor wij deel hebben in bet vaderschap van God over zijne aangenomene kinderen, of, in andere
woorden, waardoor wij te zamen ~et Gocl, vmleren der geloovigen zijn. - Hieruit verstaan wij gemal{kelijk. tot welke onheschrijfelijke beschaming die merkteeh.enen in de verdoemden
zullen dienen. Hoe worden hier op aarde die menschen niet
veracllt, die door hun slecht gedrag en hunne misdaden den·
VOOI'l'Ullg, Welke zij door hunne geboorte hadden, of het edel
. ambt, dat zij beldeedden, verloren hebben; en hoe wordt een
plaatsvervanger des konings niet versmaad, die om zijn onweerdig gedrag door den koning is verworpen geworden1 'Welnu, in
het laatste oordeel en gedurende de gansche eeuwigheid zal het
merkteeken van het Doopsel, van het Vormsel en van het Pries- ·
terdom door al de menscben en de Engelen gezien \Vorden ; en
de verdoemden, die bet zullen dragen. zullen door al de menschen en de Engelen, als afgevallene en verworpene kinderen
Gods, als afgevallene en verworpene plaaatsvervangers van
Christus gekend, veracht en verstooten worden. Wie kan zich de
afschuwelijkheid dezer schande inbeelden; wie kan ze verstaan ~
4° Om wel te begrijpen, hoe weerdig de Sacramenten zijn,
welke Christus ingesteld heeft, behooren wij ze te vergelijken
met die der Oude Wet, te \veten, met de Besnijdenis, bet
Paasch lam, de Zuivering'en ·enz. - Al de Sacramenten der Oude
Wet dienden, tot de vergiffenis der zonden en het bekomen der
goddelijke gratie, niet meer dan alle andere goede werken, zooals
in God gelooven, op Hem hopen, Hem beminnen, vasten. bidden,

�884

VIERDE DEEL,- j!gsto LES,'AANMERK.

aalmoezen doen, leedwezen hebben en andere diergelijke. Wanneer de Joden die Sacramenten uit geest van Geloof en met de
andere voorwaarden, die tot een verdienstelijk werk vereischt
zijn, gebruikten, verkregen zij daardoor wat men door alle
goed werk kan bekomen, te weten. de noodige gratie tot bekeering of de vermeerdering van de heiligmakende gratie, en zeUs de
eerste heiligmakende gratie, als zij die Sacramenten met een
volmaakt leeclwezen gebruildeu. Maar die Sacramenten gaven,
"buiten hetgene eenieder door zijn werk bekwam, volstrekt
niet de minste gratie. - Integendeel, door de Sacramenten der
Nieuwe ·wet, bekomen wij, buiten lletgeue wij door ons eigen
werk verkrijgen, door de kracht van het Sacrament zelf die
zonderlinge gratie, welke het beteekent. - En daarom noemt
de H. Paulus (Galat. l V. 9) de Sacramenten van de Oude Wet
zwakke en arme beginselen in vergelijking met onze Sacramenten. -Onder de Nieuwe Wet bekomen wij dus de gmtie,
welke Christus ons verdiend heeft, door twee middelen, te
weten, door onze persoonlijke goede werken, maar bijzonderlijk
nog door de Sacramenten, in dewelke Christu~ ons rechtstreeks
zijne verdiensten toepast; terwijl de .Joden die gratie alleenlijk
door hunne goede werken verkregen.
Hier is nogtans eene kleine uitzondet·ing te maken voor de
Besnijdenis en het geloofsteeken, welke de Besnijdenis verving:
het is hnmers waarschijnlijk dat deze teekenen Lij de kinderen, die tot de jaren van verstand nog niet gelwmen wm·en,
de erfzonde vergaven en de gratie iustortten. Doell zij haddeu
dat uitwerksel niet uit hum1e eigene weerde, gelijk onze
Sacramenten, maar alleenlijk voor zooveel God beloofd harl :r.ijue
gratie in te storten bij bet gebruiken Yan dit teeli.en. Zij waren
immers geene werken in Christus' naam gedaan, gelijk de onze
bet zijn; en daarom waren zij tot het bekomen der gratie enkele
voorwaarden. die Yervuld moesten worden om de gmtie ie verkrijgen.

�VIERDE DEEJ,. -

29 8 le. I.ES, AANMERK.

885

De i·eden van dit onschatbaar verschil tusschen de Oude en de
Nieuwe \Vet, vinden wij hierin : onze Sacramenten geven door
zich zelven de gratie welke zij beteeltenen, omdat zij werken
zijn in Christus' naam gedaan, en dat zij derhalve machtig 1.ijn
om God op eene onfaalbare wijze tot het geven ?.ijner gratie te
bewegen. In de Oude \Vet konden er zulk geene Sacramenten
bestaan. dewijl Christus nog niet geboren was. V66r zijne geboorte kon God wei op voorhand, uit vooruit?.icht der toekomeude verdiensten van Christus, zijne gratie vergunnen, gelijk
ij het wezenlijk gcdaan heeft; maar het was volstreld onmogelijk dat Christus door zich zelven of door gezanten de toepassing
zijner verdiensten afsmeekte, daar Hij als mensch nog niet
hestand. En men 1.egge niet : waarom heeft. God aan die Sacramenten der Oude Wet 1.ijne gratie niet gehecht, gelijk Hij het
met de Besnijdenis voor de kleine kinderen heeft gedaan. 'Vant
het betaamt niet, dat God de heiligmakende gratie die Christus
verdiend heeft, instol'te, zouder dater Hem daarvoor iets aangeboden worde, dat ten minste eenigszins weerdig is die gave te
bekomen; uitgenomen nogtans wanneer dit gansch onmogelijk is,
gelijk het. 't geval was voor de kleine ldnderen der Oude Wet.
Daarom heeft Got! onder de Oude Wet de heiligmakende gratie
aan tie menschen, die tot de jaren van verstand gelwmen wareri,
alleenlijk vergund, als zij zich daartoe bereidden gelijk het behoorde; omdat et· onder die Wet buiten hunne persoonlijke
goede wel'l\en niets was, 't welk eenigszins de heiligmakeJlde
graiie verdien(le. Onder de Nieuwe Wet integendeel, is de zaak
geheel anders : daar hebben wij buiten onze e igene werken nog
die van onzen Opperpriester en Zaligmaker J e?.Us Christus,
welke oncindig weerdig zijn om de gra.tie to verl{rijgen; en zoo
hebl.Jen wij ondere de1.e Wet onw Sacramenten, die door zich
zelven de gratie instorten.

�886

VIERDE DEEL. -

3QS!c LES, INHOUD.

DERTIGSTE LES.
Van het Doopsel.
lnhoud. - Na in de voorgaaode les over de Sacrameoteo in 't algemecn gehandeld
te hcbben, zal de Catechismus ons nn van icdcr Sacrament in 't bijzondcr
spreken. Hier handel! hij over het cerste der HH. Sacrament en, te weten :over
he! Doopsel.
I. In de ect·stc vraag dezer lcs gceft de Catechismus eene .korte beschrijving
''an bet Sacrament des Doopscls.
•
II. Van de twec~e vraag lot de laatstc, tot nadere bcpaling van helgeen in
he! ecrstc antwoord. gczegd is, ondcrzoekt hij, hclrekkclijk het Doopscl, al de
hoofdpuntcn, die ceo Sacrament aaugaan. -a) Yoorccrst, nopcns de pcrsoncn.
voor wie dit Sacrament bcstcmd is, vraagt hij : aan wie is ltet IJoopsel noodig;
b) nopens den bcdienaar van dit Sacrament, onderzoekt hij wien ltet /oestaat tc
doopm; c) nopens bet uitwendig lecken van dit Sacrament, wclk in de eerste
vraag uitgedrukt is met de woorden: de rlitwendige wa.~sclting en de aanroepintJ
van de H. Drijvuldiglteid, stelt hij deze t wee vragcn ,·oor : waarmede moet men
doopen, en, welke woo1'de11 moet men spreke11 in ltet Doopscl; d) nopens het
, mecrmaals ontvangen van het Doopsel, vraagt hij : mag 111e11 tweemaal gedoopl
worden; e) nopcns de zonderlinge gratie, die door aile Sacrament hetcekcnd
en gcgcven wordt, Stell hij de vraag : wat krijgen wij door het Doopsel; nopens de bcletsels, die de kracht van ceo Sacrament k\lnncn tcgenhoudcn, onderzoekt hij, wat bereiding er van noode is tot liet Doopsel; g) cindclijk,
dewijl de HH. Sacramentcn met cercmoniiin bcdiend worden, spreekt hij ook
van de ceremoniiin die de bediening van bet Doopsel vergezellcn; hij vraagt \'Ooreersl.nopens eeoc dcr bijzonderstc ceremonicn van het Doopsel en ook van het
Vormsel, te wet en, nopens de Peters en de Meters llic in deze I wee Sacrament en
aaugenomen worden : wclk is de pliclit t;all Peters of Jlleters, die gcbruikt
worden in llct Doopsel c11 ook in liet l'ormsel; en daarna naagt hij nog nopens
al de ceremonicn van hct Doopsel in 't algemeen : u;aartoe dienen al de reremoniiitl die in l1et lloopsel gebruikt wordc11.

n

�VIERDE DEEL. -

3Q•te LES, lste VR.

887

I. V. Wat z's lte( Doopsel?

A. Het eerste en noodigste Sacrament, in · hetwelk
door de uitwendig-e wassching- en de aanroeping
van de I-I. Drijvuld.ig·heid, de mensch gezuiverd
wordt van aile zonden.
l. De Catechismus zal ons bier leeren, welk Sacrament bet

Doopsel is, of waarln het bestaat, of hoe bet van de andere Sacramenten onderscbelden is. Wat is, zegt hij, het Doopsel, 'tis
te zeggen, waarin hestaat eigenlijk het Sacrament des Doopsels ~
- Aangezien de HH. Sacramenten uitwendige teekenen zijn,
van Christus 'ingesteld, die eene zonderlinge gratie beteekenen,
welke zij ons door zich zelven geven, moet er, om de natuur van
een Sacrament te verldaren of om te doen zien hoe heL van de
andere onderscheiden is, noodzakelijk gezegd worden, uit welk
uitwendig teeken het bestaat, en welke zonderlinge gratie bet
beteekent en door zich zelven geeft. Doell bet is zeer uuttig in
de beschrijving van een Sacrament bij deze punten nog andere
te voegen, om meer en meer te doen zien, wat aan ieder Sacrament eigen is.
2. De Ca1echismus leert ons in zijn antwoord : a) welke plaats
het Doopsel onder de zeven Sacramenten bekleedt; b) uit welk
uitwendig teelwn het bestaat; en c) welk uitwerksel het heeft.
3. Wellw plaals bekleedt het Doopsel onder de andere Sacramenlen? Het is, zegt de Catechism us het eerste en n?od-igste
Sacrament. - \Vat beteekent bier het woord het eerste? Het
beteekeut, dat het Doopsel v66r al de andere Sacramenten moet
outvangen worden, of dat wij geen ander Sacrament mogeu ontvangen, vooraleer wij gedoopt zijn. - En hoe moet het v66r al
de andere Sacramenten ontvangen worden : is dit alleenlijk omdat het verboden is andere Sacramenten v66r bet Doopsel te
ontvangen, ofwel, omdat wij zonder het Doopsel niet bekwaam

�888

VIERDE DEE!,. -

3QSte J,ES, l sto VR.

zijn andere Sacramenten te ontvangen1Volgensde algemeeneleering der godgeleerden, moet het Doopsel, naar Christus' instelling, v66r al de andere S_acramenten ontvangen worden, omdat
wij zonder het Doopsel onbekwaam zijn een ander Sacrament
geldig te ontvangen. De gemeene leering is. dat iemand, die zonder op eene geldige wijze gedoopt te' zijn, het Vorrnsel, de H. Comronnie, de absolutie in de Biecht, of een ander Sacrament, zelfs
ter goeder trouw. zoude ontvangen, daaruit de minste vrucht
niet zoude trekken, dewijl een ieder, volgens Christus' instelling.
ten TOlle onbekwaam is die· Sacramenten te ontvangen. indien
hij niet gedoopt is.
En welk is de redeu daarvan; waarom heeft Christus gewild, dat men, zonder het Doopsel ontvangen te hebben, onbekwaam zij de andere Sacramenten te ont"mngen1 De reden is,
dat wij door het Doopsel geboren worden als kinderen Gods;
welnu, als men nog niet geboren is, kan men voorzeker, noch opgroeieu, noch gespijsd worden, noch het Ieven wederom krijgen
na het verloren te hebben, noch bij het afsterven geholpen worden, noch ambten· bekomen; en bijgevolg zijn wij zonder het
Doopsel natuurlijk onbekwaam al de andere Sacmmenien te
ontvangen, dewijl zij rechtstreeks in ons geestelijk Ieven die
gemelde uitwerksels teweeg brengen. - :Maar kunnen wij ook
door eene volmaakte liefde tot God, de heiligmakenrle gratie,.
die het Ieven onzer ziel is, niet bekomen, en zoo bekwaam worden om de andere Sacramenten te ontvangen 1 Eene volmaakte
liefde il? niet genoeg; Christus' wil is, gelijli de algemeene leering
het voorstelt, rlat men als lid zijner H. Kerl\, als kind van het
goddelijk huisgezin, niet aileen inwendiglijk maar ook uitwendiglijk geboren worde. dewijl de H. Kerk. of de vergadering
der geloovigen uitwendig en zienlijk is ; en derhalve, dat niemand in die Kerk, in dat goddelijk huisgezin, door. de Sacra-·
menten, die daar te vinden zijn, in het geestelijk Ieven geholpen
worde, zonder uitwendiglijk van die Kerk lid geworden te zijn

�VIERDE DEEL. -

3QS1o LES, )ste YR.

889

door het Doopsel. De Sacramenten zijn immers van Christus
ingesteld om de me.(lsc.hen het geestelijk leven, zoo wel uitwendiglijk als inwendiglijk te geven; ~n daarom is bet allerredelijkst, dat degene, die door het Doopsel. als kind van God
uitwendiglijk nog niet geboren is. ook de kracht der andere
Sacramenten, die dat inwendig en uitwendig geestelijk !even
moeten voltrekl~en, ondersteunen en op aile wijzen helpen, niet
kunne ontvangen. - Daarenboven tot het ontvangen der Sacramenten krijgen wij recht, gelijk er in de voorgaande les
bladz. 800 gezegd is, door het merkteeken dat het Doopsel in de
ziel prent; en dal merkteeken word't slechts bekom\ ~1 ·door het
Sacrament des Doopsels, met der daad ontvangen, ~n nooit bij
middel eener volmaakte liefde tot God. De reden hiervau is, dat
het inwendig merkteeken aan het uitwendig teeken beantwoordt,
waardoor ,iemand van de ongeloovigen onderscheiden wordt, en
lid wordtder.H. Kerl;:; en dat dit uitwendig teeken naar Christus'
ins telling alleenlijk in het ontvangen van hel Doopsel te vindeu is.
Het noodigste Sac;·ament : hoe is bet Doopsel het noodigste
Sacrament? Het is het noodigsle ten opzichte van onze zaligheid,
of het is aan den mensch meer noodig. om zalig te worden, dan
al de andere Sacmmenten. - EH hoe overtreft bet in noodzakelijkheitl de andere Sacramenten? Zonder de andere Sacramenten kunnen wij zalig worden, of in andere woorden. het l~:an
geschieden, dat iemand zalig worde zonder de andere Sacramenten, 't zij met der daad, 't zij door de begeerte ontvangen te
hebben; maar niet een mensch l\an de zaligheid bekomeu,
indien hij bet Sacrament des Doopsels mel der &lt;laad of ten minste
met de begeerte niet ontvangen, of het Doopsel door de marteldood niet vervangen heeft; gelijl\ wij aanstonds breeder zullen.
zien in de volgende vraag.
4. lVaarin bestaat het uitwendi'g teeken van het Sac~·ament
des Doopsels? Het bestaat in de uitwemlige wassching. en de
aam·oeping de;• If. Drijvuldigheid; twee dingeu, die onder

�890

VIERDE DEEL. -

3QS1o LES,

l 1 to VR.

onze zinnen vallen. De uitwendige wassching, 'tis te zeggen,
niet de inwendige wassching of zuivering der ziel, maar de wasselling des licbaams, die wij kunnen zien en gevoelen; en de
aanroeping der H. Drijvuldigheid, die door woorden geschiedt
en die wij kunnen h~oren. - Is eene van deze twee zaken niet
genoeg om bet uitwendig teeken van bet Doopsel te hebben 1
Ne~n; zij moeten beide gepaard gaan : de afwassching des licbaams is immers door haar zelve aileen geen genoegzaam teelten
eener zonderlinge gratie, want anders zou er eene zonderlinge
gratia beteekend worden ieder maal dat de mensch zich wascbt.
Om die beteekenis te hebben, moet de wassching daartoe bepaald
worden door de woorden, die ze vergezellen : degene, die deaf. wassching doet, moet uitdrukken dat bij ze tot dat einde verricht. Op dezelfde wijze is de aanroeping der H. Drijvuldigheid
zonder de uitwendige wassching niet genoeg : want deze aanroeping aileen drukt geene zonderlinge gratia uit, die daar gegeven wordt; zij heeft maar die beteekenis, als zij met de wasscbing samengaat.
Men bemerke bier dat bet Sacrament des Doopsels zijnen
naam ontvangen heeft van de uitwendige wassching, waaruit
bet ten deele bestaat. Doopen wil eigenlijk zeggen in het wate1·
dompelen of doppen; welnu, in bet begin der H. Kerk geschiedde de uitwendige wassching des Doopsels, met den doopeling. in bet water te dompelen; en ilaarom beeft dit Sacrament
den naam van Doopsel gekregen. Deze afwassching werd ook
eertijds somwijlen door besproeiing gedaan; doch nu geschiedt
zij altijd door begieting, dat is, met water op het lichaam te gieten. - Dit alles zal ons in de 440 en 5do vraag breeder uitgelegd worden.
5. Welk is het uitwerkselvan het Doopsel? llet zuivert den
mensch van zfjne zonden, gelijk de Catechismus zegt. - In
de voorgaande les hebben wij geleerd, dat bet uitwendig teeken
van een Sacrament eene zonderlinge g1·atie moet beteellenen

�VIERDE DEEL. -

3QSte LES, 2do VR.

891

dt'e het ons door· zt'ch zelf gee{t : door de gemelde woorden
van den Catechismus leeren wij welke zonderlinge gratia
door het Doopsel beteekend en gegeven wordt : namelijk, de
zuivering der ziel van alle zonden, de vergiffenis van alle zonden. - Hoe wordt die zonderlinge gratie in bet Dooilsel beteekend1 Dit blijkt heel klaar uit de natuur der zaak zelve :
daar de zonde onze ziel besmeurt gelijk de onreinheid het lichaam, zoo is de afwassching des lichaams natuurlijk dienstig
om de inwendige zuivering der ziel door de vergiffenis der zonderi, waarmede deze besmet is, te beteekenen; en de aanroeping
der H. Drijvuldigheid, welke onder de afwassching geschiedt,
komt klaarlijk uitdrukken dat zij die inwendige zuivering
waarlijk beteekent. - En hoe stort bet Doopsel die zonderlinge
gratie in 1 Door zich zelf, door zijne eigene kracht, zonder de
verdiensten van den bedienaar of van dengene die gedoopt
wordt.
6. Het Sacrament des Doopsels heeft dan de volgende eigenschappen, of het is van de andere Sacramenten door het volgende onderscheiden : voor uitwendig teeken heeft het de
uitwendige wassching en de aanroept'ng det• H. Drijvuldigheicl; de gratie die het beteekent en door zich zelf geeft, is
de vergiffent's van alle zonden; en wat de plaats aangaat, die
bet onder de Sacramenten bekleedt, het is het eerste en het
noodigste Sacr·ament.

2. V. Aan wie is ltet Doopsel noodig?
A. Aan alle menschen, die de gratie Gods willen bekomen, en tot de eeuwige zaligheid geraken.
1. Hier zal de Catechismus ons wijdloopiger uitleggen, ·hetgeen
hij alreede in het eerste antwoord gezegd heeft, te weten : dat
het Doopsel het noodigste Sacrament is. - Aan ·wie, vraagt
hij, t's het Doopsel noodig?

�892

VIERDE DEE!•• -

3QSto LES, 2de VR.

2. Zijn antwoord leert ons : a) aan welke menschen lzet
noodig t"s, en b) waartoe lzet. hun noodig t·s.
3. Aan wie dan is het noodig¥ A an alle mensclten. -En waartoe is bet aan alle menschen noo(lig¥ Om. de gratie Gods te bekomen en ·tot de eeuwige zaligheid te ge1·aken, gelijk de
catechismus zegt. Men bemerke dat deze twee dingen : de gmtie Gods bekomen en tot de eeuwige zaligheid geralten, · innig
verbonden zijn. De gratia Gods, 't is te zeggen, de staat van heiligmakende gratia, is de noodzakelijke voorwaarde om de
eeuwige zaligheid of den hemal te kunnen bel\omen. Hij, die
sterft zonder de heiligmakende gratia te bezitten, is in de volstrekte onmogelijl;.heid den hemel binnen te treden.
4. !foe moeten wij hier die woorden " aan alle menschen "
verstaan; is er bier gecne uitzondering te mal\en voor eenige
personen of voor eenige gevallen¥ Neen; deze noodzakelijkheid
is zonder eene uitzondering : Christus heeft immers uitdrukkelijk aan Nicodemus, den scbriftgeleerde, gezegd (Joan. lll, 5) :

.. Voo~·waat·, vom'Waa~·. zeg ik u : zoo iemancl niet he;·bo" ren wm·dt ttil het wale;· en den ll. Geest, (of in andere woor" den, het Doopset niet ontvangt), kan hi,j het ;·i.,ik Gods
.. niet ingaan. " Deze woorden dl'Ukken klaar uit, tlaL de geestelijke geboorte door het Doopsel Lot bet uieuw geestelijk leven
der gratie een onontbeerlijk middel is ter zaligheid. De H. Petrus
vergelijkt in 1.ijnen eersten brief (lll, 20, 21) bet Doopsel aan de
ark van Noe : gelijk namelijk de ark ten tijde van den zondvloed
het eenige middel was om bet tijdelijk leven te redden, zoo redt
ook alleen bet Doopsel van den eeuwigen ondergang. En het Concilia van Trente (7 510 Zitt. 5. Can.) spreekt den banvloek uit tegen
dengene, die zegt" dat bet Doopsel vrij, of in andere woorclen, niet
" noodzakelijk ter zaligheid is. , - En waarom is het Doopsel
volstrekt noodig om Gods gratie of het leven der gratia te bekomen1 Het is, omdat men niet kan Ieven, zond~r geboren te zijn,
en dat het alleenlijk door het Sacrament des Doopsels is, dat wij

�VJERDE DEEL. -

3QS1c J,ES, 2do VR.,

893

tot bet Ieven der gratie, tot bet Ieven der kinderen Gods en erfgenamen des hemels, geboren worden.
5. Ret Doopsel is dus volstrekt noodzakelijk om de gratie en
de zalighei~ te bckomen : maar moet bet altttJ. met der daad
oil.tvangen, ofwel kan bet in zekere gevallen vervangen worden door eenige andere middelen1 Ja; als het Doopsel onmogelijk is, (dat wil zeggen, als het werkelijk ontvangen van bet
Doopsel niet afhangt van den wil van hem, die- &gt;erplicht is zicb
te Iaten doopen), dan kan bet door de begeerte van gedoopt te
worden, die met eene volmaakte liefde tot God gepaard gaat;
ofwel nog door de mart.eldood (te zamen. voor degenen die tot de
jaren van verstand gekomen zijn, met ten minste eene onvolmaakte liefde tot God) vervangen worden.
Ret eerste middel wordt genoemd het Doopsel van begee1·te,
omdat hct ten dee!e bestaat uit de begeerte van het Doopsel t~
tmtvangen; en het tweede, het Doopsel 1:an bloed, ·omdat het
den mensch in plaats van met water, gelijk bet in bet Sacrament des Doollsels geschiedt, om zoo te zeggen met zijn bloed
afwascht en van zijne zonden zuivert. Om bet Sacrament des
Doopsels van bet Doopsel van begeerte en van bloed te onderscheiden, noemt men bet gewoonlijk bet Doopsel des waters,
omdat het met water bediend wordt.
0. Wat is m· dus vereischt tot het Doopsel van beg_eerte, en
voor wie !tan bet 't Doopsel des waters verYangen~ Daartoe is
niets anders vereiscbt, dan eene volmaal;.te liefde tot God
(zie 20'10 les) of bet daaruit voortkomende berouw over onze
zonden, en het verlangen of de hegeert.e van bet Sacrament des
Doopsels te ontvangen. Evenwel is er geene uildruklleliJke
begeerte noodig; bet is genoeg dai men bereid zij alles te doen,
wat God van ons vraagt, en bijgevolg ook het Doopsel te ontvangen, indien men het gebod van het te ontvangen kende of
indacbtig ware. Christus beeft .zeer duidelijk verklaard, dat men
door die gesteltenis de heiligmakende gratie kan bekomen,

�894

VIERDE DEEL. -

30 810 LES, 248 YR.

wanneer Hij gezegd heeft, clat degene, die God bemint, van God
zal bemind worden en dat God tot hem met zijne· gratie zal
komen, en zijn verblijf bij hem nemen (Joan. XIV, 23). En dit
Doopsel van b•erte kan voor al degenen, die tot de jaren van
verstand gekomen zijn en het Doopsel nog niet ontvangen llebben, in alle oogenblikken dienen, op dewelke zij niet zondigen
met het Sacrament des Doopsels niet te ontvangen. Derhalve
kan bet niet alleenlijk dienen in stervensgevaar, maar ook binst
den tijd dat iemanu zich tot bet Geloof bekeert en tot het ontvangen des Doopsels bereidt. Indien een mensch gedurende zijne
bekeering en zijne bereiding eene akte van volmaakte liefde tot
God verwekt, zal llij daardoor de lleiligmakende gratie ontvangen; hoewel hij nogtans verplicht blijfL nadien, als de gelegenheid zich aanbiedt, bet Doopsel des waters te ontvangen.
7. En wat is er vereischt tot het Doopsel des bloeds, en voor
wie lmn bet 't Doopsel des waters vervangen ~ Tot het Doopsel
des bloeds is er in degenen, die tot bet gebruik des verstands
gekomen zijn, vereiscbt dat men liever, dan tegen bet Geloof of
tegen eene andere christelijke deugd te zondigen, de dood, waarrnede men bedreigd is, wezenlijk onderga, of ten minste,
pijnen verdrage, welke van dien aard zijn, dat zij zonder goddelijke tusschenkomst de dood zeker zouden ten gevolge hebben;
en dat men daarbij nog, ten minste eene onvolmaakte liefde
tot God, en eene uitdruldwlijke of alleenlijk in die liefde
ingeslotene begeerte hebbe van bet Sacrament des Doopsels te
ontvangen. - Voor de kinderen, die tot de jaren van verstaud
niet gekomen zijn, is er enkel vereischt, dat zij om reden van
llet Geloof of eene andere christelijlw deugd de dood lijden, of
ten minste pijnen onderstaan, die de dood zondet· Gods tusschenkomst zouden teweeg brengen. Tot het Doopsel des bloeds
is het niet noodzal\elijk, dat het bloed vergoten worde; de
marteldood wordt immers ltet Doopsel des bloeds genoemd,
niet omdat in haar_het bloed moet vergoten worden, maar omdat

�VIERDE DEEL. -

3Qste LES, 2de VR.

895

zij zeer dikwijls in eene bloedige dood bestaat.-'- Datde marteldood .
dienen kan om de gratie Gods te bekomen, leeren wij van Christus, die ons gezegd !weft (Mattl1. X, 39) : " lVie zijn leven (zijn ·
lichamelijk Ieven) om .Mij ve~·lm·en heefl, die zal het (het
eeuwig Ieven des hemels) vinclen: .. Maar dat zij nogtans om
dat uitwerksel te bekomen, bij de menschen, rlie tot de jaren
van verstand gekomen zijn, rnoet samengaan met eene onvolmaakte liefde tot God, is ook buiten allen twijfel, aangezien God
zijne gratie niet kan geven aan degenen die zich tot Hem niet
keeren en Hem geenszins beminnen. Voor de kinderen, die tot bet
gebruik van het vel,'stand nag niet gekomen zijn, is de marteldood alleen genoeg om de gmtie te bekomen, gelijk het gevoelen
der H. Kerk, die den feestdag der Onnoozele Kinderen viert, het
te kennen gee ft. - Het Doopsel des bloeds kan d ienen, zoowel voor
de kinderen, die tot dejaren van verstand nog niet gekomenzijn,
als voor de anderen, wanneer zij in 't geval zijn voor het Geloof
of eene andere christelijke deugd de dood te ondergaan, en het
Doopsel nog niet ontvangen llebben. Nogtans zoo iemand, die
tot het gebruik van het verstand gekomen is, vooraleer de
maJ•teldood te onuergaan, het Sacrament des Doopsels kon ontvangen, hij zou uit moeten doen.
8. Vervangen nu het Doopsel uer begeerte en het Doopsel des
bloeds ten voile het Doopsel des waters 1 Geenszins; zij geven wel
de heiligmakende gratie; maar zij geven op geener wijze noch
dien bijzonderen gmad van heiligmakendegratie, noch dat bijzonder recht tot de dadelijke gratie, noch het merkteeken, die wij
door het Doopsels des waters bekomen; en dewijl zij ons het
merkteeken des Doopsels niet inprenten, makeu zij ons niet bekwaam om de andere Sacramenten te kunuen oulvangen. Chris. tus heeft niet gewild dat iemand vrij zou zijn Y:lll het Sacrament
des Doopselsmet ter daad te outvangen, omdat Hij door het Doopsel
de leden zijner Kerk van de ongeloovigen wilde ouderscheideu .
. Daarom heeft Hij inzonderheid het merkteeken, 't\~elk ons be-

�8913

VIERDE DEEL. -

3051 0 LES, 2do YR.

kwaam maakt om de andere Sacramenten te ontvangen, aan niet
een ander middel dan aan bet Doopsel, willen vasthecliten. ·
Is men dan, na bet Doopsel van begeerte, of ook na het Doopsel des bloeds, (indien iemand bij voo~·beeld, door een mirakel
Gods in de martelie •an de dood bevrijd \verd), 11iet ontslagen
van het Sacrament rles Doopsels te ontvangen 1 Geenszins; men
blijft verplicht bet Sacrament des Doopsels te ontvangen, juist
alsof men hetDoopsel der begeerte of des bloeds nog niet ontvangen hadde. Het. is alleenlijk door bet Sacrament des Doopsels dat
men uitwendiglijk geboren wonlt tot Jdnd van God, lirl wordt .
der H. Kerk, en bekwaamheid bekomt om de andere Sacramenten te ont•angen.
Zijn dan het Doopsel der begeerte of het Doopsel des bloeds
geene Sacramenten1 Geenszins; aangezien zij van Christus niet
ingesteld zijn als teekenen eener zonde1·linge gmtie, die ons door
.hen zelven gegeven wordt. Bet Doopsel der begeerte kan gansch
inwenrlig, zonuer eenig uitwendig teeken geschierlen, en het bekomt ons de gratie Gods uit hoofUe on1.er inwendige gesteltenis.
om reden onzer volmaakte liefde tot God. De marteld.ood is wel
een uitwendig teel{en : bet is immers een t.eeken der wreedheid
van den vm·volger, en ook nog der vaste getrouwheid van den
martelaar (wanneer deze tot de jaren van verstand gekomen is)
aan bet Geloof of aan eene andere christelijke deugd; maar zij
br.teekent op geener wijze uit Christus' instelling eene 7.0Hderlinge gratie, die zij ons door zich zelve zou geven : Christus heeft
voorzeker eene dood, die do01· eene gruweldaad teweeg gehracht
wordt, als een bijzonder middel, dat door zich zelf de gratie gee ft.
niet ingesteld. De heiligmakende gratie, die door de marteldood
verkregen wordt, komt voort uit een bijzonder voorrecht, dat
God aan bet lijden der dood om zijnentwille heeft vastgehecht. ·
- Gelijk het algemeen gevoelen der H. Kerk ons leert, verkrijgt
de mensch door de marteldood vergiffenis niet alleenlijk van al
zijne zond~n. maar ook ''an al de tijdelijke pijnen. Dit bijzon-

�VIEilDI&gt; DI&gt;EL. -

3QSie J,ES, 3dc VR.

89i

der voorrecht is aan de marteldood door God vergund, om reden
van het groat verlies, dat de menscll door de marteldood om
Gods wille ondergaat : hij verliest geheel zijn tijdelijk bestaan,
geheel r.ijn tijdelijk Ieven, aile goed dat hij bier bezit; en het is
zeker allerredelijl;:st dat God zulk een groat verlies vergoede. met
alle zonden en ook alle tijdelijke pijnen te vergeven, om zoo den
martelaar aanstonds, in plaats van het tijdelijk, het eeuwig
geluk des hemels te schenken.
9. Uit geheel deze leering over de noodzakelijkheid des Doopsels. blijkt het klaar, hoe degenen die tot bet gebruik des
verstands niet gekomen zijn, ~n degenen, die het bereilit hebben,
de eerste maal de heiligmakemle gratie kunnen bekomeu, of gerechtveerdigd kunnen worden. Degenen, die tot het gebruik des
verstands nag niet gekomen zijn, kunnen de heiligmakende gratie voor de eerste maal bekomen door bet Sacrament des Doopsels of door het Doopsel des bloeds, dat is. dam· de marteldood.
Integendeel, al degenen, die tot het gebruik van hun verstand
gekomen zijn, lwnnen ze bekomen door het Sacrament des
Doopsels, door het Doopsel des bloeds en ook door het Doopsel
der begeerte. - De kinderen. die zonder bet Sacrament des
Doopsels of zonde1· het Doopsel des bloeds sterven. en bijgevolg
van der.e wereld scheiden zonder de heiligmakende gratie te
bezitten. zijn voor eeuwig uit den hemel gesloten. Edoch men
denke niet dat r.ij zullen lijden of ongelukkig zijn. Zij zullen wel
het bovennatuurlijk geluk des hemels niet bezitten; maar zij
, zullen geheel dat geluk genieten, 'twelk voor den mensch zou
bestemd geweest zijn, hadde God hem tot de bovennatuurlijke
orde niet verheven, gelijk wij in de 15uo les gezegd hebben.

3. V. vVien staat ltet toe te doopen?
A. t' Is bet ambt van den priestm·; in den nood nag-

tans mag- eeni~g-elijk doopen.

�898

VIERDE DEEL. -

30 91" LES, 3de VR.

l. De Catechismus gaat ons in deze vraag spreken over den
bedienaar van het Doopsel. Wien, vraagt hij, staat het toe te
doopen; 'tis te zeggen, mag een ieder, die wil, bet Doopsel toedienen, ofwel behoort dit aan sommige bijzondere personen 1
2. In ~ijn antwoord leert hij ons a) wiens am!Jt het is; en b)

wie in den nood mag doopen.
·a. Wiens ambt is het? 'tIs het ambt van den priester; in
andere woorden, 't is de priester die de gewone bedienaar is van
bet Doopsel, en aan wien alleen het toekomt, buiten den nood.
het Doopsel toe te dienen.
Wie rnag er in den nood doopen? In den nood, zegt de Catechismus, m,ag eeniegelijk doo1Jen.- In den nood, dat is, als
er gevaar bestaat, dat iemand zonder Doopsel zou sterven, indien
men moest wachten, totda.t een priester het Doopsel zou kunnen
toedienen. - Een iegelijk, dat is iedere mensch, 't zij man of
vrouw, 't zij katholiek of ketter, 't zij geloovi.ze of ongeloovige,
die het gebruik van zijn verstand heeft, en in staat is om de
afwassching en de aanroeping der H. Drijvuldigheid te doen,
die tot bet Doopsel vereischt zijn, alsook om te willen doen, wat
Christus ingesteld beeft of de H. Kerl\ doet. Diensvolgens, het
bedienen des Doopsels behoort aan den priester niet gansch
uitsluitelijk toe : bet behoort hem maar uitsluitelijk, als er geen
gevaar is van sterven. Als dit gevaar bestaat, dan mag iedere
mensch, 't is gelijk van welk geslacht, van welken staat, van
welk geloof hij zij, bet Doopsel bedienen. - In deze goddelijke
schikking, volgens dewelke een ieder in den nood mag doopen,
moeten wij de goedheid en de wijsheid van God bewonderen :
Hij heeft dit gewildom derwijze bet gebruik van bet Doopsel, het
allernoodzakelijkste middel der zaligheid, ten uiterste gemakkelijk te maken.
4. De Catechismus zegt, dat in den nood eeniegeli,jk mag doopen : indien dan een mensch, die geen priester is, het Doopsel
toediende buiten het gevaar van sterven, zou dit Do.opsel ongel-

�VIERDE DEEL. -

30810 LES, 341° VR.

899

dig of van geener weerde zijn YGeenszins; dit Doopsel zou geldig
zijn; . en weshalve een kind, .dat z66 gedoopt wordt, zou de
vruchten des Doopsels beltomen. De Catechismus zegt immers
niet .. in den nood kan eeniegelijk doopen, .. maar .. mag doopen ... Hij handelt in deze vraag alleenlijk van de geoorloofde
bediening des Doopsels : hij leert niets anders dan dat ·het aan
degenen, die geen priester zijn, ongeoorloofd is, of op zonde
verpoden is, het Doopsel toe te dienen buiten den nood.
Bijgevolg wie kan e1• geldig doopen ¥ Iedere mensch kan geldig
doopen, 't is gelijlt wie hij zij, man of vrouw, katlioliek of ketter,
geloovige of ongeloovige, en 't is gelijk 'in welke omstandigheden
bet geschiede, of er gevaar zij van sterven of niet. - .Maat· wie
mag het Doopsel toedienen, of wie kan zonder zondigen bet
Doopscl toedienen~ Als er geen gevaar is van sterven, zijn het
alleenlijk de priesters; maar als er zulk gevaar bestaat, mag
eenieder het doen.
5. Om dit antwoord te volledigen, is er nog het volgeude op te
merken : a) buiten het gevaar van sterven mag ook een diaken het Sacrament des Doopsels bedienen, wanneer hij van
den bisschop, ofwel, wanneer het moeilijk is zich tot den
bisschop te wenden, om eene goede reden van den pastoor
daartoe oorlof heeft ontvangen. - b) Volgens de wetten der
H. Kerl{, mag het Doopselniet door iederen priester toegediend
worden, maar alleenlijk door den pastoor der parochie, of door
e_enen priester, die van den pastoo~ of van den bisschop daartoe aangewezen is; en daarom mag men buiten noodzakelijkheid
aan niemand de toediening van bet Doopsel vragen, dan aan
zijnen pastoor ofaan degenen, die zijne plaats vervangen. En de
reden hiervan is duidelijk : de orde in de H. Kerk vereischt
immers, dat men zich VOOl' het eerste en noodigste _Sacrament
tot den eigen pastoor wende. - c) Het zijn maar de priesters en
ook de diakens, wellte daartoe bemachtigd geweest zijn, die bet
Doopsel mogen bedienen me_t ceremonien; en dit mogen zij

�900

VIEHDE DEEI,. -

30ste LES, 4de VR.

alleenlijk doen in de kerken. Nogtans, wanneer zij in nood van
sterven het Doopsel te huis bedienen. behooren zij de ceremonien
te gebruiken, welke het Doopsel volgen.- d) Wanneer bet Doopsel in den nood te huis toegediend wordt, moet het gescbieden door
den weerdigsten persoon der aanwezigen; tenware de omstandigbeden. of de bijzondere bekwaarnheid van den eenen persoon
boven den anderen het anders vereischten. -e) Vader en moeder
mogen hunne i{inderen slechts dan doopen, als er niemand anders
aanwezig is, die bet lmn doen. - f) Wanneer iemand te huis is
gedoopt, moeten nadien, als hij overleeft en aile gevaar voorbij is,
in de Kerk de ceremonien aangevuld worden.
Hierbij is nog op te merken, dat, dewijl een ieder in het geval
zijn l\an Yan te moeten doopen, het den waren Christen mensch
hoogst betaamt wel te weten, hoe bet Doopsel moet hediend
worden.

4. V. lVaa1·mede moet men doopen?
A. Met waarachtig en natuurlijk water, als met putwater, regenwate1·, fonteinwater, zeewater.
I. De Catechismus heeft ons in de eerste vraag geleerd, dat
het Doopsel teli deele bestaat uit de uitwentlige wassching : nu
gaat hij ons zeggen, waarmede deze wassching des lichaams
moet geschieden. Waannede, vraagt hij, moet men doopen,
't is te zeggen, is het gelijk. waarmede men in het Doopsel de
afwassching doet, ofwel moet zij met eene bijzondere stof
geschieden ~
2. Hij antwoordt dat zij moet geschieden met wa(wachtig en

natuurlffk watel', qls met putwater, regenwater·, (onteinwater, zeewate1•. Het is dan niet gelijk, waarmede de afwassching geschiedt: zij moet gedaan worden met eene bijzondere
stof, te weten, met water. En met welk water1 Met wam·aclttig
water, zegt de Catechismus, 'tis te zeggen, niet met eene stof

�V!EltDE DEEL. -

3Qsto LES, 4do Vlt.

901

die op water treltt of eenige gelijkenis met he~ water heeft, zooals bij voorbeeld, speeksel, sappan en vochten die uit planten of
vrucllten geperst zijn; maar met ecllt water. - \Vat is nu
waarachtig en echt water1 Het is, gelijk de Catechismus zegt,
het natuurli.Jk water, 't is te zeggen, 't geen in den strengsten
zin en overal onder den naam van water komt; en zulk water
vinden wij, gelijk de Catecllismus zelf leert, in putwate1·,
regenwate1·, (onteinwate~·. zeewater. Integendeel, ongesmoltene sneeuw en vast ijs, alhoewel zij uit water zijn samengesteld,
zijn geen natuurlijk water, dewijl zij bij de menschen onder den
naam van water niet komen.
3. i\laar hoe is het water tot het Doopsel vereischt : is het gebruik van het water tot de afwassching alleenlijk op zonde
geboden, ofwel is het volstrekt vereischt, opdat het Sacrament
geldig· zciu bediend worden 1 Het is volstrekt vereischt tot de
geldigheid van bet Sacrament; en derhalve zou het Doopsel van
geener weerde zijn, indian het zonder water. bij voorbeeld met
wOn, met melk, met bier bediend werd. Dit blijkt zeer klaar uit
de woorden van Christus tot Nicodemus : " zoo iemand niet
, llerboren wordt uii wateJ• en uit den H. Geest, kan hij het
, rijk Gods niet ingaan .. (Joan. III, 5); en uit de leering der
H. Kerk. - Twijfelde men of de eene of de andere vloeibare
stof, zooals loogwater, thee of Iicht bier als natuurlijk water
mocht aanzien worden; dan mag en moet men ze bij gebrek
aan ander water in dl'ingende noodzakelijkheid gebruiken. Doell
wie met zulk eene twijfelachtige stof gedoopt is, die moet, als
hij in het Ieven blijft, zoohaast mogelijk op conditie herdoopt
worden.
Moet bet water, dat in bet Doopsel gebruikt wordt, niet
gewijd zijn 1 Dit is niet vereischt tot de geldigheid des Doopsels :
~e priester echter, die plechtiglijk bet Doopsel toedient, moet ·
daartoe bet water der doopvont, 't welk op Paasch- en Sinlisenavond gewijd wordt, gebruiken. Wamieer bet Doopsel ie huis "

�902

VIER.DE DEEL. -

30810 LES, 5do YR.

bediend wordt, is. bet betamelijl\, dat men w~ter hale uit de
doopvont, indien de tijd het toelate. Wanneer men geen water
der doopvOI1t voor handen heeft, behoort het dat men aan het
gewijde hoven het ongewijde, indien dit geschieden kan, den
voorl;:eur geve.
Welk is nu de reden, om. dewelke Christus het water, bij
voorkeur aan alle andere elementen, bestemd heeft .tot stof van
het Doopsel1 Ret water verdiende, meer dan alle andere stoffen,
daartoe verlwzen te worden, om deze twee redenen : vooreerst
bet is uit zijne natuur, meer dan alle andere stoffen, bestemd
om llet lichaam van vlekken te zuiveren; en zoo is het allerbest
geschikt om de zuivering der ziel, die in het Doopsel geschiedt,
te helpen beteekenen. Daarenboven, het Doopsel, aangezien het
voor alle rnenschen noodzakelijk is, vereischt een teel;.en dat
gemakkelijk kan toegediend worden : welnu het water is gemakkelijker om bekomen dan aile andere vloeibare stoffen.

5. V. Wellw woorden rnoet men spreken in het
Doopsel?
A. Deze (zonder dewelke het Doopsel van geener
weerde zoude zijn) : Ik doop u in den naam des
Vaders, en des Zoons en des H. Geestes.
l. Het uitwendi_g teeken van het Sacrament des Doopsels
bestaat uit de uit-wendige wassching en uit de aanroeping der
If. Drijvuldigheid: de Catechism us zal ons hier leeren, waarin
. die aanroeping bestaat, of door welke woorden die aanroeping
moet gedaan worden. lVelke woorden, zegt hij, moet men

sprelwn in het Doopsel?
2. Hij antwoordt dat wij in het Doopsel de volgende woorden
moeten spreken, of op de volgende wijze de H. Drijvuldigheid
aanroepen : wij moeten zeggen : .. ik doop u in den naam des
Vaders, en des Zoons en des Jl. Geesles. " Met te zeggen in

�VJERDE DEEL. -

30818 LES, 5"0 VR.

903

den naam, en niet in de namen belijden wij Mnen God; en met
de woorden: des Vade-l's, en des Zoons en des H. GeesteS., belijden wij drij verscheidene Personen in de Godl;eid, gelijk wij
in de tweede les geleerd hebben. -En hoe noodzakelijk is het
deze woorden in het bedienen des Doopsels uit te spreken 1 Zander deze woorden, zegt de Catechismus, zou het Doopsel van
geener wee1·de of nietig zijn; of zonder deze woorden zou het
Doopsel niet bestaan.
Zijn al deze woorden noodig, opdat het Doopsel zou geldig
zijn? Ja; zij zijn dam·toe allen vereischt. Aangezien Christus aan
zijne Apostelen gezegd heeft (.i\Iatth, XXVIII, 19) : " Gaat en
onderwijst alle volkeren, hen doopende in den nawn des
Vadef'S, en des Zoons en des H. Geestes; ~ is het buiten alien
twijfel, dat degenen, die het Sacrament des Doopsels willen
toedienen, noodzakelijk mondelings moeten uitdrukken, dat zij
dien persoon, op denwelken zij de afwassching doen, doopen in
den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes. Daarom
wie, bij voorbeeld, de woorden ik doop u, zou achterlaten en de
werking van het rloopen geenszins zou beteekenen, of het voornaamwoord u niet zou uitspreken, en den persoon, die gedoopt
wordt, op geener wijze zou uitdL'ukken, - ofwel wie alle drij de
goddelijke Personen niet uitdrukkelijk zou noemen, mMr eenvoudig zou zeggen : ik doop u in den naam des Yaders en
des Zoons; of: ik doop u in den naam cler H. Drijvuldigheid,
of in den naam van Christus, - die zou in aile deze gevallen
ongeldig doopen. Zegde men in de namen in plaats van in den
naam, bet Doopsel zou ook ongeldig wezen dewijl op deze wijze
de H.. Drijvuldigheid, onder het opzicht der eenheid van de
goddelijke natuur, niet zou uitgedrukt en aanroepen worden.
Herhaalde men de woorden in den naam voor iederen goddelijken Persoon, het Doopsel zou ook waarschijnlijk van geener
weerde wezen, dMr de eenheid der goddelijke natuur in de
H. Drijvuldigheid op die wijze ook niet genoegzaam schijnt
uitgedrukt et worden. ·

�904

VIERDE DEEI, -

3QSto&gt; LES, 5de VR.

Maar waarom h~eft. Chl'istus gewild, dat de .drij goddelijke
Personen uitdruld;:elijk zouden genoemd worden? Hij heeft dit
gewiiJ ·omdat het Doopsel de deur en de ingang is tier H. Kerk,
die !Jet waarachtig Geloof bewaart en belijdt, en dat de H. Drijvuldigheid bet eerste en het grootste mysterie is van gelleel het
Geloof, en de grondslag van al de andere mysterii:in.
En wat beteekenen de woorden in den naam? Zij kunnen
op drij wijzen uitgelegd worden; ofwel zij kunnen beteekenen :

dom· de goddelijke kracht, doo'· de godclelijke macht des
Vaders, en des Zoons en des H. Geestes; - ofwel : onde;•
de aam·oeping van de goddelijke majcsteit des Yade1·s, en
des Zoons en des H. Geestes, of de goddelijke majesteit des
Vaders, en des Zoons en des H. Geestes aam·oepende;- ofwel
nog: aanden Vade1·, den Zoon en den1I. Geest dengenen, die
gedoopt wm·clt, toewijdende. De tweede uitlegging scllijnt de
beste te zijn. - Ret spdngt in 't oog, dat de woorden, zoowel in
den eenen, als in den anderen zin, t.luidelijk te kennen geven,
dat de wassching, welke in 't DOO}Jsel· gedaan wordt, geen
gewoon of natuurlijk werk is, maar eene inwendige werking
van Gods gratie beteekent.
3. Na gehoord te hebben, waarmede wij moeten doopen, en
welke woorden wij in het Doopsel moeten uitspreken, is er nog
in 't kort te zeggen, waarop er bijzonderlijk te !etten is, opdat
bet Doopsel geldig zou toegediend worden.- Om wel te doopen,
moet men den doopeling bet hoofd, of als dit niet kan geschieden, een ander deel des lichaams, bet edelste mogelijk, met
natuurlijk water begieten, en terwijl men dit doet, al deze
woorden zeggen : ik doop u in den naam des. Vaders, en
des Zoons en des H. Geestes. Men merke wel op, dat de
begieting met water en bet uitspreken der wourden op denzellden tij~. en door eenen en denzelfden persoon moe ten geschieden.
- Wij hebben gezegd dat c(e begieling op hel hoofd, o{, alsclit
niel kan zijn, op een ander· lleel des lichaams, bet edelste

�VIERDE DEE!,, -

3Q•to J.ES, (jde YR.

905

mogelijk, moet geschieden : wanneer zij niet op het hoofd, maar
op een ander dee! des licl!aams gebemd is, of slechts de haren
heeft getroffen, moet men, als het mogelijk is, herdoopen, doch
alleenlijk op conditie: men zegge dan: indien gij niet gedoopt
zijt, ilt doop u in den naam des Yade;·s, enz. Kon men, na op
een ander dee! de~ lichaams de afwassching gedaan te hebben, ze
nog op bet hoofd niet, maar toch op een edeler deel doen, men
!ou op conditie op clat edeler deel moeten herdoopen; en na deze
herdooping zou men, als er nadien middel is, op het hoofd het
Doopsel nog eens op conditie moeten toedienen.
- 'Vai. nu de begieting met water in haar zelve betreft, zij
moet rnei zulk eene hoeveelheid ge:;chieden. dat z~j eene
ware afwassching luume genoemd worden. Indien degene, die
doopt, slechls eenige dntppelen water op het hoofd liet vallen. of zich tenerlen stelcle, met den vinget• in het water te
siel;:en en daarmedc het hoofd van den doopeling aan te raken,
er zou geene behoorlijke afwassching schijnen te zijn, en bijgevolg zou het toegediende Doopsel ten minste als twijfelachtig
moeten aanzien en op conditic herhaald wot·den.

6. V. Mag men tweenwal gedoopt worden?
A. Dat is ongeoorloofd,. ten ware op conditie, als
men met red en twijfelt, of men gedoopt zij.
1. De Catechismus, na ons over het uitwendig teeken des
Doopsels gesproken te hebben, zal ons nu zeggen, hoe dilnvijls
men het Doopsel mag ontvangen. Jlfag men, vraagt hij, tweemaal gedoopt wonlen; 't is te zeggen, mag men meer dan eons
of herhaaldelijk het Doopsel ontvangen1 .
2. In het antwoord leert hij ons twee dingen : a) oC men mag
herdoopt worden zonder conditie; b) of men mag herdoopt
·worden op conditie, en wanneer.
·

'Mag men zonder conditie h.erdooptwm·den? Dat is, zegt de

�906

VIERDE DEEL. -

3QSie LES,

6do VR.

Catecbismus, ongeoorloo(d, in andere woorden, bet. is strengverbod.en meer dan ~eus het Doopsel te ontvailgen.- En welke zonde
bedrijft men met het Doopsel herhaaldelijk. te ontvangen, en
waarom 1Men bedrijft eene doodzonde van heiligschenderij, omdat
bet Doopsel een van die drij Sacramenten is, welke een zeker en
altijddurend merkteeken fn de ziel prenten, en daaromniet meer
dan Mus mogen ontvangen worden. (Zie bladz. 823). Wie dan bet
Doopsel berhaaldelijk ontvangt, misbruikt dat zoo groot en kos;..
baar Sacrament, en bedrijft derbalve eene zware zonde van heiligschenderij. - De woorden op conditie beteekenen, dat de
bedienaar in het gemeld geval den wil moet hebben, van !let
Sacrament alleenlijl1. toe te (lienen, indian (op conditie, op voorwaardedat)de doopeling nog niet geldiggedoopt zij; en bijgevolg,
van bet niet toe te dienen, indien deze alreede bet Doopsel
geldig ontvangen hadde. Het is door de natuur der zaak niet
vereischt, dat die wil uitgedrukt worde; nogtans de H. Kerk
gebiedt hem bij de plechtige ~ediening van het Doopsel uit te
drukken, en deze woorden daartoe te bezigen : indien giJ niet
gedoopt zijt, ik doop u, enz.

J11ag men op conditie lte;·doopt wm·den, en wanneer? Ja, als
men ret ~·eden twi.J(elt o( men gedoopt zij. - Wat beteekenen
de woorden, als men mel 1·eden twij(elt of men gedoopt zij?
Zij beteekenen : als men niet op eene ongegronde wijze vreest,
maar om goede redens denkt dat men misschien bet Doopsel op
geener wijze heeft ontvangen, of ten minste niet geldig is
gedoopt geweest. Zoo, bij voorbeeld, zal men met redeu twijfelen
of men gedoopt zij, wauneer men niet op het hoofd, maar op een
ander deel des lichaams is gedoopt geweest; wanueer men in
den nood het Doopsel heeft ontvangen van menschen, die niet
wel kunnen doopen; wanneer men gedoopt is door ketters, die
voor hei Sacrament des Doopsels weinig zorg hebben; of wan-.
neer er geene genoegzame getuigenis bestaat, dat men het
Doopsel ontvangen hebbe. - Men merke wel op, dat er hier

�VIERDE DEE£,, -

3Qstc LES, 6de VR.

907

geene spraak is van den twijfel of me1i al de vruchten des Doopsels ontvangen hebbe, maar alleenlijk van dezen, of men geldig
gedoopt ~ij. Indien, ~ij voorbeeld, iemand twijfelde of hij bet
Doopsel niet ontvangen lleeft zonder genoegzaam berouw, en zoo
geen beletsel heeft gesteld aan de heiligmakende gratie; of zelfs
indien hij daar gansch zeker van ware, hij zoude daarom niet
mogen berdoopt worden : het merkteeken des Doopsels zoude
bekomen zijn; en wanneer dit merkteeken ingeprent is, lmn bet
Sacrament niet meer ontvangen worden.
3. Strijdt deze toelating van iemand, a is er ware twijfel is of hij
gedoopt zij, op conditio te herdoopen, met die algemeene leering
niet, welke zegt, dat de drij Sacramenten, door dewelke een
merkteeken in de ziel geprent wordt, rnaat· Mms mogen ontvangen wot·dcn 1 Geenszins; want a is men met de condi tie : indien
gij niet gedoopt zijt, herdoopt, heeft men op geener wijze den
wH iemand tweemaal te doopen : men wil immers in dit geval
bet Doopsel maar l.Jedienen, indien de doopeling nog niet gedoopt
of slechts uitwendig en niet geldig gedoopt geweest is. Ware de
doopeling vroeger geldig gedoopt geweest, zijne herdooping zou
geen Sacrament zijn, dewijl de hedienaar in dat geval den wilniet
llCeft, het. Doopsel nog eens toe te dienen : en bijgevolg, met zoo
te hcrrloopen, wortH het Sacrament des Doopsels op geener wijze
berhaald oftweemaal bediend. Daaruit blijkt· het 1\laar, dat zulk
eene herdooping hoegenaamcl niet strijdt met het gebod van
maar Mms te doopen. - :Men merke op, dat het zelfs noodzakelijk is, bet Doopsel tc her!lalen, als men met reden twijfelt
of iemand gedoopt zij ; aangezien het Doopsel ontvangen moet
worden uit noodzakelijkheid des middels. - Doell nooit mag
men op conditio llerdoopen, als er geene goede reden bestaat
om te twijfelen, of men gedoopt zij; want met zoo te handelen,
. zou men het Doopsel misbruiken en derllalve eene heiligschenderij bedrijven : herdoopen op conditio, zonder dam'toe eene
goede reden te hebben, is immers zooveel als llerdoopen zon-

�908

VIERIJE DEE!,. -

:JQSte !,ES, i' 1 ~ YR.

der conditie, en bijgevolg zoovefll als het Doopsel herhaaldelijk
toedienen.

7. V. TVat kr(jgen wij door lwt Doopsel?
A. Vergiffenis van de erfzonde. en van alle andere
vooq:w.anclc zonden, en ook van de pijnen daartoe
staande.
1. De HI-I. Sacramenten, gelijk wij geleertl hebben. beleekenen
en geven ons dool' hunne cigene lu·acht eene zondel'linge g1·atie:
welnu de Calechismus naagt hiet·. well\e zondcrlinge gratie wij
11om· het Doopsel ontvangen : leal lwijgen wij, zegt hij. door

het Doopsel?
:?.. ne zomlerlinge gratie, die OilS door het Doopscl gegeven
wonH, i:; gelijk tic Catechism us ?.cgt. de 1ie;·giff'enis van de m·l·

zonde en 1:an alle ande1·e ·coo;·gcumde zomlen, en ook 1:an de
pijnen dam·toe staande.
3. Waartoe client dan dil Sa em men t; tlient hot om de zondcn
te vergown en zoo tic heiligmakcndc gratio clegcnen in te
stort.en. die ze nict bczitlen, ofwcl om de reeds beslaande heiligmalwndc gratic te vermccr•let'en? Hot dient om de ZOlH.len te
vel'geven 011 z66 de heiligmakendc gratio degencn in lc stortcn,
tlie ze ~Jiet bezittcn : tic Catcchismus zegt immers, dat hot
Doopscl ons ve;·giff'enis geeft van de zoiHlen. Hicl'door is het
Doopsel ontlerscheidcn van de vijf Sacramentcn tier lerenden,
die allen rechtstreeks tliencn,· niet om de zonden to vcrgeven,
maar om de ·reeds bestaande heiligmakelllle · gratie tc Vermeerderen.
Well\e zonden worden door het Doopsel vergeven? Door l.Jet
Doopsel. zcgt de Catcchismus, krijgcn wij vergiffenii3 van de
e1·{zonde en 1:an alle ande1·e t~om·gcumde zonden. - Wat
wordt er verstaan door de Cl'(.sonde? Hot is die afgel&lt;eerdheid
van God en berooving der godtlelijke rechtvcenlighcid (der hoi-

�909

lig111al\el1de gl. atie), \\~ell\e alle DlellSCllell aa11gebor~n \VOrtlt door
de11 ,~al , ..a11 .OllZeil eerste11 ,~ader Adan1. Aile 111enscllell l\Otllell
ter '''ereld, beroofd ':ra11 de lleiligJllal\eil&lt;le gratie, n1et de\vellie
zij volge11s Gods scllilil\.ing 111oesteJ1 gebore11 \VOrde11 : zij zij11 er
va11 beroofd door tle zo11de ,.a11 i\.datll, en deze st~'l.t vatl 1Jeroovi11g
uit .:\da111's zo11fle voortlionlellfle tnaal\t de erfzo11de uit. - E1z
1Ja1z allc a12.tler·e V001'UCtct,zcle zo1zcle11 ; va11 \Vcll\e · zo11deJ1 is er
11 ier S}1raal\ ~ Er is spraal\. va11 (le zo11de11, \\"elite ee11 &lt;loo}&gt;eliilg, die reeds tot de jare11 va11 ,~ers~'l.nd gel{On1e11 is, ':6or
zij11 Doo1lsel floor zij11e ~ige11c daad bedre,~ell l1eeft. Bij de
l\i11deren, die ,·uor de .i&lt;trc11 ,·an ,·er·sta11d gedoopt '':'orden, zij11 er
zull\. gee11e zo11dcn te vi11deJ1; zU zij11 alleenlijl\. 111et de erfzo11de
bes1nei; n1aar '''ie 11a. de jare11 , . a11 ,~et'stall(l bereikt te ltebbe11
l1et J)oopsel OJlt,~angell, die l\UI1ne11 tloor IJuune11 eige11e11 \Vil
gezo11d igcl l1ebbe11. ~ ~lc11 uen1erl\e \vel l1et \voord voor·gact1zcle
Z07l(lCi1. : a~tngezie11 l1et l&gt;oo11Sel J1et eerste Sn.cranlCll t is e11 111aar
. 6c11s 1nag OJlt,:oallgeJl ,,~orden, )\an l1et gceJIC &lt;tndere dadelijk.e
zo11dCil ,·erge,·en~ &lt;latl die, \vell\e &lt;le &lt;loopeling bcdre\eii I1eeft
ooraleer h ij gedoopt '''Ol'd t.
E11 l1oe \vordeJl de erfzo11de e11 de ':ooorgaa11de zoJtden door I1et
Doopsel "·ergc,·ell; blijve11 cr ll&lt;l. l1et Doopselnog pij11e11 te lijden,
o(\rcl \VOrdeil tc zanlen lllet de ZOlldCll aile }lijnell ,·crgeveJl ~Door
l1et JJoopsel, zegt de C:ttcchistnus, \Vordcn 11ict allceillijl\. de erfzonde e11 de ,·oorgaande zonden ''erge,:-en, 111aar ooll ([c 1ji.j1ze1t
clactr·toe sl(tCtrlcle.
,
' 1

''a11 '''ell\e }lijne11 \vorut er l1ier gcsprol\en; is ltet ,·an de eeu,,·ige
Jlij ne11 or,,~cl ,~clll de tijdelij l\c 11ij nen 1 I-l ier is gee110 S}lra~tk ,.a11
&lt;le ceu\vigc IlijJlCll, aa11gezien dcze allijd tc zarne11 n1eL tle zonde
noodzalielijl\ ,·ergeve11 '''Orden; 1l1aar \V'el ,.a11 de tijdelijlte pijnen,
die \Vij gc\\'OOillijl\, nu de ''ergi ffc11is onzer zonde11 uel\Oillen te
·11etiben, 11og scl1uldig blij\,en l1ier of i11 hct 'rage,~ttur le lijden.

Bijge,·olg heeft l1et Doo1&gt;sel (le liracl.lt ons ,·otle ''ergiffenis tc
scltenliell '~a11 allc zo11den e11 Jlijtletl, of 011s ,.a11 '1lle zonde11 c11

•

�910

VIERDE DEEJ,. -

3Qste J.ES, 7de VR.

schulden z66 ±e zuiveren, dat men na het Doopsel iri staat zij van
rechtstreelis den hemel binnen te treden, zonder een oogenblik
in het vagevuur·te moeten lijden; en deze l;.racht werkt het altijd
uit, wanneerergeene beletsels bestaan. Diensvolgens, de kinderen,
die v66r de jaren van vet·stand bet. Doopsel ontvangen, verkrijgen volkomene vergiffenis van de erfzonde en van aile straffen,
dewijl zij aan de uitwerksels geen beletsel lmnnen stellen; en
daarom ook viert de H. Kerk de begrafenis van zulke l;:inderen
• in geen rouwgewaad, noch bidt voor de rust hunnerzielen. ~mdat
zij overtuigd is, dat hunne zielen onmiddellijk in den hemel zijn
'binnengetl'eden. Op dezelfde wijze r.ou een volwassene. bij voorbeeld, een Heiden, een .Jood. of een Turk, die zich tot het katholiek
Geloof bekeert en gedoopt wordt, voll;;omene vergifl'enis van al
zijne zonden en strafl'en bekomen, indien hij door ongenoegzame
gesteltenis geen beletsel stelt; en kwam hij te sterven, na het
Doopsel zonder eenig beletsel ontvangen te hebben, hij zou ook
recht den hemel binnengaan. (Over de daartoe vereischte gesteltenis, zie vi·. 9.)
\Vaarom heeft Christus gewild, dat door het Doopsel niet
alleenlijk al de zonden, maar ook al de tijdelijke pijnen zouden
vergeven worden? Hij lleeft dit gewild. omdat de mensch door'
het Doopsel een nieuw leven moet ontvangen of moet herboren
. worden, en omdat het niet betaamt, dat bet middel, door
hetwelk dat Jfieuw Ieven moet bekomen worden, onvoldoende
zij om ons hetzelve ten volle te geven, en alles weg te nemen,
wat eenigszins me~ dat Ieven strijdt. \Velnu lladde het Doopsel
de l;racht niet al de pijnen te ?ergeven, het zou ons niet ten
volle een nieuw geestelijk Ieven schenken, en niet alles werrne.,
men water mede strijdt.
l\len merke bier op, dat bet Saci·ament des Doopsels met dat
der Biecht, onder het betrek· der zonderlinge gratie, i.lie zij
uitwerken, hierin overeenkomt, dat het dient om de zonde te
vergeven; maar llet verschilt er van tloor. de zonden, die het

�VIJ;RDE Dll.EI.. -- 3Qeto LE!l, 7de Vlt.

911

vergeeft en door de manier op dewelke bet clezelve wegneemt.
Het Doopsel vergeeft immers de erfzonde en de dadelijke zonden
die het Doopsel voorgaan, terwUl de Biecht ~lleenlijk dient om
de dadelijke zonden, die na het Doopsel geclaan zijn, .te vergeven;
daarbij heeft het Doopsel de kracht om ook al de pijnen der
zonden te vergeven, terwijl de Biecht die kracbt niet bezit.
4. :Men neme bier wel in aandacht, dat de vergilfenis der
zonde niet geschiedt zonder de instorting der heiligmakende gratie, en dat hijgevolg de woorden : 'l:ei'[Jiffenis van de erfzonde
en 1:a.n alle andm·e voorgaande zomlen zooveel beteekenen als:
insloi·ling de~· heilz"gmalwnde {Ji'alie om den mensch te zuivei'en 1:an de e1'{'zonde en alle andere 'I:OOi'[Jrumde zonden. De
erfzonrle en de staat ntn rloodzonde bestaan irnmers in de berooving tier heiligmal;,ende gTatie dooe de zonde '·an Adam en door
onze rladelijke doodzonden tewee~ gebeacht; en daarom kunnen
de erfzowle en de dadelijke doodzonde niet vergeven worden,
zonder dat de heiligmakende gratie ons ingestort wortle. De
zonclerlinge gratie dan, well;,e hr.t Doopsel ons geeft, is de
heiligmakenrle gratie, dienencle om de erfzonde en aile voorgaande zonden, alsook de pijnen dam·toe staande, te vergeven.
Indien nude heiligmakende gratie alreede in den doopeling door
bet Doopsel van begeerte ware, dan zou die heiligmakende
gratie, welke aan het Sacrament des Doopsels eigen is, de
reeds bestaande vermeerderen en ook alle pijnen ,der zonden
vergeven, die er nog overbleven.
5. Boven deze heiligmakende gratie, door dewelke wij van al
onze zonuen en schulden verlost worden, en een nieuw leven
bekomen, ontvangen wij in het Doopsel nog recht tot de dadelijlw [Jmlien, die vereischt zijn om de bekomene heiligmakende
gratie te zamen met de bovennatuurlUke deugden en de gaven
van den H. Geest. die ,ze altijd vergezellen, werkend te makeu.
Gelijk wij, met het natuurlijk leven te ontvangen, ook recht
bekomen tot de algemeene goddelijke hulp, die alle geschapene

�912

VIERDE DEEL. -

3Qste LES, 7do \'R.

wezens noodig llebben on'l in het bestaan bewaard te worden, en
te 1\.unnen werken; zoo ook met bet geestelijk leven der heiligmakende gratie tc ontvangen, bekomen wij noodzakelijk recht
tot de dadelijke graW~n. die verei~cht zijn om dit leven te bewaren en om de werken te kunnen verrichten, tot dewelke het bestemcl is : de heiligmakencle gratie geeft immers nooclzal{elUk.
recht tot hetgeen zij noodig heeft, om niet verloren te worden door
de zonde en om haar einde te bereiken, te weten, om bovennntuurlijke werl;.en teweeg te b1•engen. Daarom, dewijl bet Doopsel
011s de heiligmnl;,enrle gmtie geeft, om onze ziel te zuivei·en
van de erfzonde en van alle andere voorgaamle zonden, en ons
een nieuw Ieven te schenken. zal het ons ook noodzal;.elijl\. rechl.
geven toi de datlelijke graWin, die wij van noode hebben, om
door de zonde dat le\·eu niet te vel'iiezen; om dat Ieven goede
vrucllten, te wcten, goede werl;.en, te doen voortbrengen, en om
de andere Sacmmenten. die tot onderstand en ontwikkeling van
dit Ieven moeten dienen, wei te onh·angen.
Boven de heiligmal{emle gmtie en het recht tot de dadeliJI;:e
gratii~n prent het Doopsel een eeuwig me;·kteelwn in de ziel,
waardoor degene. die het Doopsel ont,·angen lteeft, eeuwig zaJ
· kenbaar zijn als }{ind van God en lid de1· J-I. 1\.erk; en waardoor
hij bekwaam worclt de andere Sacramenten te ontvangen. gclijJ;. in de voorgaande les reeds gezegd is.
6. Maar ·indien het Doopsel de erfzonde, de voorgaandc zonclen
eu ook de pijnen daa.rtoe staande vergeeft; hoe komt het, dat wij
na het Doopsel nog aan de doocl, aan de onwetendheid, aan de begeerlijkheid des vleesch en aan de menigvuldige kwellingen en
smerten clezer wereld onderworpen blijven, die allen zoovele
gevolgen zijn der erfzonde7 - Deze lnvalen blijven wel in cle
gedoopten. · doch zij blijven hun niet bij tot uitboeting der
· zonde, maar alleenlijl;. omdat de orde der wereld vereischt, clat
zij door het Doopsel niet weggenomen worden. Vom·ee;·st, de
samenleving ware onmogelijk, indien de gedoopten van die

�YIERDE DEEL . ..:..._ 3Q•tc J.ES, sstP. VH.

913

}{Walen verlost waren, terwijl de ongedoopten er aan onderworpen zouden blijven : veronderstellen wij eens dat de gedooptenonsterfelijk, met hovennatuurlijkewetenschat) begaafd. en van
alle begeerlijkheid en alle smerten -vrij zouden wezen, terwijl
de ongedoopten zouden moeten sterven, en aan de onwetent.lheid,
aan de begeerlijkheid en aan allerhande smerten zouden onderhevig blijven; · wat 7.0U er van de samenleving geworden 1 Ten
tweede, indien het Doopsel ons van die kwalen verloste, alle
menschen, door dit onder de zinueu vallend en woJH.lerbaar uitwerksel aangelokt, zoudcn zich Iaten doopeu, dikwijls voorzeker
veel meer door dit merkham· uitwerksel, dan tloor het Geloof
aan de toekomeJHle goederen, bewogen. Maar God eiseht van ons,
dat wij den ltemel verdienen, met ons !tier op aarde aan Hem te
ondenverpen uit geest van Gcloof; en bijgevolg mocht Hij ons
tot het Doopsel niet aanlokkeu, met aan !lit Sacrament die door
de zinnen waarneemhare vcrlossing van aile tijdelijkc kwalen
te hechteu. Ten de;·de, de onderwerping aan die kwalen is voor
ons met· dieustig, want zij vermaant ons gedurig·, wat groot
kwaad de zonde is, aangezien al die gt·oote ongelukken, welke
wij gestadig gevoelen en voor onze oogen zien, bet gevolg zijn
van
doodzonde; en 7.ij geeft ons de gelegenheid door ons
lijden, door ons werken, door ons strijden oneindig vee! verdiensten te bekomen. Eindelijk, het belaamde voorzeker niet,
dat Christus ons den hemel zou geopend hebben door zijn lijden;
en dahvij. zonder iets te lijdeu, zijner verdiensten zouden deelachtig worden en het lwmelsch geluk ontvaugen.

eene

8. V. rVelk is de plicht van peters of' meters, die
gebf'ltikt wm·den in ltet Doopsel, en ook in lwt
Vorm,sel?

A. Te bezorgen dat degenen, die zij geheven, of tot
het Vormsel geleid hebl.Jen, onderwezen worden, in

�914

Y!ERDE DEEL. -

3Qste LES, ssto YR.

hetgeen de zaligheid aangaat; inuuers als de ouders
hunnen plicht niet zouden doen.
1. De Catechismus spreekt in deze vraag van eene der bijzonderste ceremonien des Doopsels en ool\ des Vormsels, te weten,
van de peters en de meters, die in de bediening dezer Sacramenten gebruikt worden. - Wat beteekenen die woorden pete;· en
mete;•? ZU beteekenen vader en ;nocder : gelijk immers in bet
natuurlijk Ieven, bet kind eenen vader en eene moeder heeft, die
voor de behoudenis van zijn Ieven en voor zijne opvoeding moeten
zorgen: zoo worden 11em ook in het Doopsel, dat ons bet geestelijk Ieven schenkt, en in het Vormsel, 'twelk den wasdom in dat
Ieven geeft, een vader en eene moeder, often minste een vader of
eene moeder voor de behoudenis van het geestelijk Ieven en de
opvoeding in hetzelve door de H. Kerk vergund. De H. Kerk
heeft vastgesteld, dat er aan iederen mensch in bet Doopsel een
peter of eene meter, ofwel een peter en eene meter, en in bet
v ormsel een peter 0 f eene meter. volgens dat de vorm ling van
bet mannelijk of van het .vrouwelijk gAslacht is, gegeven zouden
• wo~·den. Om in bet Doopsel of in het Yormsel waal'lijk peter of
meter te zijn, moet men gedurende het toedienen van het Sacrament, door zich zelven of door eenen plaatsvervanger de hallll
op den doopeling of op den vormling houden. - De Catechism us
vraagt bier, welke de plicltten zijn van peters of meters, die
gebruikt worden in het Doopsel en ook in !let llormsel; dat
is, waartoe die peters en meters zich verbinden of waartoe zij
gehouden zijn. Deze vraag stelt hij, nadat bij van de uitwerksels
des Doopsels gesproken heeft, omdat die plichten een gevolg
zijn van eene der bijzonderste ceremonien, die in het Doopsel
gebezigd worden.

2. In het antwoord leert hij ons : a) welk bunne plicht is;
en b) wanneer zij gehouden zijn dien plicht te volbrengen.
3. Welk is hunne plicltt? Hunne plicht is te bezorgen

�VIERDE DEEL. -

3QSte J,ES, 8ste VR.

915

dat degenen die zij geheven of tot het Vonnsel geleid hebben, onderwezen worden in hetgeen de zaligheid aangaat.
- Wat beteekenen de woorden : die zij gehe.,;en of tot het
l'ormsel geleicl hebben? Zij beteekenen : diegenen, wier peter
of meter zij geweest zijn in het Doopsel of in het Vormsel : de
peter en de meter, door bet opleggen der hand, heffen immers
den doopeling boven de doopvont, en leiden .1len vormling met de
hand tot den bisschop. - En waarin bestaat hm1ne plichU
Hunne plicht is.te bezorgen (hun best te doen) dat de doopeling of
de vormling, waar zij peter of meter Yan zijn, onderwezen worde
in hetgeen de zaligheid aangaat, dat is, onderwezen worde in
den Catechismus, die ons leert al wat wij rnoeten weten of doen
om zalig te worden. - En van waar komt deze plicht1 Hij is
zeer natuurlijk: gelijk de ouders volgens het lichaam, noodzakelijk gehouden zijn hunne kinderen te onderwijr.en in al de
rlingen, die deze moeten weten om het Ieven te kunnen bewaren
en ontwikkelen; zo9 moeten ook de peters en meters, die geestelijke ouders zijn. hunne geestelijke ldnderen onderrichten in al
hetgeen het leYen der ziel. of de eeuwige zaligheid aangaat.
4. lVannem· zijn nude peters en de mete.,·sdaar·toevei·plicht?
Het antwoord daarop vinden wij in de woorden Yan den Catechismus immers als de OltdCi'S /tunnen plicht niet zouden
doen; .. en deze beteekenen: dan zijn zij daat·toe zekerlijk verplicht,
wanneer de ouders hunne kinrleren niet genoegzaam in de zaken
det· zaligheid onderwijzen. Bijgevolg. zijn het de ouders, die de
eerste Yerplicht zijn hunne kinderen in het Geloof te onderwijzen, en als de oullers hunnen plicht dam·in kwijten, r.ijnde peters
en meters tot niets gehouden. Zij zijn ook van allen last ontslagen, wanneer de ouders hun zouden verbieden of niet zouden lijden, dat zij lmnne kinderen het ouderwijs in de christelijke
leering bezorgen; aanger.ien zij dan in de onmogelijkheid zouden zijn, hunnen plicht te vervullen.
n

�916

9. V. lllat bet·eiding is er -can noode tot het Doopsen
A. Die tot hun verstand gekomen zijn, moeten onderweze~ z~jn in het Geloof, en leedwezen hebben van

hunne zonclen.
l. In de zeYende Haag !weft de Catechismus ons geleerd,

wellte de uit~vcrksels Yan het Doopsel zijn. Welnu, de uitwerksels van een Sacramentkunnen door Yerschilligebeletselen tegengellouden worden; en daarom zal hij ons hier zeggen, wat er
van noorle is om het Doopsel wel te ontvangen, of om het te ontvangen met al zijne uitwerksels. TVat be;·eiding is er 1mn
noode, zegt hij, tot het Doopsel; dat is niet te zeggen, wat is er
van noode oprlat het Doopsel mu geldig ontvangen worden, maat•
opdat de doopeling er al de vruchten zou van ontvangen.
2. De Catechismus leert ons door zijn antwoord : a) welke
ltlassen van mensc)1en hier te onderscheiden zijn; en b) wat beraiding m• voor iedere klas van noorle is.
3. '\Velke ldassen van menschen :7.ijn er hier te onderscheiden?
Hier zijn te onderscheiden degenen die lot hun ve;·stand gelwmen zi,jn. en a! de anderen, die de jaren van verstand nog
niet bereikt hebben.
4. \Vat he1·eiding is er voor iedere klas noodig? Voor degenen,
die tot hun verstand nog niet gekomen zijn, is er geene bereiding noodig :"de Catechismus Yereischt niets ,·an hen. - In de
ande.ren zijn e~· twee dingen vereischt : a) ~ii moetcn ondm·wc-

zen =iJn in het1Geloo{; en b) ~ij nwelen leedwe~en ltebben ·Mn
hunne zonden;.
Zi,j moetcn onde;·u.:ezen zijn in hel Geloo{; dat is, zij moeten
genoegzaam onde1·richt zijn in rlen Catechismw;, die heL kort
begrijp is Yan al hetgeen \Yij moeten weten of doen om zalig te
worden. - En waarom is rlit noorlzakelijk 1 Vooreerst, omdat
Clwistus dit uitdntkkelijk geboden heeft; Hij heeft immm·s aan

�VIEROE DEEr.. -

3Qsto J,ES, g&lt;te VR.

917

zijne Apostelen gezegd .(i\Ja_rc. XVI) : •· GaaL in de geheele wereld,
" en predikt het Evangelie aan {llle schepsel. Die geloo(cl zal
., ltebben en gecloopt zal ziJn, zal zalig wmYlen; " waaruit men
klaarlijk ziet, hoe Christus wil dat men v66r het Doopsel g-eloove, ~u derhalve in het Geloof onderwezen wonle. Overigens
de rechte rede verejscht dit ook volstrekt : nangezien men cloor
het Doopsel kind van God en lid der H. J\erk wordt, behoort
men ongetwijfeld vooreerst onderwezen te zijn, in .hetgeen wij
als 1\ind van God en als lid der H. Kerk moeten weten of doen.
'Van(; eer men in eene vergadering tr·eeclt, is er altijd vereischt,
dat men die vergadering wel kenne, en wel wete welke verplichtingen men daardoor op zich neemt. - Evenwel wanneer
er voor eenen mensch, die tot het gebruik 1les verstands gekomen
is en het Doopsel nog niet ontvangen heefl, gevaar is van sterven, dan is het genoegzaam hem de vier punien des Geloofs voor te
stellen.- Buiten het gcvaar van slerven mag een priester eenen
volwassene niet doopen, zonder hem wel onderwezen en zijne
kennis nopens het Geloof bepro~'d te hebben, en bovendien nog
zonder oorlof van den bisschop daartoe te ontvangen.

Lcedwezen ltebbcn van hunnc zonden: lccdwezen, dat is,
spijt of 1lroefheid, omdat wij door onze zouden God vergramd
hebben (zie 1&lt;1"" les, 3"" vr.) - En over welke zonden moet degene, die tot de jaren van verstand gekomen is, leedwezen hebben, om al de vruchten Yan het Doopsel te kunnen ontvangen~
Over tle erfzonde is er geen oprecht leedwezen vereischt, aangezien wij die mnde tloor onzen eigeneu wil niet bedreven hebben, en dat hot leedwezen eigenlijk bestaat in spijt en droefheid
over onze eigene kwaallwilligheid: het is genoeg dat de erfzonde
aan den doopeling mishage, onulat zij God oneer heeft aangedaan, en ons de vijanden van Gorl heeft gemaakt. - \Vat de
zondeu betrelt, die de doopeling zelf bedreven heeft; hij moet
er een waar leedwezen over hebben, doch een onvolmaal\t leedwezen. komende uit vrees der goddelijke straffen ofuit hoop van

�918

Vli;;R.DE DE~! •• -

30 31 0 f,ES, gde YR.

den goddelijken loon of uit onze verpljchtjng jegens God om re.
( . l4do
den zijner onmeetbare weldaden, IS genoegzaam ue
en
34ste les); dewijl een volmaakt leedwezen. door zich zelf, zonder
de kracht van eenig Sacrament, de zonden vergeeft.
En well;.e uitwerli.sels des Doopsels worden er belet, \'&gt;;anneer
dit leedwezen over de zonden ontbreekt1 W.anneer de erfzonde
niet mishaagi, en men ten minste geen onvolmaakt leedwezen over zijne doodzonden lleeft, kunnen de erfzonde en de
doodzonden niet vergeven worden. en bijgevolg wordt de heiligmakende gratie ook niet ingestort. \Vant geene zonde kan vergeven worden, wanneer wij er aan verl;.leefd blijven of ze. niet
verfoeien; en de lleiligmakende gratic I;. an volstrekt niet te zamen siaan met de erfzonde of met den staat van doodzonde, die
beide in de berooving der heiligmakende gratic, door de zonde
teweeg gebracht, gelegen zijn. Later zullen de erfzonde en de
doodzonden, uit kmcht van het ontvangen Doopsel, allerwaarschijnlijkst verg11-ven worden, zoollaast men bet berouw heeft
dat in het ontvangen van het Doopsel ontbroken had. - Doell
wanneer men wei mishagen·lleefi over de erfzonde. en een onvolmaakt leedwezen over de doodzonden, waarmede men besmet
is, maar over zekere uagelijli.sche zonden geen gCJwegzaam leedwezen heeft; dan zal men vergiffenis. li.rijgen van de erfzonde,
van de doodzouden.en ook van die dagelijksclle zonden, waarover
men leedwezen lleeft, met de li.wijtschelding van al de stralfen
daartoe staande, en te zamen ook de heiligmakende gratie ontvangen; maar aan die dagelijksche zonden, waarover men geen
leedwezen heeft, en aan de straffen, die er aan beantwoorden,
zou men nog schuldig blijven. Indien een mensch dan, die in het
ontvangen des Doopsels verkleefd blijft aan eenige dagelijli.sche
zonden, terstond na het ontvangen des Doopsels kwam te sterven; hij zou geenszins mogen llopen onmiddellijk den he mel binnen te treden, want bij zou zeker die dagelijksche zonden eerst
in bet vagevuur moeten uitboeten. De .aangell:leefdheid aan de

�VIERDE DEEI.. -

3QSto LES, JQda n~.

919

dagelijltsche zonde ·belet · evenwel het bekomen der heiligmakende gratie niet, dewijl' zij met haar te zamen kan gaan; maar
zij belet de vergiffenis dezer zonde. daar geene zonde zonder
berouw kan vergeven worden.- Daarom legde de H. Kerk eertijds aan de Catechumenen, die zich tot het Doopsel bereidden,
allerlei \verken van godvruchtigheid en boetveerdigheid op, om
hen dam·door niet all'eenlijk over hunne doodzonden, maar ook
over al hunne dagelijksche zonden een genoegzaam berouw te
.doen verwekl;.en, en zoo hen bekwaam te maken om volledige
vergi!fenis van al bunne zonden en scbulden te o·ntvangen.
Nooit legt de H. Kerk aan de volwassenen, in bet Doopsel,
eene peni len tie op, gelijk zij in de Biecbt doet, vermits bet Doopsel geschikt is om niet alleen de zonden, maar ook de pijnen
dam·toe siaande te vergeven : al hetgeen zij den doopeling oplegt, dieni om hem tot het Doopsel te bereiden.

10. V. lVaa1·toe dienen al de ce?'e'lnoniiin, die in ltet
Doopsel gebruikt toor·den?
A. Tot onderwijzing en lJetoo~~ing van de kracbt .en
uitwel'l\:ing des Doopsels.
l. De Catechismus handelt in deze laatsie vraag over de ceremonien, met dewelke bet Doopsel bediend wordt. Alhoewel hij
&lt;ms alreede in de voorgaande les gezegd beeft waartoe de ceremonien der HI-I. Sacramenien ingesteld zijn, onderzoekt hij hier
nog in 't bijzonder, waartoe de ceremonien des Doopsels dienen.
Hij doet dit, omdai de ceremonien van bet Doopsel zoo ruenig-vuldig en zoo belangrijk zijn : T-Vaal'toe dienen, zegt hij, al de
ceremo~zien, die in het Doopsel geb1·uikt wm·den. ·

2. Hij ant\voordi, dat zij dienen tot onde1·wijzing en betooningvan de kmcht en uitwm·kiny des Doopsels.- Totondel·wiJzing en betooning: zij dienen dan niei, gelijk het Sacrament
zelf, om ons de goddelijke gratie in te siorten, m,aar om ons te

�. 920

YIERDE DEEL. -

3Qste J.ES. ]Qde \'R .

.on!lerwijzen. En hoe onderwijzen zij ons1 Zij doen dit door
belooning : dat is, met ons de zaken, die zij ons leeren, zinnebeeldig voor oogen te stellen en ze ons aldus te toonen. En wat
leeren en betoonen zij ons 1 Zij leeren en betoonen ons de lwacht
en. de uilwerldng des Doopsels; dat is, zij leeren en betoonen
ons wat !let Doopsel uit zijne natuur teweeg brengt, en wat het
in den doopeling uitgewerkt heeft : de ceremonien, die !let
Doopsel voorafgaan, beteel;;.enen eigenlijk de kracht van dit
Sacrament; terwijl degene, !lie het volgen, meer zijne uitwerksels voor oogen leggen.
3. Welke zijn de bijzondmwte ce;·emonien, die lwl Doopsel
vom·gaan en zijne k~·acht beteekenen? Het zijn de volgende :
De priester blaast in het aangezicht van den doopeling, en bezweert den duiYel hem te verlaten; - hij maali.t hem het teel;;.en
des Kruis op !let voorboofd en de borst; - hij legt hem een
weinig gewijd zout in den mond; - hij bezweert nogmaals den
duivel den doopeling (e verlaten; - hij rMkt met een weinig
speel\8el uit zijnen mond, de ooren en de neusgaten van den
doopeling aan, - en zalft hem met de olie der catechumenen
of der geloofsleerlingen op de borst en tusschen de schou&lt;leren.
De priesler blaast in bet aangezicht van den doopeling en bezweel'l den duivel, om te beteekenen, dat de doopeling, die nog
onder het juk van den duivel is, nu door bet Doopsel, tot een
heilig afbeeldsel Gods, gelijk aan dat 'twelk God den eersten
mensch inblies, door de mededeeling van den I-I. Geest, welken
Christus met over zijne Apostelen te blazen hun mededeelde,
zal vernieuwd worden.
Het Kruisteellen wordt op het voorhoofd en op de borst van
den doopeling gemaakt, om te beteekenen. dat de uitworl;;.sels des
Doopsels voortlwmen van Cbristus' kruisdood.
Het zout, welkin den mond van den doopeling gelegd wordt,
is een zinnebeeld der wijsbeid en der onbederfelijl\lteid; en het
beteel;ent !tier dat het Doopsel den mensch van aile besmetting

�.•

YIERDE DEET..

-

3QSto J,ES, JQde YR .

9.21

·der 7.onde ?.uivert, hem den geest van wijsheid mededeel.t, de
ziel van het bederf der zonde bewaart, en ook het lichaam tot
de onbederfelijl;.e en heerlijl;.e verrij7.enis bereiclt.
De priester raali.t, (gelijk Chl'istus de tong van den doofslomme met zijn speeksel raakte om ze te ontbinden), de ooren
van den doopeling met een weinig speeksel, en zegt: Bphpheta,
dat is, wm·dl gcopend, om aan te duiden, dat de ooren zijns
geestes zich door het Doopsel voor de waarheden van het
H. Evangelic moeten onts\uiten, en daarvoor altijd ontsloten
blijven. E\·eneens raakt hij met een weinig speel;.sel de neusgaten van het kind zeggende : .. tot goeden gew·. En gij-, Satan,

vlucht, want het oonleel Gods nadei'l; " en dit doet hij om
te betcekencn, dat het Doopsel den doopeling de heilige gezindheid en de goedertierenheid van Christus me&lt;ledeelt, opdat hij
door zijne goede werken Christus zou mtvo\geJ!, en zoo, gelijk
Christus het geweest is, door zijne heiligheid als een reuk\verk
in de H. 1\erk zoude zijn, dat de liefelijl;.e geur der deugd alom
verspreidt en eeuie(ler tot de heiligheid &lt;1anlokt.
De olie beteekent de genade, welke Christus vcrleent, opdat
de doopeling als een dappere strijder; den geestelijken strijd in
de loopbaan van het chl'istelijk Ieven moge vollrekken : de borst
wordt geza\fLl, opdat hij den inwendigen strijd gelukkig strijde;
en de schouders, opdat hij volt.loende lu·acht hebbe, om de uitwendige hekol'ingen, vervolgingen en moeilijl;.heclen te dragen.
4. 1Velke zijn de bij::.oncle;·ste eei·emonien die het Doopscl

volgen, en dcszel(s uitu;c;·kscls te lwnnen gaen? Het zijn de
volgende : de pl'iester· 7.alft den gedoopten op hcl hoofd met de
zalfolie, Clv·isma genoemd; - hij doet den vo\wassenen doopcling cen wit !deed aan, of legt in deszelfs plaats bij de kinderon een witten doel;. op het hoofd; -en hij geeft hem of zijneu
peter of meter eene brandende keers in de hant.l.
De ::.al·ring met Chrisma, die terstond na het Doopsel op de
kruin van het hooft.l des doopclings gedaan wordt, is heL zinne-

�922

VIERDE DEEL. -

3Qste LES. AANMERK.

beeld der inwendige zalving van de lleiligmal\ende gratie, waardoor de gedoopte als kind Gods, als tempel van den H. Geest en
als disci pel van Jezus, die. de gezal(de (Ciw'istus of Messias) genoemd wordt, gezalfd is.
Het wit !deed, waarmede de volwassene gedoopte gekleecl
wordt, of de \vitte doek, dien men op het hoofd der kinderen
Iegt, geeft ons de reinheid en vleld;:eloosheid der ziel door het
Doopsel belwmen te kennen; en llerinnert den doopeling, dat hij
de onschuld des Doopsels gelleel zijn Ieven lang zuiver en onbesmet moet bewaren.
DP. b1•andende llee1·s eindelijk, die men den gedoopte of zijnen
peter of meter in de hand geeft, is het zinnebeeld van het licllt
·des Geloofs, van den straal der Hoop en van de vlam der goddelijke Liefde, door het Doopsel in de ziel aangebracht.
Annmerkingen. 1° Men schat voorzeker als eene der grootste
gunsten, die den mensch hier op aarde kunnen te beurt vallen, in
eerie edele familia als zoon aangenomen te worden, en zoo het
recht te belwmen daar als kind des huizes te erven ; en men
aanziet als een oniaarden mensch clengene, die zulk een goed niet
weet te waardeeren en het door zijne schuld verliest. \Vare er,
bij voorbeeld. iemand. die door eenen koning als zoon en erfgenaam van zijnen troon aangenomen zijnde, dezen koning vergramde en bespotte, en derwijze vrijwillig zijne bekomene weerdigheid verlore, men zou hem zekerlijk als eenen dwaze, als
eenen uitzinnige aanzien. Welnu, door bet Doopsel heeft niet
een koning dezer aarde, niet een engel des hemels, maar God
zelf, de lwning der lwningen, de schepper van hemel en van
aarde, wiens beerlijkheid en glorie al de rijkdommen en goederen dezer wereld oneindig overtretfen, ons tot zijne 1\inderen
aangenomen en erfgenamen van zijne oneindige glorie en van
zijne oneindige goederen gemaakt. Wat dwaasheid, wat uitzinnigheid, wat sch~nde is het dan niet, na het Doopsel dien grooten
engoeden God, die ons uit loutere goedheid tot·die onzeggelijk

�VIERDE DEEL. -

3QSte LES, AANMERK.

923

"'

groote weerdigheid van zijJ?e kinderen en erfgenamen heeft
aangenomen, te vergrammen, en door de zonde die allerheerlijltste voorrechten vrijwillig te verliezen! Gedenken wij onzen
titel van kind Gods en onze rechten tot ·de hemelsche erfenis,
wanneer de duivel met al zijne aanlokkingen, wanneer het
vleesch met al zijne lusten, wanneer de wereld met· al hare
slechte voorbeelden, wanneer al de vijanden onzer zaligheid
vereenigd, ons aanranden, om ons tot zonde te brengen.
2° Dewijl wij door het Doopsel kinderen Gods en !eden der
H. Kerk worden, zijn wij door het ontvangen van dit Sacrament
noodzakelijk verbonrlen als ware ldnderen Gods en ware leden
der H. Kerk te Ieven; of in andere woorden, wij zijn verbonden
te verzaken aan den duivel, aan ?.ijne \Verken, en aan a\ zijne pomperijen. A.an den duivel t•e~·zaken, dat is, hem niet willen als
onzen meester erkennen en zijne stem niet willen aanhooren;
aan zijne we~·ken vel·zalwn, dat wil zeggen, de zonde vluchten,
want de zonde is het werk des duivels; en aan zijne pomperijen
Vel·zallen, daat·door moet men verstaan. uit ter herte verfoeien
geheel de pmcht van het rijk des duivels hier op aarde, dat is,
alle \yereldsche genoegten en wellusten, die de oorzaak der zonde
zijn, die ons tot de zonde leiden. Deze &gt;erbintenis vloeit, gelijk
· het blijlit, rechtstreeks uit het ontvangen &gt;an bet Doopsel;
noglans, opdat ze eenieder des te beter zou indachtig zijn, en dat
het klaarder 1.0u voorkomen, waartoe de mensch door bet Doopsel verbonden wordt, heeft de H. Kerk gewild, dat de doopeling,
ofwel zijn peter of meter, wanneer hij zelfniet kan, vooraleer dat
het Doopsel toeget.liend wordt, uitdrukkelijk aan den duivel, aan
zijne werken, en aan al zijne pomperijen zoude verzaken : en
deze drijdubbele verzalting draagt gewoonlijk den naam van

belofien des Doopsels.
Het is allervoordeeligst dikwijls de beloften des Doopsels te
verriieuwen. 't Is immers van dit verboud daL onze eeuwige
zaligheid afl1angt, en om hetzelve behoorlijk te volbrengen, moet

�924

YIERDE DF:EL. -

3Q'to LES. A"N)lERK.

men zich de conditien, tot dewelke het ons verplicht, dikwijls
herinneren en voor oogen stellen. Daarenbo&gt;en zoo dikwijls wij
ons met God opnieuw verbinden, zal Hij zich ool\ opnieuw met
ons door zijne graLie vereenigen : wanneer wij; enkele nietige
schepselen, ons aan Hem geven, geefL Hij, de almogende en
oneindige God, zich aan ons; Hij geefL ons meer en meer hulp
opdat wij ons van alle zonden zouden zuiveren, het uitvoeren
zijner geboden vut•iger ter herte z~uden nemen, en dagelijks
menigvuldiger Yerdiensten zouden inzamelen.
De bijzonderste tijdstippen om die vernieuwing te cloen zijn :
de eerste Communie, het ontvangen van het Vormsel, een
groote feestdag en inzonderheid de feestdag van Sinxen en het
stervensgevaal'. Wannee!' lie kinrleren tot de jaren van verstand
gelwmen zijn, moeten 1le ouders hen dikwijls die beloften doen
vernieuwen.
Om deze vernieuwing te doen, ]\an men aahrlachtiglijk en
godvruchtiglijk de twaalfarLikelen des Geloofs zeggen, en daarbij
voegen deze of rle'rgelijke woorden : " Ik Ye!'zaak uit ganscher
.. -herte aan den duivel; aan zijne werl\en, dat is, nan de zo11tlen;
.. en aan al zijne pomperijen, llat is, ann al de aanlold1.ingen tot
" de zonde. Ik wil .Jezus Christus alleen aanhangen, Hem onder" danig zijn en Hem volgen. Vo~r Hem alleen wil ik leven en
"sterven. In den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Gees" tes. Amen. ·•
3° De peters en meters moeten steeds indachtig wezen, dat
wanneer zij niet gehouden zijn degenen, die zij geheven of tot
bet Vormsel geleld hebben, in 't Geloof te onderwijzen, zij nogtans op eene bijzondere wijze verplicht zijn hen te stichlen door
hunne goede voorueelden. en, zooYeel zij kunnen, hunue opvoeding in de deugd te beYorderen.

�VIERDE D~;EL. -

3lSI0 LES, INHOUD.

925

EEN EN DER TIGSTE LES.
Van het Vormsel.
luhoud. - In rlcz~ lcs handelt de C:atechismus over het Vormscl, 'twelk het
lweerle dcr zcvcn 1111. Sacramcnlen is. Natlat immers d~ mensch hct Ieven
ontvangeu hccft, n10el hij in tlat Ieven opgrocicn en tot vollen wasdom komen.
llet is het Vormsel tlal ons tloet opgroeien of ons den vollen wasdom geefl in he l
gecstelijk Ieven; en daarom komt hel mel rechl na het :::.acrament des Doopsels.
I. In de eersle vrang gecft de Calcchismus ons ecne kor.te beschrijving van
dil Sacrament, om OilS zijnc natuur le docn kennen, en hel van a! de andere
Sacramcnlen lc tlocn ondcrscheiden.
II. Van de tweedc vraag tot de laatste, lot ''crderen uilleg van het eersle
anlwoord, ondcrzoekt hij al de bijzonderslc puntcn, die lot een Sacrament
belrek lwhbcn. llij handclt a) over den tijd om dit Sacrament te ontvangen,
in de twe~tle vraag, waar h\j zcgt: wanncer men llet l'ormsel moet ontt•ange11;
b) over de belr.tselen die de krachl van dil Sacramcllllegcnhouden, in de derde
vraag, waar hij onderzockt, wut er van 1ioodc is tot het Yormscl; c) over het
herlwald Ollt~·an!JCII van dil Sacrament, in de vierde vraag, waar hij voorstelt,
/we di/;u:ijls men lut l'ormsel may ontvangen: d) over hel uitwendi,q teeken
van dit Sacrament, 'Lwelk hij in het eerste antwom·d gezcgtl heeft te bestaan
" uil de zalvin!J en de heili!fe woordm, , in de vijfde Haag, waar hij onderzockt : waal'mede de bisschop lzet voorllot~fcl in het Vormscllbeslrijkt: e) over
de uitwcl'kscls van dit Sacrament, in de zc~de \'faag, waar hij ons leert : wat
wij door llet Vormsel perkrijgcn; en {) over de cercmonicn met dewelke dit
Sacrament bediend wordt, in de ze,·endc Pn in de achtste vraag, in dewelke hij
o11s zrgl, waartoe de doek die:zt, dicn men OilS in/zet VOI'IIISell•oorbilldt, en
wullrom men o11s in l1et Doopscl c11 in hct \!ormsrl namen gccft t'0/1 llciligclt.

1. V. lVal is ltet l'onnsel?

A. Een Sacrament, dat van den bisschop wordt gegeven aan degenen die gedoopt zijn, in hetwelk, door
de zalving en de heilige woorden, grntie en sterlde
wordt gegeven om het Geloof vastelijk te belijden.

�926
I; De zin der vraag is : waarin bestaat dit Sacrament, 'twelk
het Vormsel genoemd wordt, en hoe is het van de andere Sacra-

menten onderscheiden1
2. In zijn antwoord zegt de Catecbismus ons in het kort :
a) wie de bedienaar van dit Sacrament is; b) voor wie dit Sacrament bestemd is; c) uit welk uitwendig teeken het bestaat;
d) wat het uitwerkt in degenen die bet ontvangen.
3. Wie is clan de bedienaat· van dit Sacrament, en hoe is

het- onde1· deze bet?·ekking van de andm·e Sam·amenten
ondei·sclteiden?
De Catecbismus antwoordt, dat dit Sacrament van den bisscltop gegeven wordt. De gewone bedienaar van dit Sacrament
is dan de bisschop; en hierdoor is bet onderscheiden van het
Doopsel, van het H. Sacrament des Altaars, van de Biecht, van
het H. Oliesel, en van het Huwelijl~:, dewijl de bediening van al
deze Sacramenten aan den bisschop niet eigen is; maar bet is·
daardoor niet onderscheiden van het Priesterdom, 'twelk ook
alleen van den bisschop kan gegeven worden. - Nogtans een
priester, die geen bisschop is, kan ook geldig het Vorm~el toedienen, wanueer hij daartoe van den Paus van Rome macht
ontvangen heeft; maar deze macbt wordt slechts vergund in
dringende gevallen, zooals hij voorbeeld, voor verafgelegene of
begiunende missien, waar nog geene bisschoppen zijn.
De bisschop is dan de gewone bedienaar des Vormsels, 'tis te
zeggen, de bisschop heeft, uit kracht van zijn arnbt, macht om te
vormen; terwijl een enkele priester maar de buitengewone
bedienaar van dit Sacrament is; want niet uit hoofde van zijn
priesterlijk ambt aileen, maar slechts met daarbij nog van den
Paus gemachtigd te worden, kan hij bet Vormsel bedienen. ·
Christus heeft gewild, dat de ge\vone bedienaa1· van het
Vormsel aileen de bisschop zou wezen, omdat dit Sacrament
zoo noodzakelijk niet is als het Doopsel, 't welk in den uood
door eenieder mag bediend worden; noch van ?.ulk een g 1·oot

�VIERDE DEF.L. -

3! 8 le LES, Isle Vlt.

!l2i

gebruik niet is a\s het H. Sacrament des Altaars, de Biecht,
het H. Oliesel, we\l;:er bediening aan het priesterlijl;. ambt toebehoort; en omdaL van den anrleren kant, de bui tengewone
weerdigheid van den bedienaar allerbest de -edelheid en de
grooiheid van dit Sacrament te kennen geeft. Daarenboven. is
bet hoogst betamelijk, dat, clewijl er boven de priesters, bisschoppen in de H. Kerk zijn, a\ de geloovigen een Sacrament
van de bisschoppen moeten ontvangen; en dit moet voorzeker
het Vormsel zijn, aangezien de menschen cloor dit Sacrament
volwassene \eden der H. Kerk worden.
4. Voor wie is dit Sacr·ament bestemd; en hoe is het dam·
die bestemming van de ande1·e Sae~·amenten onde;·scheiden?
Het wordt gegeven, zegt de Catechismus, aan degenen, die
gedoopt zijn. Het is dus bestemd voor de gedoopten: en bier-

door is bet onderscheiden van hel Doopsel, dat het eerste is
van a\ de HH. Sacramenten; maar niet van de andere, vermits
deze ook alleenlijk Yoor de gedoopten dienen. (Zie verder w. 3.)
5. lVelk is het uitwendig teeken van dit Sac;·ament, en hoe

verschilt het doo1· zijn uitwendig teeken van de andm·e Sae~·a­
menten? Het uit,vendig teeke1i'des Vormsels bestaat, gelijk
de Catechisrnus zegt, uit de zalving en uit de heilige wom·clen
die de bisscllop gedurende de zalving spreekt. Door de zalving
is bet onderscheiden van al de andere Sacramenten, uitgenomen van het H. 0\iese\, hetwe\k ook uit eene zalving beslaat;
maar door de heilige woorden, die de bisschop onder de za\ving
spreekt, is het 'van al de andere, zonder uitneming, onderscheiden. - Hoe geschiedt de zalving? De.zalving is ter zelfder
tijd eene oplegging der handen : zij geschiedt met den duim
der rechter hand, welker vier vingeren onder de zalving op
bet hoofd van den &gt;ormling ge\egrl worden of het Len minste
belommeren.
'Velke heilige woorden spreekt de bisschop ondertusschen
uit 1 Hij zegt : Ill teeken u met lwt teeken des H. Kntises,

�928

VIERDE DEF.L. -

3Jsle f,ES, JSIC VR.I

.. en vo1·m u met het Ch1·isma del' zaligheid. In den naam
.. des Vade1·s, en des Zoons en des If. Gcestes . ., - Jvfet
het Ch1·isma de1· zal(qheid, dat is, met rle H. OU~ die tot
~ o~ze zaligheid gewijd is. - Zijn zoowel de heilige wo01·den
als de zalving noodig, opdat het Vormsel zou be~taan 1 Ja, de
zalving is wel clienstig om .het uitwerksel van het Sacrament
des Vormsels te beteekenen, maa1· nogtans zij beteekent het
niet bepaaldelijk, indien daarbij niet uitgedrukt worde, dat zij
geschiedt om dat uitwerksel te beteekenen. - Hoe die zalving
geschild is, om het uitwerksel des Vormsels te beteekenen,
zullen wij leeren in de 5&lt;~• vmag·.

welk is het uitwe;~ksel des Vm·msels, en hoe
·ve1·scltilt dit Sac1·ament doo;· zijn uitwe;·lisel van de ande;·c?
Ret ge.~ft ons g1·atie en stm·kte om lzet Geloof' vastelijk te
Q. Eindelijk,

belijc/~il., gelijk de Catechismus zegt; en het verschilt hierdoor
van het Doopsel, 'twelk dient om ons veegifi(mis van de erfzonde, van aile andere voorgaande zonden, en van de pijnen
dam·toe staande t~ geven; en om de heiligmal;,ende gratie mel.
het Geloof en al de andere bovennatuul'lijke deugden en de
gaven van den H. Geest in teslol'Len. Dat l1et hierdoor ook van
al de andere Sacmmenten verschilt, zal uit de volgende lessen
blijl;,ei{

Gratia en sle;·kte; deze twee woorden drukJ;,en niet antlers
uit dan ve1·ster·kende gratie, want de sterkte is geene gaaf die
van de gratie onclerscheiden is, maar eene lloedanigheid der
gratie : het is ilnmers cle goddelijke gratie, die ons krachi. en
macht geeft om het goerle te doen (zie verder vr. 6). Dit uitwerl\sel wordt beteekend door de zalving en cle heilige woorden, en bet wordt in den &gt;ormling door dat teel;,en zelf teweeg
gebracht.
Men merke bier op, hoe wij in het Vormsel al de eigenschappen van een Sacrament vinrlen : wij tretfen er een uitwendig
teeken aan. want de zalving en de beilige woorden van den bis-

�'tiEIWE DEEL. -

3[Stc I,ES, 2de \"H.

929

schop zijn rlingen welke men ziet, voelt en hoort; dat teeken
cJuidt heel klaar eene inwendige versterkende gt•atie aan, en
het geeft·ons die gratie door zich zelf; en eindelijk oat dit tee•
lten van Christus tot het gezegde einde is ingesteld. getuigP.n ons
klaarlijk de H. Schriftuur en de Overlevering. Wij vinden dus
in· bet Vormsel al hetgeen tot een waar Sacrament van de
Nieuwe 'Vet vereischt is.
7. Dit Sacrament lteeft zijnen naam van l'ormsel om zijn uitwerl;:sel ontvangen. Ym·msel is zooveel als m·oomsel, gelijk
men eertij!ls schreef en uitsprak, dat is, iets dat vroom. of ldoek,
of sterk maakt; en aangezien dit Sacrament client om het geestelijk leven te volmal;.en en te versterken, lteeft hei den naam
van 1'1·oomsel of Vo1·msel gekregen. In het latijn en in het
fransch worcH het op dezelfde wijze genoemd : confi;·malio,
confh·malion, dat is, verstel'ldng.

2. V. 1Vannem· moet men het Vm·msel ontvangen?
A. Als men tot de jat·en van verstand gekomen is, en
daartoe bekwaumheid heeft.
I. De Catechismus handelt hier over het tijdstip des Ievens. in

hetwelk wij dit Sacrament moeten ontvangen. lVanncc1·, naagt
hij, moel men hct Vo1·msel oulcangcn?
2. Hij antwoordt dat men het moet ontvangen wanneer deze
twee condiWin levens vervuld zijn, te weten : a) als men lot de

jcwen van u;·sland gelwmcn is, en b) dam·loc bf3kwaamlteid
hcefl. - i\loet het dan, gelijl;: het Doopsel, aan de kinderen gegeven worden, die tot de jaren van verstanrl niet gekomen zijn ~
Geenszins; de Catechismus zegt, dat het maar moet ontvangen
wm·den, als men lot dejm·en 1:an vc~·stand !Jclwmcn is: bijgevolg is er geene ~erplichting het aan cle kinderen te geven, die
de jaren van verstand 1_10g niet bereil;:t hebben. - l\Ioet het ontvangen worden aan~tonds na dat men tot de jaren van verstancl

�930

YIERDE DEEJ,. -

31 ste LES, 2de VR.

gel~omen is1 Ool~ niet; de Catechism us vereischt daarenboven nog, dat men daartoe bekwaamlteid ltebbe: 'tis te zeggen,
dat bet verstand genoeg ontwil~:.keld zij, en dat men genoegzame
kennis van bet Geloof bezitte, om dit Sacrameut met veel vrucht
te ontvangen. (lj - Deze bekwaamheid hebben voorzeker de
kinderen, die tot de eerste Communie aanveerd worden; en
daarom bestaat bier het gebruil• het Sacrament des Vormsels na
de eerste Communie, volgens gelegenheid, 't is te zeggen, aanstonds na de eerste Communie, ofwel een, twee. drij, vier ofmeer
jaren nadien, naar gelang cle bisschop de verschillige plaatsen
van zijn bisdom kan bezoel~:.en, te ontvangen.
3. Is het Vormsel dan zoo noodzakelijk niet als het Doopsel ¥
Op geener wijze; want ware het zoo noodzakelijk, het zoude
aan de ldnderen v66r de jaren van verstand moeten gegeven
worden : het Doopsel is immet·s noodig uit noodzal~:.elijkheid des
middels, terwi.!l het Vormsel dit geenszins is; 't is te zeggen, het
Doopsel is een volstrel~ot noodzakelijk middel om de zaligheid te
bel~:.omen, en bijgevolg kan niemand, die het Doopsel 't zij door
zijne schuld, 't zij zonder zijne schuld niet onh·angen heeft, zalig
worden; terwijl het Vormsel op geener wijze als een •olstrekt
noodzal;.elijk middel ter zaligheid ingestelcl is. Zoo bij Yoorbeeld,
een kind, dat v66r de jaren van verstand zonder het Doopsel
(t) Menige geleerden denken dat de woorden : als men daartoe bektcaam-

lteid hee{t, eigenlijk beteekenen: als men daa1·toe gelegenhcid hee{t. Deze

''erklat•ing is niet onwaarschijnlijlt, want eet•tijds gebruikte men soms het
woord bektoaamheicl in den zin van gelegenlteid, en het is waar dat men
het Vol'msel maai· moet ontvangen, als men daal'toe gelegenbeid beef!.
Doch de andel'e uitlegging schijnt vet·kieslijk te zijn; daar de oudste ft·ansche vertalingen van den Catechismus bektoaamltcid door capacitd ove1'7.etten, en daat• in de andere uitlegging bet antwoord niet geheel nauwkeurig
zou zijn, want een kind is \'OOJ'zeker niet gehouden bet Vormsel te ontvnngen, zoohaast bet na de jaren van verstand bet·eikt te hebben, de gelegenheen om gevormd te. worden.

�VIERDE DEEL. -

3J•to LES, 2de VR.

931

ontvangen te hebben sterft, kan niet zalig worden. omdat het
Doopsel een volstrekt noodzakelijk middel is ter zaligheid; maar
indien bet gedoopt is, zal het zonder bet Vormsel de zaligheid
bekomen, aangezien het Vo1·msel geen uoodza\;:elijk middel ter
zaligheid is.
En waarom is het Vormsel zoo noodzakelijk niet als bet Doop!5el1 De reden is heel klaa.r : bet Doopsel geeft ons het geestelijk
leven, terwijl het Vormsel dient om het geestelijk Ieven, door
het Doopsel ingestort, te voltrekken : welnu, om de zaligheid te
bekomen, hebbeu wij wel het geestelijk Ieven, maar niet de versterli:ing van het geestelijk Ieven noodig; en zoo is het Doopsel
een volstrekt noodzakelyk micldel ter zaligheid, terwijl het
Vormse\ zulk geen middel is.
l\Jaar indien bet Vormsel geen vo\strekt noodzakelijk middel
is ter zaligheid, waarom moe ten wij het ontvangen 1 \Vij moe ten
het ontvangen, omdat Christus het ingesteld lleeft als een middel
om ons tot de zaligmaking onzer ziel op eene bijzondere wijze te
helpen, en omdat I-Iij ongetwijfeld gewild heeft, dat wij zulk een
kostbaar mirldelniet zouden verzuimen. - En hoe zondigt men,
als men vrijwillig het Vormsel niet ontvangt1 \Vanneer iernand,
die tot de jaren van verstand gekomen is en de uoodige bekwaamheid heeft, of ten minste deze zou kunnen bebben, eene
gunstige gelegenheid aantreft om bet Vormsel te ontvangen, en
nogtans dit Sacrament uit minachting of uit verachting verzuimt,
hij zal Yoorzeker grootelijks zondigen; want wie zich zoo gedraagt, misacht Christus' instelling, zijne wijsheid en zijne goedheid, en zondigt bijgevolg gl'ootelijks.
4. :Men merke op dat eertijds het Vormsel aan 'de kleine kinderen v66r de jaren van verstand gegeven werd; doch nu is het
een algemeen gebruik, ten minste in geheel het latijnsche deel
der H. Kerk, dit gemeenlijk maar toe te dieneu aan degeneu,
die tot de jaren van ve,rstand gekomen zijn. De reden &gt;an dit gebruik is dat llet Vormsel geen noodzakelijk mi.ddel is ter zalig-

�932

VIERI&gt;E DEEL. -

3JSltl I.ES, 3de VR.

heid, .em dut het van den anderen l\ant met meer vrucllt ontvangen wordt, wanneer de vormling alreelle het gebruik zijns verstands bereikt heeft.

3. V. TVat is e1· van noode tot lzet VOl''fnsel?
A. Dat men gedoopt zij, ei1 gezuiverd van alle doodelijke zonden.
1. Hier spreekt de Catechismus van llet~een et' in den vormling Yereischt is, opdat hij de uitwerkselen Yan het Vonnsel zou
lmnueu ontvangen, of opdat hij geen beletsel aan die uitwerl;.selen zou stellen. lVat is Cl' van 1U?ode, V!'aagt hij, tot !tel

Vm·msel?
2. De Catechism us noemt twee dingen die vereischt zijn: l o dat ·
men r;edoopt ;:, U. en: zo dat men ge:mice;-cl :;ij ·can alle doode-

lij/&gt;e .zonden.
Dat men gedoopt zij; dat is, dat men geldig het Doopsel
ontvangen heube, en bijgevolg dat men het merkteel;:en des
Doopsels in de ziel drage. Het is niet noodig, dat men in het
Doopsel al de vruchten, die aan dit Sacrament eigen zijn,
ontvangen hebbe; er is alleenlijk v.ereischt, dat bet rnerkteeken des Doopsels ingeprent zij. - En waarom is er vereischt
dat men gedoopt zij1 Dit is, omdat het Doopsel het eerste Sacrament is, of, omdat wij zonder geldig gedoopt te zijn, gansch
onbekwaam zijn om de andere Sacramenten te ontvangen (zie
30'10 les, vr. l).
En gezuiv.erd van alte doodelijke zonden; 't is te zeggen,
dat men geene doodzonde, die nog niet vergeven is, op zijne conscientie hebbe; en derhalve dat men in staat .van gratie zij of
de heiligmakende gratie bezitte. - En waarom is dit vereischt ~
Dit is noodzakelijk vereisch~. aangezien het Vormsel een Sacrament der levenden is. Het doet ons immers in bet geestelijk Iev~n
cipgroeien en den vollen wasdom krijgen; en niemani:l h.an op-

�. VIEIWE D.EEL.- 3(Ste LES 4do VR.

933

grocien of vollen wasdom bekomen, indicn llij het Ieven in zicll
niet heeft.; want nict een doode maar wel een levimde groeit op
en wordt versterJ;:t.
3. Als men bij het ontvangen van het Vormsel ook het lichaam
des Heeren nut, en dat men eene doodzonde op zijne conscientie
heeft, is men gehouden zich van die zonde te zuiveren door de
Biecht; dewijl men zich voor de H. Communie van de dooclzonden altijd moet zuiveren door de Biecht (zie bladz. 784). Wilde
men alleenlijk het Vormsel ontvangen, men zou op dezelfde
wijze niet gehoutlen. ziju, zich van .zijne doodzonden door de
Biecht te zuiveren. daar dit voor hcl Vormselniet uitdrul;:keJijk voorgeschreven is gelijk vom· de H. Communie; en bijgevolg
men zou zich mogen ten·e(len houden met een volmaal;:t berouw
te Yenvekken. Docl1; het is zeer geraadzaam, en het is ook bet
algemeen gebi·uik e11 de vurigsle wensch der H. Kerk, dat men
zich in de bereiding tot het Vormsel van alle doodzonden zuivere
door de BieciiL,_ dewijl dit Sacrament het zekersle en bestc middel is om den staat Yan gralie te bekomcn .
.4. Men merke op, dat de Catechism us, over de noodige
voorwaarden tot het Vormsel hamlelende, niet zegt dat men (lit
Sacrament niet mag met geveinsdheid ontvangen, hoewel het
zoo is. Hij spreekt hier van de geveinsdheid niet, omdat hij in
de 20'10 les re~ds geleerd heeft, dat de geYeinsdheid een algemeen l&gt;eletsel is voor al de Sacramenten.

4. V. Iloe dikwUls mag men ge"Cm·md worden?

A. Niet meer d::tn eens in het leven, om het merkteeken, d::tt het in de ziel prent.
1. Hier zal de Calechismus ons leei·en, of wij het Yormsel her-

haaldelijk mogen ontvangen, ofwel alleenlijk eens in het leven.
Hoc dikwijls, zegt hij, mag men gevOJ·mcl woNlcn; dat is, mag
men meermaals of alleenlijk e~ns in het IcY en geYOl'HHl worden?

�934

VIERDE DEEL. -

3}SIO Ll•:S, 5dc VR.

2. In zijn antwoord leert hij ons a) hoe dil•wijls dit Sacrament
mag ontvangen worden, .en b) welke de reden dam·van is.
Hoe dikwijls mag bet ontvangen worden? .Niet meei', zegt hij,
dan dens in lzet leven. Wij mogen dan het Vormsel niet herhaaldelijk, gelUk bij voorbeeld, het H. Sacrament des Altaars en de
Biecht, ontvangen. - En welk is de reden daarvan? De reden
is het merkteellen, dat het in. de zielJwent, gelljk de Catechismus zegt. Dit merkteeken lmn immers noch verloren, noch
vermeerderd worden, en zoo ware het nutteloos, om dat merkteeken nog eens te bekomen of om het .te vermee~deren, het
Vormsel opnieuw te ontvangen. Om de heiligmakende gratie in
ons te Yermeenleren mag bet Vormsel ook niet opnieuw ·ontvangen worden, omdat er anuere Sacramenten zijn die daartoe
dienen.

5. V. vVaarm.ede besb·Ukt de bisschop ltet voorlwofd
£n het Vormsel?
A. Met olie gemengeld met balsem en van den bisschop dam·toe gewijd.
l. Wij hebben in de eerste vraag geleerd, dat het uitwendig
teeken van het Vormsel ten deele uit de zalving besta.at, eu wij
hebben daarbij gevoegd, da~ die zalving op bet voorhoofd geschiedt. Nu ga.at de Catechismus ons zeggen, met welke stof die
zalving moet geschieden :of het gelijk i:&gt; met welke stof, ofwel,
of zij met eene bepaalde stof moet gedaan worden.
2. In het antwoord leert de Catechismus ons : a) met well-.e
stof die zalving moet geschieden, en b) welke de hoedanigheden
van die stof moeten zijn.
3. Met welke stof moet die zalving geschieden? Met olie, dat is,
met olijfolie, aangezien deze aileen onder den naam van olie in
. de H. Schriftuur en in de kerkeli.i!•e boeken gewoonlijk verstaan
wordt. ~ Is aile olijfolie dienstig tot de zalving des Vormsels 1

�YIERDE DEEI•. -

J(Ste I,ES,' 5do VR.

~35

Neen, die olie moet gem,engelcl z[jn rnet balsem en van den
bisschop daartoe gewiJcl zijn. _..:. De balsem is eene welriekende
stof. - Van den bisschop dam·toe gewijd, dat is te zeggen,
dat die· olie gemengeld met balsem door de wijding des bisschops
tot de bediening des Vormsels moet bestemd zijn. -De wijding
van deze olie, die voor het Vormsel moet dienen, en Chrisma
(zalfbij uitnemendheid) genoemd.wordt, gelijk ook de wijding der
olie van de catechumenen. die in de ceremonien welke het
Doopsel voorafgaan, en in de priesterwijrling gebruikt wordt. en
der olie, 1iie voo1· het H. Oliesel moet dienen, geschiedt in de
Goede Week op Witten Donde1·dag. Het Chrisma wordt ook gebezigcl in cle ceremonicn na het Doopsel, en in de wijcling der
bisschoppen.
-1. Hoe noodzakelijk i~ deze stof tot het VormseH Het Vorml';Cl zou voorzeker ongeldig zijn, indien het zonder olie van olijven bedienrl werde; en ware 1\e olie niet gemeugeld met balsem
of met eene andere welriekende stof die onrler den naam van
bal:&gt;em l;;omt, ofwel van den bisschop niet gewij1l, waar~chijnlijk
zou het ook van geener weerrle zijn.
"'aarom lteeft Christus gewild dat deze stof en niet eene
andere tot het Vormsel :r.ou gebruikt worden? Hij heeft dit
gewild omdat zij allerbest dient om bet uitwerksel des Vormsels, te weten, de gratie en de sterkte om het Geloof vastelijk
le belijden, uit te drukken.
Vom·ee1·st wat de olie bel1·efl, al hare eigenschappen zijn
dienstig om ons dat uitwerll.sel voor oogen te leggen : zij is
vettig en dik, en hierdoor, volgens de gemeene spreelnvijze
der H. Schriftuur, beteel~oent zij de volheid der gratie, die het
Vormsel geefL; - zij vloeit zacht en aaugenaam, en doordringt
al de Iosse stotfen waarover zij uitgestort wordt, en door deze
hoedanigheid beteekent zij de geheinwolle uitstorting der goddelijke gratie in de zielen en het doordrougen worden der ziel
door de gratie; ~ zij voetlt het vuur. zij dient om ons Lever-

�93G.

YIF.IU&gt;I&gt; DEE!.. -

3]ste I.ES, Qdo YR.

Jichten en te verwarmen, oil1 de smert te Ienigen en de wonden
te genezen, en door die eigenschap geeft zij ons de Yerlichtende,
de venvar111ende, de vertroostende werking der goddelijke gratie te ),iennen; - eindelijk zij dient nog 0111 de ledematen ·van
het lichaam te versterken, buigzaam en vlug te maken (in menige
Ianden wordt de olie daartoe zeer \'eel gebruikt); en zoo is zij
allerbest geschiki 0111 de bijzondere hoedanigheid der gratie,
well;:e ons door het Vormsel gegeven wordt, te doen kennen, namelijk de vol111al\ing, de vol wassenheid va!l het geestelijk Ieven,
de behendigheid om al de werken Yan het geestelijk Ieven i.e
verrichten, en om al de vijanden onzer zaligheiU te best.rijden.
De balsem is een behoellmilldel tegen verderf en Yernietiging,
en Yerspreid t eenen zeer aangenamen gem·; en zoo is h ij
natuurlijk rlienstig om ons indachtig te maken, hoe de goddelijke gratie des Vormsels ons van het verderf der zoncle en van
de dood bewaart, en ons bekwa:tm maakt om, &gt;olgens de vermaning Yan den Apostel Paulus (2 Cor. II, 15). een gocdc gcw·
van Clwistus te wo1·den, 't is te zeggen, Yoorbeelden van aile
deugden te geven en door eenen godnuchtigen le,·enswandel
de deugd aangenaam en beminnelijk te malwn. - ne ulie. mel.
dim balsem gemengeld, moet door den llisschop gewijd worclen,
opdat de verhevenheid van dit Sacrament meer en meer zou uitschijnen.

6. V. TVat vel'kJ·ijgen wij dam· ltet Vormsell
A. De gl'atie Gods om het Geloof vastelijk te belijden.
I. Hier gaat de Catechismus ons leercn, welke ::.ondei'linge
grat.ie (want aile Sacramenten beteekenen en geYen eene zonderlinge g1·atie) het Vormsel in ons uitwerl\t. lVat ver·krijgen
wi}, zegt hij, dom· het Vm·msel, 'tis te zeggen, welke zonderlin~e gratie bekomen wij als wij het Vormsel wel ontvangen 1

2. I-Iij antwoordt: De [li·atie Gods om het Geloo{vastelijk te
belijden. - De gmtie Gods, uat is, vermeerdering de1· lleilig-

�VIERDE DEEL. -

31 ste LES, fidU VR.

makende gratie (1) en van al de bovennatuurlijke deugden en de
gaven van den H. Geest, met het rechL tot de dadelijl\e graWin,
die noodig zijn, opdat die heiligmakende gratie werkend zou
worden. - l\Iaar \vat is' er nu eigen aan die gratie, well•e het
Vormsel geeft, of welke bijzondere eigenschappen bezit zij,
waardoor zij waarlijk eene zonderlinge gratie is, of onderscheiden is van de gmtie, welke de andere Sacramenten geYen 1 Zij
heeft als eigenschap, dat zij rechlstrcel;.s dient, om het Geloof
vastelijk te belijdeu, 'tis te zeggcn dat zij steri;.Le ofl;.racht komt
geven om het Geloo! Yastelijk te belijt!en.- IIet Getoof belijden,
dat is, inwentlig en uitwendig de leering Yan Christus door het
Geloofaannemen, en ook nog door hel ontlerlwuden van Christus'
geboden aan God en aan de menschen tooncn, !lat wij waarlijk
in Hem gelooYen en zijne ware llienaars zijn; men belijdt immers meer eene leeriug met ze sliplelijk te Yolgen, dan met
· alleenlijk door woorden nil le druld;.en, flat men ze aameerdt.
- VastelUk betijden, dat is die leei'ing &gt;an Chl"islu;; in aile
omslandighedmi, zonder lwijfelen, z01aler aarzelen, inwentlig en'
uitweudig, doot· woorden en werken aanYeer!len en erkennen,
in wcerwil van aile moeilijkltetlen en ,·an alle bekol'ingen voortkomende van c.len cluivel, van de werelcl (d. i. van de sleclite of
wereldsgezinde menschen), of Yan hel vleesch.
llijgeYolg de woortlen : het Getoo{·taslelijk belijden beteekenen hice : een volmaakt christelijk Ieven leiden.
En wam·in bestaat dus die versterking, welke tie gratie des
Vormsels geeft om het Geloof vastelijk te belijden? Gelijk ltet uit
de gegevene uitlegging blijkt, bestaat zij noodzakelijk in het volgende ; zij komt de reeds bcstaantle heiligmakende gratie, de
bovennaluurlijke deugden en de gaven van den H. Geest,· die de

(t) Bij tocvnl kan hot Vorrusol misschien ric ecrsto hciligmal&lt;cn&lt;lo gratie
govon, namC'Iijk, als iomand in stant \"an doodzonde to•· gocrlct• trouw met
ocn cokol onvolmanltt bet·ouw gevormd wortlt. (Zic bladt.. SG5.)

�938

V!ERDE DEEL. -

:~1sto LES. 6dc VR.

beiligmal\enke gratie altijd vergezellen, tot llunnen vollen wasdam brengen, en tevens recht geven tot de dadelij\;.e gratii:in, die
vereiscllt zijn, om dat Ieven der heiligmakende gratie, 'twelk tot
vollen wasdom gekomen is, werkend te maken : daaruit volgt
dat zij aan den mensch die steride of die kracht verschaft, well\e
hij noodig heeft om een vo\maakt christelijll. Ieven te kunnen
leiden, of om al\es te kunnen doen, wat Gorl van eenen volmaakten Christen mensch vraagt. Gelijk de volledige wasdom
des lichaams aan den mensch die krachten geeft, well\e llij noodig heeft. om al de werken te kunnen verrichten, die tot de
volmaakte menschelijl\e natuur behooren; zoo geeft de gratie
des Vormsels, die het geesielijk Ieven tot zijnen wasdom brengt,
al de krachten die vereischt zijn, opltat een mensch een volmaakt christelijk leYen zou kunnen leiden.
Hoe verschilt dan de gratie des Vormsels. van die des Doopsels1
Gelijk wij hierboven alreede geze~rl hebben, de gratie des Vorm~
sels geefl ons den wasdom, !le vol\edige ontwikkeling en vonning
van het geeslelijl~ Ieven ('twelk in de heiligmakende gratie
bestaat.), terwijl het Doopsel ons al\eenlijk de geboorte in dat
Ieven geeft; zoodanig dat er tusschen den gedoopte en den gevormde hetzelfde Yerschil is, als tusschen een kind en eenen
volwassen mensch. Door het Doopsel ontvangen wij de heiligmakende gratie met de bovennaiuurlijke deugden en de gaven
van den H. Geest, en te zamen recht tot de dadelijke gratii:in,
maar alleenlijk in eenen onvolmaakten gmad, te weten, in eenen
graad die niet voldoende is om gemakkclijk een volmaakt christen Ieven te lei den; terwijl door het Vormsel al die gaven z(l(,
vermeerderd en ;ersterkt worden, dat zij gansch voldoende zijn
om zonder te groote moeite God in alle omsiandigheden gelrouw
te blijven en Hem volmaaktelijk te dienen.
3. Hoe wordt deze zonderlinge gratie door bet uitwendig teeken des Vormsels beteekend? Wij hebben dit reeds ten deele
in de voorgaantle vraag gezien. De zal-ving met olie gemengeld

�VIERDE DEEL. -

93\J

31 8 1&lt;! LES, jdC YR.

met balscm en van den bisscltOJl gew(jd, is een natuurlijk
teeken tier volheid van gratie of der sterkte, die in het Vormsel
bekomen wordt om het Geloof vastelijk te belijden, of om een
volmaakt christelijk Ieven te leiden; en de woorden, welke de
bisschop spt·eeki, geven klaar!Uk te kenneu, rlai de zalving die
beteekenis lleeft ; bijzonuerlijk de woordcn, ik ·!;OI'm u, dat is,
ik ve;·sle;·k u, ik bcDCstig u, dt·ukken dit heel klaar uit- De
lumdoplegging is daat·toe ool\ zeer dienstig : de handen op
iemand leggen is een natuurlijk teeken om uit te drukken, dat
men dien persoon als aan zich toebehoorende, als zijne bezitting,
als zijnen bcsehermling aanziet, en hem hulp en hijstand biedt:
en zoo b de handople~ging. we\1\e lle bisschop in Chistus· naam
op den vormling cloel, alleriJesL gP~cltikt om le IJeteel\enen. 1lat
de vormling aan Chri~ius op eene nieuwe manier besint toe te
behool'en, op eene nieuwc manier :t.ijne bezitting en zijn 1\ind
wonlt. - :\len merke nog op, dat de zalving k;·uisu:ij::,e geschiedt, om te beteekenen uat de vormling ingelijfd wordt bij de
discipelen van den Gekruisigdo, van Jezus Cht·istus; en dat zij
geschiedt op het voorhoofd, omdat in deze plaat.s des licbaams de
schaamachtigheid zich meest vertoont, en om zoo te leeren ual
de gevormde Christen li.racht ontvangt om noch door schaamte,
noch door vrecs wederhourlcn tc worden het Geloof met woorden en werlwn te bel~iden.
Boven de gratie, die het Yot·msel ons instol't, prent het ons
nog een zeli:er en altijddurend merkteeken in de ziel, gelijli: er in
de 20"'c les geleerd is.

7. W aartoe client de cloak, dien men ons ·Doorbindt?

A. 'rot eerbiedigheid voo1· de heilige olie, en ook om
indachtig te wezen, clat wij voor Christus en het
Geloof veel moeten ve1·clragen.
L De Catechism us begiut bier te handelen oYer de cer13moni~n,

rlie in het Vormsel gebruilit wo1·den; en hij spreekt Yooreerst
I

4

�940

YIERDE DEF.[,. -

3(Ste J,ES, 7de VR.

over het gebruik van na de :mlving, eenen dock om het voorhoofd van deli vormling te binrlen. 1-Vam·toe client, zegt hij, cle
dock, dien men ons vom·bindt, 't is te zeggen, tot wat einde
binclt men dmi vormling eenen" ~lock om bet voorhoofd na de
zalving1- Deze ceremonie echter bestaat hedendaags niet meer_:,
doch eertijds was zij algemeen in gebruik : aan de gevormden were\ aanstonds na de zalving een dock aangedaan, dien
zij eenen of ze\f:; mecr clagen moest&lt;:ln dragen; en welken een
priester gelast was op bepaalclen tijcl af te nemen.
2. De Catechismus zegt dat deze doek gebruikt were\ om twee
redenen : a) tot ee;·biedigheid vooi· de lteilige olie, en b) om.

indaclttig te wezen, dat wij voo1· Clu·istus en het Geloo(veel
moeten VCI'(li·agen.
Tot ee;·biedigheid vom· de heilige olie : dat is, opdat de heilige olie (zij is immers heilig, omdat zij van den bisschop gewijd
is), op het voorhoofd op geene onhetamelijke wijze zou aangeraakt en afgeYaagd wonlen, als ware zij niets meer dan eene
andere ongewijcle stof. - i\Iaar nu, dat het gebruik van eenen
dock voor te binden nict meer bestaat, is er nog genoeg in de
eerbiedigheitl voor de heilige olie Yoorzien 1 Ja; in plaats van
daat·toe eenen do~k te bezigen, wordt de heilige olie nu van bet
voorhoofil weggenomen door eenen prieste1· bij middel van wat
brood en boomwol or watte: tlit belet, zoowel a\s de dock, clien
men voorbond, dat cle heilige olie als eene gemeene stof behandeld worde.

Om indachtig te wezen, dat wiJ voor Christ us en het Geloof
veel moeten u;•dr·agen; dat is. om den vormling indachtig te
maken, dat hij allen smaad en schaamte moet willen lijc~en om
Christus gelrouw te blijven, en zijne leering door woonlen en
werli.en tot de tlood toe te belijtlen. - En hoe wordt hem zulks
cloor h~t dmgen van clien doek inclachtig gemaakt? Het tlragen
van di~n doek is een uitwendig tecken van godsdienstigheid, van
onclerwerping en gehoorzaamheitl, dat. de dootlsteek geeft aan

�VIERDE DEEL. -

3l 8 to LES, Ssto YR.

P41

llet menschelijk opzicht, en zoo gelegenheid verschaft om voor
Christus en het Geloof alreede iets te lijden. - Blijft · er in dat
indachtig maken, na de afschaffing van het gebt·uik des doeks,
genoeg voorzien 1 Ja; want dam·toe dient ook de kleine slag, dien
de bisschot1 op de kaak van den gevormde geect, terwijl hij zegt:
vt&gt;ede ziJ mel u. Deze slag beteekent immers dat •legene. die
Christus wil navolgen, bereiu moet zijn, vervolging _en smaad om
Cllristus te willen lijden; en dat hij doot· deze bereidwilligheid
tot den waren vrede van Christus moet gerakeu. - Het gebruik
van den doek om het voorhoofd te binden is afgeschaft, om red en
der moeilijl;.heden, die er nu, meer dan in Hoeget·e l.ijden, uit
voortli.omen .

.S.

y. Tl'aa1·mn gee(t men ons in hei Doopscl'en in ltet
Fm·1n~el namen va.n Ileiligen?

A. Opdat wij die zouden leeren nn.volgen, en van dezelve als onze pil.tronen geholpen mogen worden.
l. In deze nang spr..:lel;.t de Catechismus over eene andet·e
ceremonie, die zoowel in bet Doopsel als in bet Vormsel plaats
grijpt, te weten, over het geven van namen van Heiligen aan den
doopeling: of aan den vormling. TVaai'Om, zegt hij, geefl men

ons in het Doopsel en in !tel Vo;:msel nwnen ·van lleiligen.
2. De Catechism us zegt dat dit gedaan wortlt om twee redeneu:
a) opdat wij die lleili[jen zouden lee;·en navolgen; en b) opdat
wij ·van dezelce als on.::c pat;·oncn [jeltolpen ;nogen wm-clcn.
3. Opdat wij die Ileilioen .::ouden lce;·en ncwolgen: hoe uient.
bet geven van namen van Heiligen tot dat eintle? :l\Iet die namen in het Doopsel en in bet Vormsel op te leggen, stelt de
I-1. Kerk ons die Heiligen, wiet· naam zij ous geeft, tot Yoorbeeld
voor; zij vermaaut ous bijzomlet•lijk het Ieven van die J-leiligeu
te leeren kennen, te ovcrtlenkeu en na te volgen; zij zegt ons :
leeft en dieut God, gelijk die Heiligen geleeftl en God geLliend

�942

VIERDE DEEI,. -

31 510 LES. 881° YR.

hebbeu. Daarenboven rle mensch, die den naam van eenen Heilige draagt, zal noodzal1.elijk, wmmeer hij dien naam hoort uitsprelien, dilnvijls op dien Heilige rlenken en zich opgeweld
gevoelen om zijn voorbeeld na te volgcn. - En is het wijs ons
eenige Heiligen in 't bijzouder als voorbeeld voor te stellen? Ja,
ongetwijfelrl; de !evens 'der Heiligen zijn als zoovele gebaande
wegen tot den heme!: maar wij kunnen ze niet allen te gelijk
volgen, en daarom hanrlelt de H. Kerk zeer wijs. wanneer zij
ons den naam van cenen of van eenige Heiligen geeft, opdal. wij
hun Ieven in 't hijzonder zouden leeren navolgen.
·1. Opdat wiJ van dezelve als onze pali·onen gelwlpen mogcn

wm·den; dat. is, opdat deze Heiligen, wier naam ons in !Jet
noopsel of in het Vormsel gegeven wordt, ons waarlijk, als onze
bijzondet·e beschermers, zouden helpen en bijstaan. - En hoe
wordt dit bekomen door het geven nm die namen van Heiligen
in llet Doopsel en in het Vonnsel? Het vloeit et· natuurlijk uit,
rlewijl de priester of de bisschop, wanneer hij aan den doopeling of aan den vormling namen van Heiligen geeft, die Heiligen in den naam van geheel de H. Kerk smeekt en van Gorl
vraagt, dat zij de bijzondere . beschermet•s zouden wezen van
dien doopeling of Yan (lien vormling gedurende geheel zijn
Ieven; en deze smeeking en vraag, in den naam der H. Kel'k
gedaan, worden altijd Yerhoord. Daarbij door het ont,·angen
van die namen, worden de doopeling en de vormling aangewaklierd om tot die Heiligen, wier naam zij dragen, op eene bijzondere wijze hunne toevlucht te nemen.
5. l\faar waarom heeft de H. Kerk gewild, dat de namen van
Heiligen aan de geloovigen zouden gegeYen worden in hat
Doopsel en in het Vormsel, en niet in eenige andere omstandi,.o
hed!3n 1 De r-eden daarvan is, dat wij in het Doopsel intredende
!eden, en in bet Vormsel volwassene !eden der H. Kerk worden; en dat bet de leden der H. Kerk, als zulken, betaamt
eenen of eenige Heiligen te hebben, die zij bijzonderlijk naval:..

�YIE!UJE DEEL. -

3JS!e LES, AAN)IERI\.

943

gen, en van wie zij op eene bijzondere wijze beschermd worden.
Dewijl men dan, eenen of eenige Heiligen als patronen en voorheelden moet beginnen. hehben, wanneer men lid der H. Kerk·
wordt, zoo is het zeer natuurlijk dat de namen der Heiligen ons
in bet Doopsef en in het Vormsel en niet in andere omstaudigheden gegeven worden.
Men merke wei op, dat het geven van nieuwe namen van
Heiligen niet meer g-eschietlt in het Vormsel, gelijk het eertijds
in gebruik was. De bisschop spreekt nu immers in ltet betlie11en
van hot Vormsel den vol'mling toe, met zijnen doopnaam, of
hetcr, hij geeft hem opnieuw zijnen doopnaam.
Anumerkingcn. 1° Zijn wij altijd wei iutlachtig wat wij door
het Vormsel bekomen : gelijk een kind na zijne gebool'te sterkte
moet aanwinnen en opgroeien om tot rle volwassenheid te ~era­
ken; zoo moet een Christen mensch, 1Ja1lat hij in hel Doopsel
bet geestelijk Ieven ontvangen heeft, in dit nieuw Ieven toenemen en verstcrl~t worden om een volwassen, een volma.."lkte
Christen te worden; en die sterkte en \Yastlom l\rijgt hij door
bet. Yormse\. Danken wij God uit ter herte over de instelling
van tlit H. Sacrament des Vormsels, door het\vell;. Hij ous bet
mitltlel in de hand gee!t, om het gee~telijk Ieven in eenen volmaaklen· graad te ontvangen. De minste graad der heiligma- ·
kende gratie gaat oneindig aile aartlsche goedm·en te boven, en
l\an door ons niet gewaardeerd en geacllt worden, gelijk het
belwort; welke dankbaarheid zijn wij dan God niet sclmldig
voor het volmaakt geestelijk Ieven, dat in het Vormsel gegeven
wordt!
2° Degenen, die nog niet gevormd zijn, moeten naar het
Vormsel verlangen, gelijk een klein kind verlangt op te groeien
en een volmaakte mensch te worden; en zelfs hunne begeerte
moet nog veel grooter zijn dan die van een Idnd, daar het
geestclijk Ieven oneindig het lichamelijke overtreft. - De
anderen, die reeds het Vormsel ontvangen hebben, moeten

�944

\'IEltDE LlEEI .. -

31 510 LES, AA:'\AIERK.

indachtig ziju, dat zij alles bezitten, wat hun noodig is om God
op eeue volmaakte wijze te dieuen en een volmaakt Ieven te
leideu. Nooit mogen zij denken, dat de noodi~e liraclrl om alle
kwaad te vluchten, en om Gods wetten en raden te volgen, hun
ontbt•eekt :·wauL door het 'vormsel hebllen zij alles outvange"n,
wat daart.oe vereischt is. Van den anderen kant moeten zij zich
ook wel berinnet·eu, welke schande bet voor hen is, in weerwil
der lu·achten door het Vormsel ontvangen, nog zonden te bedrijven en bet goed niet te doen. Hoe schandelijk is bet niet
voor eenen mensch de gezondheid en de begaafdheden, welke hij
bezit, vrijwillig door zijn slecht gedrag te verspillen, of ten
minste ze zonder gebt·uik te Iaten en een lui Ieven te leiden!
Welnu, iemand die na ge;ormd te zijn, zonrlen bedrijft of
verwaarloost bet goed te doen, is duizendmaal plichtiger dan
die mensch : hij verspilt immers die gaven, welke van hem een
volwassen ldnd Gods malt en; hij verwaarloost dat allerkostelijkste geestelijk Ieven vruchten te doen dragen, waardoor hij hat
~euwig gelult des hemels J;.an bekomen.
3° Stippen wij hierb~j aan, dat wij d~ uitwerltsels des Vormsels
gehcel ons Ieven door geuieten. rlewijl bet ons volwasscne kinderan Gods maakt, en dat de &gt;olwasseuheld geene voorbijgaandc
maar eene bijblijvemle hoerlanigbeid is. Vooreerst. het mer];. teeken, dat het o11s inprent, blijft altijd bestaan pf is altijddurend;
de .heiligmakende gratit~. die het ons ~nstort, kan wel door de
doodzonde verlot·en worden, maar bij de ''ergilfenis dezer zonde
wordt zij wederom gegeven in diim graad, welke het Yormsel.
geeft; en de dadelijke gmtien, tot dewelke het ons recht geeft,
blijven ons altijd bij, als wij in staat van gt·atie zijn; en zelfs
waarschijnlijk, wanneer wij de heiligmakende gratie verloren
hebben, worden er ons nog uit hoofde van het merkteeken des
Vormselsdadelijke gratiengege,·enom de zonde te Yluchlen en 0118
te bekeeren. Naardien dit merkteeken ons alleszins bestemt om
als volmaakte Christenen te leven, en teenemaal bekwaam maakt

�VIERDE DEE! .. -

:Hstc LES, AAN~IEIU\.

945

om de andere Sacramenten te ontvangen, schijnt het ous voorzeker de daartoe noodige dadelijke gratii~n te moeten geven.
4° Willen wij eenigszins verstaan, hoe het Vormsel ons van
zwakke kinderen volwassene menschen maakt. overdenken
wij de buitengewone uitwerl~selen, die de nederilaling van den
H. Geest op den Sinxendag, en het Vormsel in het begin der
H. Kerk teweeg gebracht hebben : deze doen ous immers zien,
wat er in ons inwendig door het Vormsel geschiedt. V66r de
nederdaling van den H. Geest op den Sinxenda~ waren de Apostelen ftauwhertig, vreesachtig, onwetend en onbekwaam om
Christus' leering te prediken; maar na deze n~derdaling waren zij
verlicht, onderwezen, met heldenmoed beziehl en met allerhande
bovennatuurlijke krachten IJegaafd, om het Geloof met vrucht
aan te kondigen. Insgelijks in het beg·in der H. Ke1·k ont&gt;ingen
de geloovigen zee1· dik wijls door het Vormsel rle gaaf van tal en
en die van mirakelen of voorzeggingen te doen : wP!ke buiteng-ewone ·uitwerksels door dit Sacrament nu niet mee1· bekomen
worden, om reden dat zij voor het bewijzen en het verspreiden
van het Geloof niet meer noodig zijn. In het hegin immers moest
men rle waarheid van het Geloof door mirakelen en profetien
hewijzen, om het in de herten der menschen te kunnen plan ten:
twelk nu, n:ulat het Geloof 6€ms ingeplant en Yerspreid is, niet
mem· vereischt worllt. - noch die buitengewone gaven, die
de H. Geest aan de Apostelen in zijne nederdaling en aan de
eerste Christenen in hun Vormsel IIeeft vergund, toonen ons
zeer ldaar, wat Hij in ons, wanneer wij geYormtl wortlen, uitwerkt: die uitwendige volheid van gaven en die uitwendige volledige bekwaamheid om het Geloof aan te kondigen, leggen ons
voor oogen de volheid van gratie of d~ volwassenheid, die het
Vormsel ons gee ft.
5° De !;;etters hebben het Sacrament des Vormsels vee! aangerand, als ware het van Christus zelf niet ingesleld geweest, en
als hadde bet van in bet begin der H. J{erk niet bestaan; doch

�9.40

zij 1loen rlit gansch ten onrechte. De H. Scht·iftuur verhaalt ous
immers hoe de Apostelen het Vormsel aan rle eerste Cltristencn loedienden ... Toen tle Apostelen, zegL het hoek van de Handelingen
de;· Apostelen, VIII, 1-1-17, die te Jernzalem waren, geltoorrl
., hatlden, dat Samarie het woord Gods had aangenomen, zouden
., ;:lj tot hen Petrus en Joaunes. En deze. daar gekomen zijmle,
., baden voor heu~ ilat zij den H. Geest mocltten oniYangen;
., want. Hij \Vas nog op niemand hunner gelwmen; maar zij wa., ren alleenlijk gedoopt in den naam van den Heere Jezus. Toen
, legtlen zij hun de handen op, en zij ontvingen den Heiligen
, Geest ... Uit ileze woorden hlijkt het klaar, dat de geloovigen,
dom· de oplegging der hand en van de Apostelen, eene nieuwe
gratie, onder::;cheiden van die des Doopsels. namelijk, den
H. Geest, (dai wil zeggen, de vollteid der gratie van den
H. Geest) ontvangen hebben; en diensvolgens dat de7.e opleg:ging der handeu een wezenlijk Sacrament, te weten, het Sacrament des Vormsels was. - De oudste .Kerkvaders en kerkelijke scltrijvers getuigen ook in zeer rluidelijke woordeu. hei
bestaan van dit Sacrament. De H. Cyprianus schrijft (Brief aan
Jeh1\jaan) : •· Die inwoners van Samarie. rlaar zij het wcitig en
.; kerkelijk Doopsel onimngcn hadden, moesten niet 1Icnloopt
" worden; maar wai hun ontbrak, dat werd hun door Petrus cit
~ Joannes gegcven; namelijk door het gebed van dczen eu 1Iom·
., de oplegging hunner hand en on tvingen zij den H. Geest. En
, hetzelfde geschiedt bij ons : de gedoopten worden tot de over, sten der H. Kerk gedragen, om door ons gebed en de oplegging
, onzer llanden den H. Geest te ontvangen en door bet merktee,, ken des Heeren volwassen te worden. ~ - De H. Hieronymus
(tegen de Luciferiancn n. 9) zegt : " het is de gewoonte in de
, H. Kerk. dat de bisschop tot degenen gaat, die in plaat~en,
, ver van de groote steden gelegen, doot· de priesters en de dia, kens gedoopt zijn, om hun onder de aanroeping van den Heili;, gen Geest de handen op te leggen. ··

�Y!ERDE DEEL. -

32slc r.ES, INHOUU.

947

:Men geve er acht op, hoe in de aangehaalde getuigenissenp9k:
klaar uitschijnt, dat aileen de bisschop de gewone bedienaar des
Vormsels is.

'l'WEE EN DERTIGSTE LES.
Van het Heilig Sacrament des Altaars.
Inhoncl.- Dczc lc~ spreekt ons 1·an hct dcnle der HI-!. Sacramentca, tc wc!ct•,
van het II. Sacrament ol•!S Altaar~; 'twelk in de ormocming oler HI-I. Sacramcnlcu de Jerde plaats bcklecdt, omdat hct cle ~p(js is \'an ons gcestclijk kveu.
De twcc ecrste Sacramcntcu grl'en ons het gcestclijk lci'CII : door hct Doopsel
wol'flen wij in olat Ieven gebor·en, en oloor het Vormsel krijgen wij vollcn wa~··
dom iu dat Ieven. Wclnu, na het Ieven ontvangen le hebbcn, hceft men ccrst
en vooral dalgcnc noodig, 'twclk diencu moet om tlat Ieven re onderhoudcu,
uamelijk, voedscl of spijs; en lwt voe,l~el of de &gt;pijs van ons gecstelijk lcveu is
het II. Sacrament des Altaars. Dijgcvolg is het zcer rcdelijk, tlat het na hct
Uoopscl en hel Vnrmscl opgcnocmd wor1lt.
I. In de ecrste \'l'a:tg dezer !cs gecft de c~techismus OilS cenc kortc beschrijl·ing van het II. Sacrament des Altaars, waarin hij ons in wcinige
woordcn de natuur l'an dil Sacrament leer! kcnnen, of ons zcgt waarin het bcstaat en van de andere Sacrament en ondcrscheidcn is.
II. Van clc twcede tot do: l~al~tc uaag, om ons over tlit Sacrament ccne
hrecdvoerigcr kcnnis tc gcven, onolcrzoekt h\j ccnige b\jzonolere punteu. die er
hctrckking op hcbben.
a) Aangezicn in hct II. Sacrament. dt•s ,\ ltaars Chri~tus zt&gt;lf tegenwoordi!(
is, en hct det·hall'e (•ene gausch huilcngmvone wecrtlc heeft, lcert hij \·ooreerst
in de 2dc naag, lot tl'at eilldc Clu-istus clat Sacrament, 't welk zoo vcrhevcn
is, hecft ill!JCS/elrl.
b) Daarna harttlclt hij, in de drij \·olgentlc vragcn, over Christus' tcgenwoordighcitl in tlit Sacrament; en om ons dezc wei te tloen kenncn, doct hij ons
op cenc hcpaaldc wijzc zieu : I •&gt; rt•llt cr 011s ill dit Sacrame111 teamwoordig i.~;
2° /toe Clu·istus OilS tege11woordi,q ycsteld wordt in llet ll. Sacrament; en
3o onder welk decl v1m de II. Jlostie Cllristus is llls r/ie gebroken rt•ordt.
c) Nopens hct gchrnik en de vcreering van dit Sacrament, ~preekt hij ons in
de (ldc en 7d" vraag, waar hij ontlerzockt : Jo of aile menscl1e11 Christrts moe-

�948

VIERDE DEE! .. -

32810 J,ES, 1• 1~ Ylt.

ten ont.vangell o11de1· cline gedaanle of onder beide gedaa11ten; en 2° wat eer
wij het H. Sacrament schuldig zijn.
d) Aangaande de ceremoniiln, die in het bedicnen van dit Sacrament gebruikl
worden, ondcrzoekt hij in de laatstc vraag. wat er tc dcnkcn is van hetgeeu
men geeft ua de H. Communic, of het namelijk ook Christus' bloed is.

1. V. TVat is het Heilig Sacram,ent des Altaa1·s?

A. Een Sacrament, van Christus onzen Zaligmaker
ingesteld, in hetwelk, onder de gedaanten van
brood en wijn, Hij zelf tegenwoordig is.
l. De Catechismus onderzoekt hier, waarin dat Sacrament,

'twelk het H. Sacrament des Altaars genoemd wordt, bestaat,
of welke z~jne hoofddeelen zijn, en bijgevolg ook hoe het van de
andere Sacramenten onderscheiden is.
2. In het antwoord overloopt hij al de voorwaarden tot een
Sacrament vereischt, en toont hoe deze in het H. Sacrament des
- Altaars te vinden zijn : waardoor hij tevens bewijst dat het een
waar Sact·ament is, en klaar voorstelt hoe het van de andere is
onderscheiden. Hij spreekt a) van het uitwendig teeken; b) van
de zondm·linge gratie, die door dat teeken beteeltend en gegeven woPdt; en c) van de installing door Cli1·istus.
3. Welk is het uitwendig teelwn van het H. Sacrament des
Altaars~ Het zijn de gedaanten van brood en wijn, onde1· dewelke Ciu·istus zel(tegenwoordig is, of het zijn de gedaanten
van brood ei1 wijn, onder dewelk.e wij door de woorden, die de
priester onder de consecratie over het brood en den wijn gesproken lleeft, Christus zelven weten tegenwoordig te zijn; of anders
gezegd, llet zijn de gedaanten van broorl en wijn, onder dewelke
Christus tegenwoordig is, en de woorden dei· consecratie, door
dewelke Christus er onder tegenwoordig gesteld i.s. en deze tegenwoordigheid ons tevens kenbaar is gemaakt.

�VIERDE DEEL. -

32sto I,ES, JSte \'R.

· !-149

Dat uiLweridig teeken bestaat dan eerst uit de gedaanten ?.'an
b1·ood en wijn : het bestaat dan niet uit broo(l en wijn. of uit de
stoffe van brood en wijn, maar alleenlijk uit de gedaanten van
die stoffen, uit de gedaanten van brood en wijn. - Wat wordt
er eigm1lijk door gedaante verstaan 1 Door gedaante verstaat
men eigenlijk, het uiterlijk vom·komen van eene zaak, of a! wat
van eene zaak onder de zinnen valt, zooal~. haren vorm, hare
uit.gestrektheid, hare kleur, haren retik, haren smaal{, enz.; \Vant
al deze eigenschappen. vallen rechtstreeks onder onze zinnen.
Bijgevolg de vorm. de kleur, de smaak en de reul;; die aan het
brood en aan den wijn eigen zijn, of a\ wat van broo!l en wijn
onder onze zinnen valt, maal\t de gedaanten van brood en wijn
uit. Zoo ook het uitwendig voorlwmen van eenen mensch, of
wat van eenen mensch onrler de zinnen valt, zooals zijn lichamelijl\e vorm. zijne spraak, zijne hourling, zijne ~ang-, zijn werl{,
zijne kleur, enz., maken de gerlaante van dien mensch uit. En waar·van moet men de gerlaante, om er een goecl gedacht van
te hehhen, we\ onderscheiden? .l\Ien moet ze wel onderscheiden
van de nat.uur of van de stof eener zaak, clat is, van hetgeen elke
zaak in haar zelve is: van hct voorwerp of van het. wezen. waaraan cle geclaante zich hecht, en dat door haar tot onze zintuigen
komt. In andere woorden de natuur of de stof h; hetgeen onder
het uitwendig voorkomen schuilt, of hetgeen vorm. kleur.
smaak, reuk, enz. heeft. Dat uitwendig voorkomen, die vorm,
die kleur, die smaak, clie reuk hestaan op hun eigen niet : er is
iets. waaraan zij vastgehecht zijn; en rlatgene, waaraan zij vastgehecht zijn, maakt cle natuur of de stof der· zaken uit.
Nu nieL aile gedaanten van brood en wijn, maar alleenlijk
diegcne onder rl~welke et· geen broorl noch wijn. maar Clwistus
zel( tegenwom·clig is, maken ten deele het uitwendig teel;:,en
dezes Sacraments uit. - Cltr·istus zel(, dat is te zeggen, Jezus
Christus, God en mensch, met zijne ziel en zijn lichaam.
Het tweede dee! Yan het uitwendig teeken dezes Sacraments,

�950"

\'IERDF. DEB!,. -

32'1"' LES. }Sle \"R.

zijn de woorden van de consecratie. door dewelke Christus
onder die gedaanten tegenwoordig gesteld wordt. want zonder
deze woorden zouden wij niet weten, dat Christus onder rleze of
gene gedaanten van brood of \Vijn wezenlijk tegenwoordig is.
Gelijk de afwass0hing in het Doopsel en de zalving in heL Vormsel de zonderlinge gmtie, welke zij door zich zelven geven, niet
wezenlijk kunnen beteekenen, indlen zij met de h~ilige WOOI'den, welke aan die Sacrament.en eigen zijn, niet. gepaard gaan;
zoo kunnen ook op geene1· wijze de gedaanten van brood en wijn.
onder dewelke Christus tegenwoordig is, het teel\en van het
H. Sacrament des Altam·s zijn. zonder de \voorden der consecratie. - Men. bemerke da~ deze WOOI'den, alhoewel de uitspraak
daarvan slechts een oogenblik duurt, noglans blijven dee! maken van het uitwendig teel\en dezes Sacraments, 'twell\ niet
gelijk de andere Sacramenten voorbijgaande is, maar op eene
voortdurenrle wijze blijft bestaan; en de red en rlaar&gt;an is, dat
het gekend is en door menigvuldige uitwendige teekenen kenbam· blijft, dat die woorden wezenlijk zijn uitgesproken ge,\·eest.
4. Welk is nu de zonderling-e gratie, die door tlat ui twendig
teelten beteekend en gegeven wortlt? Ch1·istus :;elf, zegt de Catechismus, is ondm· die gedaanlen tegenwoo;·dig; en hijgevolg
de g1·atie, die door ·rlit Sacrament beteekenrl en gegeYen wordi,
is Christus zelf. de bron en de gevm· van alle gt'aWin, die o11s
onder de gedaanten van brood en wijn als spijs onzer ziel voorges~eld ~m gegeven wo1·dt. - En hoe wordt die zondr.rlinge
gratie door bet uitwenrlig tee ken van het Sacrament beteekend?
De gedaanten van brood en wljn zijn natuurlijk diens tig- om eene
gorldelijke gratie te beleekenen, rloor dewelke wij ge:&gt;pijsd worden, dewijl bl'Ood en wijn tot spijs des Jichaams tlienen; en de
tegenwoordigheid van Christus onder die geflaanten JeerL ons
de natuu1· van t.lie gratie kennen, door flewelke wij gespijsd
worden : de krachten. die uit het voedsel voortkomen. zijn
noodzakelijk van dezelfde natuur als het genoten voetlsel; welnu

�VIF.RDE D£EL. -

32 510 LES, pte VR.

951

het voedsel, dat in bet H. Sacrament des Altaars gegeven wordt.
is Christus zelf, God de Zoon voor ons mensch geworden; en
diensvolgens zijn de krachten. die wij ui t dat geestelijk voedsel
trekken, eene mededecling van de goddelijke krachien, eene
mededeeling van bet goddelijk Ieven, cene inuige vereeniging
met God, waardoor Hij in ons woont en in ons werld. 'Vij.
worden daar versterl;.t nict do_or menschelijl;.e, niet door engelachtige, maar doot' goddelijl;.e lu·achten.
5. Hoe is dan de gmtie van dit Sacrament omlerscheideu van
die ,des noopsels en des Vormsels~ Zij wr·schilL van de gratie des
J)oopsels en van die des ·vormscls, gelijl\. het lichamelijk voedsel
ntn de lichamelijke geboorlc en van de lichamelijke volwassenlteid omlcrsclteiden is. In de gehoortc krij;:ren wij het Ieven,
maar nog gansch onontwikkeld; lloot· de volwassenheid bekomcn wij de ontwikkeling van hel Ieven in de gcboorte ontvangen. en de volheid der menschelijke kmchten; maar om tlit
Ieven te onderhouden, te vermeerderen en le bewaren, om de
kleine hindernissen, die het ondet·gaan heeft. te herstellen, om
bet van flauwte. van ziekten en van rle dood te be\'l'ijden, en om
het te kunnen werkend maken. is er voedsel noodig; en zonder
dii voedsel is hellichamelijk Ieven volstrekt onmogelijk. Welnu
gelijk het Doopsel ons de geboprte. en het Vormsel de volwassenheid in het geestelijk Ieven geert; zoo Iwmt het H. Sacrament
des Altaars in dit goeslelijk le,·en juisl die plaats bekleeden,
welke het voedsel in lret Iichamelijk leren verntlt : het komi
hel gcestelijk Ieven onderhouden, Ycr·meenlet·cn en bewaren;
de l\.leine hindernissen. die hot omlergaan heert, herstc lien; het
van de ziekte en rle doorl der zonde beHijtlen. en de lo·achi
goven om God wei te dienen on aile g:oed te do~n.
G. "'ij vinden rlus in bet H. Sacrament des All:uu·s ecn uitwendig teeken en. eene wnderlinge gratie, die rloot· hetzelve
beteekend en O'errevcn
wordt ·' maar .is bet van Christus in gee "'
steld? Ja, het is van Clwistus on~cn Zaligmahc;· ingestcld,

�n::C)
v .. -

Y!ERDE DEEJ,, -

32 810 J,ES, )ste YR.

.

.

gelijli. de Cat~chismus ons leert. - D? Catechismus maakt in de
beschrij\'ing van dit Sacrament gewag vim Christus' lnstelling.
terwijl.llij dit niet gedaan heeft in de beschr(jving van bet Doopsel en van hot Vormsel. De reden daarvan is, dat rle H. Scbriftuur ons heel klaar leert, wanneer en hoe bet H. Sacrament
des Altaars door Christus is ingesteld, terwijl wij dit nopens het
Doopsei·en het Vormsel noch door de H. Schriftuur. nocb door
de Overlevering met zekerbeid weten, alhoewel deze twee geloofsbronnen ons klaarlijk getuigen, dat die HR. Sacramente1i
waarlijk \'an Christus zijn ingesteld.
7. \Vanneer is dan het H. Sacrament des Allaars ingesteld?
Het is ingesteld in het laatste avondmaal, dat i~. den laatsten
avond, op denwell;:en Christus met zijne Apostelen heeFi geeten.
or den avond v66r den dag zijne•· &lt;lood; bijgevolg op den donder- ·
dag avond der Goede Week. Dezen clag noemen wij Willen DondeNlag. omllat alsdan de goddelijl;:e diensten met .witte Altaarskleedereil, ter herinnering en vereering &lt;ler instelling van het
H. Sacrament des Altaars, gedaan worden, terwijlalles in die week
in boet- en rouwgewaden geschiedt.. - En hoe is rlie instelling
gebeurd 1 Vooreerst heeft de Zaligmakm· met zijne Apostelen
op dien avond, volgens de· wet van i\Iozes, het paaschlam
geeten : het was immers den avonrl voor den Paaschdag der Joden, die dat jaar op den Vrijdag vie!; en daarna heeft Hij
met hen een gewoon avondmaal genuttigd·. Wanneer et· te vee!
volk was om alleenlijk het paaschlam te eten, was 't noouig na
deze plechtige maaltijd nog een tweede gerecht op te dienen, op.dat eenieder zijnen eetlust zou kunnen Yoldoen hebben; 'en dit is
ook geschied in 't laatste avondmaal. Terwijl nu Jezus en zijne
discipelen met het tweede gerecht, dat op zijn einde liep, bezig
waren, nam Hij het brood in zijne gebenerlijde handen, sprak er
een lof-' en dankgebed over uit, brak het in stukken en zeide :
" Neemt en eet, dit ~·s mijn lichaam, dat voor· u gelevercl zal
wo;·den; doet dit te;· mijne1· gedachtenis . ., En dam·na nam Hij

�VIERDE DEEL. -

32sto J,ES, }Ste VR.

953

den kelk in zijne handel), deed eene danl\zegging en gaf hem
hun, zeggende : .. Dri1ikt allen hientit; want dit is mijn bloed

van het Nieuw Testament, dat VOOi' u m~ 1:00r velen :zal
vergoten wo;Ylen ter vm·geving der zonden. Doet dit, zoo
dikwijls gij clien lwlk zult d1·inlwn tot mijne geclachtenis. ,, Deze instelling is ons beschreven door drij Evangegelisten en door den H. Paulus, die dezelve verhaalt als eene
waarheid, welke hij van den Heet' onmiddellijk en door eene bijzondere veropenbal'ing onivangen had (Matth. XXVI, 26-28.
Marc. XIV, 22-2·1. Luc. XXIl, 19, 20. I. Cor. XI, 23-25).- ~let
de woonlen : " cHt is mijn lichaam, dit is mijn bloed ·· nit te
spreken, heeft Christus het H. Sacrament des Altam·s voor de
eerste maal doen bestaan; en met daar uij te voeg-en : doet dit
tm· mijnm· gedachtenis, lteeft Hij het inge~J.eld om tot hei einde
der wereld in de H. Kerk gebruikt te worden.
8. Hoe verschilt nu het H. Sacrament des Allam·s van de andere
Sacramenten1 Hei verscllilt er van door het uit\venJig teeken,
waaruit hei beslaat, en door de zonderlinge gratie, die het
uitwerkt, welke bei1le aan dit Sacrament geheel eigen ziju.
Doch buiteu llit verschil, is llet nog van al de andere Sact·amenten door het volgende Otlderscheiden : 1o de andere Sacmmenten heiJben maat' hunne heiligmakende l\racht, wanneer zij
gebruikt worden; zij bestaau in een voorhijgaanu zichthaar teeken, dat alleenlijk de kracht heeft om gratie in te storten,
wanneet' het iemand tocgepast wordt. llet I-I. Sacrameut des
Altaars uaarentegen llevat in zich, vooraleer g·ebrnikt te worden,
den gever der graiic, te weten, Christus zel&gt;en; en zoo is hei een
zichtbaar blijvend teeken der goddelijke gratie, of een Sacrament, dat niet alleenlijk de kt·acht heeft om de god1lelijke gratie
· in te storten wanneet· het bedieud wordt, maar Chl'istus, den
oorspt•ong zclven flm· gratie, ntn het oogenhlik det• consecratie,
op eene voortdurende wijze in zich bevaL - 2° De andere Sacramenten hebLen de kracht om de goddelijke gralie in te stortcn;

�1)54

YIERDE Dl-:EL. ·:..._ 32s1e r,ES, 2de VR.

maar het H. Sacrament des Alt.:'Ulrs is veel verllevener, daar het
den gever der gratie zelven bevat. Hieruit volgt dat het zooveel
de andere Sacramenten te boven gaat, als Christus zelf de midde-·
len, die Hij gebruikt om zijne gratie 'te mededeelen, ovl3rtreft. 3° De andere Sacramenten beteekenen wel die gratie, welke zij
geven, maar zij drukken niet uit, wat. de gmtie is. In het
H. Sacrament des Altaars integendeel. in hetwelk wij door
Christus' lichaam en bloed gevoe!l worden, wordt er ons klaarlijk voorgesteld, dat de gratie eene mededeeling is van het Ieven·
en van de l'i.racllten Yan God zelven. eene iunige veceeniging
met God. waardoor Hij rechLstreel;.s in ons werkt, en door zijne
werking ons gai1sch doordringt. Daaruit vloeit dat het H. Sacrament des Altaars de andere Sacramt;lnten· door rl~ volmaaktheid zijner beteekenis ver overtreft, en zelfs rlient om klaarder·
te doen zien, wat in het algemeen door de HH. Sacramenten in
ons uitgewerkt wordt, daar zijn uitwendig teeken ons leert,
wat de gratie Gods is.
9. Van waar komt de naam, dien dit Sacmment heeft, of
waarom wordt het genoemd het H. Sacrament des Altaars?
Ret wordt. zoo genoemd, omdat het nergens dan op !tel altaar
daargesteld wordt door tie woorden, die de priester in de
consecratie over het brood en over den wijn spreekl : het
begint rlus. op het altaar te bestaan, en daarorn heeft het tlen
naam van Sacrament des ;tltcuws ontvangen. i\Ien zegt het
heilig Sacrament des Altaars, omdat het a.l de andere Sacramenten in heiligheid ver overtren, dewijl het Christus zelven,
de bron en den gever van aile heiligheid, bevat.

2·. V. Tot wat einde flee(t Ckristus llel Heilig Sacrament des Altaar·s £ngesleld?

A. Ten eerste, opdat het ons zoude wezen eene ge- . ·
d::tehten!s van zijne liefde en .zijn heilig lijden; ten

�VJERDE DEEI .. -

32Ste I,ES, 2de YR.

955

tweede, tot eene waarachtige spijs onzer ziel ; ten
derde, tot een gedurig sacrificie van de Nieuwe
\Vet,_
1. Bier onderzoekt rle Catechismus, well'e redenen Christus
gehad heeft, om zulk een verheven Sacrament, waarin Hij
zelf tegenwoordig is, in te stellen : want om zich zelven, onder
de gedaanten van brood en wijn, te willen tegenwoordig stellen,
. wat voorze.ker een ?.eer nederigen staat uitmaakt. l1eeft Hij
noodzal\elijk groote redenen moeten hebben. Daat·om vraagi
de Catechismus : lot wal cinde heefl Clu·islus hel H. SaciYtm.ent des Altaa;·s. ingesleld, dat is, wat heeft Christus willen
bekomen, doo!' het instellen van het H. Sacrament des Altaars~
2. In zijn antwoord ?.egt hij dat Christus flit Sacrament
heeft willen instellen om drij redenen, waan·an ·de eersle
zoo luidt : opdat lwt ons zoude we.Jen eene gedachtenis
van zijne lie(de en ziJn lwilig lijden; dat is, opdat het ons
zoude doen denl&lt;en of ons herinneren hoe Hij ons bemint., en hoe
Hij om ons te verlossen en ?.alip; tc maken, geleden heeft en
gestorven is. - i\Iaar hoe is dit Sact·ament eene gedachtenis
van Christus' liefde tot ons? Dit is gemakkelijk om te verstaan : het grooiste bewijs van liefde, dat de eene mensch
aan tlen anderen geven kan, is voorzeket• tot hem te gaan
en bij hem te hlijven om hem te troosten. te helpen. te bezorgen, en hem alle goed te doen. Hoe kan een groote dezer
aarde meet' zijne liefde betoonen lot de menschen. die hem
onderlloorig ?.ijn. dan met zich tot hen te vernederen, -hen
te gaan he?.Oeken. bij hen te Yerblijven om hen te troostei1
en bij te staan 1 \Velnu. Christus heeft aan de menschen,
toen Hij deze aarde moesi verlaten om ten heme! te !dimmen. t.lit hoogste blijk van liefde willen geven : Hij heeft
het ·H. Sacmment des Altam·s ingesteld, waarin Hij zelf
tegenwoordig is.

�956

VIintDE DEE!;. -

32stu I.ES, 2de VR.

Wii men dit nog klaarcler begrijpen, men lette op de mensch\~ording van den Zoon Gods; iedet·een ziet in dat wel'li een allerhoogste blijk vanliefde. Welnu, bet H. Sacrament des Altaars is
eene voortzetting en zelfs eene uitbreiding der mensch wording;
want door dit Sacrament blijft ·Christus tot bet einde der eeuwen
bij zijne geloovigen tegenwoordig, en zelfs is Hij er nog meer bij,
dan wanneer Hij zienlijk op de aarde verbleef. aangezien Hij
alsdan maar op eene plaats verbleef, terwijl Hij nu o•eral is,
waar zijne priesters te vindeu zijn, en dat Hij zelfs zich met
hen onder de gedaauten van brood en wijn vereeuigt. en door
die vereeniging hunne ziel met goddelijke krachten spijst.- Men
zou hierop kunnen .zeggen : indien Christus bij de geloovigen
wilde blijven, waarom is Hij er ua zijne vert·ijzenis niet zienlijk
bijgebleven¥ Bet betaamde niet, dat Christus dit deed; dewijl de
orde door God ingesteld vereischt, dat de menschen, door bet
Geloof in Christus hunne zaligheid verdienen, en het Geloof in
Christus geene moeite meer zou gekost hebben, wat·e Hij zienlijk
tot bet einde der wereld op de aarde blijven voortleven.
Hoe is het H. Sacrament des Altaars eene geclachtenis mn
bet heilig lijden van Christus¥ Het is eene zeer uatuurlijke afbeelding van Christus' bloedige doocl. Vooreerst, de gedaanten
van brood en wijn, waat•onder Christus tegenwoordig is, stellen
Hem ons voor· niet als levend, maar als dood, dewlil iij beide
gedaanten zijn van zaken die geen Ieven hebben : brood en wijn
zijn immers levenlooze schepselen. Deze uitwendige gedaanten
bevatten niet het minste teeken \an Ieven, en zoo geven zij geen
wezen te kennen dat leeft, maar wei eeu wezen dat clood h!; en
bijgevolg, wanneer wij weten dat Christus onder hen schuilt,
stellen zij ons Hem niet \"OOr als le\"encl maar als dood, en doen
ons zoo noodzakelijk op zijne doocl denken. - Willen wij &lt;lit
nog_ bt1ter verstaan, wij moeten enkel denken, wat wij zot1den
zeggen van eenen mensch, dien men ons, niet onder zijne
menschelijke gedaante, maar onder de gedaante van brood en

�VIERDE DEEL. -

32sto LES, 2d 0 VR.

957

wijn, zoude voorstellen; zouflen wij niet zeggen, dat hij als dood
voorgesteld wordt1- Ten tweede, niet alleenlijlt Cilristus' dood
wordt ons in het H. Sacrament voorgesteld, maar zelfs zijne
bloedige clbod, of het vergieten van zijn bloed op ilet kruis. De
dubbele gedaante, onde1· rlewell;:e Christus tegenwoordig is,
waarvan de eene (de gedaante van brood) eene vaste stof. en de
andere (de gedaante van wijn) eene v\oeibare stof voorstelt,
dient rechtstreeks om oils vom· oogen te leggen, dat Cilristus
donr de sclwidinp: des lichaams van het bloed gestorven is : de
scheiding van de7.e twee p:edaanten beteel;:ent de scheiding rles
lichaams van het bloed. De gedaante van brood, dat gelijk het
lichaam eene vaste stof is, beeldt ons af het rlood licilaam van
Christus, van bloed beroofd; en de geclaante van wijn. die gelijk
llet bloerl v\oeihaar is, stelt oils Christus' bloed van het \ichaam
gescheiden voor. En nan lleze beteel;:enis kullnen wij hoegenaamd niet twijfelen, rlaar rle wom·tlen. we Ike de priester in
de consecratie spreekt, haar openlijk te kennen geven. OvP.r
het brood zegt. de JH'iester in Christus' uaam : dit is mijn lichaam; en over den wijn : dit is mijn bloed; en hij spreekt
zekerlijk zoo niet, om uit te drukken, dat onder de gedaante
van brood alleenlijk het lichaam, en onder de gedaante van wijn
alleenlijk het bloed van Christus tegenwoordig zijn,aangezien dit
eene valschheid zourle wezen; maar wei om te kennen te geven,
dat de gedaante van brood alleenlijk het lichaam. en de gedaante
van wijn alleenlijk het bloed van Christus afbeelden, en bijgevolg dat deze twee gedaanten te zamen het lichaam en het bloed
van Christus als van elkander gesch.eiden Yoorstellen.
ftlam· moest Christus zelf hier in het H. Sacrament lllijven,
om ons zijne heilige dood indachtig te malwn; zijn de l\rtlisbeelden en de andere heelden van Chrisius' lijden daartoe
niet voldoende1 De l&lt;ruisbeelden ei1 de andere be~lden, door
dewelke Christus' lijden voorgesteld wm·dt. zijn wei dienstig om ons op Christus' clood te doen den ken; doch zij ma-

�'J58

VII::RDE ORE! •. -

·32Stc LES, 2~ 0 YR.

ken op ous oneindig min indrul;:, dan eene afbeelding daurvan, welke op den pet·soon. van Christus zelven geschiedt.
GelUk het graf van eenen "fader of van eene moeder veel
krachtio-er is om ons hunne dood indachtig te rnaJ;:en, dan
"' schilderij, die hunne dood voorstelt; zoo ook !weft
een enkele
het H. Sacrament des .Altaars, in hetwelk Christus zelf tegenwoordig is, en ons als dood afgebeeld wordt, oneindig meer
Jn·acht om ons zijne dood te herinneren en te doen overdenlten, dan alle enkeJe zinnebeeldige VOOrstelling Tan zijn
lijden en &gt;an zijne dood.
Het is zonneklaar. dat het van het grootste belang is
voor de geloovigen, gedurig een groot teeken van Christus'
liefde voor oogen te hebben, en steeds zijn heilig lijden indachtig te .zijn. 't Is immer~ door bet overdenken der oneindige liefde van God tot ons, dat wij Hem met eene volmaakte liefde moeten leeren beminnen en zoo tot de volmaakte beiligheid komen; want het toppunt der heiligbeid
is de volmaakte Jiefde tot God, en niemanrl l;:an God volmaalitelijk beminnen, zonder indachtig te zijn, dat Hij ons
oneindig bemint. Wat de overdenldng van Christus' lijden
en dood betreft, deze is ons ook hoogst noodig, naardien dat.
lijden en die dood de bt•on zijn van aile zaligheid en van
alle graWin, en dat het geloof in dit lijden en in die dood
ons van bet eeuwig verderf moet redden, gelijk eertijds het
aanschouwen van het lwperen serpent de Joden van de lichamelijke doorl bevrijdde.
3. De tweede reden, om dewelke Christus bet H. Sacrament
des Altaars lteeft iJtgesteld, is omdat het zoude dienen tot
eene uiaaraclttige spijs onze1' ziel; dat is, omdat het zoude
dienen ·om onze ziel in het geestelijk Ieven te voeden, gelljk
wij alreede in de l sto vraag gehoord hebben; en daartoc is
dit Sacrament zeer wei geschikt, gelijk er in die zelfdc vraag
ook gezegd wordt. ·De gedaauten Yan brood en wijn dienen aller-

�V!F,HPE DF.EL. -

32 8 1U !,ES, 2dc YR.

959

best om het inwendig voedsel der ziel uit te drukl\en, dewijl
brood en \Vijn voedsels zijn des lichaams; en de tegenwoordigheid van Christus onder die gedaanten geeft. te kennen, welk
voedsel daar gegeven wordt, namelijk hoe de mensch daar
een goddelijk leveu en goddelijke krachten ontvangt, dewijl
hij door het licbaam en bloed van Christus zelven. die God is,
gespijsd wordt.
Welke gmtien ont'mngen wij nu door het H. Sacrament
des Altaars, of uit welke gratii~n bestaat het geestelijk voedsel,
dat het OilS geeft1 Wij ontvangen : 1° vermeerdering der heiligmakende graiie en bijgevolg ook van de bovennatuurlijke dougden en van de gaven van den H. Geest die haar altijd vergezellen.
Wij zeggen ve1'1lWCJ'de1·ing rler heiligmakende gratie, omdat
dit Sacrament niet bestemd · is om de eerste heiligmal\ende
graiie in te slol'ten, of omdat bet een Sacrament der levenden
is : het voerlsel is irnmers niet bestemd voor de doorlen maar
wei Yoor de levenrlen. Het is nogtans waarschijlllijl\, daL diL
Sacrament soms de eerste heiligmakellde gratie geeft (zie
bladz. 805). Deze verrneerdering der heiligmal\ende gratie,
welke het H. Sacrament des Altaars uitwerld, is Yan dezelfde
natuur als de vermeerdering van krachten well\e het lichamelijk voedsel OilS geeft. Door het lichamelijk voedsel worden
de krachten des Iichaams in stand gehouden en versterkt;
rle slapheicl en de flauwte worden weggenomen; al cle leden
des lichaams worden behendig om te werken, en geheel hel
lichttam wordt beschut tegen de ziel\te en tegen de dood; en
derhalve door het H. Sacrament des Altaars worden de heilig-makende gt·atie, de hovennatuurlijkc deugclen en de gaven
van den H. Geest verkloekt en versterkl, meer en meer bekwaam gemaakt om ons het goe1l Le doen Yerrichten en onze
Invade neigingen in te toomen, en van genoeg?.ame macht
voorzien om de zonde, rlie de ziekte en de dood onzer ziel is,
van ons te verwijrlel'en. - 2" Het H. Sacrament geeft ons oak

�960

VlERDE ·DEEL. -

32 516 I.ES, 2do VR.

recht. tot de dadelijl:;e gratien, die noodig zijn om de vermeerderde heiligmal;:ende gratie werkend · te maken; en daar bet
H.· Sacrament des Altaars een waar voedsel is onzer ziel. en
dat bet voedsel in den mensch gedurig zijne uitwerl:;sels moet
voortbrengen (wij putten immers gedurig Jn·acht nit de genutte
spijzen), ·zoo geeft het recht tot zeer vee! dadelijke gratien,
door dewelke · wij veel voortgang kunnen cloen in den weg
der fleugd, vee\ verdiensten inzamelen voor het toelwmende
Ieven .. gemal;.kelijk aan alle belwringen ,.Yederstaan, en alle
zonden ·vluchten. - 3° Boven die vermeerdering van heilig.makende gratie en dit recht tot menigvuldige dadelijke gratii~n.
bekomen wij door het H. Sacrament des Altaars nog de vergiffenis ouzer tlagelijlische zonden. Daar dit Sacramr.nt eigenlijl;,
dient om de Liefde zoowel in haar zelve als in hare '"erl:;ende
vurigheid in ous te vermeerderen, neemt het de dagelijksche
zonden weg, die cleze vurigheid beletten. De dagelijksche zanden doen ons immers in de vurigheid der godflelijke Liefde
verflauwen, door de verminrlering van fladelijke gratien, welke
zij in ons teweeg brengen; en bijgevo\g, wmmeer die vurigheid
door het H. Sacrament des Altaars ]Jersteld wot·dt, moeten
de dagelijksche zonden, welke die vurigheid ueletten. noorlzakelijlt weggenomen worden. Tot dit uitwerkse\ nogtans is
et• uit de natuur der zaak vereischt, dat men aan de dagelijksche zonden niet aangekleefd zij, en dat zij ons ten minste
eenigszins mishagen, maar niet dat men er een genoegzaam
leedwezen over hebbe, om er zonder de sacramenteele kracht
vergiffenis van te bel1.0men. - Daarenboven, dit Sacrament
schenkt ons nog de vergitfenis der dagelijksche zonden, door de
werken, die uit de vurigheid van Liefde, ·Welke bet ons instort.
voortv\oeien, te weten, leedwezen, gebeden en !allerlei andere
goede werken; want flit zijn rlrij mirldelen om vcrgiffenis
der dagelijl;,sche zonden te bekomen. - 4° Bij het ontvangen
yan dit Sacrament genieten wij ook eene inwendige zoete

�VIERDE DEEL. -

32Ste LES, 2de Vlt.

961

vreugde. Dewijl het licllamelijk voedsel ons geno egen verschaft,
daarom heeft God gewild, dat het H. Sacrament des A.ltaars,
'twelk het geestelijk voedsel onzer ziel is, in ons ook eene
ware vreugde zoucle voortbrengen. Evemvel die vreugde valt
zeer dik wijls onder de zinnen niet; en daarom mag men
uit ·bet genoegen, of de droefheid, of de stoornis, die men itl
zich gevoelt gedurende of na de H. Communie, op geener
wijze oordeelen, dat men eene goede of eene slechte Communie
gedaan heeft.· De vreugde, welke llet H. Sacrament des Altaars
geeft, is rechtstreeks bestemd voor onze ziel, en gaat bijgevolg
het lichaam niet onmiddellijk aan. Somtijds nogtans heeft zij,
ten gevolge cener bijzondere goddel~ike gunst, ook invloed op
het lichaam.
4. Cllristus lteeft ten derden, bet H. Sacrament des Altaars
ingesteld, tot een gedw·ig sacr·ificie -van de 1Yieuwe TVet; dat
is, I-Iij heeft clit Sacrament, waarin Hij zelf tegeuwoordig is,
willen instellen opdat het zoude dienen tot een sacrificie, dat
gedurig of onophoudelijk in de Nieuwe Wet, die Hij komen
stichten was, zou opgedragen worden. - Hoe dit H. Sacramerlt
een waar sacrificie is, zullen wij leeren in de volgende les.
Was het betamelijk, dat Christus een sacrificie instelde 'twelk
onder· de Nieuwe \Vet (in de H. Kerk) moest opgedragen worden? Ja; aangezien llet sacrificie het volmaal;.tste god'sdienstwerk is, welk et· bestaat, en het middenpunt uitmaakt \'an
allen godsdienst.- En was het betamelijk, dat Hij het I-I. Sacrament des Altaars ueslemde om het sacrificie van de Nieuwe Wet
te zijn1 \Vij zullen in de volgende les zien, hoe het sacrificie.
·~welk in het I-1. Sacrament des Altaars besloten is, met de uatuur en den geest van de Nieuwe \Vet ten volle overeenkomt.
Ch1·istus l1eeft dan, gelijk wij hier· komen te leeren, drij alleJ'gewichtigste redenen gehad, om het H. Sacrament des Altaars
in te stellen.

�962

VIER!JE DEEL -

3281.: I,ES, 3110 VH.

3. V. lVat is e1· ons tegenu:oat·dig in het Jfeilz"g Sac,·ament?
A. Christus zelf, God en mensch, met ZI,Jne ziel en
zijn lichaam, gelijk Hij nu glorieus in d~n hemel is.
1. In de eerste vraag van deze les hebben wij gehoord, dat in
bet H. Sacrament des Altaars, onder de gedaanten ''all brood enwijn, Cbristus zelf tegenwoordig is. Nu, tot verderen uitleg dezer leering, vraagt 1lier de Catechismus : ioat .is e;-· ons in het
H. Sacmment tegen:woordlg; 'tis te z~ggen, welk is dan het
wezen, ·dat in het H. Sacrament onder lie gedaanten van
brood en wij11 tegenwoordig is; is bet brood en wijn, of is bet
Christus, of is het brood en wijn te zarnen met Christus, of is
het Christus aileen~

2. De Catechism us antwoordt dat het Clwlstus is, die daar tegenwoordig is : diensvolgens is er in bet H. Sacrament gecih:
brood en gee~e wijn tegenwoonlig, maar alleenlijk Christus.
Maar hoe is Christ.us daar tegenwoordig; is Hij rlaar tegenwoordig in persoon, ofwel alleenlijk op eene oneigenlijl\e of
figuurlijl;.e wijze1 Hij is rlaar zel(tegenwooruig, zegt de Catecbismus; 't is te zeggen, Hij is daar niet op eene oneigenlijke of
figuurlijke wijze, maar waarlijk of in persoon tegenwoordig.
Bijgevolg is Hij rlaar niet ·alleenlijk tegen\voordig door zijne
kracht, gelijk Hij, bij voorbeeld, in het Doopsel en in cle andere
Sacramenten tegenwoordig is, in dewelke Hij waarlijk zijne
kracht ui twclrkt, en derbalve met zijne Iu·acht tegenwoordig. is;
uoch alleenlijk in afbeelding, gelijk Hij, bij voorbeeld, in de
l;.ruisbeelden, in de schilderijen en in de standbeelden, die Hem
vo9rstellen, tegenwoordig is; noch alleenlijk doo1· het Geloof, gelijk.Hij, bij voorbeeld, bij ons tegenwoordig is, wanneer wij door •
bet Geloof overtuigd zijn, dat Hij ons ziet en ons aanschouwt.
Hij is daar in persoon tegenwoordig, gelijk Hij in persoon tegen-

�VIERI&gt;E l&gt;EEf,, -

32 5 lC LES, 3dc \"R.

003

woorclig was in het stalleken van Bethlehem en op zijn Io·uis, en ·
gelijk Hij nu in den heme! is.
En hoe is Christus in dit ·sacrament tegenwoonlig; Hij bezit
immers twee natu!'en, de goddelijkc en de menschelijl;:e; :is Hij
daar met zijne twce naturen tegenwoordig? De Catechism us zegt
ons dat Hij daar tegenwoordig is als God en als mensch; of claL
Hij daal' is met zijne goddelijke en met zijne menscllelijke uatuur.
Nope(~~ de tegenwoordigheid zijner goddelijl\e natuur, lmn er
geen twijfel bcstaan, aangezien de?.e overal, op alle plaatsen tegenwooniig is; maar met zijne menschelijlw natuur is Chri:;tus
ni!~t OVCJ'al:De Catecltismus leert ons Jill, dat Cllristus ill !let
B. Sacrament des Altaars zoowelmet ?.ijue mcnschelijke als mel
zijne gotldelljlw uatuur tegeuwoonlig is. Hij h; 1lan in hot H. Sacrament met zijne twce naturen tegemvoonlig, gelijk I-lij met
hen bij de .jodcn gedurende ziju sterfelijk Ieven tegenwoordig· i:;
gewecst, en nn in den heme! tegenwooJ'tlig b.
;· ..J;loe is Cllrislus als mensch in het H. Sacrament tegenwoortlig : iii H ij daar met geltcel zijne men:-:c:helijl;,e natuur; 't is te
zeggen, met ziel on lichaam, ol\vel alleenlijk 111et ?.ijne ?.iel of
allcr.nlijk met. zijn lichaam? De Catechismus ?.egt, dat Hij daar
legcnwoordig is mel ::Jjuc :ziel en met ::Jjn lichaam., en bijgevolg, met gehecl 7.ijnc men~chclijl;,e natuur. In l10t voorgeborgtc
dr.r hel is Hij alleenlijk tegenwoordig geweest met 7.ijne ?.iel, en
in het gmf was Hij alleenlijk met zijn lichaam; maar hier is Hij
met zijne ziel en met zijn lichaam.
Welke zicl en welk lichaam zijn het, waarmedc Hij tcgenwoordig is in hct H. Sacrament; is hot cene nicuwe ziel en een
nicU\v lichaam die Hij aannecmt? Geenszins; Hij is daa!' tegenwoordig· met zijne ziel en met ::;ijn lichaam. dat is, met die zicl
en •met dq,t lichaam, welkc Hij in zijne menschwo1·uing ontvangen hecft, waarmedc Hij hicr op aarde l10eft gelceftl en nu in den
heme! hee1:scht.
En in wc\ke gesteltenis is Ch!'istus als mensch in het H. Sa-

�9d4

VIERDE DEEL. -

3:2Sic I.ES, 3do VR.

crament; is Hij daar, gelijk Hij hier op aarde was, onderworpen
aan lijrlen en aan dt·oefherlen; of is Hij daar dood, gelijk Hij bet
was 'op zijn kruis; of is Hij daar levend en glorie\ls, gelijk Hij
nu in den hemel is1 Hij is daar als mensch, zegt de Catechismus,
gelijk Jiij nu glm•hJus £n den hemel is.- Glm·ieus, dat is, met
zijne ziel het goddelijk aanschijn aanschouwende en daarin alle
goed genietende, en fn zijn lichaam de vier gaven van onlijdelijkheirl, subtiliteit, klaarheid en snelheid (zie 14ae les) bezittende.
Is rlitn in het H. Sacrament Christ~1s' lichaam Yan zijn bloed
niet gescheiden, gelijk het geschierl is in zijne dood, en is zijn
lichaam niet aileen onder de geuaante van brood, en zijn bloerl
niet aileen qnder de gedaante van wijn? Geenszins ; dewijl
Chl"istus hiet· in !let H. Sacrament tegenwoonlig is gelijk ITij nu
glorieus in den heme( .heerscht, kan zijn lichaam van z.~in bloed
niet gescheiden zijn. en derhalve is Hij onder de beide geclaanten mP.t zijn lichaam en met zijn bloed te zamen tegenwoordig.
De verscheidenheid van gerlaanten uienen wei om de bloedige·
dood van'Christus te verbeelden, maar op geener wijze om uit te
drul\ken, rlat hier in &lt;lit Sacrament het \ichaam van het bloed
gescheirlen is.
En terwijl Christus in het H. Sacrament t.egenwoordig is,
blijft Hij als mensch nog in den heme! legenwoonlig, ofwel
heeft Hij den heme\ verl~ten1 De Catechismus leert ons duidelijk, dat liij a is mensch, den heme! niet verlaLen heeft. Hij is,
zegt hij, in het H. Sacrament tegenwom·tlig, gelijk Hij nu glor·ieus in den hemel is, dat is, gelijk Hij ter zelfder tijtl in den
heme\ tegenwoordig is. Bijgevolg terwij\ Christus in het H. Sacrament tegenwoordig is, blijft Hij in rlen heme\ zoowel tegenwoordig, als ware Hij in het H. Sacrament nieL :VIet in het
H. Sacrament tegenwoordig: gesteld te worden, IJegint Christus
op eene nieuwe plaats tegenwoordig te zijn, zonder de plaats te
verlaten, ·waar Hij was. Hij is dan met eene en dezelfde menschelijke natuur in den heme\ en oYeral, waar het H. Sacrament rust, tegenwoordig.

�V!ERDE llEEL. -

32Ste LES, 3do \'H.

965

3. In het H. Sacl'ament des Altam·s is dus geen l.n·ood en geene
wijn, alhoewel het er ons uitziet als l.&gt;rood en wijn; het is God
de Zoon, de .tweede Persoon der H. Drijvuldigheid, ,·oor ons
mensch gewot'tlen, die daar tegenwoordig is; -en Hij is er tegenwoordig niet alleenlijk als God, maar ook als mensch; niet
alleenlijk Jllet zijne ziel, maal' oolt met zijn lichaam; niet met
·een nieuw aangenomen licltaam, maar met zijn eigen lichaam,
met hehvelk hij uit de i\Iaagd Mal'ia is geboren, en met hetwelk
Hij nu in den llemel is; en niet onderworpen aan th·oefheden en
lijden, maar gelijk Uij nu glorieus in den heme! heel':;cht.
4. En hoe weten wij dat Christus op de gezegde wijze in het
H. Sacrameut des Altaars legenwoordig is·? Wi,i weten dit op
eene onfaalllat·e wijze door tle leering der H. Kcrl\, tlie van
C.hristus aangcstehl is, om zijne leering op cenc onfaalbare wijze
voo1· ie houden. Daarcnboven weten wij dil ook heel li.laar dool'
de H. Schl'ifluur en de (hel'le•el'ing. De woortlcn dcr instelling:
..·IJit is mijn lidwam, dat ·wo1· u gclevci'(l wonll; dit·is mijn
.. blocd, dal -roo;· u rc,·gotcn wm"Clt, ·• in huJHwn eigenlijken
zin genomcn, beteekenen voorzeker dat Jezus waarlijk ondet'
de gctlaanten van l.&gt;rood eu wijn tegenwoot·rlig is; en zij moeten
ongelwijfeld in hunnen eigenlijken zin verslaan worden, dewijl
zij voor geenen overdrachtelijken of zinnebeeldigen zin •atbaar
zijn. JJe ketters zneken setlert eeuwen eene zinitebeeldige uitlegging; en zij kunnen er geene vinden waarin zij eenigszins o\ereonstemmen. \Vellut, wie kan met de minsle reden veronderstellcn, dat Christus, (lie op de \yereld gekomeu was om ons ~e
ontlerwijzen, die dam· cen Sacrament, een Sacrificie insteltle on
eene allcl'gewichtigsle wet oplegde, op eene ziunebeeldige wijze,
welke lluiten alle gHbrujk en gansch onverslaanbaar is, ·zou gesproken hebbeu? Moesten tlie woorden tier ins telling in eeneu
anderen, dan in 1len eigenlijken zin verslaan worden, er ware
volstrekt geen milldel om van Christus' spreek- en handelwijze
reden.tegeven.De Ovet•levet·in•r !!:eluicrt
,
o onsook allerduideliJ'kst
o~

�966

VIERUE DEEL. -

32s1e LES, 3de VR.

dewaarheid van Christus· tcgenwoordigheid in bet H. Sacrament.
De U. Ignatius, ma1·telaar, die. gestorven is in 't jaar 107, schrijft
in zijnen brief aan de geloovigen van Smyrna; Hoofdst. 7: "ZU (de
" ketters) verwijderen zich van bet H. Sacrament des Altaars en
., van bet gebed (het Sacrificie), qmdat zij niet willen belijden dat
, bet H. Sacrament des Altaars bet lichaam is van onzen Zalig, maker, 'twelk voor onze zonden geleden heeft, en 'twelk God
.. de Vader volgens zijne goedheid uit het graf beeft doen op" staan. En met deze hemelscbe gaaf niet te wil\~1 erkennen, en
.. met te zoeken om te bewijzen dat Cbristus daar niet in tegen., woordig is. gaan zij vcl"loren ... -'- De H. Justinus (·r 168) stelt
heel klaar hetzelfU.e geloofspunt voor, in de woorden, welke wij
op bladz. 736 aangehaald hebben. - De H. Irenelis (i" 202) getuig-t ook bet geloof der H. 1\.erk over deze waarheid, als hij de
Valentinianen, die beweerden, dat Jezus de zoon van den eenigen waren God niet was, weerlegde met deze \voorden : " Hoe
" zullen zij met zekerheid weten, dat het brood wam·ove1· de
" zegeningen (de woorden der consecratie) uitgesproken zijn

.. geweest, het lichaam is des J!eer·en, en de lielk zijn bloed,
., indien zij niet bekennen dat Hij de Zoon is van den Scheppet·
.. der wereld L .... En OYer de Verrijzenis tegen hen schrij;-ende
zegt hij : .. Hoe kunnen zij zeggen dat ons lichaarn de dood zal
, ondergaan en bet Ieven niet meer zal bekomen, aangezien het
"gevoecl wm·dt door het lichaam en l1et bloed des Jlee1·en? Ge" lijk bet aardscbe brood door de aanroeping Gods (door de con,, secratie), geen gewoon brood meer is, maar het Sacrament. des
.. Altaars (Eucharistic) uit twee zaken bestaamle, uit eene aard" sche (te weten, de gedaanten van brood en wijn) en uit eene
"hemelscile zaak (namelijl\, uit het lichaam en bloed van Chris" tus); zoo zijn onze lichar~en, die dat Sacrament nutten, al, reede niet meer sterfelijk. daar zij de hoop der verrijzenis
hebben. ·•
5. Het is dan eene waarheid van ons Geloof, dat Christus zelf

�\'lEIWE DEEL. -

32Stc I.ES, 3do VH.

967

in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig is; maar lunmen
wij begrijpen hoe deze tegenwoordigheid mogelij~ is~ ?eenszins; zij is voor ous volstrekt onbegrijpelijk : wij. kunnen wei
toonen, hoe de eedenen door de keLters bijgebracht, om te bewijzen, dat Cheistus' tegenwoordigheid niet mogelijk is, van
geener weerde zijn; maar hoe zij in zicll zelve mogelijk is, lwnnen wij niet verstaan. - In deze tegenwoordigheid vinden wij
dczelfde moeilijkheid al:; in de viet• buitennatuurlijke gaven der
verrm:ene lidtamcn.
Maar indicn wij dit punt niet l;.unnen vcrs(aan, is Jczus' tegenwoordigheitl in bet H. Sacrament dan gelool1Jaar~ Zij ware
niet geloofhaar. bij aldien zij ons door de goddelijke veropenbaring niet wm·e voorg:csteld. :Maar iels willen venverpen, aileen
omdat \vij het nict lmnnen bcgrijpen, rlat is reeds in bloot menschelijke ontdekkigen ongerijmd en halachelijk. en in gotldelijke veropenbaringcn altijd vermetel en gotldeloos; want dit
is Gods oneindige almacht en waarachtiglteiLl in t\vijfel lrekken of loochenen. lle nang is bier rlerhalve nict, of wij deze
waarheid kunnen begrijpen, maar of dezelvo van God vert).penbaa!'d is; en zooltaast wij we ten, Llat zij van God veropenbaard
is, rnoeten \Vij ze vastelijk als het woord Gods gelooven.
6. Welke zijn de punten, die wij in Jezus' tegenwoordigheid
onder de gedaanten van brood en wijn, niet kunnen begrijpen 1
Daar zijn er bijzonderlijl;. twee : a) hoe het lichaam van Christus,
dat de ge\voonlijke grootte en gedaante van een menschelijk
lichaam !weft, onder de gedaanten van twee vreemde stoffen,
van brood en van wijn, tegenwoordig kan zijn; en b) hoe een
en hetzelfde lichaam van Chrislus in den heme! verblijft,
en te zamen !tim· op aarde OYeral tegenwoordig is, waar he(
I-I. Sacl'ament des Alk'1ars rust. Wij verstaan itnmers niet, hoe
een stoffelijk wezen onder de gedaanten van een vreemd wezen
kan schuilen; noch hoe een en hetzelfde stoffelijk wezen ter
zelfder tijd op verschillige plaatsen kan tegenwoordig zijn; en de

�968

VIE!WE DEEI.. -

32sto I,ES, 3do YR.

reden is, dat wij daat·van in geheel de geschapene natuur, uie
onde'r onze zinnen valt, geen enkel voorl&gt;eeld vinden.
7. Om nogtans deze twee ondoorgrondl&gt;are puuten eenigszins

te verklaren, brengen de godgeleerden het een en het antler voorl&gt;eeld l&gt;ij. Zoo, om ten minste een weinig te doen verstaan, hoe
l&gt;ij de' veramlering der zelfstant!igheitl van eene zaak tle getlaanten toch dezelfde kunuen ulij\·en, halen ~ij de geschiedenis aan
der huisvrouw van Lot, die met hem en met hunne dochters uit
Sodoma tt·el;.kentle, tegen het gel&gt;otl des Engels het.llooft.l. uaar
de stad' keerde, en in eenen zoutsteen is veranderd geweest.
In plaats van hel lichaam dezer vrou\v was er zout; maar
haar · uitwendig of hare gedaante bleef bestaan; en wie dien
zoutpilaar, dat l.Jeeld van zout, aanschouwden, zagen tlaar het
uiterlijl&gt;e o~ de gedaante der nouw van Lot; en toch was het de
vrouw van Lot niet meer, maar eene zoutstoffe onder de gedaante eener \'rouw. Zoo tlan, gelijk ltet lichamn van deze
(dat is, haar :VIeesclt, haar IJJoed, hat•e !Jeenderen) is
verandertl ge\veest in zout, tlaar nogtans de uitwendige getlaanten overantlerd IJleven; alzoo is llet ook in het H. Sacrament des Altaars, waarin de stofvan brood en wi,in verantlenl
wordt in het lichaam en in llel IJloed· van Christus die onrlcr de
gedaanten van brood en wijn Iwmt t·usten: er schijnt t!aar hrood
en wijn te zijn, maar et• is van brood en wijn niets antlers t!an
de gedaanten. - Evenwel de verandering dozer Houw in zout is
ver :van ten voile gelijk te zijn aan die, welke in !let H. Sacmment goschiedt. De vroegere gedaante dm· nouw word de eigen
vorm van !Jet zout; want dit stuk zout bezat waarlijk de grootte
Yl'OUW

en den vorm der vrouw: van Lot, en wanneer deze grootto cu
· vorm veranderd zijn, is het stuk zout ook vet'atHle!'tl. i\Jaar
in !let I-I. S~crament worden de gedaan ten van brood en w ij n
de eigelie gedaanten van Cllristus' licllaam niet : de grootte,
de vorm, de kleur det· gedaanten van bet Sacrament zijn de gedaanten niet van Christus' Iicllaam; of Christus' lichaam in hot

�VIERDE DEEr,. -

32Me LF.S, 4de YR.

Q69

H. Sacr~ment, is niet rond, niet wit, enz. gelijli de gedaanten

het zijn : Christus' lichaam schuilt onder deze gerlaanten, maar
deze blijven Hem gansch vreemd. Daarom, wanneer de vorm
van (lien zoutpilaar veranderd is geweest. is die zoutpilaar zeif
veranderd, dewijl 'deze vorm. hem eigen was; maar wanneer
het H. Sacrament verdeelrl of gebrolwn wordt, zoo wordt Christus' lichaam daanloor niet ve,rdeelrl noch doorgel&gt;roken ; dewij 1
de gedaanten van brood en wijn aan zijn lichaam. niet behooren.
Om te do~n hegl'ijpen, hoe Christus' lichaam in verscheidene
plaatsen ter zelfder· tijrl l:;an tegenwool'(lig zijn, worden door de
gorlgeleerrlen de volgcndc voot'heelden aangeltaald. - Gelijk
0117.C eene ;del, zcggen zij, geheel in al de deelen van OilS
licltaam is. en wo waarlijk tegenwoordig is np vel'schillige
pnnten; ?.on l\unncn nok tle licltamen. niet door hunne natuurlijke kracltt gelijk de 7.iel, maar door· eene bovcnnatuurlijl;.e
werking Gods, op vet'schilligc plaatsen tegeuwoordig zijn. Eene andere vet'gelijkenis tr·ekken 7.ij uil het woord, dat door
rlen mensch uitgesproken, geheel en nngedeeld, tot ltet oor· van
iederen aanwezigen gaat. - Eirulelijk verklaren zij dit mysteric nog door· voorbeelden van verscheirlene Heiligen, die,
gelijk de geschiedenis het verhaalt, door een mirakel Gods, iu
eenige bijzondere omstanrligheden. ter· zelfder tijd op meer dan
Mne plaats tegenwoonlig geweest zijn.

4. V. Iloe word! ons Ch.ristus tegenwoordig gesteld
in ltet Jleill(; Sacm.ment?
A. Door de woorden van de consecratie, die de priester spreekt, wordt het brood en de wijn veranderd
in het lichaam 311 bloed van Christus.
1. Wij ltebben tot hiet·toe geleet·d dat Ohristus zelf in het
H. Sacrament waarlijk tegenwoordig is onder de gedaanten
van brood en wijn; thans zal ~le Catechismus ons zeggen, door

�9i0

VIERDE DEEI•• ---: 32Sto LES, 4do \'lt.

wat middel en op well\e wijze Hij in dit Sacrament begint
tegenwoordig te zijn. lloe wo1·dt ons, zegt hij, Clwistus tegen~oOOIYlig geslelcl in het If. Sac1•ament; dat is, door wat
micldel en op welke wijze geschiedt het, dat Cht•isLus in bet
H. Sacrament begint tegenwool'llig te zijn.
2. De Catechism us antwoordt eersL, dat bet geschiedt doo1• de
woorden van de consec;·atie, dat is, door de \roorden die de
consecratie (heiliging, inzegening) det· Mis uitmaken,welke zijn:
•· dit is mfjn lichaam; dit is de kelk van mijn blfJed. "
En is het gelijk doot· wie die woonlen uitgespt•oken worden?
Geenszins; zij moe len uitgesprol&gt;.en worden door den priester;
doo;• de u;oo;·den die de Jii'iestm· SjWeekt, zegt de Gatechismus.
Christus wortlt dan niet door een· ieder, maar alleenlijk door den
priester (tlal is, do01· iemand die geldiglijk de priesterlijke wijding ontnmgen heefl) in het H. Sacrament tegenwoonlig gesteld;
en LtijgeYolg is het aileen de priei;iet· clie llit Saet·ament I;.an doen
bestaan.
Maar hoe wot·dt Cllristus door de woorden der consecratie,
die de priester spr·eckt, tegenwoot·dig gesteld in het. H. Sacrament. : dalcn dan de gedaanten Yan bt·ood en wijn, onder
dewelke Christus tegenwoordig gesteld wordt, uit den bemel ;.._
ofwel wordt Cht•istus daar tegenwoordig gesteltl door de Yerandcring van eene voorbeslaande zaali.? De Catechi~mus zegt : door
de \\'OOl'den,· die de priester spreekt, u:m·clt ltet bi·oocl en de wijn
'cc;·ande;yl in ltet lichaa;n en bloed ·van Ckt•istus. Bijge\'olg, de
tegenwoordigstelling Yan Christus ondP.r de gedaanten van brood
en wijn geschiedt door de ve1·andel'ing van brood en wijn in zijn
lichaam en in zijn bloed. - B;·oocl, daL is, tarwe brood; al
antler brood zou ten minsLe eene twijfelacblige stof zijn voor dit
Sacrament, en da.arom n1ag het niet gebezigd worden. - TVijn,
dat is ware wiju, wijn van d1·uiYen vool·tlwmende. - Hier in
bet latijn~;che deel de1· I-I. Kerli:, moet bet b_rood, niet tot de geldigheid van bet Sacrament, maar volgens een algemeen gebod

�VIERDE DEI,L, -

971

32810 LES, 4de VR.

onzer geestelijke oversten, ongedeesemd zijn; en de reden van
dit gebod is, dat volgens alle waarschijnlijltheid, Christus het
H. Sacrament met zulk brood heeft ingesteld.
En hoe wordt het brood en de wijn veranderd; blijft er van
dat brood en dien wijn nog iets over? Geheel de stoffe van brood
en wijn, over dewelke de priester de woorden der consecratie
heeft uitgesprolten, is gansch· veranderd in het lichaam en in het
bloed van Christus; doch hunne gedaanten blijven over, 'tis te
zeggen, de ltleur, de smaak, de vorm en alles wat ons zou doen
zeggen, dat er daar brood en wijn is, ofschoon bet inderdaad
zoo niet is.
Men zegt : zij worden ve;•anderd in ltet licltaam en blocd
van Clwislus; beteekonen die woorden, dat bet brood verauderd
wordt alleenlijk in het licbaam, en de wijn alleenlijk in het
bloed Yan Christus1 Geenszins; het b1'ood en de wijn worden
beide in geheel het levend lichaam van Christus, uit lichaam en
bloerl l&gt;estaande, ve1·auderd : die uitdrul;:ki1ig licltaam en bloed
wordt bier slecllls gebruikL om gelleel bet leYend lichaam van
Christus te l&gt;eLeekenen. Dikwijls nogtans wordt het I-I. Sacrament, onder de gedaante van brood, !tel Ucltaam van Clwislus,
en onder cle gedaante van wijn !tel bloecl t:an Ch;·islus genoemd;
doch flit geschiedt, niet om te beleekenen rlat onder tie gedaante
van ul'ood enl;:el bet lichaam, en ontler de gedaante van wijn
alleen het bloed van Cbristus tegenwoordig is, maar wel om
te l;:ennen te geven, dat de gedaante van brood· het zinnebeeld
van Cbristus' dootllichaam, en de gedaante van wijn het zinnebeeld van zijn vergoten bloed is.
Die gedaauten van brood en wijn, hoe bestaan zij na de verandering der stotre van brood en wijn in het lichaam en in bet
bloed van Cbristus : wo~·den zij de getlaauten van. Christus' lichaam, of welk bestaan hebben zij 1 Zij worden Yoorzeker de gedaanten van Christus' licliainn uiet; of Christus' lichaam is in
het H. Sacrament niet wit, 1;on&lt;l, enz., gelijk de gedaante van
5

�972

VIERDE DEEL. -

32ste J,ES, 4de VR.

brood, en niet vloeibaar gelijk de gedaante van wijn, zooals wij
alreede opgemerkt hebben; en de red en daarvan is, dat Christus
onder die gedaanten tegenwoordig is gelijk Hij in den hemel
heerscht : bijgevolg bezit zijn lichaam niets van de gedaanten
van brood en wijn. Daaruit blijkt dat deze gedaanten door een
mirakel der almacht Gods op zich zelven bestaan : zij blijven
daar, zonder dater eene stof zij ..die hen ondersteune, of aan
dewelke :r.ij vasl.gehechL wezen.
Eindelijk hoe geschiedt cle verandering van bro~d en wijn in
het licltaam en in het bloed van Christus; gaan de bestanddeelen
van het brood en van den wijn, in Christus' levend lichaam
over? I-Ioegenaamd niet; de stolfen van brood en wijn worden
in de verandering op geener wijze deelen van Christus' menschelijke natuur, clewijl deze in het I-I. Sacrament is, gelijk zij
glorieus in den heme! is; en dat zij diensvolgens bij hare tegenwoordigstelling onder de gedaanten van brood en wijn, de minsle verandering niei ondergaat. Die verandering dan, waarvan .
de Calechismus hier spreekt. bestaat eigenlijk him·in dat kmchtens de woorden de1· consecratie, welke de priestcr spreekt, het
brpod en de wijn die de priester voor hem lweft, ophouden onder
hunne gedaanten tegenwoordig te zijn, om door iets antlers vervangen te worden; en dat l;;rachtens die :r.elfde woorden, bij het
ophouden cler tegenwoordigheid van brood en wijn, Christus·
lichaam en bloed onder die gedaanten beginnen tegenwoordig te
zijn. - i\Ien bemerke dater tot eene verandering volstrekt vereischt is, dat de eene :r.aar, ophoude te bestaan om door eene andere vervangen te worden. Hier houden de stolfen van l)l'ood en
wijn op om door Christus' lichaam en bloed vervangen te worden; en er blijfL van het brood en den wijn niet( anders over,
dan de gedaanten.
3. 'Vat is er dan vereischt tot de tegenwoordigstelling van
Christus in het H. Sacrament des Altaars? Deze drij dingen :
a) waal' brood en wa1·e 'wijn; b) de woorden van de consecmtie,

�VIERDE DEEL. -

32sto LES, 4&lt;1e VR.

973

die over dat brood en over dien wijn moeten gesprolten worden;
en. c) deze woorden moeten uitgesproken worden door eenen
priester, die noodzakelijk de intentie moet hebben van te doen
hetgeen Christus ingestelcl heeft, of de H. Kerk doet. - Maar
hoe kunnen .de woorclen van den priester het brood en den wijn
veranderen in het licltaam en in het bloed van Christus1 Deze
woorden hebben die liracht niet uit hunne natuur, noch voor
zooveel zij van eenen mensch voortlwmen; maar zij hebben ze
voor zooveel •zij volgens Christus' instelling uitgesprolien zijn.
Christus l1eeft immers gewild, dat Hij onder de gedaanten van
brood en wijn zou tegell\voordig gesteld worden, ieder maal
dat in zijnen naam een priester· met de vereischte meening over
brood en wijn zou zeg~en : dit is mi.Jn lichaam, dit is mi.Jn
bloed; en daarom worden door de goddelijke almogendheid,
het urood en de wijn &gt;emnderd in Christus' lichaam en bloeEI,
elken keer dat een priester de gemelde woorden op de gezegde
· wijze er over uitspreekt. Het is dan niet de priester doot• zijne
eigene macht, mMr Christus, God en mensch, die ueze verandaring teweeg brengt. - Gelijk door de goddelijke macht heme!
en aarde uit ltet niet zijn voortgebracht; zoo wordt in bet
H. Sacrament des Altaars door die zelflle goddelijke macht, het
brood en de wijn in het lichaam en in het bloed van Christus
veranderd.
4. Hier mogen wij niet voorbij gaan zonder op te merken, hoe
het in de tegenwoordigstelling van Christus onder de gedaanten
van brood en wijn klaar voorkomt, dat de bedienaars der Sacramenten de ware plaatsvervangers zijn van Christus, en in zijnen
naam handelen en spreken. De priester, om Christus' tegenwoordigstelling uit te dt·ukken, zegt immers in de consecratie niet :

dit is (wt l.ichaam van Ckristus, dit is ltet bloed van C!tristus,
maar dit is mijn lichaam, dit is mijn bloecl. Dit doet ons zeer
duidelijk zien, dat de priestei· in het uitspreken van die woorden
ten innigste mogelijk met Christus verbonden is, en zelfs, om

�974

VIERDE DEEL. -

32518 LES, 5de VR.

zoo te zeggen, maar Mmen persoon met Hem uitmaakt. Handelde
hij niet teenemaal in Christus' naam, .verving llij Hem niet volkomenlijk; hij zoude nooit mogen zeggen : dit is miJn licltaam,
dz't is m(jn bloecl, aangezien het waarlijk Christus' lichaam en
bloed is.

5. V. Onder welk deel van de lteilige lwstie is Cltristt,s, als die gebroken wordt?
~. Onde1· alle heide en onder alle stukken, al waren
er ook vele.
1. De Catechismus, na gezegd te hebben, clat Christus zelf waarlijk in het H. Sacrament tegenwoordig is, en hoe Hij daar tegenwoordig gesteld wordt, zal ons nu leeren water te denken en
te gelooven is van zijne tegenwoordigheid onder de verschillige
stukken der heilige hostie, dat is, der gedaante van brood ond.er
clewelke Christus tegenwoordig is, als zij gebroken of verdeeld ·
wordt. Onder welk cleel van de lteilige lwstie, zegt hij, is Clwistus, als die gebrollen wor·dt; dat is, wanneer de heilige hostie of
de gedaante van brood. waaronder Christus tegenwoordig is, in
stukken vercleeld wordt, blijft Christus onder al deze deelen tegenwoor&lt;lig1 De Catechismus spreekt hier alleenlijk over de
nrdeeling der heilige hostie, en niet over de verdeeling van den
kelk of van de gedaante van wijn, omdat bet verdeelen var~ den
kelk, buiten eenige gevallen, zooals de wijding der bisschoppen en de plechtige pauselijke Missen, niet meer in gebruik
is.- Het woord hostie beteekent eigenlijk slachtoffer; en ·de
gedaante van brood in het H. Sacrament des Altaars wordt
heilige hostie genoemd, omdat Christus in dit Sacrament waarlijk als geslachtofferd tegenwoordig is. Zelfs bet brood, dat tot
het H. Sacrament des Altaars bestemd is, ontvangt ook den
naam van hostie, omdat bet voor bet H. ~acrament des Altaars,
in hetwelk eene ware slachto.ffering plaats heeft, dienen moet.

�VIERDE DEEL. -

328 1o LES, 5de VR.

975

2. De Catechism us antwoordt dat Christus tegenwoordig is onder alle beide (dat is, onder de twee stuklten, wanneer de lleilige
hostie in tweeen verdeeld wordt), en onder alle stukken, al wa?'en er ook vele (dat is, onder al de stukJ;.en, wanneer de heilige
hostie niet alleenlijk in twee, maar in eene grootere hoeveelheid
stul1.ken verdeeld wordt). BijgeTolg Christus is tegenwoordig onder al de stukken, in dewelke de heilige hostie verdeeld wordt.
Hoe is Hij onder al die stul;;.ken tegenwoordig1 Hij is daar
geheel tegenwoordig, gelijk Hij nu in den heme! is, dewijl Hij
sedert zijne verrijzenis niet meer kan lijden noch eenige verandering ondergaan.
En waaruit volgt het, dat Christus onder al de stul;.ken,
waarin de heilige hostie gebroken wordt, waarlijk tegenwoordig is 1 Vooreerst, door het verdeelen der heilige hostie wordt
voorzeker Christus' lichaam niet verdeeld, vermits de gedaanten van brood en wijn aan Christus niet vastgehecht zijn of
Hem niet toebehooren, gelijk wij alreede gezegd hebben. Nu, dat
Christus onder ieder van die stukken moet tegenwoordig zijn,
vloeit bier uit. dat zij allen door de woorden des priesters even
geconsacreerd zijn. - V66r het breken der heilige hostie is
Christus, gelijk de godgeleerden het ons voorstellen, geheel in
geheel de hostie, en geheel in al hare deelen, gelijk onze ziel geheel is in geheel het lichaam en geheel in al zijne deelen.
Maar indien Christus onder al de stukken, waarin de heilige
hostie gebroken wordt, tegenwoordig is, wordt door dat breken
Christus' lichaam niet vermenigvuldigd, of krijgt Christus niet
zooveelUchameu, als er stukken zijn, waaronder Hij tegemvoordig is1 Geenszins; Christus' lichaam wordt door dat breken niet
meer vermenigvuldigd, als door zijne tegenwoordigheid opal de
plaatsen, waar het H. Sacrament rust : het is eene en dezelfde
menschelijke natuur, welke Christus nu in den hemel bezit en
die overal in het H. Sacrament, en in al de si;ul;.ken, waarin bet
•
verdeeld wordt, tegenwoordig is.

�976

VIERDE DEEL. -

32sto LES, ()de VR.

Eindelijk, hoe lang blijft Christus met zijn lichaam en met zUn
bloed in het H. Sacrament tegenwoordig? Zoolang, als de gedaanteu van brood en wijn aanwezig zijn ofvoortduren; maar zoodra
deze verdwijnen, houdt ook Christus op claar tegeiiwoordig te
zijn; waa.'rdoor ook het Sacrament eiudigt te bestaan. Zoo bij voor. beeld, indien men na de consecratie van den wijn, zooveel water
in den kelk goot, dat het mengsel de gedaanten van wijn, dat is,
den smaak, den geur. enz. van wijn niet meer heeft, er zou in
dit geval in dien kelk niets anders meer zijn, dan •water met
wijn gemengd. Daaruit blijkt het ook, dat bij degenen, die de
H. Conimunie ontvangen hebben, Christus ophoudt tegenwoordig te zijn. zoobaast de genuttigde gedaanten in hun lichaam
van natuur veranderd zijn.

6. V. Jlfoeten alle menschen Christ'us ontvangen onder
eene gedaante of ondm· alle beide de gedaanten?

A.. Onder de eene hebben wij zooveel als onder de
twee, en de H. Kerk wil, dat wij met eene tevreden zijn, uitgenomen de priesters, als zij l\iis doen.
1. In deze vraag ha.ndelt de· Catechismus O\er het ontvangen

van het H. Sacrament. des Altaars. In dit Sacrament is Christus
tegenwoordig onder twee gedaanten, te weten, onder de gedaante van brood en onder die van wijn. "\Velnu, de Catechismus
zal ons bier leeren, hoe &lt;lit Sacrament, onder Iiet opzicht van
tHe twee gedaanten, moet gebruikt worden; of i1et namelijk
ooder alle beide gedaanten ofwel alleeulijk onder Mne dezer
twee moet of mag outvaugen worden. }.foelen idle mensclten,
vraagt hij, Ckristus ontvangen ondm· eene gedaante of onde1'
alle beide de gedaanten; dat is, hoe moe ten al de mensch en, 'tis
te zeggen, niet alleenlijk de priesters maar ook al de geloovigen,
bet H. Sacrament des Altaars ontvangen; q~oeteu zij bet enkel
onder Mne gedaante ontvangen, ofwel onder alle be ide 1

�VIERDF. DEEL. -

329 !o J,ES, Qdo VR.

977

2. In zijn antwoord leert hij ons : a) of het voordeeliger is bet
H. Sacrament onder de twee gedaanten dan slechts onder eene te
ontvangen; en b) onder welke gedaanten het moet ontvangen '
word
3. Is het voordeeliger het H. Sacrament onder de twee gedaanten te ontvangen dan onder Mne1 Geenszins, want, gelijk.
de Catechismus zegt, wiJ ltebben zooveel onder de eene als
onder de twee, dat is, wij ontvangen onder de eene gedaante
zoowel gehool Christus, als onder de twee, en wij kunnen zoowei de gratie bekomen, welke aan dit Sacrament eigen is,
met het onder de eene, als met het onder de twee gedaanten te nutten; en bijgevolg, is het uit de natuur der zMk gelijk,
of wij het Sacrament des Alt1.ars alleenlijk onder eene ofwel
onder alle beide de gedaanten nutten. - Christus is immers
:r.oowel geheel tegenwoordig onder de eene gedaante als onder
de twee, en het uitwendig teeli:en, te weten, het uiterlijk voorkomen van voedsel of spijs en de woonlen der consecratie met
de noodige intentie uitgesproken, gelden ook r.oo wel voor
de eene geduante, als voor alle beide : waaruit men gemalikelijk verstaat, dat wij waarlijk :r.ooveel hebben met eene
gedaante als met ze aile beide te nutten. - Daarenbo&gt;en,
ware er voor deze zaak nog eenige twijfel; hij zoude weggenomen worden ~loor de leering der H. Kerk, die altijd voorgehouden heeft, dat bet nutten van eene gedaante uit :r.ich ?.elf genoeg
is om het Sacrament des Altaars te ontvangen en er de vrucht
van te kunnen bekomen. Zij heeft immers van in hare eerste
tijden, het H. Sacrament des AHaars alleenlijk onder eene
gedaante bedient aan de gevangenen, aan de zieken, aan de eremijten der woestijnen, en ook aan de kleine kinderen, wien z~j
bet gaf onder de gedaante van wijn : en :r.ij zoude voorzeker zoo
niet gehandeld hebben, ware zij niet overtuigd geweest, dat het
nutten van eene gedaante genoeg is om bet Sacrament te ontvangen. Ook heeft zij deie leering uitdrukkelijk Yoorgebouden in
bet Concilie van Trente.

em.

�978

VIEROE DEEL. -

32sto LEI!, 6do VR.

4. Daar wij nu zooveel hebbei1 met eene gedaante als met ze
alle beide te ontvangen; mag eeniederdan, volgenszi,ine begeerte,
het H. Sacrament allee~lijk onder Mne of onder alle ·be ide de
gedaanten nutten ~ Geenszins; de H. J(erk, zegt de Catechismus. wil, dai wij met ee~~e lf;vreden zijn, uitgenomen de
rwiester·s, als zij llfis doen; dat is, een ieder mag volgens beliefte het H. Sacrament onder Mne of onder beide de gedaanten
niet ontvangen, want de H. Kerk (de Oversten der H. Kerk, de
Paus en de bisschoppen) gebiedt, dat de geloovigen die geeu
priester zijn, en de priesters die zonder Mis te'doen de H. Communie ontvangen, het H. Sacrament nutten onder Mne gedaante
alleen; maar dat de priesters, die de H. l\iis celebreeren, bet
nutten onder de twee gedaanten. De priesters dan, als zij M:is
doeh. moeten het H. Sacrament onder de twee gedaauten nut. ten, maar buiten dit geval moet het altijd alleenlijk onder eene
gedaante genut worden.
·welk is die Mne gedaante, onder dewelke het moet genut worden~ Het is de gedaaute van brood, gelijk wij allen door het algemeen gebruik weten.
En welk is dit gebod der H. Kerk; is bet een gebod van
Christus zelven gegeven, 'twelk ons door de H. Kerk voorgehouden
wordt, ofwel komt het alleenlijk uit den wilder H. l{erk voort¥
Dat de priesters, als zij Mis doen, bet H. Sacrament onder de
twee gedaanten moeten nutten, is een gebod van Christus zelven
gegeven. Hij heeft immets aan zijne Apostelen, bij de installing
van het H. Sacrament, opgelegd tot zijne gedachtenis te ;doen,
wat Hij gedaau had : welnu, in het laatste avondmaal is het
lichaam en het bloed ,-an Christus onder de twee gedaanten van
brood en wijn tegenwoordig gesteld en genuttigd geweest; en
daarom moet de priester, wanneer hij Mis doet, de woorden der
consecratie over brood en \Vijn uitspreken, en ook Cbristus
ontvangen onder de twee gedaanten : ontving hij Christus
alleenlijk onder Mne gedaante, hij zou niet ten volle doen, wat

�YIERDE DEEL. -

32ste LES, 7dc VR.

979

Christus ingesteld heeft. Maar dat de priesters als zij de Mis niet
doen, en de andere geloovigen, Christus rna.:-tr rnogen ontvangen
onder de gedaante van brood alleen, dit komt enkel uit den
wilder H. Kerk voort; Christus heeft daar niets over bepaald,
en zelfs van in het begin der H. Kerk tot orntrent de 128 eeuw,
is het in 't gebruik geweest, dat de H. Communie gewoonlijk
onder de twee geuaanten door al de geloovigen ontvangen
werd.
\Vaarom l.leeft de H. Kerk nu gewild, dat de geloovigen, en
de priesters, die de i\Iis niet doen, het H. Sacrament alleenlijk
onder de gedaante van brood zouden ontvangen 1 Zij heeft dit
gewild, omdat wij van den eenen kant zoowel het H. Sacrament
ontvangen en de gratie van het Sacrament belwmen, met Mne
gedaante als met heide de gedaanten ie nuiten; en dat het van
den anderen l;:ant voor de goede orde in de H. Kerk, voor de
godvruchtigheid der geloovigen, vee! heter was, dat eenieder,
buiten de priesters die l\Iis doen, dit H. Sacrament alleenlijk
onder ile gedaante van brood zouden ontvangen. Zij heeft dit in
't bijzondet· om de Yolgende redenen gedaan : 1° ten einde het
H. Sacrament, onder de gedaante van wijn bestaande, van onteering te bewaren, dewijl het onder deze gedaanle lichtelijk gestort en moeilijk bewaard wordt; zoom het ontvangen van dit
Sacrament allergemakke~ijkst te maken, aangezien velen (vooral
bij eenen groolen toeloop van volk) bevreesd konden wezen, uit
eenen gemeenen kelk te drinken; 3° om zich te verzekeren tegen
de ketters, die beweerden, dat Christus onder iedere gedaante
niet geheel tegenwoordig is; ·1°om de moeilijkheid van zich in
vele Ianden eene genoegzame hoeveelheid wijn te bezorgen.

7. V. 1Vat eer zUn 'l01} !tel Heilig Sacmment sckuldig?
A. Dezelfde eer, die wij aan Christus moeten geven,
te weten de goddelijke eer en aanbidciing.

�980

VIERDE DEEL. -

32510 LES, jde VR.

l. De Catechismus bandelt llier over de eer, die wij aan het
H. Sacrament moeten geven. Wat ee1', zegt hij. ziJn wij hel Heilig Sacmment schuldig; dat is, welke inwendige en uitwendige
eer moeten wij dit Sacrament geven; moeten wij het inwendiglijk en uitwendiglijk de eer geven die aan God toekomt, of die,
welke aan de Heiligen toebehoort, of die, welke alleenlijk aan
gewijde zaken ofaan beelden van God en zijne Heiligen eigen is.
2. De Catechism us antwoordt, flat wij aan het H. Sacrament dezelfde em· schuldig zijn, die wij aan CM·istus moete'i?, geven; 't is
te zeggen, dat wij het inwendiglijk en uitwendiglijk diezelfde eer
schuldig zijn, wellw wij aan Christus, gelijk Hij nu in den llemel
tegenwoordig is, geven moeten, en die zijne discipelen en zijne

Apostelen Hem moeten geven hebben, toen Hij met hen zienlijk
bier op de aarde verbleef. -En welke is die eer, welke wij aan Christus moeten geven¥ Het is. gelijk de Catech_ismus. zegt,
de goddeli,jke eer en aanbidding. De goddelijke ee~-. dat is,
Hem erkennen als God en ons aan Hem als aan God ondenverpen. - De aanbidding is hier hetzelve als goddelijke eer·: zij
bestaat ook in Christus te erkennen als God. en ons aan Hem als
aan God te onderwerpen. De goddelijke eer en aanbhlding kornt
noodzakelijk aan Christus toe, daar Hij wezenlijk God is; Hij
is immers de tweede Persoon der H. Drijvuldigheid, voor ons
mensch geworden. -Hoe Iwmt de eer, die wij aan Christus
moeten geven, aan het H. Sacrament toe? Zij komt aan dit Sacrament natuurlijk toe, dewijl Christus onder de gedaanten van
brood en wijn in dit Sacrament waarlijk tegenwoordig is: indien
bet Christus zelf bevat, heeft het noodzakelijk recht tot de eer,
welke aan Christus zelveu toekomt.
3. Welk verschil is er dan tusschen de eer, die wij a~n llet
H. Sacrament des Altaars verschuldigd ziju, en die welke wij
geven moeteu aan de andere Sacramenten, aan de Heiligen. aan
de beelden van Christus? De andere Sacramenten moelen wij
maar eeren en eerbiedigen als middelen. die Christus tot onze

�VIERDE DEEI.. -

32ste LES, sste YR.

981

zaligmaking ingesteld heeft; maar het H. Sacrament moeten
wij eeren als den Gever zelven aller zaligheid, als God zelven,
vermits het Christus, die God is, in zich bevat. - De Heiligen
moeten wij maar eeren als vrienden en voorsprekers bij God ;
maar het H. Sacrament daarentegen moeten wij eeren als den
Oppermeester, wiens vrienden de Heiligen zijn, en bij wien
zij voor ous ten beste gaan spreken. - De beelden, die ons
Chi:'istus voorstellen, vereeren wij niet als bevatteden zij Christus in zich,_als waren zij Christus zelf, maar alleenlijk als zal~en
die ons Christus voorstellen; terwijl wij het H. S.acrament
vereeren als Christus zelven, omdat het waarlijk Christus iu
zich bevat, gelijk Hij nu glorieus in den hemet is.
4. i\Iaar deze goddelijke en opperste eer, die wij aan het
H. Sacrament schuldig zijn, wordt die ook aan de gedaanten
van brood en wijn gegeven 1 Zekerlijk neen; deze gedaanten
verdienen en ontvangen die eer niet : zij wordt alleenlijk gegeven aan Christus, die onder die gedaanten tegenwoordig is.
Willen wij dan wel weten, welken eerbied wij het H. Sacrament des Altaars verschuldlgd zijn, \Vij moeten ons maar
vragen, welken eerbied wij voor Christus zouden hebben, indien Hij op eene zlenlijli.e wijze voor onze oogen verscheen :
de eer, welke wij Hem in die omstandigheid zouden bewijzen,
. zijn wij gedurig aan het H. Sacrament schuldig. Zijn wij dit
altijd wel indachtig, als wij de H. Communie ontvangen, als
het H. Sacrament in processie of bij de zieken gedragen wordt,
als het publiek in de kerken ter aanbidding wordt uil.gesteld,
als wij in de kerken zijn waar het rust.

8. V. Is ltet ook Cltristus' bloed, dat men ons gee(t
na de Heilige Communie?
A. Geenszins; maar het is alleenlijk WIJn. dienende
om de heilige nutting te vervorderen.

�982

VIERDE DEEL. -

32ste LES, sste VR.

1. In deze laatste vraag spreeld de Catechismus over eene

ceremonie, die het .uitdeelen van het H. Sacrament aangaat,
te weten, over den drank, die na de H. Communie gegeven
wordt; hij zal ons leeren wat die drank is. Is hel ook, zegt
hij, Ckristus' bloed dat men ons geefl na de I/. Communie;
'tis te zeggen, die drank, welke na het geven van het H. Sacra. ment aangeboden wordt, is Christus daarin ook tegenwoordig,
gelijk Hij tegemvo~rdig is onder de gedaante van wijn, die de
priester in de Mis nuttigt. Men geve er acht op, dat.de uitdrukking van den Catechismus : Clwistus' bloed, niet te kennen
geeft, dat in het H. Sacrament Christus' lichaam afgescheiden
is van zijn bloed : de gedaante van brood wordt alleenlijk
Christus' lichaam genoemd, omdat zij ons Cbristus' lichaam als
afgescheiden van zijn bloed voorstelt; en de gedaante van
wijn ontvangt enkel den naam van Christus' blOT!d, omdat zij
ons Christus' bloed voorstelt als van zijn lichaam afgescheiden.
2. Het antwoord van den Catechismus leert ons, dat die
drank geenszins Christus' bloed is, 't is te zeggen, dat hij
geenszins Christus' lichaam en blocd bevat. - Wat is hij dan~
Hij is alleenli1"k wijn, zegt de Catechismus. - En tot wat
einde word Ldie wijn gegeven 1 Hij wordt gegeven, om de heilige
nutting te ve1·vm·deren, dat is, om het doorhalen der heilige
bostic te vergemakl\elijken: dikwijls immers kan het, bij gebrek
aan speeksel, moeilijk zijn om de heilige hostie door te zwelgeJJ.
3. Om de menigvuldige ongcmakken, die er uit volgden, is
het gebruik van na de H. Communie wijn te geven, dat eertijds
algemeen was, hedendaags niet meer in voege : het is alleenlijk
bewaard gebleven in zekere:_bijzondere omstandigheden, zooals
in het geven der HH. Orders, en ook op sommige plaatsen bij
de eerste Communie. Wanneer de zieken eenige moeite hebben,
· om de heilige hostie te kuimen nutten, wordt hun ook altijd
een weinig wijn of water, of een ander vocht gegeven, volgens
dat men het een of het ander bij de hand heeft. Men bemerke

�VIERDE DEEL. -

32Sto LES. AANi\!ERIL

983

wel, dat het nemen van dien wijn of van eenig ander vocht om
de heilige nutting te vervorderen, zelfs als werde zullis eer
doorgehaald dan de heilige hostie, op geener wijze de nucbterheid belet; want bet nutten van de heilige hostie en van dien
drank moet als eene en dezelfde nutting aanzien worden.
Annmcrkingen. l 0 Trachten wij wei te begrijpen, well&lt;e verbevene zaalt bet H. Sacrament des AHaars is, en tot welke
hooge weerdigheid bet ons verheft. De weei·digheid der menscbelijke natp.ur van Cllristus, welke persoonlijk vereenigd is
met God den Zoon, is voorzeke1· de grootste, die aan een
schepsel l;.an gegeven worden; y:elnu, door bet nutten van het
H. Sacrament des Altaars w~:clen wij rechtstreel;.s deelachtig
aan die weerdigheid de1· menschelijl;.e natuur van Christus.
Door de menschwording heeft. God de Zoon zich persoonlijk
met eene menschelijke natuur vereenigd, en door de H. Communie vereenigt Hij zich, bij middel van zijne aangenomene
menschelijke natuur onder de gedaanten van brood en wijn
bestaande, wei niet persoonlijk, maar toch wezenlijk, met al
de geloovigen, die tot Hem willen naderen. -Door de H. Communie worden wij dus op eene allervolmaakste wijze verbonden met Christus; en daar al de geloovigen hetzelfde lichaam
en bloed van Chrislus nutten, zoo worden zij daardoor ook zeer
innig onder elkander ver·bonden, zoodanig dat de H. Communie
ons klaar voor oogen legt, hoe al de geloovigen maar een geestelijk lichaam uitmal\en, waarvan Christus het hoofd is.
2° Wij verstaan door het H. Sacrament des Altaars ook zeer
gemakkelijk, wat de goddelijke gratie is : gelijk immers Christus
door de. H. Communie zich met ons uitwenuig ve1·eenigt onder
de gedaanten van spijs en drank, zoo vereenigt Hij zich inwendig door zijne gratie met onze ziel, dat is met ons verstand en
met om~en wil. Dat goddelijl;. uitwendig voedsel der n. Communie
is bet r.innebeeld van bet goddelijk inwendig voedsel, dat de ziel
daar ontvangt. Hieruit blijkt bet lilaar, dai de goddelijke gra-

�VIERDE DEEL. -

32810 LES, AAN~IERK.

tie niets anders is dan eene kracht, eene hulp, een bijstand, die
God aan ons verstand en aan onzen wil rechtstreeks geeft; niets
anders dan eene mededeeling van de krachten der goddelijke
natuur zelve. - Denken wij l~ikwijls op de verhcvenheid der
goddelijke gratie. Wij achten het bier op aarde zeer hoog, bijgestaan te worden door eenen groote en machtige dezer wereld,
pf geholpen te worden.door eeuen engel des hemels, roam· wat
is dit in vergelijking met de goddelijke gratie1 Door haar werkt
God zelf in ons verstan~ en in om:en wil, gelijk Hij eertijds in
den arm van Samson werkte, om door dezen arm die wonderbare
daden te verricbten, welke de H. Geschiedenis ons verhaalt.
3° De H. Communie is ook nog een panel van het eeuwig Ieven
waarin wij God zullen zien aanschijn aan aanscbijn, alsmede
van onze glorieuze verrijzenis. Gelijk wij in de H. Communie
met God wezenlijk vereenigd worden, doch slecbts onder den
sluier der gedaanten van brood en wijn; zoo zullen wij in den
heme!, die de voltrekking is van het Ieven der gratie llier op
aarde, zonder sluier met God vereenigd worden, en Hem daar
aanscllijn aan aanschijn aanschouwen. En wat de verrijzenis betreft, het springt in de oogen, dat ons lichaam, welk met heL
onsterfelijk lichaam van Christus gespijsd wordt. ook de onsterfelijkheid moet bekomen.
4° In de zgste les hebben wij reeds geleerd hoe wij moeten gesteld zijn om de H. Communie wei te ontvangen : wij hebben
daar gelloord, dat wij om wel te C?mmuniceeren, waa~·achtig­

lijk. moeten gelooven dat Clwistus dam· tegenwoordig is,
nuchter zi.,jn en zuiver· van zonden; en welke groote en afsclluwelijke zonde het is, ~g eene heiligschendende wijze de
H. Communie te ontvangen: ··
Doch buiten de geuoemde voorwaarden, welke tot eene
goede H. Communie volsLrekt vereischt zijn, zijn er, gelijk uit
de natuur der zaak vloeit, nog eenige andere bi,izonde~e vQorbereidingen noodig, om dat H. Sacrament met meer en meer

�YJERDE DEEL. -

32Sla LES, AANMERJ{.

vt·ucht te ontvaugen. l\'len moet vooreerst door godvrucbtige
gebeden en overdenkingen, bijzotiderlijk door akten van Geloof,
Hoop, Liefde en berouw, eene heilige begeerte tot dat Sacrament
in zich opwekken, en zich uitwendig in den grootsten eerbied
houclen. Daar·om moet het lichaam, zoo goed het J;:au geschieden, zuiver en wei gekleed, en deszelfs houding zeer zedig, nederig en eerbiedig zUn : 'twelk van zelfs zal gaan, bijaldien wU
wei doordrongen zijn van de waarheid, dat Jezus Christus in het
H. Sacrameni. wezenlijk tegenwoordig is, en wij ons dus voor
d~n God van hemel en aarde, de opperste l\lajesteit, den Koning der koningen gaan vertoonen.
'Vat het ontvaugen zelf der H. Communie betreft. men moet
zich met den grootsten eerbied, met opgeheven en samengevouwde handen en met neergeslagen oogen tot de cornmuniebank
l.JegeYen; daar in de grootste ootmoedigheid, zich op de borst
J;;.loppende, drijmaal ten minste inwendig, met den priester zeggen : •· 0 fleer, ik l.Jen niet weerdig, &lt;lat Gij onder mijn dak
, l;:o.met. maar spreek slechts Mm \voord, en mijne ziel zal ge" zond worden; " en clan, wan~1eer de priester nadert, de handen
onder het communiekleed houden, opdat de heilige hostie, kwam
zij te val\en, op den grond niet zoude nederkomen; de tong op
de ouderste lip leggen, en eindelijk de heilige hostie met de
grootste eerbiedigheid ontvangen. Wanneer de priester de heilige hostie geeft, zegt hi.i : " Het lichaam onzes Heeren Jezus
., Christus beware uwe ziel tot bet eeuwig Ieven; ·• en in ons
bert mocten wij daarop antwoor1len : •· Moge waarlijk deze
" R. Cotumunie mij tot de eeuwige zaligl)eid leiden .., Na de
H. Communie uit de hand van den pNester ontYangen te he~ben,
keert men naar zijne plaals terug iil dezelfde godsYI'ucht en ingetogenheid waarmede men naderde; en ondertusschen moet
men opletten de heilige hostie op de tong niet te Iaten smellen,
maar ze op tijd door te zwelgen. Kwam zij aau 't gehemelte van
den mond te kleven, dan maakt men ze uiet met den vinger,
maar met de tong los.

�986

\JERDE DEEJ,, -

32sto LES, AANM.ERK.

Na dat men van de communiebank tot zijne plaats teruggekeerd is, mag men niet aanstonds de kerk verlaten; men moet
eenigen tijd, zooals gedurende tien minuten of een kwartier,
aandachtig in het gebed volherden, den Zaligmab~r. dien men
ontvangen heeft, godvruchtig aanbidden, God uit ter herte voor
de ontvangene weldaad bedanken, Hem om nieuwe gratii:in en
gunsten smeeken, en nog eens vergiffenis onzer zonden vragen.
De rede vereischt immers, dat, terwijl Christus nog, onder de
gedaanten van brood en wijn, wezenlijk in ons tegepwoordig is,
wij ons met Hem en met Hem aileen zouden bezig houden. Men
zou het zekerlijk dien mensch tot ~chande sprel;;en, die jegens
den koning, wanneer deze hem in zijn huis komt bezoel;;en en
troosten, niet eerbiedig zou zijn; welnu degenen, die na de.
H. Communie aanstonds de kerk verlaten, en zich met wereldsche dingen bezig houden, zijn duizendmaal plichtiger; zij
weigeren niet aan eenen l~:oning, maar aan den Koning der
koningen. aan Jezus, te spreken, die in hun bert is gedaald om
hen in l1et geestelijk lev en te voeden.
5° Buiten de ware of wezenlijke communie, over dewelke wij
tot hiertoe gesproken hebben, is er nog hetgeen men noemt
de geestelijke commtmie. Deze bestaat in het H. Sacrament
niet wezenlijk, maar met den geest, dat is, door de begeerle of
door den \Yil te ontvangen, of in andere woorden zij bestaat in
den wil of de begeerte te hebben bet H. Sacrament te ontvangen, indien er geen beletsel ware; en daarom wordt zij
geestelijke cormnunie genoemd, dat is, eene communie, die alleenlijk met den geest, met de begeerte, met den wil geschiedt.
- Als wij die geestelijke communie doen in sta.:'lt van gratie,
met een waar geloof, uit ware liefde tot God, zullen wij wel
de gratie niet bekomen, die aan bet H. Sacrament des Aitaars
eigen is en ons zonder onze verdiensten ingestort wordt; maar
wij zullen vele gratien bij God door die daad verdienen, aangezien die begeerte van het H. Sac.rament te ontvangen door

�VJERDE DEEL. -

32ste LES, AANlllERK.

987

haar zelve zeer heilig is, en aan God zeer aangenaam moet zijn.
Daarom moeten de menschen, die heilig en volmaakt willen
Ieven, dikwijls in zich eene vurige begeerte opwekken, om het
H. Sacrament te ~ntvangen; bijzonderlijk terwijl zij door ziekte
of door eenig ander beletsel de H. Communie wezenlijk niet kunnen nutten. Indien zij, in geval van ziekte of van een ander
beletsel, verduldig en met groote onderwerping de berooving der
H. Communie verdragen, en tevens eene vurige begeerte hebben
om ze te outvangen, zuilen zij voorzeker, ten minste in eene
groote maat, bet verlies hersteilen. dat zij ondergaan met het
H. Sacrament wezenlijk niet te nutten. In de H. Mis, waar de
H. Communie een volmakend dee! is zoowel van bet Sac1·ificie
in zich zelf als van het bijwonen aan het Sacrificie, behooren
al de geloovigen, die aanwezig zijn en de H. Communie wezenlijk
niet ontvangen, eime geestelijl'e Communie te doen.
Om eene geeslelijke Communie met vee! vrucht te doen, moet
men op het volgende !etten : eene aide van waar berouw verwekken nit liefde tot God, zijn geloof nopens bet H. Sacrament
ververschen, en zijne onweerdigbeid erkennende, vurig begeeren het H. Sacrament te ontvangen.
6° Hoe dikwijls wij het H. Sacrament des Altaars moeten ontvangen, bebben wij alreede ten deela gehoord in de 2Sste les.
Naar bet gebod der H. Kerk is het van noode aile jaren. binnen
de veertien dagen omtrent Paschen, het licbaam des Heeren te
nutten; maar gelijk wij daar gezegd hebben, is dit gebod niet
gegeven om ons te weerhouden van meer de H. Communie te ontvangen. maar alleenlijk om te beletten dat wij de H. Communie
zouden verzuimen. Wij mogen mis dan niet ten·eden houden,
met alleenlijk Mns 's jaars tot de I-I. Communie te naderen :
gelijk de ondervinding bet ons klaar bew~jst, moet inen, om
zijne zaligheid wei te verzekeren, aile ruaanden of ten minste op
de groote feestdagen de H. Communie ontvangen; en om een
heilig en volmaakt Ieven te lei&lt;len moet men nog dikwijlder dit

�988

VIERDE DEEL. -

32sto LES, AAN~!ERK.

H. Sacrament nutten. Wat nude wekelijksche en de dagelijksche
Communie betreft, men moet, om zich daarin niet te misgrijpen
en wijs te werk ie gaan, den raad van den biechtvader. die van
God gesteld is om ons te onderwijzen en te bestieren, siiptelijk
volgen. De heilige en geleerde menscben, die over de wekelijksche en dagelijksche communie geschreven bebben, leeren ons
daarover bet volgende : de H. Franciscus van Sales zegt in zijne
Inleiding tot het godm·uchtig leven, II Deel. Iloofdst. 20 : .. Om
., alle acht dagen te communiceeren is bet noodig vriJ te zijn van
, doodzonden, geene genegenheid tot de dagelijl;:,sche zonde te
, hebben, en zeer te vet·langen naar de H. Communie; maar om
, alle dagen te communiceeren is er vereischt dat men het groot" ste deel zijner kwade neigingen overwonnen hebbe, en dat bet
" gescbiede met het goedvinden van den geestelijken vader. "De
H. Alphonsus van Liguori laat de wekelijksche comrnuuie nog
toe, wanneer er eenige genegenbeid tot dagelijksche zonden
overblijft. De H. Thomas geeft in het algemeen dezen regel, die
ongetwijfeld zeer wijs en allerzel\erst is; als men ondervindt,
zegt hij, dat men uit de H. Communie veel vrucht trekt. dat men
daardoor in deugd en in heiligheid aangroeit, mag men meer en
meer tot de H. Tafelnaderen; maar l1.wam mente zien dat men
uit de H. Communie weinig of geen nut trekt door onachtzaamheid, door genegenheid tot de wereld, of door andere dergelijke
oorzaken, men moet de communiedagen verminderen. Gelijk
men zich van de lichamelijke spijs onthouden moet, wauneer zij
ons kwaad doet of zelfs slechts nutleloos is; zoo moet men zich
ook onthouden van deze geestelijlw spijs, wanneer wij ons aan
zonden plichtig maken met ze te ontvangen, of zelfs wanneer wij
er geene vruchf uit trekken. Maar gelijk men meer en meer lichamelijk voedsel mag nemen, wanneer &lt;lit ons goed doet en ons
versterkt; zoo mogen wij meer en meer de H .. Communie ontvangen, indien wij er waarlijk veel vruchten uit putten en daardoor dagelijks in deugden aangroeien.

�VIERDE DEEL. -

33ste LES, }stc vn.'

989

DRIJ EN DERTIGSTE LES.
Van het Heilig Sacrificie der Mis.
In1Ioud. - In de voorgaande les hebbcn wij gelccrd dat Christus tegenwoordig
gcslclcl wordt onder dP. gcdaanlen van brood en wijn, en bijgevolg dat het
H. Sacrament des Altaars bcgint tc bestaan door de woordcn van de consecratic, die de prics'tcr over het brood en den wijn spreekt. Dezc consecralic metal
de dee len, die haar voorafgaan en haar volgen, en met !mar Mne godsdienstigo
oefening uitwakcn, wordt genucmd de J-1. ,l/is. 't Is nu over dezc godsdicnstigc Olicning, wclkc den naam van Mis draagt, dat de Calechismus OilS in deze
les zal spreken.
Deze les word! natuurlijk in vier declen vcrdeeld :
I. In het ecrste dec!, dat de drij cerstc vragcn bcvat, handelt do Catcchismus
'over de H. Mis in haar 1!igcn bcschouwd : in de tste vraag, zcgt bij ons, dat de
H. Mis ecn Sacrifi.cie is en wclk Sacrificie zij is; in de 2dc, lccrt hij ons de wcerdigllcid van dit Sacrificie kennen in vcrgelijking met 1lc sacrificien van de Oude
Wet; en in de 3de, stelt hij voor wclke de bijzonrlerste en noodigste dec/en zijn
der·Jllis.
II. In hct twcede dec! spreckt hij over den oorsprong van het Sacrificie der
~lis; en onderscheid makende tusschen dit Sacrificic in zich zelf, en de menigvuldige ccremonien, die hct langstc dec! der Mis uitmaken, ondcrzoekt hij vooreerst, in de 4do vraaag, wie de eel'ste Mis gedaan hceft; en daarna over de
ccrcmonien dcr Mis handeleode zcgt hij ons in de 5dc vraag, van waar al die
cercmoniiill vool'tkomen; en in de 6do, waartoe die rcremoniiin, welke i1~ de
Mis gebruikt worde11, dicncn, of tot wat cinde die ceremonicn ingcstcld ziju.
Ill. In het dcrde dec! handelt hij over den olfcraar van bet Sacrificie det· Mis;
ruic ofli:rt, zcgt hij in de ido vraag, aan God het Sacrifi.c'ie.
IV. In hct vierdc dcel wijst hij ons de vruchtcn of de uitwerksclen van dit
Sacrificic aan : wat km111e11 wij verkrij!Jen. vraagt hij, door het Sacrifi.cie
dcr Mis.

I. V. fVat is de 1.l1is?

A. Het Sacrificie van de Nieuwe \Vet, in hebvelk het
lichaam en bloed van Ohristus, onzen Zaligmaker.
aan God den Vader opgeo:fferd wordt.

�990

YIERDE DEEL. -

33sto J,ES, JSio YR.

1. Door bet woord Mis, verstaan wij, gelijk alreede in den
Inhoud gezegd is, gebeel die godsdienstige oefening in dewelke,
door de woorden van de consecratie, die de priester spreekt, bet
licbaam en het bloed van Cllristus onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig gesteld worden. Deze godsdienstige oefening heeft den naam van ltfis ontvangen, uit de woorden die op
bet einde derzelve aan bet voll( toegestuurd worden : " Ite, 1lfissa
est; , dat is : "gaat, deze goddelij/te dienst is geeindigd. " In
h~t oude Rome . drukten de rechters of de voorzitters eener
vergadering aan de aanwezigen uit, dat bet verhoor of de zitting
gedaan was, door de woorden : .. !Jfissa est; de zitting of
lzet ve;·ltoor is [JeiHndigd. ,. Van daar is deze spreuk in de
R. Kerk ovetgenomen geweest; de geestelijke oversten hebben
ook, bij bet eindigen der godsdienstige oefening, waarin Christus
tegenwoordig gesteld wordt, beginnen zeggen : .. Jl{issa est;
onze oe{ening, onze ve;·gacle;·ing is geeindigd; ·• en zoo heeft
nadien geheel deze oefening den naam van 1lfissa, 1lfis gekregen. - De Catecbismus vraagt nu, wat de ]lfis is;t is te zeggen,
wat geestelijke oefening zij is: bestaat zij alleenlijk in bet H. Sacrament des Altaars teweeg te brengen, dat is, Cbristus onder de
gedaanten van brood en wijn tegenwoordig te stellen; ofwel
rnaakt zij eene bijzondere godsdienstige oefening uit, zooals een
gebed, eene offerande, of een sacrificie1
2. In ziju antwoord leert de Catechismus ous : a) welke zaak
de Mis is; zij is, zegt hij, een sacrificie; b) welk sacrificie zij
is; en c) wat er in dit sacrificie opgedragen wordt.

3. De Mis is clus geene enkele daarstelling van het H. Sacrament des Altaars, geen enkel gebed, geene enkele offerande,
maar zij is een sacrificie. - Een :;acritlcie (slachtoffer of slachtoffering) is de offerande van' eene zicbtbare zaak, te weten, van
·eene zichtbare zaak die in de plaats van het menschelijk Ieven
gesteld is, ofwel van bet menschelijk Ieven zelfwanneer God bet
vraagt, die door eenen wettigen bedienaar bij middel van vernieti-

�VIERDE DEEL. -

33sto LES, 1sto VR.

991

ging van bet opgedragene aan God gedaan wordt, om te erkennen dat Hij onze opperste Meester is, en dat wij llit hoofde der
zonde de dood moeten sterven.
Wij verstaan gemakkelijk, waarin bet sacrificie eigenlijk
gelegen is, als wij het vergelijken met eene enkele offerande.
a) Wat de zaak betreft, die opgedragen wordt : in de offerande
draagt men aan God alle dingen op, die tot zijnen dienst kunuen gebruikt worden : men kan zicb zelven of andere menscheu
aan God opdragen, met zich zelven of anderen aan zijnen dienst
toe te wijden; en men draagt Hem ook allerhande stotfen op,
die van eenig nut kwmen zijn, om den godsdienst te ondersteunen en te bevorderen, zooals geld en goederen· tot onderstand
der priesters; der goede werken en der heilige plaatsen; gewijde vaten, altaarl\leederen, enz. Maa1· in het sacrificie worden alleenlijk opgedragen, ofwel dingen, die in de plaats gesteld
zijn van het menschelijk Ieven, gelijk bij voorbeeld, spijzen,
· dranken· eri dim·en, welke de mensch tot zijne spijs gebruikt,
ofwel het menschelijk leven zelf, wanneer God dit vraagt,
zooals het geschied is in het sacrificie van Isaac en van Christus.
Nooit draagt men in een sacrificie dingen op, die niet rechtstreeks in betrek staan met het menschelijk leven en zo(J dezes
plaats niet kunnen vervangen, zooals bij voorbeeld: hout, zilYer,
goud, kostelijke vaten, kleederen, enz.; terwijl deze allerbest
voot• eene offerande lmnncn dienen.
b) Het olferen der zaak geschiedt op eene geheel andere wijze .
in het sacrificie dan in de offerande: in het sacrificie wordt zij
opgedragen met ze .ter. eere vm1 God te vernietigen; en in de
offerande integendeel met ze alleenlijk aan den dienst van God
toe te wijden. Abraham, om zijnen zoon Isaac op Gods gebod te
slachtofferen, ging hem dooden; en Chris ius heeftzich op het kruis
geslachtofferd met zich vrijwillig door deJoden te Iaten om 'tIeven brengen; terwijl de levieten in de Oude Wet, de priesters en
de kloosterlingen in de Nieuwe, zich aan Gocl opdragen, met zich

�992

VIERDE DEEL. -

33ste LES, 1s(e VR.

aan zijnen dienst toe te wijden. Insgelijks in al de sacrificien
der Oude Wet vinden wij de vernietiging der opgedragene zaken : de die~·en werden gedood, de spijzen verbrand en de wijn
uitgegoten; terwijl in de offeranden der Oude Wet en in degene
die wij aan God doen, de geofferde zaak niet vernietigd, maar
in haar geheel tot den dienst van Gorl bestemd wordt.
c) De beteekenis der otferande is dezelfde niet als die van het
sacrificie: in de offerande beteekenen wij alleenlijk, dat wij dankbaar zijn of eer willen geven of goed willen doen _aan dengene,
aan wien wij iets offeren; maar in het sacriflcie erkennen wij
dat degene, aan wien wij het sacrificie opdragen, de opperste
Meester is van ons Ieven, en bijgevolg God is, en dat wij schuldig
zijn de dood te sterven om rerlen der ?.onde tegen Hem bedreven.
:Met ter eere van God bet menscbelijk Ieven of in zich zelf of in
een zinnebeeld te slachto1feren, beteekenen wij duidelijk, dat God
de op}lerste Meester is van ons Ieven en van al wat wij hebben,
want hadde Hij geen recbt op ons Ieven, wij 7.0uden het Hem .
niet mogen slacbtofferen. Maar door die daad belijden wij ook,
dat wij schuldig zijn de dood te stet·ven uit hoofde van onze
zonde, want de dood is de straf der erfzonde : bestond de erfzonde niet, de dood zou ook niet bestaan, en derhalve, met nijwillig ons Ieven aan God te slachtofferen, erkennen wij de dood
schuldig te zijn. Wij aanveerden immers daardoor vrijwillig de
straf der zonde. en 7.00 bekennen wij duidelijk dat wij zondaat•s
zijn en die straf verdienen.

d) De offerande verschilt nog bierdoor van het sa,crificie, dat
zij mag geschieden aan allerlei personen •. daar het sacrificie
integendeel alleenlijk aan God mag opgedragen worden; 'twelk
recbtstreeks vloeit ·uit de beteekenis welke aan het sacrificie
en aan de offerande eigen zijn. Aangezien wij door bet sacrificie
beteekenen, dat degene, aan wien wij bet opdragen, de opperste
Meester van ons Ieven is, en dat wij uit hoofde der zonde tegen
Hem bedreven, de dood moeten ondergaan; mag het alleenlijk

�VIERDE DEEL. -

33ste LES, }ste YR.

993

aan God opgedragen worden, dewijl Hij aileen de opperste
Meester van ons leven is, en de dood als straf der .zonde heeft
opgelegd. Door de offerande integendeel beteeli:enen wij alleenlijli:, dat wij iemand dankbaarheid. goedheirl of liefde willen
betoon~n; en dit mogen wij aan allerhande personen doen : aan
God, aan de engelen, aan de Heiligen en aan de menschen.
Ret sacrificie is dan uit zijne natuur eene aide van goddelijke
eer en aanbidding. en zoo komt heL aan God aileen toe.
Hier is llOI!ens de beteekenis van het sacrificie nog bet volgende op te merken : in de erli:entenis van Gods opperste
heerschappij, zijn er nog deze twee andere alden besloten, te
weten, eene akte van dankzegging en eene akte van gebed. Als
men immers God vrijwillig erkent als de fontein van aile goed
en als onzen oppersten Meester; geschiedt er noodzakelijk door
deze erkentenis zelve eene dankzegging over al hetgeen Hij ons
tot him·toe gegeven heefL, en eene bede opdat Hij ons zijne wel. daden zou blijven vergunnen en deze nog vermeerderen. Bijgevolg door het sacrificie beteekenen wij viet• zaken : wij
erkennen God als onzen oppersten Meester, wij bedanken Hem
over al zijne weldaden, wij bidden Hem om nieU\ve gunsten,
wij belijden Hem onze zonden en wij ontvangen vrijwillig de
tegen hen gestelde straf, te weten, de dood. In deze vier zaken
vinden wij de vier hoofdpunten van al onze plichtenjegens God,
en daarom is het sacl'ificie de bijzonderste oefening van geheel
den godsdienst.
4. Welk sacrificie is de Mis? Zij is, zegt de Catechismus, het
Sac--n'ficie der· Nieuwe Wet.- Hel SaCI·ificie, dat is, het eenig
en het eigen Sacrificie, van de Nieuwe lVel, in andere woorden, van den godsdieust door Christus ons geleerd en opgelegd,
die de Nieuwe Wet genoemd wordt in tegenoverstelling met
den godsdienst door Mozes aan de Joden gegeven, welke de
Oude lVet geheeten wordt. De l\Hs is dan het Sacrificie, dat aan
den godsdienst door Christus ingesteld eigen is. en het eenigste
Sacrificie van dien godsdienst.

�994

VIERDE DEEJ.. -

33516 LES, 1910 VR.

5. Wat wordt er in het Sacrificie der Mis opgedragen1 In de
Mis, zegt de Catechismus, wm·dt het lichaam en bloed van
Clu·istus, on.ze?t Zaligmaker, aan God den Vader opgcofferd.
- Het lichaam en bloecl van Chdstus, onzen ZaUgmaker,
dat is, de menschelijke natuur van Christus, of Cbristus als
mensch. Bijgevolg het slachtoffer, welk in de Mis opgedragen wordt, is Christus zelf als mensch.- Aan God den Vader
O]Jgeo{fe1•d wordt; wordt dan de Mis aan God den Vader alleen,
en niet aan God den Zoon en aan God den H. Geest.opgedragen1
Geenszins; zij wordt opgedragen aau de drij goddelijke Personen: Christus als mensch wordt er geofferd aan God den Vader,
aan zich zelven als God, en aan God den H. Geest. Christus,
dewijl Hij twee naturen h~eft, otfert zich zelven als mensch aan
zich zelven als God op. De Catechism us zegt bier : aan God den
Yade1· opge9{ferd wor·clt, omdat de vereering, die uit het
Sacrificie voortkomt, aan den Vader, dien wij meer dan den
Zoon en den H. Geest almachtig noemen, toegeschreven wordt;
alsmede om wel te doen verstaan, dat Christus, de tweede Persoon der H. Drijvuldigheid voor ons mensch geworden, als God
van den Vader onderscheiden is, en van Hem voortlwmt.
6. Maar indien in een sacrificie, de geofferde zaak moet veJ'nietigd worden, hoe wordt Christus in de H. Mis geslachtofferd;
hoe wordt zijne menschelijke natuur daar vernietigd 1 In tie
Mis sterft Christus niet, gelijk Hij op bet kruis geston•en is;
zijn lichaam wordt daar van zijn bloed niet gescheiden, gelijk
dit op het kruis is gebeurd; want Hij is met ziel en lichaam,
gelijk Hij nu glorieus in den hemel heerscht, onder de beide
gedaanten van brood en wijn wezenlijk tegenwoordig. Noglans,
al ondergaat Christus in de H. Mis geene ware dood, gelijk Hij
op het kruis onderstaan heeft, Hij ondergaa:t er toch eene wa,re
slachtoffering.
Men stippe eerst met aandacht aan, dat de vernietiging,
waardoor de geotferde zaak in een sacrificie geslachtofTerd

�VIERDE DEEL. -

33~1o LES 1 tste VR.

99&amp;

wordt, noodzakelijk de natuur volgt van de zaalt, die te vernietigen is. Zoo wordt bet brood verbrand, de wijn· uitgP.goten, de
dieren gedood; en bijgevolg moet de vernietiging, waardoor
Christus, die nu glorieus in den hemel heerscht en onsterfelijk
is, geslacbtofferd wordt in de Mis, overeenstemmen met dien
staat in welken Christus zicb. bevindt. Om die vernietiging,
welke Christus in cle Mis ondergaat, wel te verstaan, moet men
in aandacht nemen dat er in de menschelijke natuur een dubbel
leven kau o:11derscheiden worden : het inwcndig Ieven, dat
in de vereeniging van het lichaam met de ziel best.aat, en bet
uitwen&lt;lig. 'twelk gelegen is in het voorkomen of in den uitwemligen vorm van eenen levemlen mensch, en in de behendigheid des lichaams om zich uitwendiglijk te bewegen, en al
de tiitwendige we1·li:en te rloen, die eenen mensch eigen zijn.
We.lnu, in ue H. i\Iis worllt Cllristus tegenwoordig gesield, niet
van het inwendig maar van bet uitwendig Ieven be1·oofd, en zoo
· wordl H.ij rlaar \Vaarlijk in zijn uitwen•lig Ieven geslachtofferd.
Inderdaad, Hij wordt datu· tegenwoordig gestehl onder de gedaanten van brood en wijn; en in dezen staat is Hij gansch van
bet uitwenclig leven beroofd. Hij heefl daar het voorkomen
of den uitwendigen vorm niet van eenen levenden mensch, maar
van levenlooze zaken, van brood en wijn; en Hij is daa1;
onbelnvaam om de bewegingen en de uitwendige werken, die
den mensch eigen zijn, te verrichten, rlewijl de naluurlijke
vorm des lichaams daartoe vereischt is. Zagen wij, bij voorbeeld,
cenen mensch, die door een mirakel Gods onder de gedaauteu
van brood en wijn zou geplaatst zijn, icdereen zou voorzel;:er
zeggen dat die mensch het uitwendig Ieven volkomenlijk verloren heeft, dat zijn uitwendig leven vernietigrl is, dat hij voor
de samenleving wezenlijk is als ware hij doorl. Welnu Christus
wordt iu zulk eenen staat gesteld in de H. Mis; en zoo verstaau
wij gemakkelijk hoe Hij door de cousecratie, door deweike Hij
onder de gedaanten vau brood en wijn worrlt gesteld, waarlijk

�\l96

YIERDE DEEL. -

33s!e LES, 2do YR.

van zijn uitwendig Ieven beroofd, en zoo wezenlUk in dat Ieven
geslachtofferd wordt. En men merke ten slotte op, dat deze
slachtoffering juist ove1;eenstemt met den verheerlijkten staat, in
welken Christus zich nu bevindt. Hij kan niet meer sterven; en
daarom is de dood de wijze van slachtoffering niet meer, die op
Hem past; maar Hij kan onder eene vreemde uitwendige gedaante
geplaa_tst, en zoo van zijn uitwendig leven beroofd worden; en
diensvolgens vind~n wij dam·in de rnanier van slachtoffering,
die met zijnen glorieuzen staat overeenstemt.
In het laatste avondmaal was Chl'istus sterfelijk en Hij kon
bijgevolg zich toen slachtolferen met eene ware dood te ondergaan. Doell nam·t.lien Hij op eene andere wijze, te weten, op het
kruis moest sterven, en dat Rij daar een sacrifi~ie instelde,
waarin Hij na zijne glorieuze verrijzenis moest geslachtolferd
worden, heeft Hij zich daar ook moeten slachtofferen met zich
levend onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig te
stellen.

2. V. Welk·sac·rificie is beter dat van de Ottde, o{dat
van de Nieuwe Wet?
A. Dat van de Nieuwe \Vet rs zooveel hete'r, als
Ohristus zelf te hoven gaat al 'de beesten, die toen
geofferd wierden.
l. De Catechismus, om ons de weerde van het Sacrificie der

Mis te leeren kennen, stelt het in vergelijking met de sacrificien
~er Oude Wet door Mozes gegeven, en vraagt of het die sacrifi-

cien in weerde overtreft, of door hen overtroffen wordt. lVelk
sacrificie is beter, zegt hij, dat van de Oude, of dat van de
Nieuwe l:Vet; 'tis te zeggen, welk der sacrificii:in is het weerdigste : is het ons Sacrificie der H. Mis, ofwel de sacrificien die
onder de Oude Wet opgedragen werden ~
2. Hij antwoordt dat het Sac;·ijicie de1· Nieuwe Wet bete?' of

�VIERDE DEEL. -

33500 LES, 2de VR.

997

weerdiger is. - En hoeveel is bet beter of weerdiger dan de
sacrificien der Oude Wet11Iet is zooveel beter, zegt de Catechismus, als Clwistus zel(te boven ,qaat al de beesten, die to en geofferd wierden; dat is, het Sacriflcie derMis is zooveel beter dan
de sacrificien der Oude Wet, als Christus zelf, die in d~ Mis geslachtofferd wordt, al de beesten overtreft, die onder de Oude
Wet geofl'erd warden. - En waaruit volgt dit? Dit volgt uit ·
de natuur der zaak : de weerde van een sacrificie hangt noodzakelijk af van• de weenle van hetgeen geslachtotferd wordt :
hoe weerdiger de zaak is,· welke men opdraagt, hoe weerdiger
het sa~rificie zal zijn : wel!iu het edelste, dat men in de Oude
Wet slachtofl'et·de, waren dieren der aarde, terwijl in de H. i.\'Iis
Christus zelf geslachtotrerd wordt; en derhalve moet het Sacl'ificie derMis zooveel de sacriticien der Oude Wet in weerdigheid overtretren, als Christ us zelf de dieren. die toen geslachtofferd werden, te boven gaat. -En hoe ver ovettreft C!Jristus
de dieren in weerdigheid1 Hij overtreft ze oneindig; een enkel mensch overtreft reeds zeer ver de dieren in weerdigheid;
doch Christus is niet alleenlijk mensch. maa.r ook God, en zoo
overtreft. Hij,ze oneindig, daar Hij als God, aile schepselen oneimlig in \veerdQ. te boven gaat.
8. Is het Sacrificie der Mis min weerdig of weerdiger dan
het Sacrificie van het kruis? Het heeft dezeltde weerde, aangezien hetzelfde slachtotrer voor de twee Sacrificien dient : dezelfde Christus, die op ltet kruis is gestorven, wordt ook in de
l\Iis geslachtotrerd. -Kaner een weerdiger Sacrificie bestaan,
dan dat van de H. Mis en van het kruis? Neen, dewijl er geen
weerdiger slachtoifer is, dan Christus zelf, die God en mensch
is, en door zijne ~oddelijke natuur eene oneindige weerdigheid
bezit.
4. Betaamt het wei voor de Nieuwe Wet zulk een verheven
sacrificie te hebben, in hetwelk Christus zelf, die God en mensch
is, geslachtoiferd wordt~ Ja, dit is ten hoogste betamelijk. Gelijk

�998

VIERDE DEEL. -

33510 U:S, 3do VR.

het allerredelijkst was dat God, om in de vergiffenis der zonde
zijnc rechtveerdigheid te doen uitschijnen een Sacrificie eischte,
welk volkomenlijk aan zijne rechtveerdigheid voldeed, en zoo
gewild heeft, dat Christus zicq op het kruis slachtofferde; zoo is
betook zeer betamelijk, dat Hij, onder andere middelen om :ons
de verdiensten van Christus' lijden en dood toe te passen, een
sacrificie gewild heeft, dat oneindige weerde bezit om deze toepassing te bekomen, ten einde ons op die wijze te _doen zien, wat
verhevene zaak de vergiffenis der zonde en bet 1.•ergunnen der
gratie is. - In het Oude Testament kon er zulk geen verheven
Sacrificie bestaan, daar Christus nog niet geboren was. De Joden moesten onder de Oude Wet zalig worden door het• geloof
in den toekomenden l\Iessias, en daarom waren hunne ~acrifi­
cii:in zoovele zinnebeelden, die hun het Sacrificie van bet kruis
en bet Sacrificie der Mis voor oogen legden.

V.' Welke zijn de bijzonde~·ste en n.oodigste deelen.
de,· Mis?
A. De consecratie of verandering van brood en wijn in
het lichaam en bloed van Christus, die door den
3~

priester zich zelven opoffert; en de nutting.
l. Tn de godsdienstoefening, die wij J1fis noemen, zijn er vee!

verschillige deelen te onderscheiden. Daarom zal de Catechismus ons in deze vraag leeren, welke de biJ:sonderste en de

noodi'gste van die cleelen ziJn; dat is, welke van al die deelen
de bestanddeelen zijn van het Sacrificie der l\fis, of welke van
aldie deelen de natuur van het Sacrificie der Mis uitmaken,
zoodanig dat dit Sacrificie niet meer zou bestaan, of ten minste
niet meer volkomen zou zijn, kwam er een van deze te ontbreken. Doot' de bijzonderste en noodigste declen eener zitak verstaat men immers altijd die deelen, die de natuur van die zaak
uitmaken, of waardoor zij zulk eene zaak is en niet eene andere.

�VIERDE DEEL. -

33 816 LES, 3de VR.

999

2. De Catechism us antwoordt, dat de bijzonderste en noodigste
deelen, of de bestanddeelen der Mis deze twee zijn : a) De con-

se(:ratie of verandering van brood en wijn in het lichaam
en bloed van Christus, die do01· den priester zich zelven opoffert; en b) de nutting.
3. Het eerste bestanddeel is de consecratie. Wat is de consecratie~ Het is, gelijk de Catecbismus zegt, de verande1·ing
van brood en wijn in het lichaam en bloecl van Chn'stus. Hoe
deze verandol'ing, door de woorden die de priester spreekt, geschiedt, hebben wij in de &lt;fdo vraag der voorgaande les gehoord :
door die \VOOrden wordt Cliristus daar waarlijl\. met ziel en lichaam. gelijk Hij nu glorieus in den heme! is. onder de gedaanten
van brood en wijn tegenwoordig gesteld. - En hoe is de consecratie een bestanddeel der H. Mis? Zij is noodzakelijk het
eerste en het bijzonderste be·standdeel van dit Sacrificie, dewijl

Clu·istus zich zclven doo1· den p1·ieste1· daar opo{fcd of
slachto{fat. Hoe slachtoffert Christus daar zich zelven door
den priester? Bij middel van de woorden welke de priester
spreekt, stelt Christus zich tegenwoordig onder de gedaanten
van brood en wijn, en JH~emt derwijze eenen staat aan, waarin
Hij wezenlijk ueroofd is van het uitwendig Ieven, of voor bet
uitwendig Ieven zooveel is. als ware Hij dood; en door het aannemen van dien staat, slachtofrert Hij r:ich waarlijk aan God.
De consecmtie, gelijk wij weten, geschiedt onmiddellijk voor
dat de priester de he.ilige hostie en den kelk aan het volk toont.
4. De nutting is het tweede bestanddeel van bet Sacrificie
der i\Iis. Zij geschiedt op het einde der Mis. nadat de bel drijmaal geklonken heeft voor het .. Domine non sum dignus, etc;
•· Jlee1· ik ben niet weerdig, enz., ., en zij bestaat gelijk de naam
het aanduidt, in het ontvangen van het lichaam en bloed van
ChrisLus onder de gedaanten van brood en wijn.
Door wie moet het lichaam en bloed van Christus in de M1s
genut worden? Het moet altUd genut worden door den priester,

�1000

YIERDE DEE! .. -

33ste LES, 3do VR.

die de consecratie gedaan hecft; en kwam. deze na de consecratie ziek te worden of te sterven, een andere priester, die daar
tegenwoordig .is of die ergens gevonden kan worden, moet in
zijne plaats de nutting doim, zelfs al ware hij niet meer nuchter.
wat de.aanwezigen betreft, het is wel de begeerte van Christus
en der H. Kerk, dat zij ook de H. Communie met den priester
ontvangen; doch dit is tot llet volmaakt wezen van bet Sacritlcie niet vereiscllt : het Sacrificie der Mis is geldig en volkomen, zonder dat de aanwezigen de H. Communie met" den priester
ontvangen.
.
Is nu de nutting,des priesters zoo noodzakelijk tot bet Sacrificie als de consecrahe? Geenszins; want de consecratie is volstrekt vereischt tot het wezen van bet Sacrificie, terwijl de
nutting alleenlijk dient om bet Sacrificie te voltooien of te. voltrekken. Neemt de consecratie weg, en daar is geen sacrificie
~eer; neemt de nutting weg, daat· blijfL wel een sacrificie, nogtans alleenlijk een sac1·ificie dat verminkt of onYoltrokken is.
Evenals er tot ~e menschelijke natuur eene ziel en een lichaam
volstrekt vereischt zijn, en er geene menschelijke natuur meer
bestaat, wanneer Mm van die deelen ontbreekt, zoo is ook de
consecratie tot het Sacrificie derMis volstrekt noodig; en kwam
zij te ontbreken, de Mis zoude geeu sacl'ificie meer zijn. :rvraar
gelijk een m~nsch toch mensch blijft, al heeft hij, bij voorbeeld,
bet gezicht verloren, doch door dil verlies een onvolmaakte en
verminkte mensch is geworden; zoo ook blijft de Mis nog een
waar sacrificie, al ontbreekt haar de communie des priesters,
doch zij is in dit geval een onvolmaakt of verminkt sacrificie.
En hoe is de communie des priesters vereischt opdat het Sacrificie der Mis zou voltrokl;:en of voltooid zijn ¥ In de sacrificiiin van de Oude Wet, welke bijzonderlijk geofferd wierden,
niet om de goddelijke gramschap te verzoenen, maar om God,
met wien men verzoend was, te bedanl;:en over de vergifl'enis
der zonden en andere weldaden, en om nieuwe gunsten ar te

�VIERDE DEEL. -

33•10 I.ES, 3~ 0 Vll..

1001

smeeken, en die daarom m·ede-sac;·ificien genoemd wierden,
moest, volgens de goddelijli.e voorschriften, een dee\ van het
slachtoffer door de priesters en de offeraars geuuttigd wonlen; err
dit was bevolen om de natuur van die sacrificien te doen zien, om
namelijk den vrede uit te drukken, welke tusschen God en de
offeraars heerschte. De geofferde zaak was de ware eigendom
Gods geworden; en zoo was die nutting als eene gorldelijli.e maaltijd : 1ie offeniars nuttigden spijzen. die aan God toebehoorden;
zij zaten als aan Gods tafel : waardoor duidelijk uitgedrukt
werd, dat zlj waarlijk met God in vrede waren. Welnu het
Sacrificie der Mis client ook rechtstl'ceks, niet om te Yoldoen
voor de zonden, maal' wel om God I.e bedanken en om nieuwe
weldaden van Hem af te smeeken, en maali.t bijgevolg een
waal' nede-sacrificie uit. Immel's door het Sacrificie des kruises
heeft Christus teenemaal voot· onze zonrlen voldaan; en in de
i\fis slachtoifert Hij zich niet meer, om eeue nieuwe voldoening
voor onze zonden aan te bieden, maar om God over de gratie der
Yerlossing te bedanken en om de toepassing zijner vel'diensten
op het kruis verworven, af te smeeken. Daar nu tot de voltrekking der Vl'ede-sacrificien de nutting des s\achtolfers vereischt is,
moest ook in de H. Mis, die een waar vrede-sacrificie uitmaakt,
de H. Communie of het nutten van het lichaam en bloed van
Christus, in de consecratie geslachtofferd, plaa.ts grijpen : rleze
H. Communie moet li.omen uitdruli.ken, dat rlit Sact·ificie derMis
niet dient om aat1 God opnieuw voor de zonden te voldoen, maar
om God over de gratie del' Verlqssing te bedanken en de toepasging van Christus' vertliensten te bekomen; zij moet li.omen duidelijk te kennen geven, dat door Christus' dood op het li.ruis,
Go:l met het menschdom verzoend is, of dat er nu v!'ede is tusschen God en het menschdom. - Om deze reden l1eeft Chrislus
duidelijk aan zijne Ap9stelen bevolen de H. Communie bij de
consecratie te voegen; Hij heeft hun immers in het laalste
avomlmaal opgelegd dit alles te doen, wat Hij had ingesteld, te

�1002

V!ERDE DEEL. -

::13 5 1° LES, 4do VR.

weten, zijn lichaam en zijn bloed onder de gedaanten van brood
en wijn tegenwoordig te stellen, en bet onder die gedaanten te
nutten.
Men merke op, dat de nutting nog allerbest dient, om te beteeli.enen hoe Christus zich in zijne slachtoffering in onze plaats
stelt, in onze plaats God aanbillt en !Jedankt, en van Hem
nieuwe gratien en vergiffenis onzer zonden afsmeekt. Met zich
aan ons te geven, toont Hij dat Hij alles, wat Hij daar doet, voor
ons Yerricht, en maar Mn geestelijk lichaam met QHS uitmaakt.

4. V. l'Vie ltee(t de eerste 1.l:Iis gedaan?
A. Christus, onze Zaligmaker, in het laatste avondmaal, en na Hem de heilige Apostelen.

.

l. Hier begint U.e Catechismus over den oorsprong U.er
H. :1\Iis te handelen. Hij uaagt, door wien de eerste Mis is gedaan geweest; door wien voor de eerste maal dit Sacrificie aan
God is opgedragen.
2. In zijn aniwoord leert hij ons a) wie de eerste Mis gedaan
heefi, b) wanneer de eerste :i\fis gedaan geweest is, en c) wie de
eersien na de eerste opoffering ze opgedragen hebben.
3. 'Vie heeft de eet'ste :Mis gedaan 1 De CaLechismus antwoordt : Ch1·istus onze Zaligmake;·, 't is te zeggen, de Zoon
Gods mensch geword.die ons door zijne dood de deur des
hemels is komen openen en zoo onze Zaligmaker is. Bijgevolg
datzelfde sacrificie der Mis, 'twelk wij dagelijks in onze kerkeu
zien opdragen, is de eersie maa.l door Christus zelven opgedragen geweest.
4. \Vanneer is de eerste Mis gedaan gewee~t? Dit !is gebeurd,
gelijk de Catechismus zegt, in !tel laalste a·vonclmaal, dat is, in
het avondma~l dat Christus te zamen met zijne Apostelen, den
avond voor zijne dood g-enomen heeft (zie de 32•tc les, 1 vr.).
Hoe heeft Christus daar de eerste Mis gedaan ~ Hij heeft daar,

�HEROE DEE! •. -

1003

33st•&gt; I.ES, 4~e YR.

gelijk \Vij reeds gehoord hebben, bet brood en den wijn door !let
uitsprekell der woorden : dit is mijn licltaam ; dit is mijn
bloed, waarlijk in zijn licllaam en in zijn bloed veranrlerd; en
door die legenwoordigstelling van zijn lichaam on zijn bloed
onder de genoemde gedaanten heeft Hij r.ich ges\achtofl'erd, gelijk hierboven uitgelegrl ge,vcest. is. Zelfs \weft Christus li.laarlijk
aan zijne Apostelen te kennen gegeven, dat Hij, met r.ich onder
de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig te stollen r.ich
wezenlijk ge~achtotTcrd had; want zijn lichaam en zijn blood te
nutten gevende, \weft. Hij ger.egd : dit is mijn lic:ltaam dat t~oo1·

u O'l:e;·gclcvei'Cl is; clit is mijn blocd, dat -voo1· u -vc;·goten is;
en der.~ woorden o~:c;·gclcve;y[ en -ve;·goten beleelwnen on get wijfeld, volgens de algcmeene spreckwijze del' H. Scllrifluur, niets
and~I'S dan (\en slaat van s\achtofi'el'ing. - Vcrders, huiten de
consecralie heefl daai' ook de uulling plac,ts gehatl, rlie hel Sacrif!._ci~ dcr 1-.Iis volmaakt of voltrekt. Chl'istus heefL imme1·s zij 1 ~
'iichaam en r.ijn blood aan r.ijne Apostelen te nulten gege\·en. Of
Hij r.elf zijn eigen lichaam en hloell genuttigd heefL, welcn wij
met zekerheid niet: doch dit doct nieis tel' zaal\. Want er zijn
gevallen, gelijk wij hooger gezegd hebben. in dewelke de H. Com;
munie niet door den priester r.elven. die de consecraiie gedaan
heeft, maar door eenen anderen ontvangen wonlt. \Velnu,
Chrislus, die de insteller was van dit Sacrificie en de Wetgever
van bet Nieuw Verbond, kon zeke1' zich zelven ontstaan van de
H. Communie, omdat Hij misschien oordeeldc dat het voor Hem
niet betaam1le zijn eigen lichaam en hloell te nuLten. - Men
geve er acht op, dat, alhoewel het twijfelachtig zij, of Christus
zijn lichaam en zijn bloed in het laatste avondmaal genuttigd
hebbe, het nogtans klaar bewer.en blijft, dat uit Christus· instelling de priesLe1·, die de consecratie gedaan !weft, ook de nutting
moet doen. De nutting is itnmers door ChrisLus· instelling Yoorzeker een voltooielul en voltrekkend deel der Mis; welnu, 't is
11oodzakeijjk 'de plicht van degenen, die het Sacrificie heeft beG

�100-l

VIEIWE IJEEL. -

33stc LES, 4d 0 \'R.

ginnen opdragen, dit ook te voltooien en te voltrekken; en bijgevolg, moet de priester, rlie de consecratie gedaan heeft,
ook het lich[tam en· bloed van Christus in de nutting ontvan gen.

::&gt;. Wie bebben na Christus het H. Sacrificie der :1\iis eerst opgeofferd1 fle heilige AlJostelen, gelijk de Catechismus zegt. Christus heeft immet•s in het laatsle avondmaal aan zijne Apostelen de macht en het gebod gegeven ·ran te doen tot zijne
gedachtenis wat Ilij gedaan had; 'tis te zeggen._ van het Sacrificie dat Hij !laar opgedragen had, tot het einde der wereld,
ter gedachtenis van z:jne dood en zijn heilig lijden, in de H. Kerk
te herhalen. Dat de Apostelen van !tunne macht gebruik hebben
gemaal\t en Chrbtus' gebod volbt·acht helJben, getuigen ons
duidelijk de HH. Schriften van hel Nieuwe Testament. "r;.1 het
boek van de HatHlelingen der Apostelr.n (II, '12.) leeren wij reeds
iwe de geloovigen. die zich op het Sinxenfecst bekeerd hadden,
volhet·dden in de gemeenscltajJ ·am !tel br·eken des b;·oods, ~
dat is, in het bijwonen van het Sact•it1cie det• l\Iis en in het nutten van Christus' Iichaam en bloed onrlet· !le ~lis. - In bet
twintigsle hoofdstuk van helzelf(le boel\, v. 7, Iezen wij insgelijks : •· Op den ee;·sten dag dei' week nu, als wij bijeen gelwmen ww·cn om b;·ood te b;·e!wn, ·• dat is, om het II. Sacrificie der ?\lis op te dragen, en .Jezus' lichaam en blocd te nutten.
- En de H. Paulus spt·eek t van het celebreet·en der ill is en Yan
het ontvangen cler H. Communie als van eene ;,aak, die gedurig
geschietlde : in zijnen eerslen brief tot de Corinthiers (X, 16),
zegt hij : •· Is niet de lwlk dei' ::;egening, dien wij z_egenen,

eene gemeenscltap met ltet bloed van Clt1·istus; en lzet b;·oocl,
dat wij b;·elwn, is hel niet eene gemeensclwp met ltet liclwam
des Jlee;·en? .. 'tis te zeggen, is niet bet brood en de kell\, die
wij consacreeren in fle Mis en in de nutting ontvangen, eene
nutting van het lichaam en IJloed van Christus. Verders in bet
TOIO'ende hoofdstuk van denzelfden brief handelt hiJ' breedvoeri(J'
0

•

"

�YIERDE DEE!.. -

33' 1 ~ I.E3 5de, \'R.

1005

over degenen, die onweerdiglijk het lichaam en bloed ,·an Christus onder de ~ns nutten.

5. V. Van waa1· kornen at de cerenwnii!"n dm· Mis?
A. Van de Apostelen en van andere oversten der
H. Kerk.
1. Buiten de twee hoofddeelen, te weten, de consecratie en de
nutting, die door Christus zelven ingesteld zijn, vindeu wij in de
Mis nog vele andere dingen, die geene hoofll- of besta!Hldeelen,
maar alleenlijk ce;·emonien zijn. dat is, zulke deelen zonder dewelke het Sacrificie lwn bestaan en zelfs voltrokli.en en voltooid
zijn, maar die er bijge..-oegd zijn geweest, opdat het met meerder
eer zou opgedragen worden, en wij er beter de kracht van zouden leei'CU keunen. {Zie de 29'1'' les, 8'1" VI'.) - De Catechismus
vraagt hier, van waar die ceremoniiin voortkomen, van wic zij
• ingesteld zijn.

2. Hij antwoordt llat zij komen ·van de .Aposlelen en Dan anKomen zij dan Y&lt;Ul Christus
niet, ge!Uk de consecratie en de uniting:? Neen. Van wie zijn zij
dan ingesteld? Van de Aposlclcn en van ande1·c ove;·sten de;·
II. Ke;·k; dai is, zij zijn ingcstelll ten deele door de Apostelen,
en ten deele door andere overslen der H. Kerk, namelijk, door
de Pausen en de bisschoppen, die de Apostelen opgevo\gd
hebben.

cle1·e O'l:ei'Slen der II. J{e;·k. -

Van de .Aposlelen : het is buit.en twijfel, dat reeds de Apostelen ceremonien hebben ingesteld voor de H. :\lis. Zoo zien wij
in het boek van de Hamlelingen der Aposlelen (U, :12), dat zij
van in het begin bij de breking des broods, dat is bij het Saci'ificie
derMis, onrlerrichtingen en gebeden voegden; en de H. Paulus
(I. Cor. XI) tle Corinthiers berispende over de manier, op dewelke zij onder de 1Iis de H. Communie ontvingen, schrijft
hun, dat hij zelf zoude komen om dam·toe de nooclige schikkin-

�IOOG

\"lERDE DF.E!,. -

33 810 !.ES, 5' 10 YR.

gen te nemen. Bovendien bestaan er verschillige kel'l~oformulie­
ren die namen van Apostelen dragen : zoo bestaat er eeue li turgie
van den H. Petrus. van den H. Jacobus, van den H. !\Iattheiis
en van den H. Marcus; en alhoewel het algemeen aangenomen
is, dat tleze liturgien van die Apostelen en Evangelisten niet
voortkomen in den vorm welke ?.ij nu hebben. is het nogtans
zeet• waarschijnlijk. dat zij gi'Ootemleels gemnal;.t zijn uit de gebruiken, die in rle li:erken doot• flie .A]iostelen en Enlllgelisten gesticht in voege waren.
•

En van andere orei'slen dei' H. Ke;·k : de ceremonien, die
ingestel&lt;l en overgeleverd geweest waren van de Apostelen, zijn
nadien door de Pausen en bisschoppen, nilgens den eisch der
omstancligheclen, eenigszins veranclerd, vermindercl of vcrmeerdet•d of andet·s gerangschikt geworden. "\I fie ouclc liturgien bevaHen de offeramle vim brood en wijn tot het Sacrificie bestemd,
lezingen uit de I-1. Schriftuur en de mm·telaarsboelwn getroklwn,
onflerrichtingen van flen priesier die celebreercle, en menignlclige gebeflen en ge1.angen. - De canon of de gebeden welke van
na de prefat.ie tot het einde rler nutting (l) in de romeinsche liturgic, die hier in gebruik is, voorkomen, zijn van de zescle eet;w
tot onze dagen onveran,lerd blijven bestaan. ln het boelt de1·
Sacl'ctmenten van Pans Gelasius ("f 400). 'twelk in IGSO te Rome
is gedrukt gewecst, vinden wij geheel den canon, dien wij hedeu
gebruiken. En daar die gebeden gedurende zooveel eeuwen ongeschoncleu bewaanl zijn gebleveu, moe ten wij nooclzali:elijk
denken, dat ?.ij zeer oud zijn en ongetwijfeld, ten minsic gl'OOtendeels, uit de gebruiken der eerste ttjden van de T-1. Kerl\
voortkomen.

(1) Doze gch~dcn.. worden canon, dnt is, n"clttsnoeP, 1·cgcl, 1:oo 1·sch 1·i(t,
genoenHl, o~d:t~ ZIJ ccne ~nverandcrlijke ordo van gellodon uitmaken,
well•e dagehJlts m de I-I. ;\i1s wordt llehoudon, terwijl rlo andere gebeden
verschillen ,·olgens het zon- week- of feestdag is.

�VIERDE

u:mr•. -

33ste LI&gt;S, ()dO VR.

1007

G. V. ~Vam·toe dienen de cerernonil/n, die zn de 1Vis
geu;·uikl wonlen?
A. 'rot gedachtenis en veebeelding van de dood van
Cheistus.
l. De Catecbismus, na gezegd te hebben, van waar cle ceremonien voortkomen, vraagt nu, \Vam·toe zij dienen, of tot wat
eimlc zij ingesteltl zijn. - Men rnerke op. dat al de ceremonien
der HH. Sacr~tmenten en cler H. l\Iis in 't algemeen ingesteld
zijn, opdat de HH. Sacrarnenten met meerder eer bediend en de
H. i\lis met meenler eeropgeofferd zouden worden, en ook om ons
de kracht derzelYe beter voor oogen te leggen; maar hoven die
algemeene bestemming kunnen zij ernog eene bijzondere hebben;
en ·t is van deze bijzondere bestemming, dat de Catechismus
spreekt, als hij vraagt, waartoe de ceremonien 1\er H. i\lis
dicnen.
2. Hij antwoordt, &lt;lat zij in 't bijzoncler ingestehl zijn : lot gedachlenis en 'CCi'bcclding um de dood ran Chi'istus; dat is,
om,ons Christus' dood indachtig tc maken en ze op ecniger wijze
voor onze oogen te verbeelden. - Hebben nu alle de ceremonien
der H. Mis die beteekenis; dienen zij allen rechtstreeks om ons
de dood van Christus indachtig te maken en ze ons te verbeelden? Geenszins; de Catechism us leert dat niet : hij spreekt maar
van het bijzonderste deel dier ceremonien, of van al de ceremonien te zamen genomen. Er zijn er immers wet, die de genoemde
beteelienis niet hebben.
En waarom zijn de ceremonien tot gedachtenis en verbeelding
van Cbristus' dood ingesteld 1 De reden daarvan is de volgende :
Christus zelf heeft gewild. dat bet Sacrificie der Mis eene
gedachtenis zoude wezen van zijne dood op. het kruis, en Hij
heeft zelf de H. Mis op zulk eene wijze ingesteld, dat zij ons
duidelijk voor oogen zou leggen, hoe Hij voor ons is gestorven
en ook hoe zijne dood eene bloedige dood_ is gewe~st. W!'llnu,

�1008

\'IERDE DEE[,, -

33sto LES, jdo VR.

indien Christus die gedachtenis en die afbeelding bijzouderlijk
voor oogen had, moest zekerlijk ool( de H. Kerk tot dat zelfde
einde hare ceremonien doen dienen, om zoo Cht·istus· inzichten
te volgen.
3. De bijzonderste ceremonien der .Mis, die U.e H. Kerk rechtst:·eeks ingesteld heeft, om ons de dood van Chrislus indaclttig
te waken en te verbealden, zijn : a) bet kruisbeeld dat in het
midden van het altaar, waarop de H. i\iis opgedragen wortlt,
moet prijken; b) de verschillige kruisteekenen, dioJ de priester
maakt over het brood en den \vijn v66r de consecratie en over
het lichaam en bloed van Christus na de consecratie; c) de
uitdrukl;:elijke hel'iuneriug van Christus' dood in vele gcbedeu
der l\Iis; d) het kruis dat op de kazuifel van den priester geteelwnd staat.

1· ·v. lVie one1·t aan God hel SacJ'l'/icic?
A. Ch1·istus zelf is de voornamnste; mam· de })l'iestel' ·
is ziju dienaal' in bet offerm1.
l. Tot het opdragen ntn een sacrilicie is er uoodzakelijk een

offeraar van noode; welnu, de Catecltismus zal ous hier leeren,
wie de offeraat· is .-au het H. Sacl'ificie der i\Iis. lVic of!'ei·l,
zegt hij, aan God ltet Saci'ificie, 't is te zeggen, \Vie heeft de
macht, om aan God dat Sacrificic, waarvan wij hier spreken,
te welen, bet Sacrificie der l\lis, op te dragen. - Om het in
't voorbijgaan aan te stippen, het offeren .-an een Sacrificie
bestaat in deze twee dingen : in het vemietigcu of slachtofferen
der offerande, en in dezc slaclltotlering tc doeu ter ecre Go1ls.
Zander bel eersie zou er op geener wijze een sacrificie zijn; en
zouder bet tweede zou de vernieliging of slachloffering der
offemnde geen godsdienstig werk wezeu.
2. De Catecbismus antwoordl, dal Cln·istus zel( de -vooi·-

naamste is in ltet o{fc;·en, llutw· dat de 1wicste;· ::.iJn. dicnaw·

�YIEfWE DEEL. -

33ste I.ES, jde YR.

1000

dam·in is.- Door hoeveel en door welke olferaar~ wordt dan
het Sacrificie der Mis opgedragen1 Door twee, namelijk : door
Christus en door den priester.
i\Ien mcrke we\ op, dat Christus olferaar is van het Sacrificie
der i'dis niet als God, dewijl Hij als God door het Sacrificie moet
vereerfl worden, maar a\s mensch. Door zijne menschelijke natuuris Hij aan ons gelijk, en kan I-Iij bijgevo\g vo\gens die natuur,
1.0owel als een andere mensch, olferaar van een ~acrificie zijn.
Hoe olfererto Christus en ile priester te zamen dit Sacrificie1
Christus, zegt de Catechismus, is de 1)00?'naamste in het otferen; en de priester alleenlijk zijn dienaw· in dat werk; 'tis te
zeggen. Christus is de eerste en de bijzonderste otferaar van dit
Sacrificie; en de priester is in dit Sacrificie alleenlijk zijn medehelper.
Hoe is Christus de voornaamste in het olferen1 De slachtolfering van het Sacrificie der :\lis bestaat eigenlijk, ge\ijk \Vij reed&amp;
· gezegrl hebben, in de tegenwoonligstelling van Christus onder
de gedaanten van brood en wijn. Welnn, deze tegenwoordigstelling geschieclt eerst en vooral, niet door den wil en de macht
van den priester, maar wel door den wil en door de macht van
Christus : zij geschiedt itnmers door eene bovennatuurlijke
wel'l\ing die dP.n wil van Christus' menschelijke natuur altijd
volgt; en zoo komt zij eerst en Yooral voort, niet van den priester, maar va.t Christus zelven.
En hoe is de priester Christus' rlienaar in het offeren 1 Alhoewel Christus' tegenwoordigstelling onder de gedaanten van brood
en wijn bijzonuerlijk door Hem zelven geschiedt, brengt Hij ze
nogians door zich zelven alleen niet teweeg: want Hij stelt zich
onder die gedaanten tegenwoordig, alleen bij middel van de
wooruen die de priester in de consecratie· over het brood en· over
clen wijn uitspreekt. Hij bedient zich dus van den priester om
zich onder die gedaanten tegenwoordig te stellen; en bijge-rolg
is de priester wezenlijk Christus' clienaar in het offeren.

�1010

YrERDE DEEL. -

33510 LES, i 00 YR.

Is de pt•iester, indien hij slechts Christus' dienam· in het olleren is, nogtans ware olferaar van dit Sacrificie? Ja, hij is
wezenlijk olferaar van dit Sacrificie, dewijl het offercn Yan hetzelve van hem afhangt. Christus stelt zich immcn; maar onder de
gedaanten van brood en wiju tegenwoordig·, als de prie:;tet• de
woorden rler consecratie uitspreekt; en zoo haugt het offeren van
dit Sacrificie met der daad van llem af. - i\Ien merke hier op,
dat in llet laatste avomlmaal Christus aileen olferam· ge\veest is;
maar sedert zijne Hemelvaart draagt Hij dit Sacri~Jcie nieL meet·
op, zonder de mede\verk~ng Yan den priester.
3. vVordt dit Sacrificie nu alleenlijk door ChrbLus en den
priester zijnen dienaar opgeolferd; zijn m· geene awleren, die
otferaars van dit Sacrillcie mogen genoemd worden? 't Is Christus en de priester alleen, die de ware oifct·aars nw dit Sact·ificie
zijn; want zij aileen bre11gen de slachtolfering teweeg in tlit
Sacrificie, te we ten, de· tegenwoordigsLelling Yau Christus·
lichaiun en LJ!oeu omlet' de getlaanLen van brood en wiju. l\Iaar
buiten Christus en den priestet•, rlie de ofleraars Yan clit Sacrificie zijn in den eigenlijl,en zin tles woonls, zijn er Yelen, tlie in
een oueigenlijken zin ook olferaars van tlit Sacrificie genoemtl
mogen worden. Dewijl er tot het olferen Yan eeu :-;acrilicie vereischt is, dat men de ollerantle vernietige, en deze Yernietigiug
ter cere Gods doe; zoo znllen al degenen die op eeniger wijze in
eene van die twee dingen metlewerken, zooals degenen, bij voorbeeld, die in het Sacrificie door Cllristus en den priester opgedragen toestemmen, en het met hunnen wil aan God opom~ren,
of die den priester in het celebreeren tier Mis eenigen bij:;land
of hulp aanbieden, met recht, in een oneigenlijken zin, olferaars van dit Sacrificie geheeten worden.
In dezen oneigenlijken zin wordt 1Jet Sacrificie der i.\Iis opge. dragen : a) doo1· gelteel de If. Kerlt, dat is, door geheel de vergaderingvan de waregeloovigen; want uit lwofde der natuur van
de H. l\1is, die voorzeker door Christus als een werk van open-

�\'JF.RDE IJEEI.. -

33stc u:s. gstc VR.

lOll

baren gollsclienst is ingesteld, en ten gevolge van het uitdrukkelijk geborl rler H. Kerlc moeten de priesters in den naam van al
huune broerlers de H. Mis opdragen; b) rloor al degenen, die zich
in den r;cest met Clwistus en den w·ieste;· ve;·voegen: zooals, rle
menschen, die belet zijnde naar de kerk te gaan, te huis de geberlen derMis lezen, en in de olferande, welke Christus en de priester op het altaar doen, tocstemmen en ze God aanbieden; c) door
al degenen, die in de II. Jllis legenwoo;·dig zijn : want rlie de
H. i\Iis bijwon.en. stem men in het Sacrificie toe, rlat daar opgedragen wortlt, en bier.len het.zelve God aan. Gelijk de Heidenen door
het bijwonen der sacrificien van de afgoden. aan die sacrificien
1kel namen. zoo ook nemen wij rleel aan het Sacrificie der :Mis,
met bij deszelfs opofi'ering tegenwoorrlig tc zijn; rl) door al degenen, die in de II. Jfis de II. Communie of wezenlijh of len
minslc op cene r;eeslelijlw wijze onllYmgen, want hierdoor nee rot
men rechtstreeks deel in clit Sacrificie; e) door al degenen, die
•in flct ozHb•agen de;· "lfis den ]Wiesler b~jslaan en hclpen,
zooals clegeneu, clie de l'.Iis dienen, die zingen, die het ambt uitoefenen ''an rliaken of subdiaken, die den priester vragen om de
H. l\'Iis op te olferen, die den priester eene eeregift doen voor
het opolferen der l\lis, enz. - Al degenen, die wij l;;omen op te
noemen, nemen op eene min of meer volmaal;.te wijze eenig deel
in hetgeen Christus en de priester op het al1.aar doen; en zoo zijn
zij inderclaad op eeniger manier, doch in een oneigenlijken zin,
ofi'eraars van dit Sacrificie. Hoe meer zij bijdragen tot het Sacrificie en hoe vuriglijker zij er inwendig in toestemmen, hoe meer
· zij clen naam van olferaars van di.t Sacrificie verdienen.

8. V. lYctl lwnnen wU verkrUgen door het Sac1·ificie
derMis?
A. Vergiffenis van onze zonden, en al wat wij van God
begeeren voor ons zelven of voor anderen, en ook
voor de zielen die in het vagevuur zijn.

�1012

YIERDE DEEL. -

33510 LES, 8810 VR.

l. De Catechismus, na ons gebeel de natuur van het Sacrificie
der :ans te hebben leeren kennen. zal ons nu ten laatste spreken,
van de vruchten well;.e het vom·tbrengt. lT'at lwnnen wij, zeg~
hij, ve1•krijgen door· ltet Sacri{icie de1· Mis, dat is, welke
goederen kunnen wij bekomen bij middel van 1lit Sact·ificie uer
Mis, welk door Christus zelven en uen priester zijnen dienaar
aan God opgedragen worut.
2. De Catechismus zegt OilS uat. wij UOOl' dat Sacrificie lmnnen
beli.Omen: a) ve1··giffenis van onze zomlcn, en b) al wat wij t·an
God begeeren; -en hij leert nog voor wie wij lmnnen bekomen
al wat wij van God begeeren. \Vij kunnen uat bekomen : ·,;om·
ons zelven, zegt hij, of vom· ande;·e;z, en ook vom· de ziclen

dz'e in ltet t'agevutw zijn.
3. Hoe "\"ergeeft het H. illisoffer de zonden 1 Bet ,.e1·geeft ze
niet" rechtstrecks gelijk de Biecht en het bet·ouw: maar het
vergunt zulke hulp, met dewelke men gemakkelijk tot de vergitrenis der zonde li.an geraken. 1'\oglans het vergeeflrech lstreeli.s
de tijdelijke pUnen, die wij nog schuldig zijn te lijden voor ue
reeds vergevene zonden. Deze p~jnen, 1laar zij van de 1.0nde
voortli.Omen, mogen ook onder den naam van zondcn him· veJ'staan worden.
Me11 mag dan niet den ken, dat men met de I-I. Jlis le hooren
of met ze voor zich zelven te doen opdragen, vergifiimis outvangt
van zijne zonden, evenals wanneer men te biecht gaat of een
geuoegzaa~l berouw heeft : rlit Sacrificie neemt onze zonden
niet rechtsb·eeks weg, en slort ons de heiligmakende gratie
niet in, gelijk de HH. Sacr:.unenlen; maar het verzoent God,
uat is, bet verwijdert van ons zijnen wt·eli.enden arm, !lie om
reden van onze zonden op ons weegt, en het bekomt ous oYervloeclige dadelijke gratien, die ons dienen om eene goeue lliechL
te spreken, en om een genoegzaam berouw te verwekli.en.
Het Concilie Yan Trente houut ons uie leering heel duidelijk
voor: •· De Mis, zegt bet, is waarlijli. een zoenoffer, en bet brengt

�\"IEHDE DEE!.. -

33M" I.ES,

gsv. VR •

1013

., teweeg, dat wij, bijalrlien wij met ee1i rechtzinnig hert en een
., waar geloof, met vrees en eerbied, rouwmoedig en hoetveerdig
~ tot God naderen, bermhertigheid verwerven en genade vinden,
., wanneer wij hulp behoeven. lVant de Hee~· dom· deze off"e., ~·mule ·1;e;·::oend, schcnM genade en de gaa(1:an boetvcc1'., digllCid, en Hij vergeeft de misdaden en zelfs de groote
., wnden. ··(Zit!. XXII. I-Ioofdst. II.)
Dat het Sacrificie rler Mis niet rlient om recbtstreel\s de
zonden te w,,rgeven en rle heiligmal\ende gratie in te storten,
gelijk rle Sacrameut:en. hlijl\t heel klaar uit de natuur der zaak
zelve. Dit Sacrificie is imrners geen teel\en vau Christus ingesteld om eene zonderlinge gratie te beteel\enen, en door zich
zelf te geYen, maar het is eene al\tc van aanbidding, van dankzegging, vau gehed en van uitboeting; en daarom kan !let de
uitwerl\sels uiet hebben welke aan rle HI-I. Sacramenten behooren, maar het moet diegene bezitten welke aan de genoemdegods• dienstoefeningen eigen zijn. Daarenboven konden wij door de
I-I. 1\Iis van aile ZOIHlen vergiflenis bekomen, bet Sacrament der
Biecht zoude nu_tteloos worden : en dit bewijst genoeg dat die
lo·acht aan de 1-T. i\Iis niet eigen kan zijn. - Eenige godgeleerden
denken nogta.ns, dat bet MisofTer de dagelijl\sche zonden rechtstrceks vcrgeeft; doch deze leering schijnt niet aangenomen te
kunnen worden, dewijl zij op niets steunt. Een sacrificie is
immers nit zijne natuur geenszins bestemd om eenige ~onde
rechtstreel\s te ve1·geYcn. En men l\an niet zeggen dat de Mis zoowei als de H. Communie rle dagelijksche zonden moet vergeven;
want zij geeft die Yermeerdering niet der Liefde in haar zelve
en in hare vurigheid, welke de H. Communie ons vergunt. en
door dewelke deze de dagelijksche zonden, waarover men eenig
leed wezen heeft, wegneemt.
Doell de I-I. i\lis vergeeft rechtstreeks de tijdelijke pijnen die
wij nog schuldig- zijn te lijden voor ouze zonden. Dit uitwerl\sel
komt haar rechtstreeks toe, dewijl een sacrificie een werk is

�1014

\'IEIUJE llEEI.. -

33' 10 I,ES, ~ste nt.

van uitboeting. En .dat de H. l\Hs dH uiiwerl\sel YOOI'zekel' bezii,
weten wij uit de leering der H. Kerk, die ons zegt, dat de H. l\1is
dient 0111 de zielen des vagevuurs te ve~·Iossen of om hunne pijnen
te verkorten. DienL zij 0111 de zielen des vagevuurs van hunne
tijdelijke pijnen te verlossen, dan moet zij voorzeker dit zelfde uitwerksel voor de levenden hebben; \\'ant aile middelen van zaligbeid, die voor de zielen des vagevuurs lmunen gebruil\t word~n.
dienen eerst en voo1·al voor de levenden.
De middellijke vergiifenis der zopden, en tle onnliddellijl\e vcl'giffenis der tijdelijke straOen wol'den ons !loor heL J-I. l\lisoO'er
gegeven. voor zooveel hei ve1·;;oeneml is, en !licnsvolgens tot de

be;·mlte1·tigheid Gods betl'ekking !weft.
4. Wij lmnnen door het Sacl'ificie tlcr l\lis nog verkrijgen al
wat wij van God begee~·en, d. i. al hetgeen wij door hei gebed

van God kunncn afsmeel\en, te welen, tle dadelijke gratie, 'i zij
om ons te bekeeren, 't zij om ie volherden en &gt;oortgang te tloen
in de deugtl, 't zij om bet kwaad te vluchten; de vergW'enis der
tijde1ijl;.e siraifen; allerhande tijdclijke goetle1·en, tlie ons llioustig
zijn tot tie zaligmaking onzer ziel; vermintlering tler bcl\oringon
en bescherming tegen de vijanden onzm· zaligheid. - Al deze
gunsten kunnen wij door de H. 1\'lis bekomen, voor zoo,·eel zij,
al~ Sacrificie. een waar gebed is, en zoo lot de goedlteid Gods,
die tot het geven genegen en het nooi t moede is, beirekk i11g IJCef'i.
Al wai wij van God mogen begeeren, kunuen wij door de Mis,
gelijk tie Catechismus zegt, niet &lt;]Jlcenlijk voor ons bekomen,
maar ook ·voor ande;·en en ·vom· de ~ielen die in het 1:rtgcruw·
zijn. - Voor· wule;·en, d. i. voor al de golooYigenen zclf:; voo1·
al de andere menschen, die op deze wereltl zijn. - Ku11nen wij
voor de anderen en voot' de zielen des Yagevuurs al die gzmsten
bekomen, welke wij Yan God mogen hegecren? Voor tle ntenschon,
die lev en, kunnen wij ze allen l.Jekomen; maar voor de zieleu des
vage&gt;uurs lmnnen wij alleetilijk ue vergiifenis verkrijgen der
straffen, uie zij Yoor hunne vergevene zonden nog schuldig: zijn

�\'IEHD8 llEEL. -

33" 10 I.ES, 8"'0 YR.

J(JJ5

te lijden : dit is immers llet eenigste goed, dat zij van ons kunnen
on tvangeu, vermits zij in het vagevuur geene ni~uwe gralii~n mee1·
kunneu bekomen en niels meer Yerdienen. - Doell men merl\e
op, dat wij de zieten des vagevuurs door de H. l\Iis niet alleenlijk
lmnnen helpen, meL voor hen door dit Sacrificie de vergili'enis
llllll!Iel' scllulden af te smeeli.en, maar ook nog, met het hun
door den priester te floen loepassen voor zooveel het ·rc;·~oencnd
is.- Dat tlit Sacrificie waarlijk client om de zieten de:&gt; vagevum·s
te helpen, wtmll ons door het Concilie van Trente l\laar voorgesteld : '· Volgens dfl Overlevering der Apostelen, xegl het,
" wordt ueze oflemnde niet aileen voor de xonde~1. slraffen, vol., doeningen en andere behoeften der levende geloovigen, i11aar
·• ook voor degenen, rlie in Christus overle!len en nog niet ten
., voile gczuiverd zijn, met recht opgedragen . ., (Ziit. XXII,
" Hoofdst. II.)
5. Buiten de uucht, die wij voor ons, voor anderen en Yoor
de zielen des vagevuurs uit de I-I. l\lis putlen, bevat dit Sacrificie nog eene allenolmaaksle vereering en aanbidding van God
en eene allerweertligste dankzegging voor de weldaden der
schepping, del' ve!'lossing, onzer bewaring en vool' al ?.ijne
andere onmeethare en ontelbal'e gunsten.
6. Hoe heeft !let Sacrificie de1· 'J.\Iis die vierdubl.Jele wucht;

hoe is het eene allenolmaakste aanbidding van God, en eene
allerweerdigstc dankzegging; hoe is bet Ycrzoenend en hoc heeft
het de kracht om van God te,l.Jekomen wat wij van Hem nagen?
Het is eene alle;·volmaallste aanbiclcling en eenc alleJ·wee;·cligste dankzegging, omdat Chrislus zelf, die Got! en mensch is,
als men::;ch zich in dit Sacrificie slachtofl'ert, om in den naam
van ons allen den hemelschen Vader als. onzen oppersten Heeren
l\Ieeslet· te crkennen en te aanbiduen, alsmede om Hem over al
zijne weldaden te hedanken; en dat die aanbirlding en t.lic dank-~
zegging oneint.lig wcerdig zij1i, dam.· de persoon die ze doet, een
goddelijke pet·soon is. - Bet Sacrificie der Mis zeggen wij ·re1·-.
. \

�1016

VJEltDE DEEL. -

33sto LES, sste VR.

.zoenend te zijn, niet alsof het eene nieuwe Yoldoening en uitboeting voor de zonde aanbood, maar omdat het door Christus ingesteld is om zijne verdiensten door de uitboeting des kruises verwot·ven aan de geloovigen toe te passen. - Eindclijl\ het is uit
zijne natmu· een gebecl, dienstig om allerhunde gnus ten van God
af te smeeken, dewijl Chl'istus zich daar slachtoJTert ten einde
voor ons ten beste te spreken bij zijnen Vader, gelijk Hij in den
ltemel onophondelijk doet.
7. Bij al deze vruchten, die uit de H. ~lis voort,vloeien, voor
zooveel zij door Christus zelven opgedragen word!., moelen nog
gevoegd worden de aanbidding, de dankzegging, de verzoening
en het gebed die voortkornen nit de oJTerande, die de priestet· in
den naam der H. Kerk van dit Sacrificie doet; alsook de aanbidding, de danl;:zegging, de Yerzoaning en het gebed, wclke uit de
opdracht vloeit die de priester in zijnen eigenen naam Yan dit
Sacrilicie verricht.
8. Nu, dat wij reeds weten, welke goederen wij door de
H. l\iis kunnen bekomen en hoe zij ons die goederen geeft, moeten wij nog onderzoeken, wie deze gocdet·en ontvangt. De Catechismus zegt : wat lwnnen wij Yerl;:rijgen door het Sacrificie der·
Mis; hij leert immers niet dat iedet· geloovige al de \'I'Uchten,
die hij opnoemt, uit iedere l\Iis ontvangt. - Wie ontvangt dan
de vruchten der H. Mis?

a) Vooreerst, al de leden der H. Kerk, zoowel de levenden,
als degenen, die in bet vagevuur zijn; en mis~&gt;chien ook al de
menschen~ die buiten de H. Kerk zijn, ontvaugen uit ieder Sa-

crificie in eene zekere maat die gemehle vruchlen, te wcten, de
vruehten van verzoening en V8Jl smeeking : ecnieder nogtans
in evenredigheid &gt;an zijne gesteltenis en zijnc verdiensten. En
het is ongetwijfeld zeer redelijk, dat ieder Sacrificie der Mis aan
al de leden der H. Kerk en zelfs aan al de menschen nuttig weze,
dewijl Christus zelf, die de middelaar is tusschen God en het
.gevalleu memchdom, in lial ~acrificie geslaehtoJTerd · wordt, en

�Y!EROE DEE! •. -

33 510 LES, Sstc Yil..

J017

dat llet eene toepassing is van llet Sacrificie des kruises, 'twelk
voor alle menscllen is opgeolfer&lt;l ge\veest.
b) De priester; die de H. !\lis optlraagt, is voorzel;:er meer dan
de andere geloovigen aan de uuchten van flit Sacrificie d«~elacll­
tig : llet is immers ien hoogste betamelijl;:, dat llij. die de dienaar
van Chrisius is in bel o!feren, en met Christus de slachtolfering
teweeg brengi, in eene gi'ootere maat dan de anderen de genoenule vruchten van dit Sacrificie onivange.
c) Eindelijlt degene, voor wien de priester, als Christus' dienaar, de H. J\lis opdraagt, ontvangt eene ganscll bijzondm·e hoeveelheid van de nuchten der :\Iis. Chris ius lleeft immers gewild,
gelijk de II. Kerl;; het ons leert, dat het H. Sacrificie derMis aan
eenen persoon of aan eenige personen in 't bijzonder door den
priester zijnen dienaar mocht ioegepast worden. en Hij lleeft aan
die toepassing eene gansch bijzondere mededeeling der vruchten
van verzoening en Hn smeeking vastgehecllt. - Het H. Sacrificie b oak aan de zielen des vagevum·s toepasselijk, gelijk wij
alree£le opgemerkt hebben.
. Tot hiCI'Loe hebben \Yij gesprol;;en van de nuchten der
i\fis, die voorilwmen uit bet werk van Chrisius en van den
priesier als Chrisius' dienaal' handelende; en die wij bijgevolg
bekomen, niet uii hooftle onzer eigene verfliensten, maar om
reden nn Christus' \verk. - Van deze vruchten z~in \Yel te
onderS'Cheiden degenc die voortkomen uit de opdracht der Mis,
die gesehiedl door geheel de H. Kerk, door den priest.er in zijnen
eigenen naam handelende, door de geloovigen die de i\Iis bijwonen, of er onder communiceeren: of den priester i1: het opd1·agen
der i\Iis helpen, of zich met hem vervoegen : dezc opdracllt is
een goefl en verdienslig werl;:, indien de dam·toe vereiscllte
condiWin aauwezig zijn ('twelk altijd het geYal is voor :de
opdracht der H. KerJ;.), en zij brengt diens,·olgens dezelfde
vruchten voort als a! ander goecl werk, en is ook als a! ander
goed werl;:, aan anderen toepa3selijlc - De opdracht der

�1018

YIERDE DEEI,, -

33sto LES, AAN~IERI(.

H. K.e ri( wordt; toegepast aan de klas van geloovigen of aan degel oovigen, die in de gebeden, welke zij voorschrijft, genoemd
worden; en de opdrach t van den priester aan degenen, aan wie
hij wil.
0. Geeft het Sacrificie der 1\lis zijne vruchten op eene onfaalbare wijze1 Het tlient op eene onfaalbare wijze om God te aanbidden en te bedanken, dam· dit uitwerl;.sel rechtstree\;,s uit
· Christus' slachtoffering vloeit. - Het geeft insgelijks, zonder
falen, aan tie rechtveerdigen de vergiffenis der tijd~lijke straifen
die na de vergiffenis der zonden overblijven, doch niet altijd in
dezelfde maat. De levenden belwmen min of meer vergiffenis van
tijdelijke pijnen volgens hunne gesteltenis, en 1\e zielen des vagevuurs, volgens dat ·de staat in denwelken zij van 1\eze wereld
gescheiden zijn en de goddelijke rechtveerdigheid, die een' ieder
volgens 'tgeen hij verdiend \1eeft moet straiTen, het toelaten. Wat de middellijke vergilfenis der zonden en het beli.omen van
a\ wat wij van God mogen begeeren aangaat, deze uitwerkse\s
zijn niet onfaalbaar, dewijl er tlil;,wijls beletsels bestaan in dengene, die ze zou moeten bekomen.
Annmcrkingen. l 0 Willen wij over de f;acrificien in het algemeen, en over het Sacrificie det' l\Iis in 't bijzondcr cen goed
gedacht hebben, wij moeten maar op het \'Olgende !etten. Door het sacrificie erkennen wij God als onzen oppersten Meester, en aanveerden wij de dootl als sti·af onzer zonde, om zqo aan
God vom· onze zonde (vooreerst voor de erfzonde en dam·na ook
voor onze dadelijke zonden) te voldoen. Maar uit ons eigen 1\Unnen wij aan God geen sacrificie opclragen, dat genoegzaam zijne
eer, door de zonde geschonden, herstelt, en Hem eene genoeg. zame voldoening aanbiedt, om vet·gilfenis der zonde te bekomen;
want de zonde tegen God bedreven. eischt eene eerherstelling ·
en eene voldoening van oneindige weerde; eu wij, nietige schepsels, kunnen aan God niets opdragen, dat eene oneindige weerde
l1eeft. God Hoeg echter om &gt;et·giffenis der zonden te schenken

�\"JERDE DEEL. -

33810 LES, Ar.NMC:Rii:.

lOW

eene genoegzame eerherstelling en voldoening; en zoo waren al
de sacriflcien der Oudc 'Vet alleszins ontoereikcnd om ons met
God te verwenen. Om onze onbekwaamheid tcr l}ulp te lwmen,
!weft God ons Jews Christus, zijnen ecnigen Zoon, mensch geworden, gezonrlen, opdat Hij in onze plaats een ~acrifiele zou
opdragen, dat teenemaal Yoldoende 7.0U wezen om de goddelijke
rechtveerdigheid met het zondig menschdom te vei·zoenen :
Christus' wel'l;,en zijn immers vau eene oneindige \veerde, dcwijl
I-Iij God ii&gt;: Q.n zoo lwn Hi.i een f'acriflcie van oneindige weerde,
gelijk er door God vereischt was, opdrag·ei1.
Zulk een sacrificie heeft I-Iij imlcrdaad opgeofferd, wanneer
Hij op het 1\ruis zijn Ieven IJCeft ten beste gegeYen; en door dit
Sacriflcie heert Hij God met het ?.Ondig men;;chdom Yerzoend.
Noglans, ofschoon het Sacrificie des Kt·uises volkomenlijk voor
de zonde voldaan en God met het menschrlom verzoend heeft;
zijn eYenwel de menschen door dat Sacrificie niet onmiddellijk
gerechtveerdigd geworden :·door Christus' dood is God bereid
om aan allen rle Yergiffenis rler zonden en de heiligmakimde
gratie te schenl;.en, maar om deze gaYen te Yerleenen \ereischt
Hij, dat de mensch eenige v·oorwaard~n door Hem gesteld, \ervulle.
Eerst en vooral betaamt het. dat men Hem een sacrificie
opdrage om Hem de toepassing der Yerdiensten van Christus'
kruis,lood af te smeeken, dewijl het sacrificie de volmaaktste
eu de edelste godsdienstoefening is, die er bestaal. .Maar gelijk
wij uit ons 7.elven aan God geen sacrificie konden opdragen, dat
voor de zonde genoegzaam voldeed, 7.00 zijn wij ook teenemaal
onbekwaam om I~em een sacrificie op te offeren, dat ,uit zich
zelf weerrle genoeg heeft om de toepassing van Christus' \erdiensten, op het ll.t'uis verworven, te belwmell. Daat·om heeft
Christus, gelijk Hij oils ter hulp is gekomen om aan God een
sacriticie op te dragen door hetwelk voor de zonde volkomenlijk, Yolrlaall werd, Oils ook ter hulp willen komell om aan God

�1020

YIERDE 1.11::~:1,. -

33ste J,ES, AANMEHIC

een sacrificie op le otrercn, dat ten uiterste weerdig is, om
de toepassing der verdiensten van het kruis te verkt•ijgen. Omdat
wij gee1i sacrillcie konden opdragen, dat alles7.ins voldeed voor
de zonde, heeft Christus voor onze zonden willen voldoen, met
zich op het l:.ruis te slachtofl'eren; en omdat wij geen sacrificie
lmnnen aanbieden, dat weerde genoeg heeft, om de toepassing
der verdiensten·des Kruises te bel:.omen, heeft I-Iij het Sacrificie
der :Mis ingesteld, waat• I-Iij zich zelven door den priester slachtofl'ert.
Door het Sacrificie van het Kruis heefl Christus dan voor de
zonde voldaan, 't is te zeggen, I-Iij heeft de eere Gods door &lt;le
zonde geschonden hersteld, en de straf der zonde uitgelJOet; en
door het Sacrificie der Mis verkrijgt Hij ons de toepassing van
de verdiensten, well:.e J-lij op het kruis verworven heeft. Zoowel
in het Sacrificic des Krui~es als in het Sacrificie ,Jer Mis heeft
Christus onze plaats genomen, omdat wij door ons 7.elven onbekwaam zijn, niet alleen om voor de zonde te voldoen, maar ook
om de toepassing der yoldoening. voor de zonde op het kruis aan
God aangeboden, te bekomen.
Na gezien le hebben, W€ll\e plaats het Sacrificie des Kruises
en het Sacrificie der l\fis in ilet. werk onzer zaligmaking be1\leeden, moe ten wij, om die leering te voltrekken, nog de volgende oprnerl:.ingen aan teekenen.
a) 1-Iet Sacrificie des Kruises is eerst en vooral een zoenoffe~·.
'tis te zeggen, een sacrificie, dat rechtstreeli:s gedicnd !weft om
aau God voor de zonde te voldoen; terwijl het Sacrificie der
Mis eerst en vooral een v1·edeoffei' is, dat wil zeggen, een
sacrificie, dat dient, niet om God door de wnde vergramd te
verzoenen, maar om God. die door de voldoening Hem voor de
zonde aangelJoden, · reeds verzoend en in vrede met ons is, te
bedanken en nieuwe gunsten af te smeel:.en.
b) Aangezien het Sacrificie cler :Mis een vredeofl'et· is, moet
het, om. voltroklien te zijn, met de nutting det· otrerande geschie-

�VIERDE DEEL. -

33 810 LE:;, AAN~IERK.

1021

den; terwijl doze in hei Sacrificie des Kruises, 'twelk een zoenoffer is, niet vereischt was. De nutting drukt immers uit, dat
l1et opgedrageu sacrificie niet dient om God met den zondaar to
Ycrzoenen, maar om Hem, reeds met rlen zondaar verzoenrl, te
bedanken, en nieuwe gunsten van Hem af to smeeli:en; want in
de H. Communie is do mensch, om zoo to zegg·en, aan Gods
tafel aangezeten; en di i druk i zcer d uidelij k u it, dat God op hem
niet meet· vergramd is, maar integemleel hem van ganscher
hel'te bemil~t. Hieruit volgt, tlat de nutting vollwmenlijk vereischt is in de H. ~lis, om de naiuur van dit sacrificie te liennon te geven.
c) Het Sacrificie des Kruises, 'twell• ge(liend !10eft om voor de
zonde le voldoen, moest maar ccns opgedr·agcn worden, dewijl
hct teenemaal toereikend was om gehcel en gansch al de zonden
uit te boeten, gelijk de H. Paulus het klaat· leert in zijnen brief
tot de Ilcbreeuwen; maar het Sacrificie der ~lis integendeel, dat
dient om God te berlanken, en ons de verdiensten des Kruises
toe to passen, moot herhaaldelijk en gcrlurig opgedragen worden.
de,yijl de geloovigen niet Mnmaal, maar gedurig God voor
hunne verlossing moeten bedanken, ~n de toepassing der verdiensten van hot 1\:ruis afsmeeken.

d) In het opdragen van hot Sacrificic des Kruises was Christus
offeraar aileen; maar in het Sacrificie de:- i\lis offert zich Christus
door den priester, zoodanig uat or twee ofl"eraars zijn : Christus
en de priester; Christus als de voornaamsle en de priestet· als
zijn dienaar in hot offeren. Christus offert zich in de l\Iis door
zich zelven aileen niet, maar met medewerking van den prieslor, omdat God wil dat de mensch t'echtstreeks medewerke om
ue toepassing van Christus' verdienslen te bekomen; en ook
omdat Christus sedert zijne liood niet meer zienlijk op de wereld
is en bijgeyolg door zich zelven aileen geen zichtbaar sacrificie
meer kan opdragen.
c) 'l'usschen hot H. Sacrificie derMis en de HH. Sacramenten

�l022

YJERDE DEEL. -

33stc LES, AAlOW!Ui.

is er de volgende bctrekl\ing : in bet Sacrificie der l\Iis smeekt
Christus de toepassing zijner verdienst.en op het kruis verworven van zijnen hemelschen Vader af, en verkrijgt ze; en in de
HH. Sacramenten past Hij aan de geloovigen die. veruiensten
rechtstreeks toe, zootlanig tlat de H. l\iis als de bt•on der HH. Sacramenten moet aanzien worden. Dat wil niet zeggen, dat de
Sacramenten n,iet bestaan zonder bet Sacrificie der l\lis; maar
dat Christus in de i\lis de toepassing det• veruiensten op het I\ruis
verworYen nut 'zijnen hemelschen Vader afsmeekL, om zc in de
HH. Sacramenten rechtstreeks toe te pas:;en. Het Sacrificie des
Kruises heeft al die verdiensten verworven; en het Sncrificie
der .Mis dient om lmnne toepassing van God te lJekomen.
2° Uit geheel deze leering verstaan wij gemald,;e\ijli., hoe wij
de H. Mis rnoeten hooren om haar l.Jij te wonen gelijk hct betaamt, en er vele vruchlen uit te trekken. Alhoewel Christus
door zijne doou voor onze zonden teenemaal voldaan l1eeft,
moeten wij nogl.ans geuurig de eer van God door de zonde geschonden her:;tellen en de straf der :wnde uitboeten, opdat
Christus' verdiensten ons zouden toegepast worden: \Vant wij
rnoeten, gelijk de ssw les ons leert, door ons lijden aan Christus' verdiensten deelachtig worden. Doch, wij lwnnen door
ons zelven Gods eer niet genoegzaam herstellen noch de straf
onzer zonden uiLboeten; en daarom heeft Christus, om ons
onvermogen ter hulp te komen, de H. l\iis ingestelu, waar
Hij ·zich gedurig in onze plants slachloiTert. Hierui L volgt, dat
wij, om op eene volmaakte wijze de H. l\Iis te hooren, o11s met
Christus, die zich daar voot• ons slachloffert, moeten Yereenigen :
wij moeten te zamen met Ghristus, God als onzen oppersten
Meester en den Gever van aile goed erkennen, Hem bedanken
voor al zijne gaven en Lijzonderlijk voor de groote weldaad der
verlossing; Hem Yergifl(mis onzer zonden, gratie om \vel te
leven, en hiernamaals het eeuwig leven doo1~ de verdiensten des
Kruises af.-&gt;meeli.en; en de dood metal de ontelbare kwcllingen

�\'fEfW!:: IJEF.L. -

:33 510 !.ES, AAN~!El:I\.

1023

nm dit leYen, nijwillig tot uitboeting ouzer zondon aan&gt;eerden.
Christus draagt claar in onze plaats die \'ier alden aan God op;
vraagt de rechte rede dan niet, dat wij ons met Hem vereenigen,
en dezelfde alden te 7.amen met Hem God aanbieden? Wat zou
men 7.eggen van eenen tot de rlood veroordeelden mensch, die,
wanneer de minister van het lwninklijk hof bij den vorst voor
hem vergiffenis vraagt van 7.ijne misdaden, en allerhande gunsten afsmeelii, tlaar onverschillig zou staan op 7.ien, en wu verwaarloozen.zijne IJede, zijne smeeking met uie van den minister
te verYoegen? Nogtans, ziedaar wat wij doen, als wij de i\Iis uijwonen mnder onze geYoelens met die van Christus te vereenigen.
'Vij zijn immers allen zondaars, (zijn wij llll zuiver van zonde,
wij 7.ijn toch met de 7.onrle besmet geweest), en wij helJben Yergiffenis onzer zonden en gratie o~n wel te leY en noodig; e11 zie,
Christus smeekt daar om Yergiffenis der mnde en om allerhande
gTatii:in voor ons, en slachtofl'erl zich in on7.e plaats. Is het Yerstaanbaar, dat een mensch, die deze groote waarheden lient e11
gelooft, de Mis bijwoont zonrler er op te denken, zonder aandacht te nemen op hetgeen Christus daar doet, en zonder zijne
bede, smeeking en uitboeting.met die van Christus te vereenigen!
BoYen de7.e alden moet men, om rle H. i\Iis wel bij te wonen,
nog eene wezenlijke of ten minste eene geestelijlie Communie
tloen, daar Christus gewild lwefl dat de H. Communie in de ~lis
plaats had. om daardoor Le doen zien. hoe dit Sacrificie een
vrede-Sacrilicie is. naarenboYen tle H. Communie drukt nog uit,
hoe wij waarlijk in het opgedragen Sacrificie toestemmen en
ous met .JP.7.us, die zich in on7.e plaats geslachtofferd !weft, vereenigen; en hoe God door tlit Sacri ficie bewogen, ons in zijne
innigste nienrlschap ontvangt en derhalve uereid is ons allerhande gmtien te geven. i\Iet hnmers van het :;lachlo!l'er te eten,
drukken wij natuurlijk uit, dat wij waarlijk in dat Sacrificie
toestemmen en het God uit den grand del&gt; herten aanbieden. De
Heidenen, die in hunne tempels van de slachloffers aan hunne

�1024

YIEIWE DEEL. --

33"" LES, AA~D!EHlL

valsclle god en opgedragen aten, beweien voorzel;;,er door dnt
werl;;, dat zij in die ::&gt;acrificien, in dien godsdienst toestemden. En
dat door de I-I. Communie ook zeer klaar beteekend worllt, hoe
God ons tot zijne beste vrienden aanneemt, is gemakl&lt;elijk om
te verstaan; want deze Communie, dewijlzij eene mr.dedeeling is
van een offer, aan God opgedra~en, is eene ware goddelijke
maaltijd; wij zitten daar. om zoo te zeggen, aan de tafel Goris.
\Velnu wat gt·ootere vriendschap kan God ons hetoonen dan ons
tot zijne tafel nit te noodigen. en er ons aan te-. ontvangen?
Daarbij de Communie der ::\lis is niet alleenlijk eene godrlelijke
maaltijd, omdat wij een :;Jachtolfer aan God opgerh·agen nuttigen, maar ook nog en. wei bijzonderlijk. omdat wij daar het
lichaam en het bloe!l van Christus ontvangen en zoo waarlijl\.
door eene goddelijke spijs gevoeu worden : welke spijs een
geestelijk roedsel beteel;;,ent, en ons rlat geestelijk voedsel door
haat· zelve geeft. Verzuimen wij dan nooit, wanneer wij de
H. ~Iis bijwonen, de H. Communie zoo niet wezenlijk, ten minste
geestelijl;;, te ontvangen, om uaardoor ui t te rlrul;;ken dat wij ten
volle in het Sacrificie door Jezus opgedragen loestemml:ln, en om
te beantwoorden nan de uitnoodiging Gods, die ons roept tot
zijne tafel, waar !let lichaam en bloe~ van .Je7.lls genuttigd, en de
ziel door de gorldelijke gratie gespijsd wordt. Wij wonen immers
de Mis bij, om Gods gaven en weldnrlen af te smeeken; en zie,
God om ons zijne liefde Le toonen, en ons eene wnarborg te
geven van de gunsten, die Hij ons zal verleenen, roept ons in de
H. Communie tot zijne tafel. 1\an men eene meerdere uilzinnigheid uitdenken, dan aan die uitnoodiging geen gehoor te geven
en er niet nan te will en beantwoorden? \Vat zou men zeggen,
van eenen onderrlaan, die van zijn oppersten meester, van wien
-hij geheel afhangt, ter tafelzou uitgenoorligd worden, en op deze
uit-noodiging de minste acht niet zou nemen? Dit is nogtans hetgeen wlj doen, als wij in de I-I. Mis tegenwoorrlig zijnde, de
H. Communie ten minste opeen1~ geestelijl\ewijze nietontvangen.

�VIERDE DEE!.. -

33stc J,Y.S, AAN:\llmK.

1025

Zoo dikwijls wij dan de H. l\Iis bijwonen, !etten wij allerbest
op, om van in het begin en. gedurende de bijzonderste deelen
van het Sacrificie, God te aanbidden als onzen oppersten l\Icester.
Hem over zijne weldarlen te bedanken, Hem nieU\ve gmt.ien af
te smeeken, vergiffenis onzer zonden te uagen, en Hem te
zeggcn, dat wij de dood en al de kwalen van clit Ieven tot uitboeling onzer zonden willen lijden op die manier, en op diel1 tijd
dat Hij het zal schildwn. Ho01·den wij op die wijze altijd de
H. l\lis, welke voordeelen zouden wij daaruit niet trekken, en
tot welke heiligheid zouden wij welhaast niet komen!
3° Wij moeten wo dikwijls mogelijk de H. ;\lis bijwonen;
want dit heilig Sacl'ificie is &gt;oor ons de bron van aile goed, van
aile geluk en van aile heiligheid. Zagen wij Jezus uit den heme!
dalen, zich voor onze oogen zienlijk in onze plaals slachtolferen,
en voor ons bidden; met well;.e vurighcid zouden wij tot Hem
niel naderen, dit wonderwerk gaan Lijwonen, eu onze gebeden meL de zij11e vereenigen. l\'iels zou ons kunnen tegenhouden : wij zouden alles Iaten staan, om ons tot Jezus te begeven,
Hem onze Lehoeften voor te stellen, en door zijne slachtoffering
en zijne gebeden te bekomen, helgeen wij begeeren. Welnu,
Jezus daalt dagelijJ;.s op onze altaren neder; Hij siachtofiert zich
daar voor on~. gelijk Hij zich op den Calval'ieberg geslachtofferd
heeft, en Hij Lidt daar, gelijk Hij op den Calval'ieberg en gedurende zijn slerfelijl;. Ieven VOOI' ons gebeden heefi. 'Vij nu,
geloovigen, die dit alles weten en vastelijk gelooven; hoe is het
verstaanbaar, daL wij zoo weinig acht nemen op de H. ;\lis, zoo
weinig genegenheid hebben om ?.e bij te wonen; en .dat velen
zelden er in tegenwoordig ?.ijn. Wij hebben in het midden van
ons eene fonlein van zaligheid en geluk; en wij geven ons de
moeite uiet uit die fontein te gaan putten : cr is in bet midden
van Oils eene meclecijn, die kracht heefL om OilS te genezen van
al on?.e wm·e kwalen, van al de l\\valen die ons Yan het eeuwig
geluk lwnnen vel'\vijderen, en die medecijn is in het Lereik Yan

�1026

YIERDF. DllF.L. -

33 510 I.F.S, AANMF.RIL

een' iede1·; en velen zijn er nogtans, die 7.e weigeren le gebruiken : er is bij ons een voorspreker, die alles van God kan verkrijgen, en wij verwaarloozen tot dien ':oorspreli.er le gaan, en
hem onze noodwendigheden voor ie stellen. Wij morten waarlijk
bel\ennen, als 'vij di t a lies overwegen, dat onze h:udelwijze ten
opzichte der H. l\lis geenszins met ons Geloof overeenstemt.
Overdenken wij dilnvijls wat fie H. Mis is, en well\e vruchten
wij er uit kunnen bekomen, ten eintle wo meer en meer ijver te
hebben om ze op eene heilige ·wijze bij te woncn.
Zijn wij belet cle H. lVIis bij te wonen, vervoegen wij onze
meening en onze gevoelens met 11ie van den priester, die de
H. i\fis opdraagt: zoo zullen wij ook deel nemen i1~ het opdragen
van bet Sacrificie, en deze oefening zal ons veel nut bijbrengen.
Daarom i~ bet zeee raadzaam, dat de menschen, die belet zijn
. naar de l;:erk te gaan, te hnis hunne :\lis lezen, gelijk men
gewoonlijk zegt; dat is, die gebeden lezen, die voo1· het bijwonen der i\lis in fie kerkboeken te vimlen zijn, zich vereenigen
met den prieste1· en diezeltue gevoelens in zich opwekken, die
men onder het bijwonen der ?II_is moet hebben. Het is ook nog
allerbest gedurende den dag, wanneer men zijn hert eens tot
God verheft, zich met de priesters der H. Kerk te vereenigen,
die op dat oogenblik de H. l\Iis celebreeren. Op aile oogenhlikken
van den dag wonlt er ergens de H. i\Iis opgedragen, en zoo kunnen wij ons gedurig met de priesters, die dan de l\Iis opdragen,
vervoegen.
4° Het is ook zeer goed, als wij het kunnen doen, voor ons
zelven, voor anderen en voor de oveeledenen, de H. l\lis te doen
opdragen; dewijl er eene gansch bijzondere vrucht aan diegenen
toelwmt, voor wie de H. Mis opgedragen wordt.
5° Het is ook vool'deelig dat de priester, wanneer hij. als
Christus~ dienaar voor ons in 't bijzonde1· de H. l\Iis niet opdraagt, ons toch in de gebeden J11emento, op eene bijzondere
wijze noeme. l\Ien ontvangt daardoonvel geene bijzonderevrucht

�\'lElWE DEE!, -

33sto LES, AAN~IEHK.

1027

uit de l\Iis voor ?.Ooveel zij door Chrislus. is opgedragen; maar
men wordt op eene bij7.ondere wijze deelachtig aan llet gelled der
H. Kerk en aan dat des prieslet·s, aange7.ien die gebeden in tlen
naam der H. Kerk en ook in den naam van den priester, die de
:Mis celeiJreert, gczegd worden.
6° Men merke ook wel op, dat de H. Communie, 't is gelijk
wanneer zij g&lt;3schiedt, altijd eene mededeeling is van een opgetlragen Sacrificie der .Mis : .Jezus, onder de gedaanten van brood
en wijn legQ,Jnvoordig zijnde, is daar in ecnen staat van slachtoffering : Hij is dam· itumers gelteel van het uitwemlig Ieven
berooftl, wezenlijk dood voor het uitwendig Ieven. Hieruit volgt,
rlat wij altijd in de H. Communie, 't is gelijk wanneer wij ze
ontvangen, diezelfde gevoelens moeten hebben, wellie in het
bijwonen der ::\lis vereischt zijn; want wie uitwendig aan een
sacrificie dec! neemt, moet noodzakelijk inwentlig in tlat sacrilicie toestemmen. Daarom moeten wij in de H. Communie God
als God erkennen, Hem bedanken over al zijne weldaden,
nieuwe gratien van Hem afsmeeken, vergillenis vragen van al
onze zondcn, en (\e dootl metal de kwellingen van dit !even tot
uiLIJoeling onzer zontlen aanYeerden.
7° Gcheel het !even van Je7.Us ontler de gerlaanten van brood
en wijn is voor ons een volmaakt voorbeeld van alle deugden :
aan ons allen leert Hij, hoe wij God en den naaste moeten beminnen, \Vant het is uit lieflle tot God en tot alle menschen dat
Hij uit den hemelnerlerdaalt en zich in ue Mis slachtoffert; aan degenen, die de eer, de vermaken, de wellusten en de rijkdommen dezer wereld naloopen, leert Hij door den allerootmoedigsten staat, (lien Hij in de :Mis aanneemt, en door zijne
berooving van alle aardsche goederen en vermaken, de wereld
en al wat er in is, Yerachten; - aan de grammoedigen en de
onverduldigen stelt Hij de verduldigheid voor, met dewelke Hij
al de oneer verdraagL, die Hem in ziju allerheiligste Sacrament
wordt aangedaan; - aan degenen, die de versterving en het

�1028

YIEltDE DEEJ,. -

33510 LES, .\ANMERK.

lijden vreezen en vluchten, legt Hij zijne clood op het l;.ruis en
zijt~e slachtolfet·ing op bet altaar voor oogen. AI wat de wereld

en onze bedot·vene mituur bemint, \naakt Hij verachtelijk,
meter zich in zijn H. Sacrament van te berooven; en al wat de
wereld vlucht, verklaart I-lij heilig en goed, met het daar aan
te nemen. Vluchten wij dan wat Jezus in zijn 1-L Sacrament
veracht en verlaat, begeeren wij. wat Hij daar aanneemt, en
ons Ieven zal gansch heilig zijn.
so Wij hebben hterboven gezegd, dat het Sacritlcie der Mis,
gelijl;. alle andere sam·ificHin, aan God alleen opgedragen mag
worden. Hoe l;.an nu deze leering samengesteld worden, met het
gebruik \·~n alt~ren op te richten en het Sacrificie der Mis op te
dragen ter eere van de Maagd l\Iaria, en van de andere Heiligen ~ J&gt;it gebt·ilik strijut geenszins met de leering bier voorgehouden; want als wij eene :\lis celebreeren ier cere van de
Hciligen, drageti wij dat Sacrificie niet op aan de Heiligen, maar
aan God; en voor de Heiligen doen wij daardoor niets anders,
dan hunne gedachlcnis vieren. dat is, God bedanken over de
zegepraal clio zij behaald hebben, en Hem verzoeken dat zij voor
ons veel zoudcn bidden, dat Hij hunne geheden zou aanhooren,
en hunne overschietenc.le voldocningeti ons toepasscn. Dit leerde
reeds de H. Augustinus heel duidelijk in zijn gsto boek, ovc;· de
stacl Gods, Hoofdst. 27: .. Wie van de geloovigen, zegt hij,
.. heeft ooiteenen priester, zelfs wanneer hij aan een altaar staat,
.. dat boven het lichaam cens mm·telaars ter cere en verheerlij" king van God is opgericht, hooren zeg-gen: ik draag u, Petrus
., o{Cyp1·ia?lUS, dat offe1· op? Want bij hunne begraafplaatsen
.. wordt de olferamle aan God opgedt·ageu, die hen menschen en
, martelaars gemaakt heeft, en die hen bij de Engelen in de
.. hemelsche heerlijkheid heeft gevoegd; en dit geschiedt op., dat wij door die vereering God over hunne overwinning zou.. den bedanken, en dat wij ten anderen door de verversching
, en vernieuwing lnmner gedachtenis, onder de aanroeping van

�\"lElWE UEI&gt;l,. -

:33ste u:s, AAN~IERI\.

102\1

., Gotl, elkan&lt;ler zouden aanwal\keren om zull\e overwinnin., gen en zegepmlen na te volgen. :, ~ En men zegge niet,
dat het ofieren der Mister eere van tie Heiligen heLzeJ\·e is, als
ze olferen aan de Heiligen. i\Ien kan imnHH's allerbest eene gift
aan den koning opdt·agen om hem ie bedanl\en over de weldaden, tlie ilij nan eenen onzer vri"enden geschonken ileeft, of om
hem te vragen dat ilij naar de stem van onzen voorspreker zou
Iuisleren, zontler die gift aan uien vriend ·Of aan dien Yoorspreker tc doen. ·'Velnu, wij handelen juist zoo. als wij God de .
H. 7\lis opdragen ier eere van de Heiligen; wij dragen ze 11ieL
aan de Heiligen maar nan Gotl alleen op, tlaar wij overtuigd zijn
dat hel Sacrificie eene oefening van goduelijke eer en aanbidding
is, en llijgevolg aau God aileen ioelwmt; doclt wij dmgen ze aan
God op om Hem te bedanken voor de genade en de zaligileid uoor
Hem aan do Ileiligen verleend, en om ilunnc voorspraak en
bijsta.ml to belwmen. En 11i t is voorzeker reclttvecnlig en goed;
·wan!., dewijl wij door een sacrilicie Gotl over allerhande weldalien kunnen !Jedanken, en allet:lci goe1leren van Hem afsmeekcn,
zoo mogen \Vij ongetwijfelfl Hem door de H. ;\lis beuanl\en over
de welJaden, welke Hij aan de Heiligen geschonken heeft, en
Hem smeeken om door hen geholpen te worden. - Yermits het
sacrificie alleenlijk aan God toekomt, wonlt 1le ~lis ook niet
opgcdmgen ann Christus voor zoo&gt;eel Hij mensch is : zoo wordt
zij niet opgeofl"enl aan de menscilheid van Christus, noch aan
zijne vijf wonden, noch aan zijn H. H.ert, maar ter eere van zijne
menschlleid. tcr cere van zijne vijf wondcu, ter cere van zijn
H. Bert.
0° De H. l\Hs wordt volgens bet gebod onzer geestelijke oYersten, in het latijnsche of westersche dec! der H. Kerl.:, overal in
het latijn gecelebreerd. De oorsprong van uit gebruik is, dat het
latijn in ue westerlanden algemeen in gebruik was, wanneer
hei Geloof et· eerst gepredikt is gewordon. - i\iaar de latijnsche taal is nu onder het volk buiten gebruik: ware bet niei

�1030

beler, clat men in ietler laJHI de volli:4aal in de ~Iis bezigcle, opdat tie geloovigen a! de gebcden en onderwijzingen, die in de
Mis geschieden, zouden kunnen verstaan en et· nut uit trekken?
Er bestaan groote redenen om dat niet te doen; en daarom l1eeft
de H. Kerk altijd bevolen de latijnsche taal in de H. i\Iis en in
het bedienen der HI-I. Sacramenten te behouden. Vom·ee1·st de
volkstalen vemnderen zeer vee!. terwijl de doocle talen, zooals
het latijn, mn-eramler!Uk zijn; en het is hoogst noodig. dat de
taal, welke in het celebreeren der I-I. !\lis en in het .bedienen der
·HI-I. Sacramenten gebruikt wordt, aan geene vemndering onderworpen \Veze, want door de aanhoudemle verandering der taal
zou er gemakkelijk iets onjuist of zelfs eene dwaling in de gebeden en leeringen kunnen insluipen. ·De ondervinding leert immers dat in de volkstalen na verloop van eenen zekeren tijd,
vele uitdrukkingen, zegswijzen, \vent.lingen en woonlvoegingen,
van zin verandet·en, ongebruil;:,elijk of ongepast, ja zelfs onverstaanbaar worden; en derhalve, indien de H. Kerk zich van de
volltstalen bediende, dan zouden hare gods&lt;lienstige gebeden aan
al de wisselvalligheden dezer talen onderhevig zijn; 'twelk voorzeker een groat gevaar van dwaalleer zou bijbrengen. - Ten
tweede. de eenheid der Kerk vereischt ook volkomenlijk dat in
de god~clienstige oefeningen niet de volkstaal van iederen stam of
land, maar zoo weinig talen mogelijk gebruikt worden. Aangezien al de geloovigen maar eene kerk uitmaken. 't is te zeggen,
eene vergadering, die onder een hoofcl staat, en in alle stukken
des Geloofs maar eene leering volgt, moeten zij onder elltander
gemeenschap hebben. :Maar hoe zou deze kunnen bestaan indien
ietler volksstam zijne eigene taal in de open bare godsdienstoefeningen gebruikte; hoe zou er nog, bij voorheeld, een algemeen
Concilie mogelijk zijn, en hoe moeilijk zou het voor den Paus
niet wezen, tot alle natien en alle Ianden der wereld te spreken ~
- Het is wel waar tlat door het gebmil' der latijnsche taal
vele geloovigen in de onmogelijkheid zijn te verstaan, wat er in

�VllmDE DEEL. -

33810 LES, A.\N)!ERii:.

de H. i.\lis gelezen wonH; d0ch dil. gemis \\_'Ordt vergoed door
vet·scheidene kel'l;.boelwn, waarin men in zijne moedertaal dezelftle g:ebeden en stul;,lwn !;:an vinden, welke de priester in de
Mis leesL - Deze boeken worden va)l verderf bewaard bij tniddel der latijnsche l:)oekcn; die de priesters op het voorschrift der
H. Kerk in 1le H. Mis en in het bedienen der HI-I. Sacmmenten
gebruiken.
10° Voot• hoi. I!. Sacmment moet er volgens de kerkelijlte
voorschriften £lag en nacht eene lamp branden, rlie het altijddurenrle of eeuwige Iicht genoemd wordt. Zij is bestemd om
het H. Sacrament te vereeren, om onze aanrlacht tot de tegenwoordigheid van het H. Sacrament op te wekken, en ons· de
~roote lief,le van .Jezus tot ons te herinneren, wam·door Hij alti,ill hij ons is, en in het midden van ons woont, om onze verznchlingen te aanhooren, en ons met zijuen geestelijken troost
te vel'l;,wild;,en. Bovendien leert zij ons nog, hoe wij jegens dit
• Sacmment moe ten gestcld zijn; gelijk rlie lamp gestadig brandt,
zoo moet ons Geloof en onze Hoop ten opzichte van tlit Sacrament·
altij•l leventlig, en ons hert tloor eene vm·ige Liefde gedurig ontstoken zijn.
ll 0 Daar het een algemeen en zeer natuurlijk gebruik is, dat

al de ambtenaren, die eenig gezag over anderen hebben, wanneer zij in hunne ambtelijke bediening optrerlen, in eene bijzondere kleeding verschijnen, om zoo herkend en volgens hunne
weerdigheid geacht te worden; daarom ook heeft de H. Kerk
gewild dat de priester, die de af;;ezant van Christus zel&gt;en is en
aan het altaar de heiligste aller handelingen verricht, in het oprlr:u;en van het Sacrificie der l\Iis eene bijzondere !deeding zou
llebben. Hij moet in bet opdragen rler Mis als Christus' plaatsvervanger onrlerscheiden, gekend en geeerd worden, en daarom
moet hij aan het alta.ar met eene !deeding verschijnen, die met
zijn allet·verhevenste ambt overeenstemt. - De H. Kerk heeft
aan hare priesters voor het celebreeren der H. Mis de volgende

�1032

YIERDE DEE!•. -·

33ste !,ES. AAN~U:Rl\.

kleedingstuh.ken voorgescln·cyen, en aan ieder van hen heeft zij
eene l.Jijzondere beteekenis gehecht, gelijk het blijk t uit de gebeden van de wijding der priesters en der kleedingstu h. ken zelven,
alsmerle uit deze, welke de priester zeggen moet, wanneer hij
bet heilig gewaad aant.rekt om de Mis te celebreeren. De priestel.· bel\leedt zich a) met het IJumemle, amict of schoudei'Cloek,
'twelk den helm tler zaligheid, dat is, het Yolstandig vertrouwen Ofl Jezus Christus, waardoor wij ons tegen de aanval\en
van den hoozen vijand beschermen, · beteekent; 01 met de alb
die een lang, wit linnen !deed is, dat. de noodige zuiverheid
van het hert des priesters heteel&lt;en t; - c) met de koord of gm·del, waarmede de priester de alb opl.Jindt, en die hem vermaant
de zinnelijl;.e begeer•te te versterven, en gedurig de zuiverheid te
bewaren; - d) met de manipel of handdoek, eli en de priesler
aan den linl;.en arm clr·aagt, en die de plaats van den zweetdoek
ingenon1en lteeft, en !len pr·ieslc!' herinnert van den plicht om
bet zweet en de vennoeienis rles arbeids niet te vluchlen: - en
e) met de stool, zinnebeeld tler· geestelijl;.e macltt en weenligheid, enter ?.elfder tijcl ook der onsterfel!jkheirl, die wij door rle
zonde verloren-en door Christus wederom ontvangen hebbcn; f) met de lwzwfel die het beeld is der heilige lieftle, welke ons
het dragen des J;.ruises verzoeten en verlichten zal. .. Aanwerd,
zegt de Bisschop, de l&lt;azuifel den jongen priester aanrloende: het
priesterlijk gewaad, waaronder de lieflle wonlt ver;;laan ..,
Het is nuttig hier·bij aan te stippen, dat de H. Kerk vijf kleuren
tot het misgewaad voor·schrijft; de wilte, de roode, de violette,
de groene en de zwarte Idem·. - De I-T. Km·l;. gehruikt de witte
kleur als een tee ken van blijdschap · op de glorierijke feesten
onzes Heeren, als op het feest van zijne ·geboorte, verrijzenis.
hemelvaart. De engelen, die bij zijne verrij?.enis in het graf verschenen, waren in het wit gekleed. Ook wor·dt de \Ville kleur
gebruild op al (\e feestdagen van de allerheiligste :.\Iaagd Maria,
van de H. Belijders en van de H. :\Jaagrlen, om ons hierdoor

�VJEROE DEE!.. -

33"" LES, ,\,\N)!I&gt;Rii:.

1033

aan den glans hunner volmaaktheid of onhevlekte zuiverheid
te doen gedenken. - Zij gebruikt de ?'Oode op Sinxen, om ons
de vurige tongen, in welker gedaante de H. Geest over de Apostelen verscheen, te herinneren; alsmede op de feestdagen der
HH. Apostelen en l\fartelaren, wijl dcze voor Christus hun
bloed vergoten hebben. - De violettc li.lelir wordt gebruikt
in den Advent, in den Vasten, op de kwatertemper- en vigiliedagen, als teekeu van boetveerdigheid. - De g1·oenc kleur
is het zinnebeeld dcr hoop op hct ecuwig Ieven, welke Jews
Christus ons ~veder venvonen !weft. Die kleur ligt in 't midden
tusschen de Iichte en de donkere, en dam·om wordt zij gr.bruikt
op de dagen, welke noch feest- noch boetclagen zijn. - Eindelijk bezigt men de ::wm·tc klcur, als ecn tceken mn droefheid
op den goeden Yrijdag, op welken uag de uood van Christus
herinnenl wonlt, en tevens bij de ;\Iissen voor overledenen.
13° Bet is alleraangenaamst en tevem; om de schoonheid van
. onzen godsdienst te begrijilen, zeer nuttig te bemerken hoe het
Paaschlam, de Sacrificien van het Kruis en van (\e H. .Mis, en
de hemelsche glorie, die alles lwmt bekroonen, onder ellwndei'
verbonden zijn. - Het Paaschlam der Oude Wet, die de komst
van den Messias moest bereiden, verbeeltlde op eenc volmaakte
wijze Christus' bloedige slachtoffering op het I\ruis, en het
onbloedig Sacrificie der :Mis met de H. Communie. De slachtoffering van het lam stelde Christus' bloedige dood voor; en de
nutting van hetzelve was het beeld der imtting van Christus'
!ichaam en bloed onder' de gedaanten van brood en wijn in de
H. !\lis geslachtofferd. Zelfs de omstandighedcn der slachtoffering van 't Paaschlam waren duillclijke zinnebeeluen der omstandigheden van Christus' slachtoffering. Gelijk bij voorbeeld,
het teeken op de deuren met het bloeu des paaschlams gemaakt,
de eerstgeboornen der Israelieten van de doou heeft verlost; zoo
heeft de Messias gebeel het menschdom van de eeuwige dood
door zijn bloed vrij gemaakt; en gelijk het lam dat geslacbt

�1034

werd, moest zuiver en onbev:eki zijn, zoo is de .l\Ies~ias heel en
gansch zuiver en onbevlekL van aile zonde en schuld. - De
H. Communie op hare beurL is een volmaakt afi.Jeeldsel van de
llemelsche glorie. Gelij k wU in tie I-I. Corlll~lUnie gespijsd worden met godtlelijke J;:rachlen, tloch op zu\ke wijze, dat wij die
krachten door onze zinnen nieL kunnen bemerken; zoo zullen
wij in den hemel door derge\ijke godtle\ijke ln·achten, namelijk
door het licht tler glol'ie gevoetl worden, maar openlijk en
zonder sluier. En gelijk wij in de H. Communie met God zelven
vereenigtl worden, doch slechts op eene I.Jedekle wijze, dam· wij
Christus onder de gedaanten van brood en wijn ontvangen; zoo
zullen wij in den hemel allerinnigst met Got! verbonden zijn,
maar gansch openbaarlijl\, want wij zullen Hem aanschijn aan
aanschijn aansclrouwen, en iu Hem aile goetl genieten.
l-1° Geheel de onle van gebeden en ceremonien, die de I-1. l\Iis
uitmaken, kan alleri.Jest in twee hoofdtleelen verdeeltl worden.
- I-Iet eerste strel\t zich uit van in het begin der l\Iis tot aan de
olTerande, en het bevat smeekingen om vergiffenis te bekomen
·der zonden, verscheidene gebeden, den lofzang Glon"a, twee onderwijzingen in het Geloof (le we ten de Epistel en het Evangelic)
en de geloofsbelijdeni:-; of het C;·edo, welke allen tlienen om den
priester· en de aanwezige geloovigen tot het Sacri!1cie we\ te bereiden. Het twee&gt;de bevat a\ hetgeen rechtstreeks tot het offeren
van het Sacrifieie behoort, en strekt zich uit van het begin der
offerande tot het einde der· Mis.
Het tweede hoofddeel wortlt onderverdeeld in de offemnde,
de consecratie en de nutting. - De o/{eiYmde, die met het
sanctus eindigt, bevat de ber·eiding van het brood en den wijn
tot het Sacrificie, _eenen kor·ten lofzang die rle blijdschap des
priesters en der aanwezigen uitdrukt, en verscllillige gebeden,
door dewelke de pl'iester vraagt clut het Sacrificie, welk hij
zal opdragen, God aangenaam zou wezen en allerl~ande gunsten
van Hem zou bekomen, en door dewe\ke hij tevens ook het

�VIERDE DEEL. -

33stc LES, AANAIERK.

1035

vierdubbel einrle ~1itdrukt waartoe het Sacrificie opgedragen
worclt. Dat het Sacrificie der Mis bijzonderlijk een vrede-olfer,
een dankoifer uitmaakt, wordt allerldaarst beteekend door
de prefatie, die gebeel een danJ;:gebed is. __: Het dee!, welk de
consecPatie genoemd wordt omdat het de consecratie van brood
en wijn be\·at, slrekt zich uit tot aan bet Palm· noste1·. VMr de
consecratie van brood en wijn, druld de priester in de gebeden
uit, in wier naam bij het Sacrificie opdraagt, en bij smeekt God
dal het Sacrilk!ie Hem welgevallig zou wezen, en aan al llegenen
die hij genoemd !weft, de gt·ootste vrucbten van zaligheill zou
voortbrengen. Na cle consecratie &gt;an brood en wijn, biedt bij
Jezus, die daar geslnchlolferd OJl bet altaar ri.tsi, God aan, en
smeekt God zijne schatten van gratie tc willen openen, voor
degenen die door de H. Communie aan bet Sacrificie zullen deelacbtig zijn, voor cle zielen des mgevuurs, en voor al de geloovigen. - Bet derde deel, te weten, de nutting, begint met bet
"Patel' noster. V66r de communie komen bet Gebed des Heeren
met bet gebed libe;·a dat zijne voortzetting is, het smeeken om
vrede met den wederzijdschen vredewensch, (vredewensch dat
is hier, een \Yensch van allerlei goed dat tot de zaligheid dient),
en de gebeden, die rechtstreel;:s tot bet ontvangen &gt;an bet
lichaam en bloed des Heeren betrekking hebben : en 1lit alles
client om den priester en de gcloovigen tot de communie te bereiden. Na. het nutten der H. Communie volgen eenige gcbeden
om God over de ontvangen weldaad te bedauken en van Hem te
vragen, clat wij er allerlei zegeningen zouden door belwmen.
Men bemerke hier ook, dnt hei lezen of zingen van den Epistel
aau den recbter- en van het Evangelic aan den linkerkant des
altam·s voortl;:omt van de plaats, waar in de plechtige Missen
der eerste tijden van de H. Kerk clc Epistel en bet Evangelie
gezongen werden.
15° 'Vij moeten ooJ;: in 't oog houden, dat de woorden JWiestm·
en alta.m· van hei sacrificie afhankelijk zijn. Door priester
7

�1036

VIERDE DEEL. -

34sto LES, lNHOUD.

ve~staat

men immers eenen persoon, die aangesteld is om
slachtoffers op te dragen; en een altaar (dat is eene hoogte) is
de plaats, die tot het opdl'agen van een gacl'ificie bestemd is.

VIER EN DERTIGSTE LES.
Van de Biecht.

•

InJIOml.- De 1lrij Sacramenten, het Doopsel, het Vormsel en het II. Sacrament
des Altaars, over dewelke tot hicrtoc gesproken is, geven ons al wat wij van
noorle hchben om ua ooze geboorle in de erfzonde, hel geestelijk Ieven ten volle
le onlvangcn en hct lc onderhoudcn. Door hct Doopsel worden wij in dat
gee~lclijk le1·en gehoren; door het Vormsel komen wiJ tot de volwassenheid
van dat Ieven. en door het II. Sacrament des Altaars ontvangen wij
voedsel tot onderstand van helzelve. Nu, dat geestclijk Ieven cens bckomen is
niet onverliesbaar; want door de dagelijksche zonde wordt het gekrenkt en door
de doodzonde gchcel verlorcn; maar ccns gekrcnkt of verloren zijndc, is het
niet onherstclbaar, want God is hcreid om vergilfenis onzer zondc te schenken
tot op hcl oogenblik dat wij van tlit le1·en scheiden en voor zijnen rcchtcrsloel
gcroepen worden. Tot dezc hers telling van bet geestclijk Ieven hecfl Christ us
het Sacrament der Diecht ingesteltl; en daarom word! dit Sacrament zeer wei
geplaatstna het Doopsel, het Vormsel en hct 11. Sacrament des Altaars. Deze
th·ij Sacramenten gcven gehecl het geeslelijk Ieven, en wanneer clit Ieven
g&lt;•krenkt of verloren is, komi het Sacrament der Biechl die verhindering of dat
verlies herstellen.
Deze Ll\s wordt natuurlijk in deze drij deelen verdeeld :
I. In de eerste vraag geeft de Catechismus ous eene korle beschrij,·ing van
het Sacrament der Diecht, waarin hij ons de eigenschappcn van dit Sacrament
leer! kennen, of ons zegt waartloor dit Sacrament van de andere ouderscheiden is.
II. Daarna van diJ tweede tot de vijfde vraag, handelt hij over de wcrken,
die van noode zijn, in dcgenen die te biecht g~an.
a) In de tweede vraag leert hij ons dat er in degenen, die te biccht gaan,
drij dingen nootlig zijn : bcrouw, bclijdcnis of bicc/1t en voldocning. b) Hij
lcgt in de dcrdc, vierde en vijfde naag die drij dingen uit. Nopcns het berouru,

�VJERDE DEEL. -

34•te LES, )Ste YR.

1037

.ondcrzockt hij, wat ltet is ofwaurin hcl hcstaat; nopcns de belijdenis of biecl1t,
vraagt hij, wclke zonden moe ten wij belijden; en over de voldoening, handelt
hij in de vraag : ben ik scltuldig iets te doen na de belijdenis en de absolrtlie
van den pricster.
III. In hct derde dcel spreekt de Catechismus over de uitwerkselen van dit
Sacrament en vraagl : wordt door de Bieclit niet vcrgeven de tJijn, die de
zonde vcrdiend liec{l.

I. V. lVat 'is de Biecltt of Penitentie?

A. Een Sacrament, van Christus ingesteld, in hetwelk
door de priesterlijke macht de zonden, die na het
Doopsel gedaau zijn, vergeven worden.
l. De zin der vraag is : waarin heslaat het Sacrament der
Biecht of der Penitenlie 1 Dit Sacrament wordt genoemtl het
-sact·ament der Biecht, orndat men, om het te ontvangen, zijne
zonden moet uiechten, 't is te zeggen, belijden; en het l~eeft ook ·
den naam van Sacrament der Penitentie, dat is, der hoetveer·
digheid, omdat de mensch in dat Sacrament waarlijk penitentie
of hoetveerdigheid over zijne zonrlen doet.
2. In zijn antwoord steH de Catechismus ons voor, hoe al de
voorwam·den tot. een Sacrament vet'eischt in tie Biecht verwezenlijkt zijn; waat'door hij tevens hewijst dat zij een waat'
Sacmment is, en hoe zij van al tie andere Sacramenten is onderscheiden : hij sprcekt. van hm·e instcllinr; do01· Clwistus, van
haw· uitwendig teeken en van de ~omle;·linr;e {JI'alic, die dom·

dat uitwcndir; tecken bcteclwnd en r;er;cven wonlt.
3. Welk is het uitwendig lecken van dit Sacmmenl? Dit
teekcn geeft (le Catechismus, zoo niet uitdruldw!Uk ten minste op eene ingewikkelde wijze, te kennen met de woorden : in
ltetwelh (Sacrament) doo1· de p1·icslei·lijke macltt de ~onden
vei'{Jeven worden. Hieruit vloeit dat het uitwe1tdig teeken van

�1038

YIF.RDF. DF.EL. -

34sto LES, )Sio VR.

de Biecht bestaat in de vcrgeving der zonden, welke door de
priesterlijlte macht geschicdt; of anders gezegd, dat zij hestaat
in de "ITijsprel\ing, in de ontslaging van de zonden welke de
priester door zijne macht doet. Deze vrijspreldng of onlslaging
wordt absolutie (ontslaging) genoemd; en zij geschiedt door de
woorden : ;, Ik ontsla u van moe zonden, in den naam des
" Vaclei'S en des Zoons en des II. Geestes ..Amen . ., De woorden : .. ik ontsla u " zijn vollwmenlijk vereischt, opdat de ab~olutie zou geldig zijn.
•
Dat deze vrijspreking of absolutie een uitwenrlig teeken
is, J;.an op gecne1· wijze in twijfel getrokken worden; dewijl
zij door woorden geschicclt, en del'lutlve onder het gehoor
&gt;alt.
Men merk~ nopens het uitwendig teel&lt;en van clit Sacrament
wel het volgende op : het is zeer waarschijnlijk, dat tot het
uitwendig teeken van dit Sacrament ook de drij al;.tcn &gt;an den
biechteling behooren, waarover in clc volgendc naag zal ge- •
. sprol\en worden, te wcten : de bieclzt, het bei·ouw en de u·il om
cle noodige voldoening te geven (welk berouw en welke wil
door de woorden en daden van den biechteling uitwenclig 1\cnbaar gemaakt worden). En deze opinie is ongetv,rijfeld zem·
gegrond : dewijl er tot doze vrijsprel\ing noodzakelijk vcreischt
is dat de misdadige zijnc schulcl erkcnne, er leedwezen over
liebbe en bereid weze er voor te voldoen, zoo maakt de vrijspreking niet aileen, maar de vrijspreking te zamen met doze
alden, het uitwendig tee!\ en der inwenclige vergeving uiL Die ~h·ij
alden zijn het begin van het uitwendig teeken, en de vrijsprcll.ing is er de voltrekking van. Edoch, daar dit niet gansch
zeker is, maakt de Catechismus er geen gewag '\'"an : hij vergeuoegt zich met aileen van de vrijspreking des pricsters, die
ongetwijfeld tot het uitwendig teekeu van dit Sacrament behoort, melding te makeu. - Men geve er ook bijzondere
aandacht op, dat de Catechismus zegt : dom· de priestm·lijlw

�VIERDE DEEL. -

34 810 LES, ] 810 YR.

1039

macht; en him·uit Yo!gt, dat niet een ieder, maar alleenlijk de
prie::-ters dit Sacrament kunnen bedienen.
En kan aile priester dit Sacrament geldig bedienen, of geldig
de absolutie geYen? Geenszins; boven de macht, die in de heilige
wijding dam·toc wordt ontvangen, is er nog jurisdictie over den
biechteling vcreischt, ge\ijk in de 28"0 les, 5&lt;1c vraag, gezegd is.
Indien een priester, die geldig gewijd is, het Sacrament der
Biccht moest loedienen aan cenen persoon, over denwelken hij
geenc jurisdictic heeft, de absolulie, welke hij ge&gt;en zou, ware
van p:ecner '''ee!'dc. In den uitersten nood, dat is, in ste!'vensgevaar, hebbcn aile pl'ieslc!'s de vel'eischte jurisdictie, om geJ,Jig
de ah~olutic lc kunncn geven.
4. \Velkc zondel'lingc gralic, wonll &lt;lool' &lt;lit uitwendig teeken
uitgcdruli.l en gegevcn? De zonden, zegt de Catechismus, die na
het !Joopsel gedaan zijn, u·o;·dcn daw· 1:c;·gc1.:cn. i\Ien Jette
wei op de woo!'dcn ; de zomlen, die na hel Doojiscl gedaan
z(jn : zij drukli.en·uit, dat doot· de Biccht niet aile zonden, maar
allecnlijk de zonden, die na het Doopsel gedaan zijn, wrgeveu
worden. Bijgcvolg de erfzonde en al de dadelijke zonden. die het
Doopsel voorafgaan, wol'den door de Biecht niel ve!'geven.
-\Vat de zonden betl'eft, welke iemand, die geldig gedoopt is
geweest, bij het ontvangen van bet Doopsel bcdre&gt;en heeft; de:r.e
wol'deu ook door de Biecht vergeven; want zij zijn cigen\ijk 1ia
het Doopsel gedaan, vermits het Doopsel noodzakelijk moet
bestaan, eer dat men in het ont&gt;angen van hetzelvc lmn zondigen.
Wonlt dan door dit Sacrament geene heiligmakende en geeue
dadelijke gratie gegc&gt;en1 Ja; want de vergi!fenis die de Biecht
schenkt, geschied t door de instorting der heiligmakende gra tie; en
derhalve in de menschen, die in staat Yan doodzonde het Sacrament
der Biecht met de noodige gesteltenis ontvangen, stort dit Sacrament de eersle heiligmakende gratie in, door dewelke zij, van
vijamlen Gods, wederom zijne aangenomene kinderen worden;

�1040

vmRDE DEI)L. -

34 810 J.ES, ISle VR.

en aan degcnen, die hct in staat van gratie ontvangen, geeft het
eene vet•meeruering van heiligmakende gratie, waardoor zij,
meer en meer in Gods Yriendschap treden. En boven ue heiligmal&gt;.endc gratie, geeft &lt;lit Sacrament nog recht tot het ontvangen
derdadelijl;:e gratii~n. die wij noodig hebben om de heiligmakcnde
gratie, in rle Biecht bekomen. te bewaren en werl&gt;.end te maken.
Hoe is die gratie, welke het Sacrament. uer Biecht ons geeft,
eene zonderlinge gratie1 Zij is gansch onderscheiden van de gratiEin der andere Sacramenten. Vooreerst, zij is geheel verschillig
van de gratien der Sacramenten van 1le levenuen, ,\•clke gcenszins rechtstt·ceks dienen om de vergiffenis det' zonden to ge&gt;en,
maar wcl om bet alreede bestaande g:eestelijk Ieven te voltrckken en ie onderhouden; terwijl het Sacrament der Biecht rechtstreel;:s is ingestelu om ue zonden te &gt;ergeven, en om ons van
zondaren, die wij zijn of ten minste geweest zijn. wederom of
meer en meer in Gods vriendschap aan te nemen. \Vat nu het
Doopsel betreft, uit Sacrament dient ook om de zonden te vcrgeven, doch het is alleenlijk bestemd om ons van de erfzonde en al
de voorgaande zonden tc zuiveren; terwijl de Biecht uitsluitelijk
dient om de zonden te vergeven, die na het Doopscl geuaan zijn.
Ret Doopsel dient om OilS de eerste maal het gecslelijk Ieven in
te storten; terwijlde Biecht is ingesteld om onsdat le•ien wederom
te vergunnen, wanneer het na het Doopsel opnieuw verloren
of ten minste gekrenkt is geweesl.
En hoe wordt die zonderlinge gratie door het uitwendig
te.el;:en van dit Sacrament beteekend en gegeven 1 Zij wordt
op de duidelijkste wijze mogelijk beteekend uoor de absolutie,
welke de priesier spreekt over den biechteling, die zijne zonden
met berouw en met den \Vil van de noodige voldoening te geven,
gebiecht heeft : de woorden, welke de priester over den biechteJinozeo-t,
o"even rlie gratie heel ldaar ie• kennen. - Deze gratie
0
0
wordt gegeven, gelijk in de andere Sacramentcn, niet door de
verdiensten van tlen biechteling of van uen priester, maar

�VIERDE DEEL. -

34sta LES, JSlO VR.

1041

door de kracht van dit Sacrament, welk in Christus' naam door
den priestet· toegediend wordt.
Ui t geheel deze leering blijkt het klaar, wie dit Sacrament
mogen ontvaugen : het zijn alleenlijk degeuen, die het Doopsel
ontvangen hebben, en na het Doopsel in zonde, 't zij doodelijke
of dagelijksche, gevallen zijn; dewijl dit Sacrament eigenlijk
dient om de zonden, die na het Doopsel gedaan zijn, te &gt;ergeven. Bijgevolg iemand, die na zijn Doopsel nooit op eenigerwijze zou gezondigd hebben, zou (lit Sacrament niet geldig kun•
nell ontvangen. Zoo was, bij voorbeeld, de H. l\Iaagd Mm·ia, die
nooit met de minste zonlle is bevlekt geweest, in de onmogelijkheid van dit Sacmment te kuunen gebt;uiken. - l\Iaar iudien
dit Sacmment ingesteld is om de zonden, die na het Doopsel
gedaan zijn, te vergeven, kan het dan geldig ontvangen worden,
door degenen, die niets anders dati reeds vergevene zom1 en te
biechten hebben? Ja; het kan door hen zeker geldig ontvangen
worden : gelijk men hier op aarde van de menschen opnieuw
vorgiffenis kan vragen en bekornen voor· reeds vergevene fouten
tegen hen bedreven; zoo kan men ook van God opnieuw vergiffenis vragen en bekomen voor de reeds vergeyene zonden, waardoor men Hem ·uoeger heeft vergramd. Die eens gezondigd
heeft, l;.an over die zonde berouw hebben, deze zonde belijden
en voor haar willen voldoen, zoo dikwijls hij wil; en God kan
ook zoo dikwijls Hij wil eene en dezelfde zonde vergeven;
want de vergeving bestaat eigenlijk hierin dat de beleedigdo persoon vrijwillig afziet van hetgene · hij tcgen zijnen beleetliger uit hoofde van het bedreven ];. waad zou kunnen doen;
en deze verzaking kan hij voorzeker vernieuwen, zoo dikwijls
hij het wil.
5. Vanwie lwmt nu dit Sacrament der Biecht voort? Ret is,
gelijk de Catechismus zegt, t'Wt Christus ingesteld. - En wa~­
neer en hoe heeft Christus dit Sacrament ingesteld1 Hij heeft op
de uitdrultkelijkste wijze dit Sacrament ingesteld, wanneer Hij

�I042

\'lElWE DEE!.. -

34slc J,g;S, ) sto YR.

na zijne Verrijzenis aan zijne Apostelen Yerscheen, ovet• hen
blies, en tot hen sprak : .. OntYangt den H. Geest : wier zonden
., gij vergeven zult, (lien worden zij YergeYen, en wier ZPntlen
.. gij zult houden, dien zijn zij gehoudeu (Joan. XX, 23). ·• Reerls tijdens zijn sterfelijk Ieven had Christus aan Petrus, het
hoofd der ,\posielen, in het bijzonder, de sleutels van het rijk der
hemelen, de macht om te binden en te onti.Jinden beloofd (:Malth.
XVI, Hl); en bij eene andere gelegenheid, had Hij niet alleenlijk
tot Petrus, maar ooli. tot al de andere Aposielen, te zamen gezegd (Matth. XVIII, 18) : ·· Vool'waar zeg ik u, al wat gij ge., bonden zult hebbcn op am·de, zal ook gebowlcn zijn in tlcn
.. heme!; en al wat gij ontbonden zult hehben op aarde, zal ook
.. ontbonden zijn in den heme!. " Welnu, onder die Yolmacllt
van biuclen en ontbinden is ook Yoorzeker de macht begrepeu
om de banden der zonde tc ontbinden of niet te ontbinden. Doell dewijl de zaak zoo gewiclttig was, l1eeft Christus dit groot
Saet·ament op eenc zeer duidelijke en bepaalde wijze willen .
instellen; en tlit heeft Hij gedaan na zijnc Yerrijzenis met de
woorden, die wij komen aan. te halen.
Dat deze woorden de inslelling van dit Sacrament beYatten,
lmn door niemand in twijfel getrokken worden. Vooraleer aau
zijne Apostelen de macht te Yergunnen Yan de zonde te YergeYen
of te wederhouden, wilde Christus, om hen tot het onhangen
van die macht te hereiden, hun eerst zoowelmet zich als verrezen
te vertoonen als met bij hen binuen te komen wanneer de deuren
gesloten waren, klaarlijk bewijzen, dat Hij wezenlijkalle macht bezat enlwn geven. Daarna verklaarde Hij, dal Hij hun zijne macltt
ging mededeelen : •· Gelijk de Vader mij gezonden lteeft, zeide
Hij, zoo zende ook Ik u; ··en verdcrs toonde Hij diLnog door eene
bijzondere plechtigheid, welke bewees, dat Hij iets gt·oots in
den zin had, en die hen opmerkzaam maken moest op de voortrelfelijkheid hunnerzending: Hij blies over hen, zeggentle:" Ontvangt den H. Geest; .. 'twelk voorzeli.er te kenuen gaf, dat Hij

�VIERDE DEEL. -

34810 LES, 1sto VR.

1043

hun cene goddelijke macht ging geven. Eindelijk·verklaarde Hij
hun waarin de macht, die Hij hun gaf, ~estond : .. 'Vier zonden,
., zegde Hij, gij vergeven zult, d ien worden zij vergeven; en wier
.. zonden gij zult houden, dien zijn zij gehouden. ·· 'Velnu, de
Zaligmaker kon op geene duidelijker wijze het H. Sacrament
der Biecht instellen. Eens had Hij in bet bijwezen zijner discipelen nan eenen Iamme gezegd : .. Uwe zonden zijn u vergeven;"
(Marc. IJ, 7) en ler zelfrler tijd door een mirakel bevestlgd, dat Hij
waarlijk de zcinden vergaf: want daardeschriftgeleerden met die
vergevingspolten, deed Hij den Iamme gaan en het bed, waarop
hij lag, wegdragen. En daar Hij naderhand dezelfde woorden tot
zijne Apostelen gesproken heeft zonder eenigszins te kennen te
geven, dat Hij ze in eenen oneigenlijken zin verstond, moeten
wij noodzakelijk besluilen, dat Hij ze wezenlijk van de &gt;ergiifenis der zonde, in haren eigenlijken zin genomen, verstaan heeft. - En men zegge niet dat de macht, welke Christus
· hier gaf, van de macht om het Doopsel te bedienen, kan
verstaan wo:·den; want deze macht komt nergens voor, onder
den naam van eene ma:cht om de zonden te vergeven of te
werlerltouden. Daarenboven de uitdrukking de zonden t•m·geven o(wedm·lwuden beteekent uit hare natuur eene vergeving
of wederhouding die bij middel vai1 een vonnis over de zonden
geschiedt; en zulk een vonnis grijpt geene plaats in bet
Doopsel.
Eindelijk dat de aangehaalde woorden, van de macht om de
zonden te vergeven of te wedcrhouden, verstaan moeten worden, gelijk de H. Kerk dezelve van in het begin altijd verstaan
heeft, leert ons het Concilie van Trente (Zitt. XIV, can. 3) :
" Inrlien iemand zegt, dat de woorden van onzen Heer en Zalig" maker : Ontvangt den H. Geest, .wier zonden gij vergeven zult,
" dien zijn zij vergeven, en wier zonden gij zult bouden, (lien
, zijn zij gebouden; niet te verstaan zijn van de macht om in het
" Sacrament van boetveerdigheid de zonden te vergeven of te

�1044

VIERDE DEEL. -

34ste LES, 2do VR.

, houden, zooals de l.atholieke Kerk van den beginne ze altijrl
., versta..'l.n heeft; ... bij zij in den ban. ·•
6. Het sam·amen t rler Biech t word t dik wijls het lweede Doo psel
genoemd; en de reden dam·van is, dat rlit Sacrament, gelijk het
Doopsel, dient om ons opnie"uw het geestelijk leven in te starten : bet Doopsel is onze eerste geboorte in bet geeslelijk Ieven,
en de Biecht dient om ons tot bet geestelijk Ieven, welk wij
door ouze dadelijke doodzonde verloren zouden bebben. te doen
f

verrijzen.

2. V. Hoeveel deelen zfjn er noodig tot llet Sac1·arnent
de1· Penitentie?
A. Drij : berouw, belijdenis of biecht, en voldoening.
1. In de voorgaande vraag bebben wij alreede geleerd, oat tot
bet Sacrament der Biecht de absolutie des priesters volstrekt _
noodig is. Is er nu buiten die absolutie niets anders vereischt om
dit Sacrament te ontvangen 1 Ja; buiten de aiJSolutie, die door
den priester gegeven wordt. zijn er van den kant des biechtelings nog verscbillige dingen noodig; en hieroYer is 't dat de Catechism us in deze vraag handelt. Hoeveel deelen, zegt hij, zijn e;·
noodig tot ltet Sac1·ament de1· Penilenlie; 't is te zeggen, hoevee! dingen worden er van den biechte\ing gevorderd, opdat hij de
absolutie.van den priester geldig en met vrucht zou ontvangen,
en welke zijn deze 1
2. Hij"antwoordt dater drij dingen noodig zijn,aan al degenen
die van hunne zonden door dit Sacrament vergiffenis willen bekomen. - En welke zijn deze drij vereischten1 Het eerste is het
berouw; het tweede de belijclenis of biecltt (belijclenis, oat is
uitwendige bekentenis, en bet beteekent hetzelve als het woord
biecht); en het derde de voldoening. -De Catechismus zal ons
- in de volgende vragen die drij vereischten uitleggen. Eerst gaat
hij spreken van het berouw.

�V!ERI&gt;E DEEL. -

34 510 I.ES, 3de VR.

1045

3. V. fVat is ltet berouw?

A. Een leedwezen over de zonden, door dewelke wij
de goddelijke majesteit en goedheid vergramd hebben, met een vast voornemen van dezelve te biechten en ons te beteren.
l. De Cate~hismus gaat ons thans de uitlegging geven van het
eer·ste deel dat van den lmnt des biechtelings tot het Sacrament
der Biecht vereischt is, te weten, van het berouw. Hij vraagt
wat het be1~omo is, 't is te zeggen, waarin het berouw bestaat,
dat tot het Sacrament der Biecht vereischt is.
2. Uit het nntwoord blijkt dat er tot het berouw twee dingen
vereischt zijn : a) een leedwezen ovei' de zonde1i, door dewellw wij de goddelijlw mqjesleit en goedheid vergmmcl
. hebben; en b) een 'l:ast voof"nemen t:an die zonden te biechten
en ons le beteren.
3. De Catechismus begint met te zeggeu, dat het ber()uw bestaat in een leedwezen. Leedwezen, dat is droefheid en spijt
over eene zaak, ~erfoeiing eener zaal;:, met spijt en droefheid
willen dat eene zaak niet bestond of niet geschied was. - En
waarover is het berauw een leedwezen, waarover maakt het
ons droevig, wat doet het ons verfoeien. nopens welke zaak doet
het ous met spijt en droefheid willen, dat zij niet zou bestaan, of "'
niet zou geschied zijn? Het berouw is een leedwezen over de
zonden, dom· dewelke wij de goddelijke ma}esteit en goedheicl
ve1·gramd hebben.
De zonden, dat zijn. woorden, we~:ken, begeerten ofv~rzuime­
nissen tegen de wet en den wil Gods; zooals bij voorbeeld, ongeloovigheid, wanhoop, haat van God, blasphemeeren en lichtveerdig zweren, den Zondag onteeren, onkuischheid doen, stelen,
liegen, enz.
4. Over welke zonden moeten wij leedwezen hebben : is het

�1046

YIEIWE DEEL. -

34810 LES, 3110 VR.

over alle zonden, ook over die, welke door andere menschen
bed rev en zijn ¥ Geenszins, bet is alleenlijk over onze persoonlijke
zonden; over de zonden; zegt de Catecbismus, waar·door wij de
goddelijke majesteit en goedbeid vergramd bebben.
5. Maarwij kunnen over onze zondenonder verschillige betrekkingen leedwezen hebben: wij kunnen er immers dro'evig over
zijn, ofwel omdat wij door die zonden, bij voorbeeld, door eene
zonde van onreclltveerdigbeid of van onkuischbeiq, onze eer en
faam verloren bebben, ofwel omdat wij door baar verliezen in
onze tijdelijke goederen ondergaan, ofwel omdat wij door
haar andere menscben misnoegen, ofwel omdat wij door
haar God bebben vergramd : onder welke betrekking is nu bet
berouw een leedwezen over de zonden 1 Het berouw is een leedwezen over de zonden, voor zooveel die zonrlen tegen God geschied zijn : een leedwezen over de' zonden, zegt de Catechismus; door dewellte wi.j de goddelijke majesteit en goedheid
vel'gl·amd (beleedigd) hebben. Diensvolgens, indien iemandalleenlijkspijt had overzijnezonden, bij voorbeeld, over zijne onkuischbeden, zijne onrechtveerdigbeden, zijne ongehoorzaamheden,
omdat hij door die zonden zijne eer, zijne fortuin, zijne rust, zijn
tijdelijk geluk verloren heeft en geenszins !Jedroefd zou wezen
omdatbij God heeftvergramd, deze zou geen goed !Jerouw heb!Jen.
Wij moeten leedwezen hebben over bet kwaad, dat wij tegen
God gedaan hebben, en zoo moeten wij over onze zonden droevig
zUn, voor zooveel God door hen is vergramd geweest. -De woorden van den Catechismus : goddelijlle majesteit en goedhezd
beteekenen bier God zelven : deze twee goddelijke hoedanigheden : zijne allerhoogste verhevenheid en zijne opperste goedheid,
worden hier gemeld, om de grootheid der zonde, die tegen den
Koning der koningen en den be~ten der vaders geschiedt, te doen
uitkomen.
6. Uit welke redenen. kunnen wij droevig zijn van God vergmmd te hebben? Uit twee verschillige : de eerste vinden wij

�\'JERDE DEEL. -

34 610 LES, 3c1e YR.

1047

in de oneindige volmaaldheden van God, door dewelke Hij
oneindig weerdig is gehoorzaamd en be mind te worden; en de
tweede in de vrees der goddelijke straiTen, of in de hoop van
den goddelijken loon, of in de leelijklleid der zonde om red en onzer
verplicllting jegens God, onzen grootsten weldoener. - Het
leeuwezen, 'twelk uit de eerste redeu voortspruit, is volmaakt,
en het andere, 'twelk op de tweede red en steunt, is onvolmaallt,
gelijk \Yij in de 14.c1c en in de 20510 les breedvoerig voorgesteld
hebben; doch voor het Sacrament der Biecht is het onvolmaakt
berouw voldoende. De Catechismus vereischt immers maar een
leedwezen, waardoor wij droevig zijn, omdat wij God vergramd
hebben; en zulk een leedwe1.en vinden wij voorzeker in het
onvolmaakt berouw, 'twelk steunt op het verlies van den goddelijken loon, of op de vrees der goddelijke straiTen of op de
leclijklleid der zonde. Het is nogtans zeer goed en voordeelig,
gelijk het uit de natuur der zaak blijkt, zich bij het ontvangen
van he't Sacrament der Biecht tot een volmaakt berouw op te
wekken; en dit is niet moeilijk, gelijk wij in de 14.c1e en in de
20 51" les getoond hebben.
Bet volmaal\t berouw met den uitdrukl:.:elijken of ten minste
den ingesloten wil van op bekwamen tijd te biechten gepaard,
vergeeft buiten de Biecllt of eenig ander Sacrament de doodzondc; het omolmaald berouw integendeel vergeeft door zich
zelf slechts de dagelijksche zondcn, maar het is gcnoegzaam om
er in hct Sacrament der Biecht de vergi1Tenis der doodzonden
mede te bekomen.
7. Is er nu tot het berou w, 'twelk tot het Sacrament der Biecht
vereiscbt is, niets anders noodig, tenzij dat het besta uit een

leedwezen OVCi' de zonden, clom· dewelke wij God vei·gramd
lwbben1 Zekerlijk ja; dat berouw, om voldoende te zijn, moet
te zamen gaan, gelijk de Catechismus zegt, met een vast vom·nemen van cliezonden te biechten, en zich te beter·en. Zoodan,
om een waar bet·ouw te hebben, is het niet genoeg van droevig te

�1048

VIERDE DEEL. -

34ste LES, 3do VR.

zijn over de bedrevene zonden, maar men moet daarbij het vast
voo1•nemen maken. dat is, het vast besluit nemen, \vezenlijk
denwil hebben, van die zonden waaro'\lermendroevig is,te biechten en zich te beteren.
8. l\foeten wij het vast voornemen hebben vanal onze zonden te
biechten 1 Neen, wij moeten maar het voornemen hebben van al
onze doodzonden, die na hei Doopsel gedaan en door de Biechtnog
niet rechtstreel;:s vergeven zijn, te belijden, want de dagelijksche
zonden zijn wij niet verplicht in de Biecht te Yerkla!·en(zie vr. 4).
9. Wat beteekenen bier de woorden zich bete;·en? Zij beleekenen, aile doodzonden, zonder uitzondering, en die dagelijksche
zonden, waarover men leedwezen heeft, willen vluchten; en
bijgevolg ook de naaste gelegenheden dier zonden willen vluchten, want wie de zonden wil vermijden, die moet noodzakelijk
ook de naaste gelegenheid derzelve schuwen.
Onder den naam van gelegenheicl der zonde verstaat men
allerhande uitwendige dingen, zooals, personen, omstandigheden, lezingen, gesprekken, vergaderingen, oogslagen, die ons
tot zonde aansporen of verleiden en zoo ons min of meer aan
het gevaar van te zondigen blootstellen. Is dit_ gevaar slechts
gering, zoodanig dat het ons, op de verscheidene keeren, dat
wij er aan blootgesteld zijn, maar zelden tot zonrle brengt;
dan noemt men de gelegenheid, welke &lt;lit gevaar veroorzaakt,
eene verwijderde gelegenheid. l\iaar is het gevaar integendeel
groot, zoodanig dat het ons, op de verscheidene keet·en dat wij
er ons in bevinden, ieder maal of gewoonlijk, of ten minsle zeer
dikwijls in zonde doet vallen; dan wordt het naaste gelegenheid genoemd. Diensvolgens door naaste gelegenheid verstaan
wij iets uitwendigs, dat bns, als. het plaats grijpt, altijd of
gewoonlijk of ten minste zeer dikwijls tot zonde brengt. Bij
voorbeeld, indien iemand, wanneer hij met eenen zelteren persQon
is, of zich in een zeker huis of vergadering bevindt, ieder maal,
of gewooJ~Iijl;:, of zeer dikwijls in zond~ valt,is deze persoon, dat

�\•IEROE OEEI,. -· 34stc LES, 3de VR.

1049

lmis of die veq~adering voor hem eene naaste gelegenheid van
zonde. - Eene zaak !;;an voor ons naaste gelegenheid van zonde
zijn, 't zij door hare uatuur, of door onze eigene en persoonlijke
zwakheid. Zoo zijn, bij voorbeeld, onkuische gezelschappen,
uit hunne natuur, eene naaste gelegenheid tot zonde; terwijl
een gezelschap dat in zich zelf zedig is, eene naaste gelegenheid
voor iemand zal wezen uit hoofde zijner persoonlijke krankheid, indien hij door ondervinding weet, dat hij door dat gezelschap gewooqlijk of ten minste zeer dikwijls in zonde valt.
'Velke gelegenheid van zonde moet men will~n vluchlEm, om
een genoegzaam berouw te hellben? De vei'wijde1·de gelegenlteid van zonde moet men niet willen vluchten, dewijl dit. om
reden det· groote menigle van zaken, die ons tot zonde
kunnen llrengen, niet mogelijk is. :L\·Iaat· de naaste gelegenlteid
moet men altijd willen vluchten, tenzij dit gansch onmogelijk is of ten minste zonder aanmerl;.elijl;.e schade niet kan
geschieden; en als men in de volslrekle onmogelijkheid is van
ze te vluchten, of ten minste als men ze zonder amizienlijl;:e
schade niet lmn vermijden, dan moet men de noodige middelen,
die de biechtvader voorschrijft, of die wij door ons zelven
kennen. gellruiken om van die naaste gelegenheid eene verwijderde te maken, 't is te zeggen, om de aanlold;.ing tot zonde,
welke die gelegenheid bijllrengt, te overwinnen, en om zoo in
die gelegenheid niet meet' in de zoncle te vallen. - En welk
is de reden daarvan? - De reden is, dat wie de naaste
gelegenheid van zonde op do voorgestelde wijze niet wil vluchten, den wil niet heeft van zich te beteren; want degene die
zich wil lleleren, moet .ool;: de daartoe noodige middelen willen
gebruiken; en het eerste en noo(ligste middel is ongetwijfeld
bet vluchten det· naaste gelegenheid. Iedereen ziet inuners dat
degene, die zich aan een naaste gevaar van in een ongeluk te
vallen vrijwillig blootstelt, den wil niet heeft'Tan dit ongeluk
te vermijden. Die eene kwaal wil vluchten, is voorzeker gehou-

�1050

VIERDE DEEL. -

34 510 f,ES, 3de VR.

den het naaste gevaar dezer kwaal zorgvuldig te vermijden : hij
moet als hij ];.an het gevaar met der daad vermijden; en I•an hij
het niet ontgaan, hij moet zich wapenen om er niet in gehintlerd
te worder1. Wie onder weg niet wil bestolen worden. die moet
den weg vluchten in denwelken de reizigers gewoonlijk worden
aangerand; en ware hij noglans verpliclit eli en weg in le slaan,
hij zou zich tegen de aanvallers moeten wapenen, om zich te
""kunnen verweren.
10. 11ren merl;:e op, dat wij, om een genoegzaa~n berouw te
.hebben, alle doodzonden met hunne naaste gelegenheden zonder
uitzondering, en alleenlijl;: die &lt;lagelijksche zonden met hunne
naaste gelegenheden, waarover wij leedwezen hebben, moeten
willen vluchten. En de reden daarvan is, dat de staat van
gratie belet wordt door alle doodzonde of aangekleefdheid aan
doodzonde, daar iedere doodzonde ons vijanden van God maakt;
terwijl de dagelijksche zonclen dezen staat van gratie niet beletten : door de dagelijksche zonden verliezen wij immers Gods
gratie niet. en zijn wij niet belet ze te onlvangen. (Zie 37510 les).
ll. En waarom moet het leedwezen met het vast voornemen
van de zonden te biechten en zich te beteren gepaard gaan,
om een waar berouw te hebben1 De reden dam·van vloeit
uit de natuur der zaak zelve : indien men droevig is omdat
men door zijne zonden God vergramd heeft, moet men noodzakelijk den wil hebben van zich te beteren ; want om de zonde
te verfoeien, gelijk he~ behoort, moet men ze verfoeien voor
aile tijden, zoowel voor het toekomende als voor het verledene.
Op dezelfde wijze moeten wij, indien wij over onze zonden
waarlijk leedwezen hebben, ten minste al onze doodzonden
will en biechten; want wje zijne zonden waarlijk verfoeit, die
wil er zich van verlossen en zich met God verzoenen; en het
middel, dat wij daartoe volgens Gods wil moeten gebruiken, is
het Sacrament der Biecht. - Deze voornemens van onze
zon&lt;len te biechten en ons te beteren, imnnen uitdruld;.elijk zijn,

�YJERDE DEEL. -

34sto LES, 3do YR.

1051

of slechts besloten liggen in het berouw; en als wij een waar
leedwezen hebben, zijn zij er allijd in besloten, dewijl zij, gelijk
wij komen te bewijzen, er rechtstreel\s uit voorLvloeien.
12. Om dus een waar berouw le hebben, is er het volgende
vereischt : men moet vooreerst leedwezen hebben over de zanden, door clewellw wij God vergramd hebben, 't is te zeggen,
droevig zijn omdat wij door onze zonden God vergramd
llebben, en willen dat wij clat niet geclaan hadden; en die droefheid moet vq9rtkomen uit het overwegen der oneindige volmaakLhcid van God, door clewe\1\e Hij aile liefde weerrlig is,
of sleunen op de hoop des hemels, of op de vrees der goddelijke
straflen, of op de leelijkheid der zonde ten opzichte van God,
onzen grootsten weldoener. 'fen t\veedc, bij dat leedwezen is er
nog vereischt het vast voorucmen van ten minste al de doodzonden te biechten en ons te beteren.
13. Tot hiex·toe hebben wij geleerd, waarin het berouw tot
. het Sacrament der Biecht vereischt, eigenlijk bestaat : nu blijven er nog eenige praktische opmerkingen te doen nopens de
hoedanigheden van dit berouw.
a) Vooreerst hoe groat moet dit berouw zijn; moeten wij de
zonde als het grootste kwaad verfoeien, ofwel zijn er kwalen,
aan cle\velke wij den voorrang mogen geven 1 'Vij moeten de
zondo aanzien als het grootste kwaad, en daarom moet ons
berouw 7.ijn bovenal; 't is te zeggen, wij moeten zoo gesteld
zijn dat wij liever alles zouden verloren hebben, en in het toekomende a\les zouden willen verliezen, zelfs het Ieven, dan God
vergramcl te hebben of nog te vergrammen. En de reden daar-·
van is, dat wij God moeten beminnen borenal, gelijk wij in de
2Q•to Les gcleerd hebben; dat wil zeggen. liever alles lijden en
alles verlaten, zelfs het Ieven, dan Gocl te vergrammen. Doch
om deze gesteltenis te hebben moeten wij ons geenszins op eene
leveudige \vijze voorstellen, wat wij zouden doen indien wij in
deze of gene omstandigheid moesten ldezen Lusschen het Ieven,

�1052

YIElWE DEE! •. -

34su. LES, 3dc ''R.

onze fortuin en doze of gene zonde; llet is immers genoeg dat
wij in 't algemeen al.les willen verlaten om de zonde te vluchten,
en dat wij op Gods gmtie rekenen om dit in alle omstandigheden ten uitvoer te brengen. Zelfs zulk eene levendige voorstelling moeten wij gewoonlijk zorgvuldig vluchten, omdat zij
gemakkelijk eene ware bekoring tot het kwaad kan worden..
b) l\·Ioet bet berouw over ·onze zonden krachtiger en vuriget·
zijn dan al onze andere begeerten en gevoelens, zoodanig dat wij
}'. daar meer op den ken dan op aile andere zalien; dat wij er meer
gevoelig aan zijn, dan aan alle andere dingen? Hoegenaamd niet;
de graad der lu·acht van eeu gevoelen, verandert zijne natuur
niet; bij is alleenlijk eene toevallige zaak; en daarom is alle
berouw, waardoor men de zonde hoven alles verfoeit, goed en
genoegzaam, al ware het vee! min vurig dan vele andere genegenbeden onzer ziel.
c) ls bet genoeg eene alite van berouw ui twendig op te zeggen
of te lezen1 Geenszins; zulks baat niet tot de vergiffenis der
zonden, wanneer dit gebed uiet uit een vermorzeld her( voort·komt; want God en de rede eischen. van ons geen schijnheilig
maar een wezenlijk berpuw. Het is immers in _hot bert. dat is, in
de booze genegenheid van onzen wil, dat de zonde haren oorsprong heeft genomen; en 'daarom moet zij ook uit het he1·t door
eenen beteren wil uitgeroeid worden. Een ieder moet dan, wanneer bij zicb tot de Biecht bereidt, wei opletten om niet aileen. lijk met de,lippen; ma.ar wei met bet hert eene akte van berouw
te verwel\lten : men moet dan waarlijk wenscllen, dat p1e11
God niet vergraind had~e. en den welgemeenden wil hebben,
. om de zonden en do gelegenheid dor zonde te vluchten en te
llerstellen wat mim ten go~olge der ?.onde te herstellen heeft.
Echter deze inwendige wil is ool~ genoegzaam ; als men•zoo ge. steld is heeft men altijd een voldoende berouw.
d) Eindelijk over welke zonden moet het berouw zich uitstreklten 1 Het moet zich ten minste over aile doodzonden uitstrek-

�VlllRDE DBF.L. -

34 510 LES, 3de VR.

1053

ken; dat is, ten minste moeten wij al de doodzonden betreuren,
die wij bedreven hebben, en het vast voornemen maken van alle
doodzonden en de naaste gelegenheden derzelve in het toekomende te vluchten; dewijl wij om den staat van gratie te bekomen aile doodzonde als bet grootste lnvaad moeten aanschouwen,
en haar boven alles vet·foeien. 'Vat de dagelijltsche zonden
aangaat, men moet berouw hebben over die zonden, over dewell;:e men de absolutie begeel't te ontvangen. Hadde men alleenlijk dagelijl;:sche zonden te biechten, en Yroeg men er de
absolutie over, zonder er berouw over te hebben, men zou eene
heil igschenderij bedrijven; daar men het H. Sacrament der
Biecht zou willen ontvangen, zonder de daartoe vereischte voorwaarden te willen volbrengen. Daarom is het raadzaam voor
degenen, die alleenlijk dagelijksche zonden te biechten hebben,
en weinig zorgcn om over deze zonden een waar berouw te
verwekken en om bet slellig ·voornemen te maken van ze in het
· toekomende te vlucltten, opnieuw een berouw te verwekken
over eene groolere zonde in 't voorgaande Ieven bedreven en
gebiecht, waarover zij gemakl{elijk leedwezen bekomen, en ·
andermaal die zonde in de biecht voo.r te stellen. (Zie nog
l·1de les, ,ide en 5de vr.)
14. Nadat wij gezien hebben, waat'in het berouw bestaat, en
welk bet·ouw tot het Sacrament der Biecht vereischt wordt; blijft
er nog te vragen. waarom het berouw lot dit Sacrament noodig is;
waarom worden dan .de zonrlen door de absolutie zonder het
berouw niet vergeven! Aangezien God ons op de aarde plaatst om
onze deugd te beproeven, om ons den hemel te doen winnen met
Hem vr!jwillig te dienen, strijdt het ·met zijn~ ~·echtveerdig!leid
en mel zijne. wijsheid, dat Hij onze zondcn vet'geve, zondet' da.t
wij er berouw over hebben. Deed God zulks, het ware nutteloos
ons hier op aarde te plaatsen tot. onze bept·oeving : Hij zoude ons
dan zalig maken, zelfs wanneer wij ons wezenlijk van Hem verwijderen, often minste wanneer wij, na ons van Hem vel'wijderd

�1054

VIERDE DEEL. -

34 810 LE!:i, 4do YR.

te hebben, niets doen om tot Hem terug te keeren. Wilde Hij derwijze te werk gaan, dan zou Hij ons op aarde niet moeien plaat·sen bebben, maar wel van in llet begin ons de eeuwigo zaligheid
geven. Om deze reden vegeeft God nooit eene zonde, zonder dat
de zondaar er berouw over hebbe : de zondaar moet· zicll van
zijne zonde door bet berouw tot God bekeeren; en, als bij dit
gedaan heeft, dan schenkt God hem vergiffenis.
Na het berouw te llebben doen kennen, gaat de Catecltismus
over tot de belijdenis.

4. V. lVelke zonden moeten wij beb}den?
A. Alle doodzonden, die wij na een neerstig onclarzoek
gevonden hebben en indachtig zijn, daarhij voegende het getal en alles wat de zonde mag veranderen of zeer bezwaren.
l. In deze vraag spreekt de Catechismus ons van het tweede

deel, dat van den kant des biechtelings tot bet Sacrament tier
Biecht 1ioodig is, nainelijk, van de belijdenis of biecllt. Het is
niet genoeg dat de zondaar berouw llebbe over zijne zonden, hij
moet ook nog zijne zonden aan den priester belijden of biechien,
wil hij geldiglijk de heilige absolutie ontvangen. Tot uitleg van
dit·tweede deel, vraagt de Catechismus : welke zonden moelen
wiJ belijden; 't_is te zeggen, welke zonden moeten wij biechten.
om geldiglijk de heilige absolutie van den priester tc kunnen
ontvangen 1
2. In zijn antwoord leer·t de Catechismus ons : a) well\e soorl
van zonden in de Biecht moeten beleden worden; b) wellw zonden van de gezegde soort wij moeten belijden; c) welk onderzoek
er vereischt is tot de Biecht; d) of er ieis meer dan de zonde, in
baar zelve beschouwd, moet beleden worden.
3. \Velke soort van zonden moeien wij dan llelijden; zijn het
zoowel de dagelijksche zonden als·de doodzonden? \Vij moe ten at-

�YrERDE DEEL. -

34ste LES, 4d 0 YR.

1055

leenlijk de dooclzonden biechten, gelijk de Catechism us ons leert.
- De dagelijksche zonden moeten wij niet biechten, dewijl wij
er op andere wijzen vergiffenis van kunnen bekomen, en dat zij
de vergiffenis der doodzonde en den staat van gratie niet beletten. Nogtans, indien men door het Sacrament der Biecht vergiffenis van de dagelijksche zonden wil bekomen, is men verplicht
die dagelijksche zonden, waarover men vergiffenis vraagt, te
biechten. - Men zij altijd wel indachtig, dat er bier slechts
spraak is van· de zonden, die na het Doopsel gedaan zijn, aangezien de Biecht enkel om deze zonden te vergeven ingesteld is.
4. \Velke doodzonden moeten wij biechten? De Catechtsmus
zegt : alle doodzonden, die wij na een nee1·stig onderzoek gevonden hebben en inclaclttig zijn. - Alle doodzonden, dat wil
zeggen, alle doodzonden na het Doopsel gedaan, welke door het
Sacrament der Biecht nog niet rechtstreeks vergeven zijn geweest; en alle deze doodzonden moeten wij biechten, zonder
eene uilzondering, 't zij deze met woc:&gt;rden, of met werken, of
alleen met gedachlen gedaan zijn, en hoe heimelijk, hoe schandelijk zij ook mochten wezen. De redeu .daarvan is, dat de
eene doodzonde zonder de andere niet kan vergeven worden,
en dat de belijdenis der doodzonden door Chrislus in het Sacrament der Biecht vereischt is. - En men geve er aandacht op,
dat wij ook die doodzonden moeten biechten, welke reeds d·oor
een volmaakt herouw, of door eene voorgaande Biecht, waarin
zij onvrijwilligvergeten zijn geweest, of door een ander Sacrament
der levenden ter goeder trouw met een onvolmaakt berouw
ontvangen, zouden vergeven geweest zijn. \Vant het is Christus'
wil dat alle doodzonden, die na het Doopsel gedaan zUn, aan
de priesterlijke macht in de Biecht onderworpen worden.
Hieruit volgt dat wij voorzeker eene slechte Biecht doen,
wanneer wij m·ijwillig eene doodzonde verzwijgen; maar als wij
in onze biecht eene doodzonde niet indachtig zijn en zoo die ·
vergeten te verklaren, is alsdan ook onze biecht slecht en onvol-

�1056

V!ERDE DEEL. -

34stc LES, 4de YR.

doende om met de absolutie des priesters vergi1fenis onzer zanden te bekomen 1 De Catechism us antwoordt ons hierop zeggende,
dat wij maar moeten biechten, alle doodzonden die wij na een
neerstig onderzoek gevonclen hebben en £ndachlig z(jn : bijgevolg, wanneer wij eene doodzonde vergeten heLben te verklaren, zal onze biecht nogtans goed zijn, indien wij een neerstig
onderzoek gedaan hebben om al onze doodzonden te ontdeh.ken,
en deze in weerwil van dit onderzoek niet hebben ontdekt; of
indien wij, na ze in het onderzoek gevonden te hebben, ze in de
biecht niet indachtig zijn; maar zij zal slecht wezen, wanneer wij
te biecht gaan, wetende dat wij wezenlijk verwaarloosd hebben
een neerstig onderzoek te doen en dat wij nogtans waarschijnlijk doo.dzonden bedreven hebben. - En welke is de reden daarvan1 De reden van het eerste, te weten, dat wij maar moeten
biechten, alle doodzonden die wij na een neerstig onderzoel;: gevonden hebben en indachtig zijn, vloeit uil de onmogelijkheid
van meer te doen : de mensch kan niets meer doen (]an zijn geweten wel onderzoeken en die zonden biechten, welke hij
indachtig is; en daarom lmn God, die de opperste wijsheid en
goedheid is, en boven het mogelijke niets ];:an eischen, van den
mensch niefs meer dan zulk eene biecht vragen. De reden van
bet tweede, namelijk, dat de biecht slecht is, wanneer wij verzuimd hebben een neerstig onderzoek te doen, alhoewel ltet
waarschijnlijk was dat wij doodzonden bedreven hadden, is
ook allerklaarst : indien God wil dat wij al onze doodzonden
biechten, zijn· wij voorzeker verplicbt de daartoe noodige middelen te gebruiken : welnu, daartoe is noodzakelijk vereischt
dat men neerstiglijk zijn geweten onderzoeke; en derhalve, wie
waarschijnlijk doodzonden gedaan beeft en zijn geweten neerstiglijk voor de uiecht verzuimt te onderzoeken, die is· zoo
plich_tig, als degene. die vrijwillig eene doodzonde verzwijgt;
want hij stelt zich vrijwillig bloot aan het gevaar van zijne
doodzonden niet te ontdelt){en en derhalve ze niet te biechten.

�YIERDE DEEI,. -

34 810 LI•:S, •!de VR.

1057

"Wie zich niet wil neersliglijk onderzoeken over de doodzonden,
die hij waar·schijnlijl&lt; belli·even heeft, die heeft den wil niet ·van
te biechten gelijk het behoort; en zoo doet hij rroodzakelijk eene
slechte biecht.
5. Tot eene goede biecht is er dan e~n neerstig onderzoek
van conscientie vereischt; wat verstaat men nu door zulk een
onderzoek? Het onderzoek van conscientie zal neerstig zijn.
indien men eene heilige begeerte hebbende om al zijne doodzonden te kenne,r, zich voor God ootmoediglijk nederwerpt, den
noodigen tijd en vlijt aan 't onderzoek besteedt, alles \'an zich
verwijdert wat daarin kan verstrooien, en de behoorlijke mirldelen aanwend t.
Hoeveel tijds een ieder tot het onderzoek zijner conscientie
moet besteden, lmn niet juist bepaald worden, dewijl dit van
den bijzonderen toestand des zondaars anrangt. net is immers
klaar, dat degene, die sedert Iangen tijd niet meer gebiecht
heeft, tot eene slechte gewoont.e en tot vele zonden vervallen
is, zich !anger moet onderzoeken, dan een ander, die dikwijls
te biechten gaat, weinig zondigt en aau geene slechte gewoonten is vastgekleefd. Een zieke moet zich maar onderzoeken, voor
zooveel zijne gesteltenis het hem toelaat; en een vreesachtige
mensch moet zich ook met een kort onderzoek te vrede houden, wijl het !anger overdenken van zijn Ieven hem van de
vrede des herten, van inwendige rust zou berooven. l\Ien mag
hierover als algemeenen regel geven, dat bet onderzoek, als
de ziekte, het gevaar van sterven, of de vreesachtigheid of eene
der·gelijke zaal&lt; het niet beletten, moet duren, tot dat men met
reden denke, geene doodzonden meer in. zijn geweten voor dit
oogenblil&lt; te zullen ontdekken.
Om de ve1·strooiclheden in deze oefening te bele Lten, behoort men
zijne conscientie te onderzoelten, niet in bet midden der· wereldsche bezigheden, maar in de kerk, of in de eenzaamheid : het is
immers onmogelijk zich zijn leven te herinneren, wanneer de

�1058

YIERDE DEEL. -

34ste I.ES, 4de YR.

aandacht door hetgeen men ziet en !wort, gedurig op andere
dingen getrokken wordt. Daarbij belloort men nog eens wel te
over~vegen, welke groote en gewichtige zaak de Biecht is, en
met well{e zorg wij ons tot zulk een verheven Sacrament moeten
bereiden.
wat nude behoorlijke middelen b.etreft, die te gebruiken zijn,
om onze conscientie wel te onderzoeken, moet men op het
volgende letten : men behoort vooreerst God om gratie te bidden, dewijl Hij de gever en de oorsprong is van· alle Iicht en
kennis; en daarna om zich zijne zonden te kunnen lterinneren,
is bet geraadzaam de tien geboden Gods, de vijf geboden der
H. Kerk, de vreemde zonden en de bij7.ondere plicbten van
zijnen staat te overdenken, zich bijzonderlijk bezig hou1lende
met die zonden in dewelke men meest valt. ·.- Nogtans bier is
op te merken, dat het onderzoek der conscientie, alboewel het
met neerstigbeid moet geschieden, toch met geene •onredelijke
vrees mag gedaan, noch tot het uiterste mag gedreven worden.
God vraagt geene buitengewone en ganscb bijzondere, maar
alleenlijk eene redelijke en gewone neerstigheid; en daarom,
wanneerwij, menschelijk gesproken, ons best gedam: hebben om
onze conscientie behoorlijk te onderzoeken, en er geene doodzonden meer in vinden, dan mogen wij deonbekende doodzondenaan
de goddelijke bermhertigheid aanbevelen, en ons gerust' stellen.
Wanneer men aan het onderzoek van conscientie vrijwillig
gr~ootelijks te lwrt blijft, en zich wetens en willens in gevaar
_stelt van op die wijze zijne doodzonden niet te ontdekken, zondigt men doodelijk en doet men bijgevolg eene slechte biecht;
maar wanneer er geen gevaar is van doodzonden te vergeten,
of wanneer de verzuimenis in haar zelve niet groot is, bedrijft.
men alleenlijk eene dagelijksche zonde, en dit belet niet eene
goede biecht te doen. - Als men moeite heeft om zijne conscientie te onderzoeken, is het geraadzaam dit aan den bi.ecbtvader te verldaren, en zich naar 7,ijn oordeel te gedragen.

�\'lElWE DEEI,, -

34 810 I,ES, 4&lt;1e \'R.

1059

Wannee1·men eene doorlzonde in de biecht verge ten heeft, wordt
dezezonderlan vergeven1 Wanneer dit onvrijwillig, zonder dat wij
grootelijks aan 't onderzoek van conscientie te kort gebleven
zij n, geschiedt, word t deze zonde met a\ de andere vergeven;
want wij kunnen de heiligmakende gratie, well\e aan de Biecht
eigen is, niet verkrijgen, zonder tevens vergiiTenis van al onze
doodzonden te bekomen. \Vij kunnen immers de heiligmal\ende
gratie niet ontvangen en bezitten, en tel' zelfder tijd in staat
van doodzond~ blijven, daar der.e staat eigenlijk niets anders is
dan de berooving del' heiligmakende gratie door de doodzonde
teweeg gebracht. :Maar wenl er eene uoodzonde door eene vrijwillige groote onachtzaamheid verg~ten, dan zou de biecht
gehee\ en gansch slecht zijn, ~n niet eene.zonde zou vergeven
worden : ze\f:; in 11\aats van vergiiTenis zijner zonden te belwmen, zou men zich aan eene nieuwe doodzonde van heiligschenderij p~~chiig maken.

""

Als eene doodzonde onwijwillig in de biecht vergeten is, en
met ue andere zonden door 1\e ahsolulie des priesters ig vergeven geworuen ; is rnen dan ontslagen van die zonde nog te
biechten? Geenszins; als men diP- zo11de nadien indachtig wordt,
is men verplicht ze in de eerstvolgende biecht te verl•laren; en
wiltle men uat niet uoen, die volgende biecllt· zou eene slechte
biecltt, eene heiligschenuerij zijn : wanthet is Christus' wil datalle
doodzonden g~biecht worden. De vergetene doodzonde blijft we\
vergeven, a\s men ze na hare ontdekking niet verklaart; maar
met ze niet te belijden, bedrijft men eene nieuwe doodzonde.
G. Tot eene goede biecht is er dus vereischt, dat men aile de
doodzonuen belijde, die men na een neerstig onderzoek ge\Oll1\en !weft en indachtig is; maar nu, hoe moel men tlie doodzonuen biechten; is het genoeg ze in het algemeen te belijden,
met, bij vom·beeld, te ieggen : ik helJ gevloekt, il\. heb onkuischlwid gedaan, ik heb het gebod van den Zondag te vieren
overtreuen, ik helJ gestolen, enz.1 Zekerlijk neen; wij moeten,

�lOGO

Y!ERDE DEEL. -

34 510 LES, 4do VR.

zegt de Catechismus, aile onze doodzonden belijden, clam·bij voegencle het getal en alles wat cle zonde mag ve1·ande;·en of
zeer bezwm·en.
Wat is zijne zonden biechten rnet getal?. Dat .is zeggen, hoe
dikwijls men zich aan dezelfde zonde plichtig gemaakt heeft.
Zoo bij voorbeeld, iemand die vijfmaal heeft gevloekt, en tweemaal des Zondags de H .. Mis heeft verzuimd, zal zijne zonden
met getal belijden, wauneer hij aan den biechtvader niet alleenlijk zegt : " ik heb gevloekt, ik heb des Zondal?s naar de Mis
niet geweest; , maar .. ik heb vijfmaal gevloekt, ik heb tweemaal des Zondags de H. Mis verzuimd ·• - En als men dit
getal niet juist kan ontdekken, waartoe is men dan gehouden?
Dan moet men hetzelve bepalen zoo goed men kan, daarbij
voegende de woorden min of mee1', om te kennen te geven,
dat bet gezegd getal, misschien het \Vare niet is. En in geval
men zoo dikwijls dezelfde zoncle heeft bedreven, dat men niet
in staat is, het getal der overtredingen eenigszins te bepalen,
hetgeen voornamelijk kan plaats hebben, wanneer men aan
eene slechte gewoonte is vastgekleefd geweest, of wanneer men
sedert lang niet meer gebiecht heeft, dan verklaart men het
getal, voor zooveel men kan, met te zeggen : ik heb sedert
zoolang in die slechte gesteldheid (zooals in haat, nijd, wraakzucht of onkuischheid) :geleefd; en ik zondigde gewoonTijk zooveel maal in eene maand, in eene week, in eenen dag. God
nreischt immers niets meer van ons dan het mogelijke.
w·aarom moeten wij de doouzonden met getal biechten? De
reden is, dat wij anders niet a,lle onze doodzonden zouden biechten : de verscheidene overtredingen van denzelfden plicht maken
niet eene maar wezenlijk verscheidene zonden uit; en derhalve,
om alle onze doodzonden te biechten, is het niet genoeg te zeggen, dat men tegen dit of tegen dat gebod doodelijk gezoncligd
heeft. Men moet daarbij nog voegen, hoe dikwijls men die uoodzonde beeft herhaald.

�VIERDE Dlo:EI,. -

34 516 LES, 4110 VR.

1061

Wat beteekenen de woorden: daarbij voegende alles wat de
zonde mag veNtnde;·en? Zij beteel~enen, dat men bij iedere
· doodzontle al die omstandigheden moet biechten, door dewelke
die zonde eene nieuwe doodzonde begint uit te mali:en, welke zij
oorspt·onkelijk, zonder die omstandigheden, in zich niet bevat.
Eenige voorbeelden zullen de zaak klaarder en duidelijker voor
oogen leggen. Zich iemands goed ten onrechte toeeigenen, is
oorspronkelijk eene zonde tegen het zevende gebod; maar wanneer men het goed sleelt van eene kerk, bedrijft men niet alleenlijk eene tliefle, maar ook eene hei!igschenderij, dewijl men
dam·door zaken, die God toegewijd zijn, onteert; en men zondigt
bijgevolg door die diefte, niet alleenlijk tegen hel zevende, maar
ook tegen het t\veede gebod : rlie omstandigheid, dat bet gestolen
goed aan cene kerk toebelloort, maakt dat die diefte, 'velke
oorspronkelijk enkel tcgen het zevende gebod strijdt, nu ook
tegen hct tweede gcbod stl'ijdig is. Nog een ander voorbeeld :
iemand de dood of een ander kwaad toewenschen, is uit zijne
natum· eene zontle tegcn het vijfde gebod, maar als de persoon,
aan wien wij dat kwaad wenschen, ons Yatler of onze mo~der is,
bCLlrijven wij ook ecne zonde tegen het vierde gebod : die omstandigheid van den persoon, aan wien wij dal kwaad wenschen,
brengt eene nieuwe zonde bij. Insgelijks wie eenen valscben eed
doet, zondigt tegen het tweede geuod; maar indien hij in het
doen van dien eed, wezenlijk met Gael den spot drijft, zal hij
zich nog aan eene andere zonde tegen het tweede gebod plichtig
makcn, namclijk aan eene blasphemie. \Velnu, de Catechismus
leert ons hier, dat wij zulke omstantligheden, die eene nieuwe
dooclzontle uitmaken, in de biecht nioeien openbaren. -En well~
is de red en daarvan1 De red en is, dat wij anders aile onze doodz?nden niet zouden biechten; die omstandigheden mali:en ons waarlijk aan nieuwe doodzontlen plichtig, en zoo moeten zij noodzakelijk uitgetlrukt worden, dewijl wij alle doodzonden moeten
biechten.

�1062

VIERDE DEEL. -

34ste LES, 4cto VR.

Einde\ijk, wat moet er verstaan worden door de woorden
.. dam·bij voegende alles wat de zonde mag zeei· be:;waren ··1
Deze woorden beteekenen, dat men voorzeker ook die omstandigheden moet uitdruli.ken, welke van eene dagelijksche zonde
eene doodzonde maken. Bij voorbeeld, ieman!l lweft doot· llet
stelen, door haat en nijd in llet llert te dragen, eene doodzonde
bedreven; het is niet genoeg dat hij in het algemeen zegge : ik
heb gestolen, ik heb llaat en nijd in het hert gedt•agen, zonder
eenigszins uit te drukken, hoeveel hij gestolen, of welken haat
en nijrl hij in het hert gedragen lweft : maar hij. moet zu6 zijue
zonde openbal'en, dat de priester kan zien, dat zij waal'lijk eene
doodzonde uitmaakt. -En waarom 1 De red en hiervan is, dat
wij aile onze doodzonden moeten biechten : welnu, drulden wij
die omstandiglteden niet uit, die doen zien, dat onze zonde waarlijk eene doodzonde, en niet alleenlijk eene !lagelijk~che zonde
geweest is. wij zourlen onze doodzonde niet als domlzonde, maar
al\eeulijk als zonde biechten; en z66 .zomlen wij ltet gebod van
alle doodzonden te biechten, overtreden.- Betee\;.enen de woor- ·
den van den Catecltismus ook dat wij de omstandigileden moeten biechten, die alleenlijk van eene doodzoude eene Yeel
zwaardere doodzonde maken? Eenige godgeleerden rlimken r.Iat
deze omstandigheden ook moeten gebiecht .worden; doch vele
andere loochenen dit eti zeggen, dat men daartoc op geener
wijze verplicht is. Dezen steunen zich op de zeer gegronde reden, dat die verzwari.ng geene ·nieuwe doodzonde uitmaakt
en bijgevolg niet moet gebiecht worden, dewijl wij allcenlijk aile
onze doodzonden moeten biechten. In de pr~ktijk moet men zich
over deze omstandigheden niet bekommeren: men moet niet denken dat men eene slechte biecht doet, als men ze riiet openbaart;
maar wil me,n ze aan den priester verklaren om hem zoo den
staat onzer ziel beter te doen kennen, dit is zeer lo1relijk en heil·
zaam. Zulke omstandigheden zijn bij voorbeeld, de gt·oote hevigheid in eenen haat, die alreede uit zich· zelven ecme doodzonde

�VIERDE DEE!,, -

34sto LES, 4do. VI{,

1063

uitmaakt; de lange duur eener zonde tegen de zuiverheid, de
groote aangeJ;.leefdheid aan eene doodzonde. Als de biechtvader
ons over de omslancligheclen, welke de zonden zeer verzwaren,
met reden ondervraagt, om over den staat onzer ziel en over
onze zonden te kunnen oordeelen, dan moeten wij hem dam·op
antwoorden.
7. Wij hebliim nu gezien, dat wij moeten biechten aile onze
rloodzonden, en tlat met getal, met de omstandigheden die eene
nieuwe doodzonde Lijbrengen, en ook met die andere, welke
eene zonde vanllagelijksche tot tlootlzonde maken; maar wat slaat
er ons te doen, als wij met reden twijfelen of wij de eene of de an-

.

dere doodzonde betlreven hebben, ofwel, of de ecne of de andere
bedrevene zond~ doodzonde zij: zijn wij dan verplicht die lwijfelachtigc zon&lt;len te biechten ~ Aile godgeleenlen zijn hiet·in van
hetzelfde gevoelen niet; de eenen zeggen dat wij alle t\vijfelachtigc zonden moeten biechten, i;erwijl de anderen beweren dat
. deze verplichling niet bestaat, met recht voor reden aanhalende,
dat eene twijfelachtige zaak uit haar zelve, zonder dat er iets
anders bijkomt, geene wezenlijke en zekere verplich!ing kan
teweeg brengen. In de p~·aktijk gedmge men zich in deze zaak op
de volgende wijze : men moet niet deuken, dat men eene slechte
biecht gcdaan heeft, als men nagelaten l1eeft eene doodzonde te
biechten, waarover men met reden twijfelt of men ze waarlijk
bedreven hebbe; tloch het is ·Lolfelijk en heilzaam zulke twijfelachtige zonden te belijtlen, ten ware eene bijzondere reel en,
zooals de nauwgezetheid 'van geweten, bet zou verbieclen. Als
men twijfelt of eene bedrevene zontle waarlijk doodzonde zij,
moet men ook niet denken, eene slechte biecht te doen, met deze
niet te biechten, op voorwaarde clat onze twijfel1·edelijk en geg1·ond weze en dat men genoegzame kennis o&gt;er die zonde
bezitte, om over hare zwaarte te lnmnei1 oordeelen. Dam·om zijn
de menschen, die geene genoegzame geleerdheid hebben om over
de zwaarte eener zonde wel te kunnen oordeeien, verplicht hun-

�1064

VIERDE DEEL. -

34 810 LliS, 4dc VR..

nen biechtvacler of andere geleerde menscben te raadplegen, en
hun te vragen, wat er over de zwaarte clier zonde te denken is.
Deden zij dit niet, zij zouclen gt·ootelijks te kort blijven aan het
onderzoek der conscientie, en zoo eene slechte biecht spreken.
En wat moeten wij doen, als wij twijfelen, of wij eene doodzonde in de voorgaande biechten verklaard hebben of niet; moeten wij die nog biechten? \Vanneer wij eene wezenlijk gegronde
reden hebben, om te clenken, dat wij die zonde alrr.ede gebiecht
i1ebben, schijnen wij niet verplicht te zijn, ze no~ te biechlen;
en daarom moelen wij niet denken ecme slechte biecht te doen,
als wij ze dan achterlaten, ofschoon het zeer lolfelijk en heilzaam
is ze nog te belijden. Maar hadc:len wij daal'loe niet eene gegronde red~n, ·wij zouden ze nog moeten verklaren.
8. Alsmen nu in de biecht eene doodzonde Hijwillig &gt;erzwegen
heeft, hoe moet men clat nadien herstellen? ll'len moel die ver- zwegene zonde en de heiligschendende Biechten en Communien,
die men met die zonde te &gt;erzwijgen gedaan heefl. aan den priester belijclen, en daarbij opnieuw alle de doodzonden verklaren.
welke in die slechte biechten beleden gewcesl zijn. Men is immers verplicht in iedere biecht al de doodzonden te belijden, die
rechtstreeks door het Sacrament der Biecht nog niet vergeven
geweest zijn.
0. Eindelijk, waarom is de biechl of belijllenis tot het Sacrament der Biecht vereischt; waarom is bet niet genoeg berouw
te hebben over 1.ijne 7.onden, en er ootmoediglijk vcrgill'enis
over te vragen, zonder cleze in 'l bijwndet• te verklaren1 De biecht
is vereischt, omdat Christus hel zoo bevolen l1eeft, gelijk bet
1\laar l.Jlijkt uit de woorden, welke Hij in de insLelling van dit
Sacrament l1eeft gesprol&gt;en. -En hoe blijld dat uit de woordcn
der installing? De Zaligniaker heeft niet alleen gezegd : " wie1·
zonden gij vergeven :ntlt, clien wmYlen :;iJ vei·ge-ven; ., maat; 1-Iij
heeft daarbij gevoegd : wie·r zonden gij lwuden zult, dien z{_in
zij gehoztden; en Hij l1eeft zoo aan de Apostelen de macht ge-

�VIERDE DEEr,. -

34stc LES, 4do VR.

1065

schonl~en van de zonden te vergeven en oak die van ze te
wederhouden of ze onvergeven te houden. Doell deze macht
mogen zij voorzeker niet willekeurig, maar alleenlijl\, na
over de zaak wel geoordeeld te hel.Jben, gel.Jruiken : Christus
heeft ongetwijfeld gewild: dat. zij over den zondaar, die
hun vergilfenis zijner zonden komt vragen, zouden oordeelen of bet behoort hem zijne zonden te vergeven of niet,
en dat zij volgens dat oordeel hunne macht zouden gebrui1\en. ·welnu,. aangezien de priesters dit vonnis niet kunnen
strijl\en, indien zij de zonden, die te vergeven zijn, niet kennen;
en daar zij die zonden niet kunnen l\ennen, lenzij de zonrlaar zelf deze belijde; zoo is het klaarl.Jlijl\end dat Christus
de l.Jelijdenis der zonden voorgeschreven hecft; want zonder dat,
moest men veronder~tellen, dat Hij aan de priesters eene l.Jovennatuurlijke, eene goddelijl\e macht l10eft verleend, waarvan het
gel.Jruik alleen van den willekeur der machthel.Jl.Jenden zoude afhangen.
Maar om te kunnen oordeelen of het behoort eenen zondaar
zijne zonden te vergeven of die te wederhouuen, is het dan niet
genoeg dat de priester weteofdezeeen waar berouw heeft ofniet;
en daar hij dit kan weten, zon.der dat de zondaar zijne zonde
biechte, volgt daaruit niet, dat men de noodzakelijkheid van
de zonden te biechten uit de woorden cler installing niet lwn bewijzen 1 Er is in de lliecht een dub bel oordeel te onderscheiden :
het eerste is nopens de genoegzame gesteltenis van den biechteling om de al.JsoluLie met vrucht te kunnen ontvangen; en zulk
een oordeel behoort oak tot de andere Sacmmenten, want de bedienaar moet altijd onderzoeken of de persoon, die een Sacrament begeert te ontvangen, de vereischte gesteltenis heeft om er
de uitwerksels Yan te bekomen. Hij mag immers bet heilige aan
de onweerdigen niet geven, gelijk Christus geleerd heeft (i\Iatth.
VII, 6). Maar boven dit eerste oordeel, is er door den biechtvader nog een tweede te strijken, te weten, een oordeel ovet· de

�1066

VIERDE DEEL. -

34sto J,ES, 4do VR.

zonden, waarvan de biechtcling vergiffenis vraagt; en dit
is aan het Sacrament der Biecht geheel en gansch eigen. De
priester moet namelijk oYet· tle zonden van den biechteling oordeelen, en onderzoeken of bet behoort, gelet op zijne zonden,
hem de absolutie nu te geYen of ze uit to stellen. Inderdaad,
wanneer Christus tot zijne Apostelen zegde : .. wier zonden gij
zult houden, dien zijn zij gehouden; " gaf Hij hun de macl~t de
zonden te wederhouden zelfs wanneer de zondaar genoegzaam
berouw heeft; want hadde Hij daar alleenlijk gespJ.•oken van de
absolutio te weigeren aan degenen, die geen genoegzaam berouw
ltebben, Hij zoude aan de Apostelen geene ware macht van de
zonden ie wederhoUtlen gegeven hebben, dewijl het omnogelijk
is, dat iemand •lie geen berouw heeft, vergifi'enis belwme. De
wederhouding uer zowlen van degenen die geen berouw hebben,
hangt niet af Yan de daad des priesters, maar vloeit uit de natuur zel&gt;e der zaal;. : de vergiffeni,; wordt in dat geval niet Yergun!l, niet. omuat de priester de absolutie weigert te geven, maar •
omdat de zonden niet YergoYen lmnnen worden; want al gave
de priester de absolutie, zij zouden toch niet vergeven worden.
DiensYolgens hadde de priester de macht niet de zonden to wedet•houden zelfs aan llegenen, die genoegzaam berouw hebben,
hij zoude geene ware macht bezitten om de zonrlen te weclerhouden.- Nu, de priester mag niet willekeurig de zonden dergenen,
die bcrouw hebben, vergeven of wederhouden; hij moot over die
zonden oordcelen ; maar om o1er die zonden te oordeelen moet
hij ze kcnnen, en hij l\atl ze niet kennen, indien de biechteling
ze niet verktaart. En zoo Yloeit de noodzakelijkheid van de zonden te biechten, rechtstrecl;:s uit de woot'den der inst.elling, door
Chrisius uit.gesprolwn. - J-Iet is wel waar dat door de biechtvaders de absolutic zelden uitgcsteld wordt, wanneer de biechtcling een genoegzaam bcrou\v over zijne zonden heeft. Elloch
omdat die machi in de 1-1. Kerk tcgenwoordig niet gcbruiJ;:t
WOJ'dt, mag men geenszins denlten, dat zij niet bestaat. Zij

�V!ERDE DEEI.. -

IOG7

34 510 LES, 4da VR.

wordt hedenuaags weinig gebruili.t, omdat zij nu, ten gevolge
der slapheid vat1 velen, doorgaans weinig goed en zelfs dikwijls
veel k waad zou teweeg brengen.
Dat de b·elijdenis der zonden volstreld vereischt is tot het Sacrament der Diecht, blijkt ook heel l;.laar uit de getuigenis der
Overlevering. De I-IH. Vaders en de kerkelijke schrijvers der
eerste eeuwen leeren ons, hoe volgens Christus' instelling van
in bet begin der H. Kerk het gebruik bestaan !weft, dat de zondaars hunne zonuen aan den priester kwamen belijden, om er

•

de absolutie over te ontvangen.
De I-I. Clemens die met de Aposielen geleefd heen en onmiddellijk door hen onderwezen geweest is, zegt (2 B1·ie( tot de Co~"inth. n. 8) : '· Laat ons boetveerdigheid doen .... want als wij
, uit dit Ieven zullen gescheiden zijn, zullen wij niet meer lmnnen
, biechten of boeiveerdigheid doen. De H. Barnabas (van de
pt• eeuw) schrijft in zijnen brief Hoo(dst. Hl, waar hij al de plich• tender geloovigen IJijeenvat : " Gij zult zwe zonden biechten. Gij
, zult tot het gebed (het Sacrificie en de H. Communie) niet gaan
, met eene besmeunle conscientie. Dit is de weg des lichts. , -'De H. Irenei:ts (i· 202) verhaalt dat eenige vrouwen, die door eenen
ketter met name Marcus verleid gewe~st waren, niet alleenlijk
hunne schanddauen, maar ook de onzuivere IJegeet·ten hunner
berten beleden. (Tegen de kette;·i,jen. I) -Tertullianus(·j-245) over
betSacramentder Biecht handelende, zegt van degenen, die hunne
zonden uit schaamte verzwijgen. (Van de Boet·vee;Yl. H. 0 en 10)
" Ik denk dat er velen de bel;:endmaldng van zich zelven (de be" lijdenis der zonden) vluchteh of van dag tot dag uitstellen, om" dat zij meer den ken op de ee1·bam·heid dan ozj de zaUgheicl;
" en gelijl\ de zieken, die eene geheime k waal uit schaamte aan
" den geneesheer niet durven ken!Jaar maken en zoo door lmnne
" schaarnte verloren gaan; derwijze verliezen ook die geloovigen
" hunne ziel door hunne scbaamte. Groot is het voordeel dezer
" schaamte! En als zij hunne zonde aan den mensch verbergen;
8

�1068

VIERDE DEEL. -

34sto LES 1 4do VR.

, ontLrekken zij die ook aan de kennis van God ! Is bet beter van
., in 't verdoken gedoemd te zijn, dan in 't openbaar vergilfenis
, te belwmen! " - De H. Cyprian us (i" 258) zegt in zijn boek
over de a(gevallenen H. 29 : •· Gij allen, mijne lieve broeders,
, bieclzt uwe zonden, terwijl gij nog in 't Ieven zijt, terwijl uwe
, biecltt nog kan aangenomen :worden, terwijl de uitboeting
, en de . vergilfenis die door den priester geschieden, God
., nog aangenaam zijn. " -De H. Cyrillus van Jerusalem ("f 386)
leert in zijne eerste Catechismus-les n. 5 : " Biecht al hetgene
., gij misdaan hebt doot' woorden en werken, ~ij dage en bij
, nachte. ·· -En 1-Iilarius (t 449) : .. Die krijgt geene vergilfe~ nis, zegt hij Psalm. 135, n. 3, wie zijne zonde kent en ze niet
., biecht. ·• En de I-1. Basilius (t 379) geeft ons de volgende getuigenis : (Bcknopte i'egelen ..Antw. 220) .. Hei gaat met de belijdenis
., der zonden, gelijk met de openbm·ing van lichaamsgebreken .
., Gelijkerwijze men deze niet aan eeniecler hekend maal\t, maar
, aileen aan hen, rlie het miduel weten, om dezelve te verhelpen,
" zoo ook moet ue belijdeuis der zonden geschieden, te weten:
, aan hen die dezelve kunnen genezen. ·• En dat dit de priesters
zijn, heeft hij in het Antw. 288 geleerd, met te zeggen : •· De
., zonden moeten noodzakelijk aan hen geopenbam·d wonlen,
·• aan wie de uitdeeling van de geheimen Gods toevertrouwd is.,
Dat aileen de priesters de macht hebben om de vergiiTenis
der zondeu in de Biecht te schenken, leert ons ook de volgende
oude geiuigenis, die onder de wel'iwn van den I-I. Athanasius in
een sermoen O\'er Matth. XXI, 2 gevonden wordt; en die, alhoewel zij misschien van dezen kervader niet voorikomt, toch onge. twijfeld zeer oud is en veel weerde !weft. •· Zijn U\~e zonden nog
, niet vergeven, wendt u tot de discipelen van Jezus. Wij b.ebben
, er immers zullien, die ons van onze zonden verlossen, aangezieu
., zij daartoe de noodige macht van den Heer ontvangen hebben,
, wanneer Hij hun zegde : Wier zonden gij zult vergeven, dien
, worden zij vergeven, enz. "

�YIERDE DEEL. -

34 51 ~ LES, 4&lt;1o "i'R.

1009

Bovendien Yoor bet beslaan der Biecht van in het begin
·der H. Kerk getuigen ons nog verschillige daadzaken, door
de oudste schrijvers ons overgeleverd. Zoo vel'ltaalL de H. Panlinus in zijne levensbeschrijving van den H. Ambrosius,
dat deze ker)~vader,
tellwns iemand hem zijne zonden beleed,
.,
zoo overvloedig tmnen stortte, dat hij den biechteling ten
diepste bewoog. In beL leven van den H. Hilarius van Aries,
door eenen zijner tijdgenooten beschreven, wordt er opgemerld, dat de geloovigen dikwijls op de zondagen in groat getal
tot hem kwarne~l, om hem hunne zonden te biechten. Daarenboven bestaan er nog Yersclleidene zeer outle boeken die op de toediening 1an het Sacrament der BiechL betrekking hebuen, en
waarin nauwkeul'ig wordt gczegd, hoe de biechtYader over bet
getal, de soort en de grootte der zonden zorgn1ldig moet onder~
vragen, alsmede hoe de biechtelingen van hunnen kant ook de
geheimste en de Yerholenste zonden moelen belijden. - Uit al
qeze geluigenissen staat het ongetwijfehl Yast, dat beL gebruik
van de zonden te belijden zoo oud is als de Kerk zelve en bijgevolg ook van Christus is ingestelll en bevolen geweest. - Daarbij
wie begrijpt niet,-dat nooit een mens~h bet gebod der Biecht als
van Chl'isLus gegeven zou kunnen inYoeren hebuen, ware bet
. inderdaad &lt;loor Hem niet ingesteld geweest? Het is volstrekt
onmogelijk datal de geloovigen zich nopens een gebotl, dat de
natuur\ijke genegenheden zoo hevig bevecht, zouden Iaten bedriegen hebbcn.
10. Op hot cindc dozer uilleggingen, betrek hebbende tot de
'biecht, moe!. men nog opmerken, daL gehce\ doze wet, die ons
~ebiedl aile onze doodzonden te biechten, 'velke wij na een neet·stig onderzoek gevonden hebben en indachtig zijn, daarbij
voegende het getal en alles 'vat de zonde mag verandm·en of zeer
bezwaren, ons alleenlijk verplicht voor zooveel bet mogelijk is :.
wij moeten maar aile ouzo doodzonden, die wij onldeld hobben
en indachtig zijn, verklaren, Yoor zooveel wij llet. voor bet oogen-

�1070

''IERDE DEEL. -

34ste LES, 5de VR.

blik kunnen doen; en zoo kunnen de stervenden, dedoofstommen
en anderen, soms verontsclmldigd zijn van aile hunne doodzonden
te vet:klaren, omdat zij in de ware onmogelijkheid zijn van het
te doen; maar nooit kan de schaamte of de vrees van onze zonden aan den biechtvader te belijden, eene geldige reden zijn om
eene doodzonde te mogen verzwijgen. In alle geval nogtans
moet er eene biecht zijn; en de biecht moet altijd zoo volkomen
wezen, als bet overeenl\:omstig met de omstandigheden mogelijk
is, en later moet men, in de eerste biecht die men doet nadat die
onmogelijkheid verdwenen is. de doodzonden, w;Jke achtergelaten geweest zijn, verklaren.
11. Zonder hetSacrament det• -Biecht is het onvolmaakt berouw
niet voldoende tot de vergeving der doodzonden. Edoch ii~ eenige
bijzondere gevallen kunnen wij, slechts een onvohnaakt berouw
hebbende, door eenige andere middelen die de Biecht vervangen,
vergifferiis der doodzonden bekomen. Zoo kunnen wij, in de
onmogelijkheid zijnde van te biechten of niet denkende dat wij_
in staat van doodzonde zijn, doot' de marteldood met een omolmaal{t berouw gepaard, vergiffenis onzer doodzonden bekomen.
Insgelijks, als wij in de onmogelijkheid zijn van te biechten, of als
wij op onze doodzonden niet denken en zoo onze biecht niet spreken, en tevens in deze gevallen onvrijwillig geen volmaakt berouw hebben, kunnen wij met een onvolmaakt berouw vergiffenis
belwmen onzer doodzonrlen door bet H. Oliesel (zie volgende les).
En het is waarschijnlijk dat al de Sacramenten der levenden
onze doodzonden vergeven, als wij ze met een omolmaakt leedwezen ter goeder trouw ontvangen.

5. V. Ben ik sckuldig iets te doen na de belijding en
de· absolutie. van den priester?
,!. Gij moet volbrerigen de penitentie, die u gesteld is.
. 1. Nadat de Catechismus over het berouw en de belijdenis of

biecht gehandeld heeft, zal bij ons thans spreken over het Iaatste

�VIERDE DEEL. -

34ste LES, 5llo VR.

1071

(lee!, dat van den kant des l&gt;iechtelings vereischt is. Om ons de
noo&lt;izakelijkheicl van dit deel te doen kennen, en ons te zeggen,
waarin het bestaat, vraagt hij : Ben ill schuldig iets te do(m na
de belijding en de absolutie van den zwiester·; 'tis te zeggen,
moeten wij na met berouw en rechtzinnigheid onze zonden
beleden, en de absolutie ontvangen te hebben, nog iets doen.
opdat het Sacrament geheel zou voltrokken zijn, en wij al zljne
vruchten zouden ontvangen1
2. Hij antwoordt dat wij dan nog tot iets gehouden zijn, te
weten, tot hefYolbrengen der penitentie, in andere woorden,
tot de voldoening, gelijk er in de 2d• naag is gezegd : het
woorrl penilentie is hier genomen in den zin van boet, uitboeting,
of straf; en de voldoening· wordt penitcntie genoemd, onldat zij
in eene uitboeting gelegen is : gij moel, zegt de Catechismus,
de penitenlie 1:olb1'engen. - En welke penitentie. moe ten wij
volbrengen; mogen wij die door ons zelven bepalen, ofwel
moeten wij ze van een' antler ontvangen en van wien1 Gij moet,
zegt de Catechismus, de penitentie volbrengen die u gestelcl i&amp;,
'tis te zeggen, die u door den priester, die uwe biecht gehoord
·en u de absolutie heeft gegeven, opgelegd is.
3. Wij zijn gehouden, zegt de Catechismus, de penitentie te
volbrengen, die ons opgelegd is; maar hoe zijn wij daartoe gehouden, is het op doodzonde of slechts op dagelijksche zonde?
Als de penitentie groot is, gelijk bij voorbeeld, een rozenhoedje,
bet hooren van eene Mis, en opgelegd is voor doodelijke zonden
die ~og niet vergeven waren, is men voorzeker op. doodzonde gehouden ze te volbrengen; en men merke op. dat voor de doodzonden, als er geene bijzondere reden daarvan verontschuldigt,
altijd eene penitentie moet opgelegd worden, die 't zij door haar
zelve, of door hare omstandigheden groot is. Maar eene ldeine
penitentie achterlaten, die alleenlijk voor dagelijksche of voor
reeds vergevene doodzonden is opgelegd, maakt .zeer waarschijnlijl\. maar eene dagelijksche zonde uit.

�10i2

YIEIWE DEEL. -

34 510 LES, 5do VR.

Waren w~i in de onmogelijkhei&lt;l van eene penitentie te volbre~gen, 't zij omdat wij ziek zijn, 't zij omdat wij ze geheel
vergeten hebben en ze aan den biechtvader niet gemald;.elijl\
hervragen kunnen. 't zij om een ander beletsel, wij zourlen niet
zondigen, met ze achter te Iaten: wij zijn immet·s tot het onmogelijke niet verplicht. Wanneer wij ze Yergeten hebben en 7.e gemakltelijlt aan den priester lmnnen hervragen, zijn wij natuurlijk gehouden dit te doen; want wie tot iets verplicht is, moet
noodzakelijk de gewone middels daartoegebruilten. Gaf de priester
ons eene penitentie, die wij niet kunnen volbrenge1,, wij zouden
hem dat moeten verli.laren, en met ootmoedigheid eene andere
vragen. Begeeren wij eenigP.n tijtlnauien. uat de penitentie ons
door dell priester Opgelegd ZOU Yeranderd WOI'Ilen, bet Staat 0118
niet vrij, 11om· oi1s zelven die peniientie in eene andere, zelfs in
eene grootere of zwaardere te veranderen : die verandering lmn
alleenlijk in eene nieuwe lJiecht, om eene goede en gegronde
reden, door den JH'i~ster gedaan worden.
4. Hoe is de voldoening tot het Sacrament det· Biecht vereischt;
bestaat&lt;litSacramentniet, en bekomen wij geene vergilfenis onzer
zonden zonder de voldoening? Opdat hei Sacmment der Biecht
gelllig zou zijn, en dat wij vergiifenis onzer zonden zouden bekomeJi, is er niet van noode dat wij de voldoening ,vezenlijk
volbracht hebben : daartoe is er onder het opzicht der voldoeni,ng niets anders verei~c~1t, tenzij dat wij vMr het ont'\"'angen
der absolutie den uitdrukltelijken of den in bet bet·ouw in•~e~·
"
sloten wil hebben, van de voldoening te volbreugen, dan ten
minste wanneer zij op doodzonde verplichtend is: want hadde
men dien wil niet, men zou in het ontvangen v~n het Sacrament
der Biecht doodelijlt zondigen. Maar als men dieu wil in het ontvangen der absolutie gellad heeft, blijft de vergiifenis der zm~den
niet uitgesLeld tot dat de voldoening volbracht zij : deze vergifi'enis wordt ons gegeven, wanneer de woorden det· absolutie uitiTe. sproken worden.
""

�YIEHDE DEEL. -

34sto LES, 5do YR.

1073

llet volbrengen tlus der voltloening is in zich zelf niet ver- .
eischt opdat het Sacrainent zou geldig zijn. Nogtans het is een
waar deel van dit Sacrament; het is namelijk een dee!, datalhoewel het niet vereischt zij opdat het Sacrament wezenlijk zou
bestaan, toch noodig is opdat het geheel volmaakt zou wezen :
het behoort tot de voltrekking van dit Sacrament, gelijk bij voorbeeld, de nutting tot de volmaking der 1-I. Mis vereischt is (zie
bladz. 1000).
5. Waaruit l~omt het, dat de voldoening een volmakend dee! is
van het Sacrament der Biecht1 Door de absolutie des priesters
wordt immers fle zonde en de eeuwige pijn, die er tegen gesteld
is, altijd vergeven. maar dil\wijls blijft er nog schuld van tijde- ·
lijke pijnen over, gelijk wij aanstonds zullen leeren. De voldoening is als een dee! van het Sacl'ament de1· Biecht ingesteld, om
ons vergilfenis van die overblijvende tijdelijke pijnen te gevell. Bijgevolg is de voldoening waarlijk een volmakend deel
van het Sacmment der Biecht, dewijl het dient' om de vergilfenis der zonden te voltrekken, met ons ook vergilfenis te
schenken van de overblijvende tijtlelijke pijnen.
6. Men merke op, dat het volbrengen der voldoening. wanneer
bet in staat van gratie geschiedt, ons vergiffenis verschaft der
tijdelijke pijnen, niet aileen door onze eigene verdiensten, maar
ook en wel bijzonderlijk door de kmcht van het Sacrament,
door Christu~)ngesteld; zoodanig dat een goed werk, 'twelk door
den biechivader als penitentie ons is opgelegd en dat wij als
gestelde penitentie volbrengen, ons veel. meer tot vergilfenis
onzer schulden dient, dan wanneer wij het antlers aan God
zouden opdragen.
7. Wanneermoeten wij de onsopgelegdepenitentie volbrengen1
Wij moeten ze volbrengen op den tijd, welken de priester bepaalt; en met ze lang hoven den bepaalden tijd uit te stellen,
zouden wij ons zelfs aan eene doodzonde plichtig maken, indien

�1074

VIERUE DEEL. -

34ste LES, GSte ~'R.

die bepaling van tijd om eene gewichtige en zware reden is gedaan geweest, en dat de penitentie in haar zelve zwaar is.
Als er geen tijd gesteld is, dan is bet best de penitentie terstond
te vervullen: zoo vermijdt men immers 'tgevaar van ze te vergeten, en komt men ten volmaaktste mogelijk den wil van"Cht•istus'
na, ,volgens welken de verschillige deelen van het Sacrament
der Biecht voorzeker vereenigd moeten blijven. Welke uitstel
van eene op doodzonde verplichtende penitentie, als er geen tijd
bepaald is, eene doodzonde zou uitmaken, is moeilijk om zeggen.
8. Voltloet men met zijne penitentie in staat van doodzonde te
volbrengen1.Men voldoet wel aan bet gebod van de opgelegde penitentie te volbrengen; maar men verijdeltdaardoor al de uitwerksels van die penitentie. Als zij in staat van doodzonde volbracht
wordt, geeft zij ons geene vergiffenis van tijdelijke pijnen. God
geeft immers niet de minste vergiffenis van tijdelijke pijnen aan
degenen die in doodzonde ziJn, en uiensvolgens de eeuwige
straffen der hel verdienen.

6. V. Wordt door de Biecht niet vergeven de p(jn, die
de zonde verdiend hee{t?
A. De eeuwige pijn, die men in de hel stond te lijcien,
wordt door de absolutie vergeven; maar evenwel
blijft er dikwijls nog schuld van tijdelijke pijn, hier
of hiernamaals te betalen.
l. In deze laatste vraag zal de Cate~bismus ons spreken over

de uitwerksels van het Sacrament der Biecht. In de eerste vraag
hebben wij bi~rover geleerd dat door de absolutie des priesters
de zonden, die na het Doopsel gedaan zijn, vergeven worden; nu
vraagt bij tot verdere uitlegging, of doo1· de Biecht de pijn
vergeven wm·dl, die de zonde verdiend h(Je{t; 'tis te zeggen,
·of door de Biecbt, door de absolutie des priesters, te zamen met

�VIERDE DEEL. -

34ste I.ES, 6dc VR.

10i5

de zon!le ook de pijn, die de zonde vei'tliend heeft, niet vergeven
wordt, en !wever zij vergeven wordt. Hij stelt deze vraag in den
gezegden vorm voor, daar hij in het voorgaande antwoord
geleerd had. dat inen na de absolutie des priesters, nog de penitentie moet volbrengen, die de priester ons opgelegd heeft.
Indien door de absolutie alle pijnen der zonden vergeven waren,
zou er geene 1;oldoening meer noorlig zijn, en daarom, om reden
te geven van de noodzalwlijkheid der voldoening, stelt hij de gezegcle vraag.
2. In zijn antwoord leert hij ons, dat door de absolutie, de

eeuwige pijn, die men in de hel stoncl te lijden. vergevcn
wmYlt, maar' dat e;· evemoel dilao(jls nog schuld blij(lvan
tijdelijhe pijn, hie;· of hiemamaals te betalen. - Wordt erdan
door de absolutie altijd eenige pijn vergeven, en zM ja, welke is
die pijn1 De eeuwige p(jn, te weten, de pijn die men in de hel
slond te lijden, en die in de eeuwige berooving van het goddelijk
aanschijn en in den brand van een smertend en onuitblusschelijk
vuur hestaat, wordt door de aqsolutie altijd vergeven. - En
waarom 1 De eeuwige pijn moet noodzakelijk te zamen met de
zomle vergeven worden : God l\an immers met de eeuwige pijn
der hel diegenen niet stralfen, welke Hij tot zijne kinderen
heeft aangenomen en in wie Hij door zijne heiligmakende gratie
woont : de eeuwige straf is alleenlijk voor degenen, die in dooclzonde zijn, en ware zij ook voor anderen bestemd, Gorl zou niet
meer wijs en rechtveerdig handelen.
i\iaar wordt door de absolutie aile pijn der zonde vergeven ¥
Dikwijls, zegt de Catecbismus, blij{t e;· nog schuld van t{j"delijke pijn; 't is te zeggen : in eenige gevallen wordt door ue
absolutie geheel de pijn der zonde vergeven; doch dikwijls blijn
er nog eenige pij n over, die niet eeu wig maar aileen lijk een zel\eren
tijd duren moet. - En waar is die pijn uit te boeten ¥ Zij is,
gelijk de Catechismus zegt, uit te boeten, hier (dat is, gedurende
dit Ieven, op deze aarde) of hier·narnaals (dat is, na dit leven, in

�"1076

YIERDE _DEEL. -

34 518 LES, Ode YR.

het vagevuur); - Maar is het mogelijl;: dat, wanneer de z011de
vergeven wordt, er nog ieis van de pijn der zonde overblijve 1 Ja;
bet is zeer wei mogelijl;: dat er nog schuld van tijdelijke pijn
overblijve; want zulk eene pijn veronderstelt ·geenen staat van
vijandscbat&gt; tusscben God en den mensch, gelijk de eeuwige pijn;
en daarom kan God, wanneer Hij de zonde vergeeft, nog last van
tijdelijke pijn Iaten bestaan, tot meerdere hei·stelling der
oneer, die Hem aangedaan is geweest.
Zijn er bewijzen dat God waarlijk dikwijls, wanneer Hij de
zonden vergeeft; eenigen last van tijdelijke pijn laat bestaan1
Ja, ongetwijfeld. De H. Schriftuur geeft ons menige voorbeelden,
door dewell;:e_ deze waarheid zeer duidelijl~ wordt beYestigd. God
had immers llet berouw van Adam aangenomen, en hem alzoo
de eeuwige straf, welke hij door zijne ongehoorzaamheid verdiende, vergeven; niettemin zegde Hij hem : .. Omdat gij geeten
" hebt van den boom, waarvan ik u verboden had te eten ... zult
" gij in het zweet uws aanschijns uw brood eten, tot dat gij in
" de aarde, uit dewell;:e gij genomen zijt, wederl;:eerL; want gij
.. zijt stof, en gij zult tot stof wederkeeren ... (Gen. III, 17-19).
Een tweede-voorbeeld is de koning David, die zich aan twee
gruwelijke misdaden plichtig had gemaakt. De profeet Nathan
verklaard~ hem dat de Heer zijne zonden had weggenomen ;
maar hij voegde er bij : ~ Omdat gij (door deze daad) de
" vijanden des Heeren hebt doen blasphemeeren, zoo zal de
" zoon, die u geboren is, de dood sterven. " En inderdaad deze
straf, waaraan de lwning zeer gevoelig was, is weinige dagen
nadien voltrokken geweest (II Kon. XII, 7-18). Hier hebben wij
dan·onbetwistbare gevallen, in.dewelke God eene zonde vergeeft
en. de eeuwige straf der hel kwijtscheldt, terwijl Hij zich ·voorbehoudt, die zonde door tijdelijke straffen te doen uitboeten.
3. In het Doopsel nogtans worden niet alleen al de zonden,
maar ook al de stratren daartoe staande vergeven : waarom geschiedt hetzelve niet in het Sacrament der BiechU Yolgens de

�VIERDI&gt; DEEL. -· 34 810 LES, (idO Vlt.

1077

leeriug van het Concilie van 'l'renle .. schijnt de g?ddelijke recht., veerdigheid te eischen, dat degenen, die v66r het Doopsel uit
., onwetendheid misdaan hebben, op eene andere wijze wederom
" in gratie worden aangenomen, dan zij, die eeumaal van
" de slavernij des duivels bevrijd, na het ontvangen van den
·• H. Gecst, niet gevreesrl llebben wetens en willens den
" tempe! Gods te ontheiligen en den H. Geest te bedro~ven.
"(Zitt. XIV. hoofdst. 8.) .. En voorwaar, het is.ze\;.cr zeer redelijk, dat het Sacrament, 'twelk bestemd is, om ons voor de ecrste
maal hot geestelijk Ieven in te storten, kracht hebbe. om ons
van den staat van zonde geheel en gansch te vet·lossen; niet
aileenlijk van cle zonde in haar zelve en •an de eeuwige yijn,
maar ook van aile tijdelijko pijn : de eerste verA"iffenis der
zonden is immers met recht volledig. :\laar als men, na vergiffenis zijner zonden en de gratie Gocls bekornen te hebuen, zich Yrijwilli~ •an het geeslolijk Ieven ueroofl, is hetongelwijfelll billijlt,
dat Gocl tot de voile Yergiffenis del' zonde eenige voldoening
eische. De boosheid en de ondankbaal'lleid del'genen, die na hun
Doopsel vrijwillig de wet Gods ovel'treden en zich van het geestelijk Ieven berooven, is te gt·oot om zonder eenige voldoening
teenemaal vergeven te worden.
4. De Catechismus zegL ons, dat door de absolutie alleenlijk
de eeuwige pijn altijd vergeven wm·dt; welnu, vool' de reeds
vergevene doodzonden ~n voor de dagelijl;;sche zonden bestaat er
geene eeuwige pijn: wordt er dan van deze zonden, als zij gebiechL worden. dikwijls geene pijn vergeven¥ Er wordt altijd.
een dee! cler pijnen, die men voor die zonden schuldig is, vergevan; maar, geliJk dit het geval is voor de doodzonden, die nog
niet vergeven waren, vet·geeft het Sacrament der Biecht" niet
altijd geheel de pijn.
5. Eindelijk, wat is er te' doen om van de overblijvende schuld
der tijdelijke pijn geheel verlost te worden : is er daartoe niets
anders vereischt, dan de penitentie te volbrengen, wellte de

�lOiS

VIERDE DEEL. -

34 510 LES, (}de VR.

priester ons opgelegd heeft, ofwel moeten wij God ook nog
andere uitboetingen aanbieden 1 Het kan geschieden, dat wij
door bet volbrengen der voldoening, daar deze eene sacramenteele kracht i1eeft, en bijgevol~ veel machtiger is dan alle
andere uitboeting, volle kwijtschelding van alle tijdelijke pijn
ontvangen. Doell wij llebben nooit zekerlleid, dat zull\s geschied
is; en wij moeteil den ken dat de penitentien, welke volgens het
algemeeu gebruik hedendaags opgelegd worden, daartoe zeer
dikwijls ontoer~ikend \~ezen, daar zij zeker vah veel minder
gewicht zijn dan tie oude penitentien, die de H. Kerk in het
begin oplegde, wanneer de Christenen vuriger waren en de
tijdsomstandigheden groote uitboetingen toelieten. Want de goddelijke rechtveerdigheid is ongetwijfelu nu niet min streng
dan eertijds. Daarom behooren wij door m·ijwillige werken van
boetveerdigheid, de goddelijke rechtveerdigheid gedurig te voldoen. Te dien eiude moeten wij ons beijveren om meer en meer
te bidden, om de H. Mis met meer en meer g:odvruchtigheid bij
te wonen, om de vasten- en onthoudingsdagen nauwl;.eurig te
onderhouden en ons ook vrijwillige verstervingen op te leg:geu;
maar bijzonderlijk moeten wij ons bevlijligen, om al de kwellingen van dit Ieven met een onwanl;.elbaar geduld en eene volkomene onderwerping aan den wil Gods te lijdeJL De katholieke
leering houdt ons klaar voor. dat wij dank aan de milde en liefdevone schikking Gods, door het geduldig verdragen der kwellingen, plagen en ongelukken, die wij zoo dikwijls in dit Ieven
-tegenkomen, rijkelijk voor onze schulrlen kunnen voldoen en vele
verdiensten inzamelen; maar dat daarentegen, degenen, die al
deze kwellingen onwillig en morrencl ondergaan, aile vrucht
van voldoening verliezen.
6. Wat de uitwerksels van bet Sacrament der Biecht betreft,
is er nog op te merken, dat bet somtijds groote rust en J;:almte
met eene zoete inwendige vertroosting gepaard in de ziel stort.
Edoch men lette op het woord somtijds : die gratii:in en ver-

�VIERDE DEEL. -

34 810 LES, AANllERI\.

1070

troostingen, welke onder de zinnen Yallen, geeft God maar Yan
tijd tot tijd. Hij wil immers dat wij Hem dienen uit geest van
geloof en niet aileen uit begeerte van die vertroostingen; maar
om ons de baan der godvruchtiglwid gemaldtelijker le malten en
ons daarloe aan te Iokken, geeft Hij echler in sommige omstandigheden zullte inwendige vertroostingen. 1-lij geeft ze Lijzonderlijk in het Sacrament der Biecht, omdal de mens~h om zijne
zonden rechlzinnig te openbaren, zijne zinnelijkheid ten hoogste
heeft moeten b1!strijden, en omdat dit werk aan de menschelijlte
natuur zoo lastig valt.
A.aumcrkingen. 1° \Vij behooren dikwijls en wel le overdenken,
\Vat groote weldaad het Sacrament der Biechl vooi· ons is. In
het Oude Testament konden de menschen ook vergiiTenis bekomen hunner doodzonden ; doch alleenlijk door cen Yolmaald of
volkomen berouw, 'L is te zeggen, door een b~rouw, dat steunt
op de oneindige volmaaktheden van God. Christus heeft ons een
gemakkelijker middel om vergill"enis onzer zonden te bekomen
will en verschatl'en; Hij heeft ons het Sacrament der Biccht gegeven, waarin all~ zonden, op voorwaarde dat men ze biechte, met
een cnkel onvolmaakt berouw, steunende op de hoop des hemels,
of op de vrees der goddelijke straiten, of op de leelijkheid der
zonde uit hoofde der weldaden door God ons geschonl\en, vergeven worden. Welnu wij kunnen v~rwaar veel gemakkelijlter
een onvolmaakt dan een volmaakt berouw Yerwekken; want
het kosL maar \Veinige moeite, om door de hoop des hemels of
door de vrees dcr goddelijlte straiTen of door de leelijkheid der
zonde bewogen, de zonde le Yerfoeien en zich te wiHen beteren;
tenvijl het voor men~chen, die weinig op God peinzeneuzeldzaain
met geestelijke zaken bezig zijn, lastig is de oneindige volmaaktheden &gt;an God te overdenken en God om Hem zelven ie beminnen. Bijgevolg is de Biecht een vee! gemakl\elijkei' middel dan
het volmaakt berouw om vergiffenis der zonden te bekomen.Daarenboven, dewijl het onvolmaakt berouw vee! gemakkelijker

�1080

"viERDE DEEr•. -

34 810 LES, AANMERK.

is dan het &gt;olmaakt, hebben wij door de Biecllt, waartoe alleenlijk een onvolmaakt berouw .vereischt is, meet• zekerheid van vergiffenis bekomen te hebben,dan indien wij ons door een volmaakt
berouw tot God moesten bekeeren.
Het is wel waar, dat wij in bet Sacrament det• Biecht onze
zonden aau den priester moeten belijden, 'lgeen in de Oude Wet
niet vereiscllt was; nogtans, die belijdenis der zonden, alhoewel zij aan onze hooveerdige natuur zeer zw~wr valt, is toch
niet te vergelijken met de moeilijl;.heid van ee-•1 volmaakt berouw. Eeu ieder kan, zonder groote moeite, als hij zich eenig
geweld wil aandoen,zijne zonden aan eenen priester rechtzinnig
openbaren; terwijl bet volmaakt berouw overdenkingen vereischt, die aan vele mensch en, en bijzonderlijk als zij door ziekte
of anders gestoot·d zijn, zeer lastig vallen. Daarenboven de belijdenis der zonden, is onder aile betrel1.ken zoo voordeelig en zoo
rijk aan goede uitwerksels, dat de moeite en de last, die zij kost,
bovenmate door de vruchten, welke zij voortbrengt, vergoeO.
.worderi.
a) De biecht is ten eerste voor den mensch eene allergrootste
en allerheilzaamste vernedel'ing, die hem van het lnvaad aftrekt en tot den weg der deugd brengt. De eerste oorsprong van
aile zonde is de hoogmoed, die bestaat in de ongeregelde behetgeen men is, en in zijne afh~n­
geerte van meer te zijn,
kelijkheid, zijne onvolmaaktheden, zijne fouten en zijne zonden
niet te Willen erkennen. Welnu, in de biecht erkent de mensch
zijne fouten en zijne zonden. Daarbij hij bekent ze niet aileen in
zijn geweten. maar aan eenen anderen mensch, niettegenstaande
dat iedereen uit natuurlijken ~wogmoed bij zijnen evenmensch,
groot en volmaakt wil doorgaan, en hij bekent hem niet alleenlijk zijne uitwendige en openbare zonden, maar zelfs al de inwendige en de ,·erbolenste overtredingen van Gods wet, hoe
schandig en hoe groot zij ook mochten wezen: Grootere vernedering kan zel{er niet uitgevonden worden : alle andere boetveer-

&lt;ft

�\'JERDE DEEL. -

34ste LES, A,\NMERIL

1081

digheid vrijwillig tot uitboeting der zonden aangenomen, alle andere goede werken, waardoor de mensch zijne afbanl;.elijkheid
jegens God en zijnep lichten jegens den evenmensch ed;ent, aile
ander lijden, aile andere vcrsmading vrijwillig verdragen, kan
moeilijk in vergelijking lwmen met die vrijwillige schande
en schaamte der biecht, door dewelke de mensch zich zoo diep
vernede1·t als hij kan. Niets is immers verachtelijker in den
mensch dan zijne zonden: aile andere onYolmaal;.Lheden zijn niet
te vergelijken meL de besmetting der zonde; en derhalve kan hij
zich nieL meer vernederen dan met zijne zonrlen te bekennen, en
ze te bekennen niet alleenlijk in zijn geweten, maa_r ook aan
eenen anderen mensch. 'Vaarlijk dan, wanneer een mensch zijne
zonden rechtzinnig aan den priester biecht, vernedert hij zich
teenemaal, erken L geheel zijne onYolmaaUheid. en komt zoo
op don waren weg der zaligheid; want gelijk rle hooveerdigheid
de oorsprong is van aile zonde. zoo is ook de ootmoedigheid de
voorbereitling tot aile cleugd en heiligheid. Bijge&gt;olg, door
eene rechlzinnige verldaring zijner zonden wonlt de mensch
waarlijk van het kwaad afgetrokken, en op den weg der deugd
gesield : van den weg der hooveerdigheid komt hij claardoor tot
dien de1· ootmoedigheid, welke de ware weg der zaligheid is.
b) De biecht bevat ook eene zeer'groote voldoening voor de
zonden. Daar het den mensch zoo f!rd vaiL zijne zonden aan
eenen priester te moelcn biechten, en daar hij zoo hevig tegen
zijne natuur moet strijden, om rechtzinnig zijne zonden te belijden, zal hij door eene openhertige en ootmoedige biecht opgetwijfeld eene zeer gt·oote voldoening aan God voor zijne schulden
aanbieden.
c) De biecht wederhoudt ook grootelijl;.s den mensch van de
zonde. De vrees van de zonden aan den priester te moeten &gt;erklaren, helpt zeker menige menschen om aan de bekoring gemakkelijker te wederstaan, en deze vrees is in haar zalve goed,
dewijl haar voorwerp, te weten, de belijdenis de1· zonden, eene

�1082

VIERDE DEEL. -

34sto I.ES, AANliiERlC

ware straf d!'lr zonde is door God zelven ingesteld en zoo God
aangaa.t, en dat zij daarenboven de kracht heeft van alle doodzonden te doen verfoeien en verlaten. Zelfs lmn ziJdikwijls meer
dan de godtlelijke straffen na dit Ieven, den mensch van de zonde
wederbouden, dewijl zij eene straf is, die wij hier op aarde
·moeten dragen. en dat zij bijgevolg op ons dikwijls meer indruk
maakt, dan de siratfen van het toekomende Ieven. die wij maar
door het Geloof kennen.
d) De verplichting van alle doodzonden te biecl\ten, leidt den
mensch tot de -kennis van zich zelven, van den staat zijner ziel,
van hetrreen
hem ontbreekt om zalirr0 te worden. De noodzakeo
lijkheid, van aile doodzonden in de Biecht te verklaren. verscbaft aan aile geloovigen de gelegenheid om hunne s\ecllte
gewoonteJl te ontdekken, de grootheid hunner zonden te begrijpen, en zoo in plaats van dieper en dieper in de onrleugd te
vallen, de zonde te verlaten, en het. pad der deugrl in te slaan.
e) De biecht is ook een voortreffelijk middel tot verbetering
des levens en tot vooruitgang in het goede, door de vermaningen,
de Ieiding en de hulp van den priester, aan wien wij onze zonden belijden. Ret is immers eene ontegensprekelijke waarheid,
dat in geheel dit Ieven de eene door den anderen moet
bestuurd, geholpen. vermaand en bijgestaan worden, en dat
niemand aileen door zich.elven zijne taak kan volbrengen.
Indien dit waar is voor allerhande menschelijke werken, zal dit
zelterlijk en wel op eene bijzondere wijze waar zijn voor het
allergrootste werk van den mensch. te weten, voor bet werk
zijner zaligmaking, voor het oefenen der deugd en het vluchten
van het kwaad. Maar werden de zonden niet gebiecht, wie zou
ons kunnen bestieren en helpen in bet werk onzer zaligmaking?
Deze waarheid is zoo tastbaar, dat de protestanten zelve ze bekennen; een hunner geleerdste schrijvers, Leibnitz, heeft daarover de yolgende bekentenis gedaan : "Ik geloof, dat een vroom,
" wijs en verstandig biechtvader in Gods hanclen een groot

�VIERDE DEEL. -

34 910 LES. AANMERK.

1083

" werktuig is voor de zaligheid onzer ziel; want zijn raad is nut" tig om onze neigingen te regelen, onze fouten op te merken,
" de gelegenheden der zonde te vermijden, het gestolene terug
., te geven, de schatle te vergoeden, angstige twijfelingen te
" vetjagen, den neergebogen geest op te beuren, eindelijk alle
, kwalen der ziel weg te nemen of te verminderen. En als men
" op aarde nauwelijks iets voortreffelijkers kan vinden dan een
" getrouwen vriend, van hoeveel meer gewichL zal zoo iemand
" voor ons n~et zijn, wanneer hij door de onkrenkbare heiligheid
,, van een goddelijk Sacrament tot volherdende getrouwheid en .
, tot hulp vet•piicht is1 (Theologisch Systeem, bladz. 166). ·• En
een allergrootste goddelooze der verledene eeuw lweft niet kunnen nalaten aan de biecht deze getuigenis te geven : ·• De vijan., den der Roomsche Kerk, zegde hij, die zich tegen de heilzame
" instelling der biecht verzetten, schijnen aan de menschen den
,, sterksten toom hunner geheime zonden ontrukt te hebben ...
·• Tot hoeveel herstelling, to_t hoeveel schade-.•ergoeding worden
, de katholieken niet gebracht door de biecht 1 Hoe zeer zijn zij
"allen bij het naderen van den communielijd niet bereid,zich te
" verzoenen! Hoevele aalmoezen worden bij die gelegenheid niet
·• gegeven! "-Om red en van het groot goed dat de priester, aan
wien wij onze zonden biechten, bestemd is in ons teweeg te
brengen, wordt hij biechtvade1' genpemd; dat wil zeggen, dat hij
na onze biecht gelloord te hebben, als de vader is van onze ziel,
niet alleenlijk met ons de absolutie te geven en ons zoo het geestelijk Ieven in te storten, maar ook met ons te vermanen, onsden
weg des heme is te toonen, de gevaren aan te wijzen die wij moeten vluchten, en ons derwijze in bet geestelijk lev en op te voeden.
f) De biecht slt·ekt niet'alleenlijk tot welzijn yan iederen
Christen in 't bijzonder, maar bevordert ook rechtstreeks de welvaart van geheel de maatschappij. Inderdaad in de biecht vindt
een ieder eenen rechter : er is geen zondaar, geen overtreder
van Gods 'wet, 't zij rijk of arm, koning of dienstlmecht. wien

.

�1084

VJERDE DEEL. -

34sto LES, AAN~JERK.

de priester daar niet oordeelt, berispt en vemmant. Daar
zijn aile menschen gelijk, ofschoon zij in de maatschappij tot
zeer verschillige 1\lassen behooren. De belijdenis der zonde, de
voldoening voor de bedrevene misdaden, en de wil &gt;an zijn Ieven
., te veranderen en te beteren, worden daar van allen geeischt:
en daar oak ~vordt door den priester over de zonde op dezelfde
manier geoordeeld voor den rijRe als voor den arme. voor den
koning als voor den ?nderdaan. 'Velnu, wat is dienstiger voor
de samenleving, dan eene rechtbank waar iederee;:,, groat en
-klein, over zijn goed en over zijn kwaad geoordeeld wordt; dan
een klaar en praktisch bewijs, dat aile menschen in de oogen van
Gon gelijk zijn, dat de oversten zoowel als de onderdanen van
hun gedrag aan God moeten rekening geven, en dat een ieder van
God zal geloond worden volgens zijne verdiensten¥ Zoo leeren
de oversten hunne onderdanen in de v'tees des Heeren bestieren,
en de onderdanen hun in Gods naam gehoorzamen; zoo ook
verachten de oversten bunne onderdanen niet, noch benijden de
onderdanen de macht der oversten, omdat zij weten, dat zij bij
God allen gelijk zijn, en in het eeuwig Ieven, niet volgens hunnen rang hier op aarde, maar volgens ~en graad hunner verdiensten, zuiien beloond worden.
g) De biecht is ook een middel van ui~boeting, dat allerbest
met onze natuur overeenkomt ... Het algemeen gevoelen,der men., schen, zegt de graaf De Maistre (over den Paus, Boek III,
.. Hoofd. III). is dat de vrijwillige belijdenis onzer zonden, aan
·• de overheid gedaan, eene groote uitboeting bevat, en eenig
.. recht geeft om vergitfeni::; te bekome11. Zoo oordeelt een ieder
.. zoowel de moeder die haar kind over hetgeen het gebroken of
., tegen het gegeven gebod geeten heeft, ondervraagt, als de rech" ter die de die,ven en de moordenaars onderho01·t ... En inderdaad iedereen eischt van eenen ongehoorzamen onderdaan dat
l1ij zijne ·sclnild belijd,e; en als hij dit doet, gevoelt men 'zich
aanstonds genegen, om hem vergitfenis te schenken.
I

�VIERDE DEEL. -

34stu LES, AAN~IERI{.

1085

It) Wil men llierbij nog verstaau, dat de biecllt in· haar zelve
maar eene Iichte stt·af is voor de zonde, men moet slechts op
het volgende lelten : inrlien een vorst dezer aarde aan de misdadigers van zijn rijk vergiffenis van a! hunne stmffen wilde
schenken, op voonvaarde dat zij a! het kwaad 'twelk zij tegen
hem bedreven hebben, aan eenen zijner rechters bekennen,
men zou voorzeker niet zeggen, dat deze vorst te streng
handelt: integendeel een ieder zou zijne goedheid ten hoogste Ioven. "'at ll'.oeten wij dus niet denken, wannee1· God: die oneindig meer l'echt !weft om ons te strafiim dan a! tie oversten dezer
wereld, bereid is om a! onze zonden te vergeven, als wij ze aan
eenen zijner pl'iesters belijden!
2° Daar het ons vee! kost om onze zonden rechlzinnig te verklaren, worden wij dikwijls bekoord. uit schaamte de eene of de
andere doodzonde te vm·zwijgen, en zoo eene heiligschendende
biecht te doen. Als men d~ze belwring gevoelt, dan overwege
men, om ze te ovenvinnen, aandachtiglijk de volgende puuten :
a) men denke dat deze biecht, waarin wij eene doodzonde verzwijgen, eene nieuwe zware zonde van heiligschenderij is, die
zee1· waarschijnlijk van vele andere heiligschenderijen zal gevolgd worden, en misschien ons ook tot de eeuwige verdoemenis zal Jeiden. De biecht is ons imme1·s door Christus gegeven
als een geneesmiddel onzer ziel; en zie. door het vrijwillig verzwijgen eener doodzonde, zijn wij de oorzaak dat dit geneesmiddel rliene om een nieuwen doodsteek aan onze ziel toe te brengen.
Daarbij deze eerste heiligschenderij leidt ons naiuurlijk tot
eene heiligscllendende communie, en daarna tot nieuwe heiligschendende biechten en communien; want indien men eene eerste
maal de zonde niei heeft durven biechten, zal men dikwijls ze,
hoewcl ten onrechte, nog min durven verlilaren, wanneer men
er moet bijvoegen dat men ze reeds vrijwillig verzwegen heeft
en op eene beiligschendende wUze de H. Communie heeft ontvangen. En als een mensch, die zoo voort is gegaan met

�. 1086

VIEHDE DBEL- -

34 810 LES, AAN~!ERK •

doodzonden te verzwijgen, in 't gevaar van sterven komt,
dan is er nog veel te vreezen, dat hij zelfs in dat oogenhlik nog
niet rechtzinuig zal hiechten : uitgeput van krachten, en
misschien eenen hiechtvader hij zicll hebbende, hij wien hij achting geniet, zal hij niet gemakkelijk den moed hebhen de
schaamte te overwinnen, die llij in zijne gezonde dagen nooit
overwonnen heeft. Integendeel, hij zal zich zonder moeite oYertuigen, dat hij later nog zal lmnnen biechten, dat de priester nu
een te slecht gedacht van hem zoude behben, moeste llij rechtzinnig zijne ·tiiecht spreken; of nog, hij zal veel andere even
ongegronde redenen uitzoeken; en zoo lmn het gemaldwlijk
gescllieden dat hij zelfs in deze ·laatste biecht opnieuw zijne
zonden verzwijge. Ret getal der menschen,uie in de bel gevallen
zijn,· met slechte biechten te doen, in de hoop van alles op bet
sterfbed te herstellen, is zel~er ontzettend, ja verschrili.kend
groot.
b) :Men denke ook dat, indien men llier zijne zonde niet
biecht, deze tocll .zal geli.end worden, en dat .zij .zal gelwnd
zijn, niet enkcl door Mnen priester, maar door onze ouders,
broeders en zusters, bloedverwanten en vrienden, zelfs door
al de engelen, en door al de menschen die ooit geleefd zullen
hebben.'Deze bekendmakingzal geschieden inliet laatste oordeel,
zij zal duren tot in der eeuwigheid en den zondaar voor eeuwig
met de grootste schaamte overdekken. Wij hebben dan keus tusschen twee dingen : of de schaamte te dragen van onze zonde aan
eenen priester te openbaren, ofwel IJeschaamu gemaakt te wor. den over onze zonde van in bet Jaatste oordeel tot in der eeuwigheid bij al de engelen en hij aile menschen, die ooit geleefd zullen
hebben. Kaner IJijgevolg eene groote1· uitzinnigheid uitgedacht
worden,. dan die van zijne zonden uit sch~mte aan den priester
niet te durven verklaren ¥ -En hierbij l)lOet men in aandaclit
nemen dat de priester, aan wien men zijue biecht spreekt, op
doodzonde gehou~en is eer de dood te ondergaan, dan iets van

�VIERDE DEE!.. -

34 510 LES, AANMERK.

1087

onze biecht bekend te maken; dat deze priester een mensch is,
gelijk wij, die dezelfde moeilijkheden heeft als wij om beL goed
te doen en het kwaad te vluchten, en die verplicht is ons te belpen en bij te staan: wat vergelijl\ing kan er dus gemaakt worden tusschen de schaamte, die wij onderstaan in onze zonden
aan zulk eenen priester te biechten, en die onuitsprekelijke
schaamte die de verdoemden zullen lijden in het laatste oordeel
voor a! de engelen en al de menschen, en dat gedurende geheel
de eeuwighe!d 1
c~ Men denke nog, dat de menschen om de gezondheid
des lichaams weder te l;.rijgen, niet aarzelen hunne verholenste
en beschamendste misdaden aan den geneesheer voor oogen
te leggen; maar wat is de gezondheid van bet lichaam in vergelijking met het eeuwig geluk der zieH
Bij deze overweging voege men een goed gebed,en zoo zal men
zonder moei le aile schaamte overwinnen en rechtzinnig biechten.
:3° Wij behooren altijd \verindachtig te zijn, dat het ons onmo. gelijk is een genoegzaam berouw te hebben, en derhalve de
absolutie met nucht te ontvangen, indien wij de naastc gelegenheid der doodzonde, die wij kunnen en moeten vluchten, niet
willen vermijden; want, zooals wij gezegd hebben, wie de naaste
gelegenheid niet wit verlaten, die wit de zonde zelve niet vlucl!ten. En als wij moeite hebben, om eene naaste gelegenheid,
zooals eenen persoon, een gezelschap, een huis, eene lezing te
vluchten, maken wij eene vergelijking tusschen die zaak en ons
eeuwiggeluk, en zeggen wij tot ons zelven: wat baat hettoch den
mensch, zoo hij gelteel de wm·eld wint, mam· zijn leven (het.
leven der ziel) vel'liest (l\'Iatth. XVI, 26)1 Ofwel het is ook zeer
nuttig te overdenken hoe de verdoemden, die de naaste gelegenheid van zonde niet gevlucht hebben, dit nu bitter betreuren; en
hoe de gelukzaligen, die door het vluchten van de gelegenheid
tot de heiligheid gekomen zijn, zich nu dam·over verheugen; -en
ons dan te vragen, wat wij verkiezen : of de naaste gelegenheid

�1088

VIERDE DEKL. -

34ste LES, AAN~IERI\.

van zonde niet verlaten, en dit eeuwig beweenen, ofze vluchten
en ons daa.r eeuwig ·over verblijden. •
4o Aanguande de belijdenis der zonden, zijn er nog eeni~e
punten op te mei:ken nopens de biecht, die men gene1·ale of
algemeene biecht noemt. Door zullt eene biecht verstaat men
eene belijdenis, w~arin men al zijne biechten van geheel het
Ieven, ofwel te beginnen van een zeker tijdstip des Ievens het·haalt. - Wat is er nu van de noodzakelijl;;heid of van het nut
van zulk eene biecht te denken ~ Zij is noodzal;.ei'ijl;:, zoo dikwijls eene reeks vorige biechten onge,ldig geweest zijn, 't zij bij
gebrek aan rechtzinnigheid, of bij gebrek aan berouw en goed
voornemen. Als zuU;:s plaats gl'ijpt, inoet men noodzal;:elijk al
die s\echte biechten, van de eerste tot· de laatste herhalen. ---'
Buiten dit geval is de generale biecllt nooit noodzakelijk, doch
zij is in sommige omstandigheden zeer nuttig en geraadzaam, te
weten, in de bijzonderste omstandigheden des Ievens, ZO(lals in
de v,oorbereiding tot de eerste Communie, bi.i het aanveerden
van eenen staat, in eene gevaarlijke ziekte, in eene .1\Iissie of
Jubi\6." In al deze omstandigheden behooren wij een overzicht
van geheel ons Ieven te doen, geheel onze levenswijze eens wei
te overdenken, nit den grond 'van ons bert God vergiffenis te
vragen van al onze zonden, en een nieuw Ieven te begi!men: en
daahoe is ongetwijfeld niets dienstiger dan eene goede genera\e
biecht. Nogtans deze ~egel geldt niet voor aile menschen : er
moet eene uitzondering gemaakt worden voor de personen, die
·eene nauwgezette e.!). angstvol\e conscientie hebben, of zonder
gegrqnde reden altijd vol vrees zijn over hunne biechten en
. communien. Voor dezen zou voorzeker eene algemeene biecht,
verre van nuttig, zeer nad.eelig zijn, .want zij zou alleenlijk uie. nen. om huimen angst. en hunne vrees te doen aangroeien.
Diensvolgens is llet voor dergelijke personen op geener ,;ijze geraadzaam eene algemeene biecht te spreken; en daarom is het
altijd goed, dat a:l degenen, die uit vrijen wil eene algemeene

�VIERDE DEE!,, -

34sto !,ES, AANMERK.

1089

biecht willen doen. eerst den raad van den biechtvader daarover
vragen.
5° Willen wij het Sacrament (ler· Biechi aliijd wel ontvangen;
willen wij er· veel nut uit trekken en door dii groot en wonderbaar zaligheidsmiddel tot cle heiligheid en h~t eeuwig geluk
komen, laat ons allijd zM te biechten gaan,gelijk wij het ZQuden
willen doen in het uur der dood. Onivingen wij altijd op
die \vijze dii Sacrament, er· zoude nooit iets aan onze voorbereiding, aan onze belijdenis, aan ons berouw ontbreken, en
wij zouden altijd al de vruchten van dii Sacrament bekomen. Daarenboveu wij moeten wel indachtig zijn, flat, indien wij
begeeren, eer wij sienen, eene .zeer volmaakie biecht te spreken, wij iedere biecht .met de grootste volmaakiheid moeten
trachten te doen : iedere biecht lmn immers de laa}sie zijn, en
het is allerwaarschijnlijkst dai wij niei :mllen denken onze laatste biecht te sprel\en, wanneer· het wezenlijk onze Jaatste
zal zijn.- Zijn wij dikwijls dit allerschoonste W&lt;&gt;ord van den
H. Augustinus indachtig : "Ne despe;·mido augeamus p'eccata,

propositus est pomitentice pm·tus; ,·w·sus ue spe1·ando augeamus delicta, datus est dies mm·tis ince~·tus ~; opdat wij, zegt
hij, door te wanhopen onze zonden niet zouden vermeerderen, is
de haven cler boetveerdigheid (te weten, het H. Sacrament der
Biechl) ons aangewezen; maar opdat wij ool\ onze zonden niet
zouden vermeer·deren met ie vee! op. vergifl'enis to rekenen, is
de dag der dood ons onbel\end ...
6° Om het H. Sacrament der Biecht met vee! vrucht te ontvangen, behooren wij steeds indachtig te zijn, dat de hiechtvader de
onmiddellijl\e plaatsveJ'"Vanger is van Jezus Christus, en dat der
halve eene biecht aan den priester gesproken en eeneabsolutievan
hem·weerdiglijk ontvangen, zooveel is als eene biecht die wij aan
Christus zelven zouden doen, als eene absolutie die Chrisius zelf
ons zoude geven. Kwam Christus in persoon op aarrlc biecht
hooren, al ~e geloovigen zouden Hem met de grootste rechtzin-

�1090

VIERDE DEEL. -

34 510 LES, AANMERK.

nigheid hunne zonden belijden, en met het levendigste geloof de
absolutie van Hem ontvangen; en waarom naderen wij op
dezelfde wijze tot den biechtvader niet 1"Hij is ons van Christus
gezonden om onze biecht in zijne plaats te hooren ; en de absolutie, die hij ons zal geven, heeft dezelfde weerde, als die welke
wij van Chri~tus zouden ontvangen. Als wij dan te biechte
gaan, aarihooren wij de stem van ons geloof, aanschouwen wij
in derr biechtvader niet den mensch met zijne gebrel;:en en
krankheden, maar Christus zelven, wiens afgeveer~)gde hij is;
e·n alshij onsdeabsolutie geeft, wezen wij wei indachtig datChristus zelf ons daar van onze zonden ontbindt, gelijk Hij in zijn sterfelijlt Ieven de boetveerdige Magdalena van !\are zonden ontsloeg.
Biechten wij altijd in dien geest van ge\oof, hoeveel vrucht
zouden wir uit dit Sacrament niet putten!
7° De godvruchtige persmuin die dikwijls te biechte gaan,
moeten met de grootste zorg vermijden clit Sacrament uit gewoonte en zonder genoegzame voorbereiding en aandachtigheid
te ontvangen. Willen zij door hunne biechten in de godvruchtigheid wezenlijk veel voortgang doen, zij mogen zich niet vergenoegen eenige algemeene en onbepaalde gebreken, die in alle
menschen te vinden zijn en geene schaamte bijbrengen, te verklaren,en daarin 't algemeen eenige andere reeds vergevene zonden bij te voegen. Want spreken zij op clie wijze hunne biechten,
zij zullen er weinig 1mt uit treklten en na vele jaren zullen zij
nog geenen stap .vooruitgang in den weg der deugd gedaan
hebben. Hoe behooren zij dan te biechten 1 Om met orde en met
veel vrucht hunne biecht te spreken, moeten zij beginnen met
die zonden te verklaren, welke zij gansch vrijwillig zouclen bedreven hebben en welke schaamte bijbrengen; i.ndien zij over iets
twijfelen, uitlegging daarover aan den biechtvader vragen, om
zoo altijd den vrede des herten te hebben; en daarna zouden zij
zich moeten beschuldigen van het een of ander gebrek in .'t bijzonder, 'twelk zij zich voorstellen nu op eene zonderlinge wijze

�VlER!lE DEEL. -

35sto LES, INHOU,D.

1091

te bevechten. I-Iandelden zij op die wijze, zij zouden hei eene
gebrek na het ander kunnen uitroeien, aliijd een goed voornemen hebben van de fouten te vluchten die zij biechten, veel
gratie door de absolutie ontvangeu, en op korten tijd tot eene
groote volmaakiheid komen. Willen zij daarbij nog eenige zonden biechten van hei voorgaande lev en, dat is ook zeer lolfelijk;
doch om dat met veel vrucht te doen, is het niet genoeg van
bij voorbeeld te zeggen : ik beschuldig mij van al de zonden die
ik tegen de .tien geboden Gods of iegen de geboden der H. Kerk.
bed1·even heb, maar men behoort eene zekere soori van zonden
of eenige zonuen in 't bijzonder uit te drukken. Nogtans moest
bet herhalen van eenige voorgaande zonuen groote bekoringen
teweeg brengen,· of angst en vrees in het lwrt veroorzaken, dan
behoort men van die zonden niet meer te spreken.
go Om met orde ie biechten, en de zonden klaar en duidelijk
voor te stellen, behoort men, voor zooveelmen kan, zijne biecht
te spreken \Olgens de orde del' tien geboden. Op die wijze wordt
de eene zonde met de anuere niei verward en wordt er gemakkelijk verklaard hetgeen te verklaren is. Dat iedereen derhalve
zijn beste doe, om bet onderzoek \an conscientie te volgen,
'twelk men op hei einde des Catechismussen en in de kerkboeken vindt : dit stelt ons de verschillige zonden Yolgens de orde
der tien geboden voor.

VIJF EN DERTIGSTE LES.
Van het Heilig Oliesel en het Priesterdom.
Inl!oud. - Deze les handel! in de vier eerste nagen over het Sacrament des
H. Oliesels, en in de vier laatsle over het Sacrament des Priesterdoms.
I. Het ll. Oliesel, dat bcslemd is om de ziekcn, die in nood zijn van
slerven, hulp en bijsland le verlcenen en de overblijfsels der zonden weg te

�1092

VIERDE DEEL. -

35ste LES, INHOUD.

ncmen, is allerbest geplaatst na de Biecht, omdat het dit Sacrament, met de
o,·erblijfsels der zonden weg te nemen, komt voltrekken; en het is ook met
red en, dat het onder de vijf Sacramenten, die rcchtstreeks vuor de zaligmaking
van een' ieder dienen, de laalste plaats bekleedt, dewijl het alleenlijk bestemd is
voor dcgenen, die in nood zijn van sterven, eu zoo natuurlijk na de andere ont\'angen wordt.
·
AI hetgeen de Catcchismus ons over het II. Oliesel lcert, kan allerbest in
twee declen verdee!ll worden .
. In bet eerste dee!, bestaande uit de eerste vraag, zcgt hij ons in 't kort wat
liet H. Olicsel is, 'l is te zeggen, waarin dit Sacrament bcstaat, en waardoor
bet van de andere Sacramentcn onderscheiden is.
""
In bet tweede decl, 'twelk de drij volgende vragen bevat, legt hij het antwool'd op de eerste vraag uit. In ditantwoord heeft hij gezcgd, dat het II. Oliesel bestcmd is \'OOr de zie~en, die in den uiters/cn IIOOd zijn, en tot uitlcg
daarvan onderzoekt hij in de tweedc vraag : aan wic hct fJ. 0/icscl gcgcven
wordt; en in de dcrde : hoe dikwijls men hcl H. Olicsclmaa ontva•1gcn.In het ecrste antwoord heeft hij nog gezegd, dat de zieken door dal Sacrament
vcrlichl Cll geholpen worden; en om dezc woorden op te heldcren, vraagt hij :
wat propjt geeft OilS hct fl. Oliescl?
II. Na 1le vijf Sacramenten, die rechtstrecks dienen tot de bciligmaking van
een' ieder in 't bijzonder, _komen de twee andere, welkc eigenlijk tot hel bestuur en de hehoudenis d~r maatschappij van de ware christene menschen, 'tis
le zcggen, van de H. 1\erk, bestcmd zijn; &lt;!n het is met reden, dat dcze twec
Sac!'amenten,. na de vijfandere, die onmiddellijk tot de heiligmaking van een' icdcr
dienen, gcplaatst zijn, wijl men cerst ,\rare dienaars van God moct hebben, eer er
spraak kan zijn van ecne !flaatschappij uit zulke dienaars samcngestcld. Deze
twce Sacramenten zijn het Priesterdom en bet Huwclijk. : hel Prieslerdom dient
om de H. l\crk besluurders te verschafi'en, en het Huwelijk om de H.l\erk Yoort
te zttten. De Catechismus sp1·eekt corst van het Priesterdom, aangezien de
maatschappij eerst ten voile moct gcvormd zijn, eer zij kan voortgezet worden.
Geheel de leering van den Catechismus nopens het Priesterdom kan insgelijks
allcrbest tot twee deelen gebracht worden.
In de vijfde vraag, die het ecrstc dee! uitmaakt, zegt hij in het kort wat het
Pricsterdom is, 't is to zeggen, waarin dit Sacrament· bestaat en wat er als
eigcndom aan toe~ehoort.
In de drij volgende vragen, die het lweedc dec! uitmaken, gecft hij ons uitleg
van het gezegde in het cerstc antwoord. Hij heeft daarin geleerd dat de dicnaars
der' H. /(erk i" dit Sacrl!ment macht ontvangcn om fum ~mbt ~ckwamclijk te
bedienen. Tot uitleg van het woord die1mars der H. Kerk, onderzoekt hij in de

�VIERll" UEEL. -· 35810 LES, Jslc VR.

1093

zcsde vraag, of al de dic11Uars der H. J(erk eveil fJI"Ool zijn. Daarna om de
machtle docu kenucn, die hel Pricslcrdom geefl, zcgl hij in de zevende vraag,

welke mach/ de pricsters meer llebbcll, dan de amlcre dic11arm der ll. Kerk.
Eindclijk om ons nog vcnlere uitlcgging van hel ect·ste anlwoord le gcvcn, om ons
namclijk I.e lccren, wie dicnaar dcr 11. Kcrk mag worden en de hciligc wijdil1g
ontvangen, vr;~agl hij, of ccn icfjelijk de heiliye wijclillfl mag OIIIVatlgen.

l. l'. Wat :is ltet II eilig Oliesel?

A. Een Sacrament, in hetwclk door de heiligo zalving
de zieken in hunne ziekten en hu nnen uitorsten
nood vet·licht en geholpen wonlen.
l. In deze eerste waag onderzoekt de Catecllismus wat het
H. Oliesel is, waarin het eigenlijk Llestaat.

· 2. In zijn antwoord zegt hij vooreerst dat het een Sacrament
is; 't is te zeg·gen : een uilwendig lee ken, van Clwistus inge-

sleld, beleekenende eene zondm·linge gmlie, die ons doOi·
hetzelve gegeven u;o,·dt. Maar welk Sacrament is het H. Oliesel;
welk is zijn uitwendig teeken, en wellw zondel'linge gratie beteeli.ent en geeft het door zich zelf? Dit leert ons de Catechism us
in het volgende deel van het antwoord.
3. Vooreerst welli. is het uilwendig teeken van dit Sacrament?
Het is, gelijk de Calechismus zegt, de heilige zalving. -· En
waarin bestaat die heilige 7.alving? Zij uestaat in de 7.alving van
eenige deelen des lichaams, voornamelijk van de Yijf zintuigen,
door den pric~ter gedaan met de H. Olie van den bisschop daartoe
gewiju, en in het volgende gebcd dat de priester onder iedere
.zalving :r.egt : .. Door deze heilige zalving en zijne allermildste
" bermhertigheid, vergeve u God, wat gij door het gezicht,
" door het gehoor, enz., misdreven hebt .., Deze iwec tlingen te

�1094

VIERDE DEEL. -

35ste LES, }Ste VR."

zamen, de zalving en het gebed des priesters, maken het uitwendig teeken van ditSacrament nit.- Opwelkedeelendes lichaams
doet de priester de zalving¥ Hij zall't de oogen, de ooren, de
nensgaten, den mond, de handen (die het bijzonderste m·gaan
zijn van het gevoel of tastvermogen, 'twelk geheel het lichaam
door bestaat), de voeten, alsook de lenden. De zalving op de lenden word t nagelaten bij de personen van het ander geslacht, en bij
de zieken, bij wie znlks niet gernakkelijk kan geschieden. - Deze
zalving en dit gebed des priEisters maken voorzeker een uitwendig
tee ken nit, dewijl zij be ide rechtstreeks onder de zinnen vall en.
'noor wien moet die zalving en dat gelled geschieden1 Zij
moeten geschieden door de pries~ers, gelijk het blijl\t uit de
H. Schriftnnr en nit geheel de leering der H. Kerk; wierden
zij door iemand a1lders gedaan,_ het H. Oliesel zon van geener
weerde zijn. :- l\'Ioet de zalving noodzakelijl{ ten minste op de
vijf zintuigen geschieden, en moet de zalving van ierler zintuig
van zijn bijzonder gebed vergezeld zijn1 Dit is niet geheelzeker,
maar toch waarschijnlijk.; en daarom mag de priester in den
nooa het H. Oliesel wel toedienen gelijk hij best kan; maar hij
moet, indien de tijd het toelaat, de becliening van dit Sacrament
op conditi~ herbeginnen, tot dat hij den zieke op de vijf zintuigen gezalfd hebbe, en bij iedere zalving het daaraan eigen
gebed hebbe gevoegd.
Eindelijk, is bet nitwendig teelten van het H. Oliesei betzelfde
niet, als dat van het Vormsel1 Geenszins; het bestaat wel gelijk
dat van het Vormsel in eene zalving, maar de zalving geschiedt
op andere ledematen, en zij is vergezeld van andere woorden. De
zalving des Vormsels geschiedt op het voorhoofd, en die van het
H. Oliesel voornamelijk op de vijf zintuigen; en bij bet Vormsel
drukt de bisscbop nit, dat hij den vor~ling de volwassenheid
geeft in het gees"telijk Ieven, terwijl de priester in het H. Oliesel
vergiffenis der zonden van God afsmeekt.
4. Welk is de zonderlinge gratie, die door dit Sacram.ent

�VIERDE DEEI,. -

358 1° LES, JMU YR.

1095

betcelwnd en gegcven wmYll? Door dit Sacrament, zegt de
Catechismns, worden de zieken in hunne zielllen en hunnen
uitersten nood 1'erlichl en geholpen. Die zonderlinge gratie bestaat in eene verlichting en in eene hulp voor de zieli:en, die in
nood of in gevam· zijn van sterven. De woorden de zieken in
humze ziel.'ten en hunnen uitste1·sten nood, geven klaar te kennen, dat dit Sacrament maar \'erlichting en hulp geeft aan
degenen die door hunne ziekte in nood zijn van sterven : de
woorden uile1·stcn nood druld;.en het stervensgevaar uit, en
•
doen ons zien, van welke zieken et' hier spraak is.
Bijgevolg, het uitwerksel van het H. Oliesel is gansch verschillend van dit der voorgaande Sacramenten : het Doopsel
geeft ons de geboorte tot het geestelijl;: leY en; bet Vormsel
brengt ons tot de vol wassenheid van dat Ieven; bet H. Sacrament des Altam·s geeft ons rle l;:rachten om dat Ieven tc blijven
bewaren; de Biecht komt ons dat Ieven teruggeven of llerstellen, als wij het door de doodzonde verloren, of door de dagelijkschc zonde gel;:renkt hebben; terwijl het H. Oliesel ons
verlichting en hulp aanbrengt, als wij door eene doodelijke
ziekte overvallen, in gevaar zijn van sterven.
Hoe wordt dit uitwerksel van het Sacrament des H. Oliesels
door zijn uitwendig teeken, te weten, door de beilige zalving.
beteekend 1 De zalving met olie van den bisschop daartoe gewijd,
gepaard met het gebed des priesters, is uit hare natuur zeer
dienslig om dit uitwerksel te beteekenen : de zalving met olie
dient natuurlijk om het lijden te verzachten, de 'voJHien en
lnvetsuren te genezen, de !eden des lichaams behendiger, l;:loeker en sterker te maken; en zoo is zij allerbest geschikt om de
verlichting en de hulp, welke het H. Oliesel aan den zieke geeft,
uit te drukken. De zalving van het H. Oliesel geschiedt op de vijf
zintuigen alsmede op de voeten en op de lend en; weluu, al die
ledematen zijn de bijzonderste instrumenten, waarmede wij
zondigen, de grootste oorzaken van bekoring en zonde, en de

�1096

VIERDE DEEI,. -

35 81 ~ LES,

JSI&lt;l YR.

bijzonderste der uitwendig:e declen des lichaams (I}; en bijgevolg
is het zalven van die ledematen zeer dienstig om te beteekenen,
hoe wij door het H. Oliesel meer en meer· van de zonde gezuiverd.
tegen aile belwring versterkt, en in geheel onzen persoon verlicht en geholpen worden. Daar·bij, die zalving geschiedt niet
met gewone olie, maar met olie die door den bisschop op WittenDonderdag gewijd is, opdat zij tot geluk vall ziel en lichaam
voordeelig 7.0ude mogen wezen, en degenen, die er mede gezalfd
worden, van aile zwakheid, van aile smerten en ziekt.en zoude
bevrijden en tegen aile pogingen van den helschen vijand beschermen: en deze wijding, daal' 7.ij van den · bisschop moet
gedaan wol'den, draagt niet weinig bij om de Yerhevenheid der
uitwerl•sels van dit Sacrament te doen uilschijnen. Eindelijk,
het gebed des priesters lwmt de beteekenis der uitwerl•sels, die
in de zalving met de gewijde olie op de genoemtle ledematen
reeds te vinden is, geheel voltrekl\en : met. daar in de plaats van
Christus, die altijd verhoord \Vordt, te vragen, dat God alles
zou vergeven wat de 7.ieke door die ledematen misdaan l~eeft,
druid hij klaadijk uit, hoe de 7.ieke door dit Sacrament meer en
meer gezuiverd wordt van de zonde en overblijfsels van zonde,
en tevens in den uitersten nood, in denwelken hij zich bevimlt,
vee! verlichting en lmlp ontvangt.
~

5. :Maar tot een Sacr·ament is er v~reischt, dat het van Christus ingesteld zij; is het. H. Oliesel van Christus we7.enlijk
ingesteld 1 Wij weten door de gedurige leering en geheel de
overlevering der H ..Kerk, en ook door de H. Schriftuur, namelijk door de geiuigenis van den H. Jacobus, dat dit Sacrament
wezenlijk van Christus isingesteld; alhoewel hetonsonbekentlis,
wanneer deze ins telling geschied zij. Inderdaad uit leering van
den H. Jacolmskunnen wij gemakkelijk afieiden, dat betH. Oliesel

de

(1) De Icnden worden, eo ll)Ct redcn, als het middelpunt der onzuiverc
· bowegiogcn, en als zinneiJeold der onzuivcJ".J IJegeerlijlthcid aaJu.ien.

�VIERDE DEEL. -

35"'0 LES, 2de YR.

1097

waarlijk een Sacrament is door Christus ingesteld. " Is iemand,
, zegt hij, (V, H, 15) onder u ziek, hij hale de priesters del'
" Kerk, en dat zij over hem bidden, hem met olie zalvende in den
., naam des Heeren; en het gebed des geloofs zal den )ieke be" houden, en de Heer zal hem opbeuren; en indien hij in zonden
., is, zij zullen hem vergeven worden. " Het uitwendig teeken
is uitdru!l.l;.elijk aangeduid doot' de woorden : over hem bidden,
hem zal·vende in den naam des Jlee1·en; en het uitwerksel,
'twelk dat teel;.en uitd1·ukt en teweeg brengt, is ons &gt;oorgesteld
door de woo;·den : en het gebed des geloo(s zal den zielw behouden enz. En dat die uitwerksels door het teeken zelfbekomen
worden, kunnen wij tloOI' den tekst gemakl\elijk bewijzen. 'Vare
e1· hie1' SJll'aak van eene enkele ceremonie, van een enkel gebed,
dan ware het niet. noodig dat die ceremonie en dat gebed door
eenen priester zouden geschieden. Daarenboven de spreebvijze
van den Aposlel Jacobus geeft 1\.laar genoeg te kennen, dat die
uitwerl;.sels door het tee ken zelf gegeven worden, daar bij ze als
bet eigendom van dat teeken voorstelt. Van de inslelling door
Christus, die tot een waar Sacrament volslrekt vereischt is,
wordt bier geen gewag gemaakt, maar wij moeten ze noodzal\elijk veronderstellen, daar Christus in de nieuwe Wet aileen de
macht heeft om aan een uitwendig teeken de kracht te geven,
van eene zonderlinge gratie in te storten.

2. V. Aan wie wo1Ylt ltet Heilig Oliesel gegeven?
A. Aan de zieken, die, tot de jaren van verstand ge-.
komen zijnde, in nood zijn van sterven.
1. De Catechismus, na gezegd te hebben, wat het H. Oliesel is,

zal ons nu leeren, voor wie het bestemd is, of wie het mag en
kan ontvangen, Aan wie, vraagt hij, wordt het Heilig Oliesel
gegeven; 't is te zeggen, aan wie kan en mag het H. Oliesel
gegeven worden?

�1098

YIERDE DEEL. -

35816 LES, 2de YR.

2. In zijn antwoordstelt hij ons de condiWin voor, die vereiscllt
zijn, om dit Sacrament te kunnen en te mogen ontvangen. Welke zijn die conditien1 Het zijn deze drij : l o ziek zijn; 2° tot

dejar·en van ve1·stand gekomen zijn; en 3° door de ziekte in
ge,vam· Z'ijn van ste;·ven.
3. Men moet vooreerst ziek zijn; &lt;lit wei zeggen, door eene
ware ontsteltenis des lichaams lijdend zijn; en daarom kan en
mag dit s''lcrament aan niemand, die niet wezenlijk ziek is, toegediend worde11. -Maar mag dit Sacrament niet gegeven worden aan al degenen die in gevaar zijn van slei·ven, daar de
Catechismus leert, dat het dient om de menschen in hunnen
uitersten nood te verlichten en te llelpen? Voorzekerlijk neen;
het mag alleenlijk aan zieken gegeven worden; en derhalve al
degenen, die niet door ziel;.te maar door eene andere oorzaal;., bij
voorbeeld, door schipbreuk, door het oorlogsvuur op de slag''elden of door de veroordeeling des rechters, in gevaar of op
het punt zijn van te sterven. mogen het H. Oliesel niet ontvangen. - En well;. is de reden daarvan ~ De reden is, dat het
H. 'oliesel eerst en vooral is ingesteld, om den mensch te Yerlichlen en te helpen in de buitengewone moeilijl;.heden en lasten,
die eene zware en doodelijlw ziekte noodzakelijk medebrengt;
welnu, die moeilijkheden en lasten bestaan niet bij degenen, die
zonder iiek te zijn, in gevaar van sterven Yerkeeren; en daa~·om
hebben zij geen rechl tol bet H. Oliesel. - De oude menschen,
wier krachten wegsterven en verdwijnen, mogen die als zieken
aanzien worden? Ja, ongetwijfeld; want dat verlies van krachten is eene ware ontsteHenis of verkrenking des lichaams~ die
hen noodzakelijk tot de dood leidt, en met recht eene ware
ziekte genoemd woi.·dt.
4. De tweede voorwaarde is, dat men tot de jaren van verstand gekomen zij; 't is le zeggen, dat men onderscheid kunne
malwu tusscheugoed en kwaad, an zoo in staat zij van te zondigen.
Diensvolgens, uiet aile zieken, hoe lijdend zij ook wezen,

�YIERDE DEEL. -

35sto LES, 2do VR.

1099

kunnen l1et H. Oliesel ontvangen, maat· alleenlijk degenen, die
tot de jaren van verstand gekomen zijn; en zoo, bij voorbeeld,
kunnen de ldeine ldnderen, die de jaren van verstmid nog niet
bereikt llebben, of de zinneloozen, die nooit llet gcbruik des
verstands hebben genoten, dit H. Sacrament niet ontvangen. En waarom is dit zoo, daar andere Sacramenten door dergelijke
menschen mogen ontmngen worden 1 De reden is, dat het Sacrament des H. Oliesels rechtstreel;:s dient om de zieken in hunnen uitersten JlOod tegen de bekoringcn te versterl;:en, h.en te
vertroosten, en de overblijfsels hunner zonden weg te nemcn :
welnu bij degenen, die bet gebruik van het verstaud nog niet
genoten hebben, zijn et• voorzeker geene overblijfsels van zonde
weg te nemen, vermits zij niet kunnen zondigcn hebben; en
zij h~bben ook niet noodig tegen de bekoringen verster.tt te
worden, dewijl zij onbekwaam zijn belwringen te gevoelen. Maar hoe verre moet het verstand ontwil\l;.eld zijn, om het
.H. Oliesel te mogen ontvangen; is er daartoe geen zekere graad
- van geloofskennis vereisch t, gelijk voor de H. Communie 1 Geenszins;om hot H. Oliesel te mogen ontvangen is het genoeg, datmcn
in staat zij of geweest zij van te zondigen ; en bijgevolg, mag het
gegeven worden aan al de 1\inderen, clie in staat zijn van eenige
zomle te doen, zelfs wanneer zij niet genoegzaam onderwezen
geacht worden om te communiceercn. Tot het ontvangen van
dit Sacrament mag er ilnmers geene bijzonrlere lwnnis van het
Geloof door de I-1. Kerli. vereisch t worden, omdat het toedicnen van
clit Sacrament geenen uitstel duldt. - Degenen, die het gebruik
der rede verloren hebben, mogen zij in stervensnood het H. Oliesel ontvangen? Ja; want als men het gebruik der rede in het
leven genoten heefL, is men beli.\vaam om de uitwerksels van dit
Sacrament ten minste ten deele te ontvaugcn : men l;.an g~zui­
verd worde1~ van de overblijfsels der zondc en ook hulp ontvangen tot gezondheid, als het zalig is·: het verlies der rede is reeds
door zich zelf eene allerdroevigste ziekte.

�1100

VIERDE DEEL. -

35ste LES, 2do VR.

5. De derde voorwaarde is, dat men in nood zij van sterven.
- Geeft dan ell\e ziekte geen rccht tot het H. Oliesel1 Neen; dit
Sacrament is maar ingesteld voor degenen, die door hunne
zieltte in nood zijn van sterven. ·wat beteekenen nu de woorden :in nood zijn van sterven; drukken zij uit, dat het H. Oliesel alleenlijk op bet laatste oogenblik van het leven, of onmiddellijk voor de dood mag gegeven worden 1 Geenszins; zij betee ken en alleenlijk, dat om het H. Oliesel te mogen bedienen, de
staat van den zieke zwaar genoeg moet schijnen, gm volgens den
gewonen loop der ziekte, welhaast met de dood te eindigen; of
in andere woorden, dat de staat van den zieke inderdaad met
een waarschijnlijk gevaar van welhaast te sterven verbonden
moet wezen. Men moet dus niet wa~hten, tot dat het naaste gevaar van sterven aanwezig· zij, of tot dat de zieke op het punt
zij van te sterven: neen, zoobaast men met reden denkt, dat de
ziekte zwaar genoeg is om volgens haren gewonen loop welbaast
de dood te veroorzaken, mag men dit Sacrament toedienen. - ·
En waarom is het gevaar van sterven tot het bedienen van dit
Sacrament vereischt; of waarom mag bet niet aan alle zieken
gegeven worden 1 De red en daarvan vinden wij in de bestemming van dit Sacrament : het is alleenlijk ingesteld om de menscherr in den grooten strijd, die eene doodelijke ziekte medebrengt, te helpen en te ondersteunen; en zoo mag het bijgevolg
aan geene andere zieken, dan aan degenen, die waarlijk in
gevaar van sterven zijn, gegeven worden.
Als er gevaar is van sterven, wanneer behoort dit Sacrament
gegeven te worden : behoort dit te geschieden van in het begin
van het gevaar, ofwel alleenlijk als de zieke op het punt is van te
sterven 1 Als er gevaar van sterven bestaat, behoort dit te geschieden zoohaast mogelij k. - En waarom 1 Vooreerst, di t Sacrament is ingesteld om de menschen, die zich door ziekte in gevaar
van st~rven bevinden, te troosten en te bel pen; en hoe langer
men bet ontvangen van dit Sacrament uitstelt, hoe langer ook

�VIERDE DEEL. -

35510 LES, 2do YR.

1101

men den zieke van dien bovennatuurlijken troost en bijstand
berooft. Ten tweede, bet H. Oliesel dient nog om den zieke tot
gezondheid te belpen, als het hem zalig is; maar als men dit Sacrament alleenlijk op bet uiterste oogenblik geeft, vel'ijdelt men
dit uHwerksel : God zoude immers in dat geval een mirakel
moeten verricllten om de gezondheid weder te geven, en Hij
heeft voorzekee niet beloofd zulks te doen. Ten derde, het is
onbetwistlmar, dat de vruchten van bet H. Oliesel des te zekerder bekomen ~vorden, naar mate men met meer godsvrucllt en
overgeving aan den goddelijken wil dat Sacrament ontvangt.;
maar tot welke voorbereirling, tot welke godvrucbtige oefeningen. is men nog bekwaam, als men bijna al zijne krachten
been verloren, met tle dood reeds worstelt, en op het punt is
aan het lijden te bezwijken?
6. Deze drij genoemde voorwaarden : ziek zijn, de jaren van
verstand bereikt hebben en in gevaar zijn van sterven, zijn altijd
.volsteekt Yereiscbt om bet H. Oliesel geldiglijk te kunnen ontvangen; maar is er boven die voorwaarden niets aiHlers gevorderd
om de uuchten van dit Sacrament te bekomen1 Ja, voorzeker:
bet Sacrament des H. Oliesels is immers een Sacrament der
levenden, en dam·om moet bet in staat van gratie ontvangen
worden. - Degene dan, die in staat van doodzonde is, moet
zijne zonden biechten, of ten minste ee een volmaakt berouw
over heiJben; maar Yolgens de algemeene gewoonte der H. Kerk
behoort het, en bet is het zekerste, als bet kan geschieden, rlat
hij.zich door de Biecht tot het H. Oliesel bereide. Kan hij niet
biechten, dan tmchte hij een volmaakt berouw te verwekken,
en. als hij met reden oordeelt een volmaakt berouw te hebben,
dan mag hij bet H. Oliesel onlvangen. - Ontving men vrijwillig
bet H. Oliesel in staat van doodzonde, zonder gebiecht te hebben,
en vrijwillig nalatende te zorgen om een volmaakt berouw te
verwel\l~en,.men zou eene heiligschenderij bedrijven, want, dit
ware een Sacrament der levenden vrijwillig in staat Yan dood'
zonde ontvangen.

�1102

YIERDE DEEL. -

35"10 J,ES, 3do VR.

3. V. Hoe clikwijls mag m,en het Jleilz"g Oliesel ontvangen?
A. Eens in ·eene ziekte, maar in verscheidene ziekten
zoo dikwijls als men zoude hervallen wezen.
1. In de voorgaamle vraag hebben wij gezien. tlat het H. Oliesel mag gegeven worden aan de zieken, die tot de jaren van
verstanrl gekomen zijn en in nood zijn van stenen: maar hoe
dikwijls mogen zij het ontvangen : mag dit geschJeden zoo dikwijls zij willen, gelijk dit bij voorbeeld het geval is voor de
Biecht en de H. Communie, ofwel mag tlit maar eens geschieden, gelijk het Doopse\, het Vormsel en het Priesterdom maat•
eens mogen ontvangen worden? Dit is de naag, door den
Catechismus ons bier voorgesteltl en opgelost.
2. In zijn antwoord zegt hij OilS, dat het H. Oliese\ maa~· eens
mag ontvangen worden in eene ziektc, maw· in verscheidene
ziekten zoo cliltwijls als men zoude he1·vallen wezen. - Als .
men nu tot de jaren van verstand gelwmen zijnde, door ziekte
in gevaar is Y&lt;Ul sterven, mag men dan zoo dikwijls men wil, in
dat gemar het I-I. Oliesel ontvangen? Neen, 7.egt de CatechiSm us,
men mag het maar Mns ontvangen in iedere ziekte, dat is, in
iedere doodelijke ziekte. of in ieder gevaal' van door ziekte te
sterven. HiCl'in verschilt het I-I. Oliese\ van de Biecht en van de
H. Conununie, die men naar verkiezing mee1·maals in aile omstantlighedcn mag ontvangen.

:Maa1· indien men, na het H. Oliesel in eene gevaarlijke ?.iekte
ontvangen te )lebben, wederom d~delijk ziek werd, mag men dan
opnieuw dit Sacrament ontvangen 1 .Ja: men mag het, zegt de
Catechismus, in ve1·scheidene ziekten zoo dikwijls ontvangen, als
men zoude hervallen wezen. In veJ•sclwidene ziel•ten, clat is niet
te zeggen, in ziekten van verschilligen aard, of die aan eene
andere soort toebehooren, maar in nieuwe gevaarlij!\e ziekten,
't7.ij van denzelfllen, of van eenen anderen aard. Om bet

�V!ERDE !JEEL. -

35 810 LES, '3'10 YR.

1103

H. Oliesel opnieuw te mogen ontvangen, is er niets anders
vereischt, tenzij dat een eerste gevaar van sterven opgehouden
hebbe, en dat er een nieuw besta, van welke ziekte ook dit
nieuw gevaar moge voortkomen. Zoo bij voorbeeld, m:~g men
herltaaldelijk het H. Oliesel ontvangen, wanneer men van eene
zieli:te bijkans hersteld zijnde, wederom hervalt en opnieuw in
gevaar lwmt van sterven.
En hoe dilnvijls mag men in verscheidene ziekten bet
H. Oliesel' o!1tvangen ~ i\fen mag het zoo dikwijls ontva,ngen, al::;
men in een nieuw gevaar van sterven hervallen is, gelijk de
Catechismus zegt, al geschieddc dit ook menigmaal.
3. Eindelijl\, waarop steunt die leering, dat men maar eens bet
H. Oliesel mag ontvangen in eene ziekte, rlocli in verscheidene
ziektcn, zoo dikwijls als men zoude hervallen wezen? De reden
daarvan is, dat het uitwerli.sel van het li. Oliesel (te we ten, de
verlichting en de versterli.ing van den zieke) zoolang duurt als er
gevaar van sterven bestaat, maar· bij het einde v,an dit gevaar
ophouut. Welnu, indien dit Sacrament rccht geeft tot verlichting en versterking gedurende geheel den tijd, dat bet gevaar
van sterven bestaal, lmn het niet herhaaldelijk gedurende hetzelfde gevaat· onlvangen worden. Gelijk het Doopsel, het Vormsel en het Priestenlom niet meer dan Mns, kunnen ontvangen
worden, omdat het recllt tot geeslelijke zaken door hen bekomen
altijd onveranderlijk blijft; zoo mag bet H. Oliesel in hetzelfde
gevaar maar eens ontvangen worden, omdat het recht tot vet•!ichting en versterldng, welk bet geeft, gedurende geheel den tijd
van dat gevaar, onveranderlijk blijft bestaan. i\Iaar met bet eindigen van het gevaar· van sterven, houdt ook bet recht op door
het H. Oliesel bekomen, en daarom wanneer men in een nieuw
gevaar verkeert, mag men opnieuw dit H. Sacrament ontvangen.
4. Indicn iemand het H. Olicsel op eene heiligschendencle wijze
ontvangen had, zoude hij gedurende hetzelfde gevaar van stet·ven
dit H. Sacrament, na zich bekeerd te hebben, opnieuw niet

�1104

YIERDE DEEL. -

35s1c LES, 4de YR.

mogen ontvm1gen 1 Geenzins ; gelijk men !Jet Doopsel, !Jet
Vormsel en het Priesterdom niet mag opnieuw ontvangen, na
ze op eene heiligschendende wijze .ontvangen te hel&gt;ben, zoo mag
men in dit geval het H. Oliesel geene tweede maal ontvangen; en
de reden is, dat wanneer het H. Oliesel geldig is geweest, het
recht tot verlichting en versterking altijd bekomen wordt. Is
men dan in staat van doodzoncle, men is be let die verlichting en
die. versterldng te ontvangen; maar zoohaast men zich in staat
van gratie bevindt, worden zij verkregen.- Men rnerke ook op,
dat hoe beter men gedurende zijne ziekte gesield is·, hoe meer
verlichting en versterking m.en, uit hoofde van het recht daartoe
door het H. Oliesel belwmen, onlvangt.
5. Is men verplicht !Jet H. Sacrament des Oliesels te onlvangen ~ Degenen die dit middel van zallgheid, versterking en
verlichting in de gevaarlijkste oogenblikken van het leven, welke
vooriel\er die van eene doodelijke ziekte zijn, verwaarloozen,
zullen moeilijk van zonde kunnen verontschuldigd worden; en
deden· zij hetuit misachting of verachting, dan zouden zij zich
aan.eene doodzonde plichtig maken.

4. V. TVat pro(ijt gee(t ons ltet Heilig Oliesel?
A. Ten eerste, het verlicht de zieken; ten tweede, bet
vermindert de bekoring; ten derde, het vergeeft de
dagelijksche zonden; ten vierde, het neemt weg de
vergetene doodzonden; ten vijfde, het helpt ook de
zieken tot gezondheid, als het zali-g is.
1. In de eerste vraag hebben wij geleerd, dat door lwt H. Oliesel de zieken in lmnne ziekten en hunnen uitersten nood vel'licht en gelwlpen worden; dit uitwerksel zal de Catechismus
ons hier uitleggen : wat ZJI'O(iJt gee(t ons, zegt ·hij, het H. Oliesel; 't is te zeggen , welke zijn al de ui twerksels van het

�VIERDE DEEL. -

35ste LES, 4de VR.

1105.

H. Oliesel, of waarin bestaat de verlicbting en de hulp, die bet
H. Oliesel ons verscbaft.
2. In alle Sacramenten bekomen wij de heiligmal\ende gratie
en het recht tot de dadelijke gratien, welke vereischt zijn om de
ontvangene heiligmakende gratie werkend te maken; doch in ieder
Sacrament heeft de heiligmakende gratie eenige bijzondere uitwerksels. Wij gaan hier nu leeren, welke de bijzondere uitwerksels zijn der heiligmakende gratie, die door het H. Oliesel
ingestort w0rdt.
Ten eer·ste, zegt de Catechismus, het (H. Oliesel) ver·licht de
ziellen; - waarin bestaat die verlichting en hoe geschiedt zij 1
Zij bestaat in eene 'geruststelling der ziel, en te zamen ook in eene
verzachting der pijnen van het lichaam. :...__ 'Vanneer men in gevaar is van sterven, _is men natuurlijk met angst en schrik
bevangen bij bet aanschouwen der dood, door dewelke wij alles
moeten verlaten, en bij bet overdenken van de menigvuldige
zonden, die men bedreven. van het weinig goed dat men gedaan
heeft, en van bet allerrecbtveerdigste o01·deel, dat men over
geheel zijn leven bij den alwetenden en almogenden God welhaast zal moeten ondergaan : zelfs de heiligste menschen sidderen on beven dikwijls, als zij de dood zien naderen. Door bet
H. Oliesel worden die vrees en die angst weggenomen, en dit
geschiedtbijzonderlijk door eene groote vermeerdering en verlevendigingder deugd van Geloof en van Hoop: bet H. Oli~el brengt
teweeg, dat wij meer en meer gelooven, en meer en meer overdenken, hoe wij na dit aardsche leven een oneindig beter en
gelukkiger leven in den hemel te verwachten hebben; dat God.
aangezien Hij oneindig machtig, goed en getrouw is in zijne beloften. ons voorzeker vergiffenis zal schenken, als wij ons maar
willen bekeeren, hoe groot en hoe zwaar onze zonden ook
mogen wezen; en dat bet lijden en de dood bronnen zijn van
allergrootste verdiensten, indien wij ze vrijwillig verdragen. De kalmte des gemoeds, die uit de vermeerdering en

�1106 '

VIERDE DEEL. -

35ste LES, 4do VR.

verlevendiging des Geloofsen der Hoop voortspruit, moet natuurlijkerwijze, ook eenen weldadigen invloed hebben op denlichamelijken toestand van den zieke; en zoo gesclliedt hetdat bet H. Oliesel
den zieke ook in zijn lichaam verlicht.- Doell buiten deze middellijkeverkwikkingdes lichaams, vergunt gewoonlijk bet H. Oliesel
nori rechf:;treeks eene zekere verzachting der pijnen.

Ten lweede, het verminde1•t de belwring; in eene doodelijke
ziekte wordt de mensch dik wijls :veel meer bekoord dan wanneer
hij gezond is : hoe zwakker immers bet lichaam is 1 hoe heviger
gewoonlijk men ook door allerhande aandoeningen en verbeeldingen overvallen word t. Daarenboven, wij weten uit de
H. Schrift, dat de duivel als een brieschende leeuw rondloopt,
zoekende wien hij zal verslinden; en bet is buiten twijfel, dat
bij dan bijzonderlijk al zijne kracbten zal inspannen, wanneer
bij hoop heeft iemand slecbt te doen sterven, en zoo eeuwig
ongelukkig te maken. Eenigen zet hij aan tot vermetelheid, met
hun voor te houden, dat zij niets meer Iiloeten doen om zalig te
worden e1:1 op niets meer moeten denken; gewoonlijk echter
poogt hij de zieken tot wanhoop te brengen, met hun te toonen
dat hunne zonden al te zwaar zijn om er vergiffenis van te bekomen, dat zij te groot misbruik van den tijd gemaakt hebben,
om nu nog op den hemel te kunnen denken. -Door het H. Oliesel worden die bekoringen verminderd; en dit geschiedt op de
volgende wijze : God houdt ze uit hoofde van het ontvangen
· Sacrament ten deele tegen, en Hij geeft ter zelfder tijd veel
meer dadelijke gratH!n om ze te overwinnen.
Ten derde, het vergeefl de dagelijksche zonden. Hoe
geschiedt deze vergiffenis~ Zij geschiedt rechtstreeks door
de herstelling v_an de vuriglleid der ziel in den dienst van God,
welke vurigheid door de dagelijksclle zonden verflauwd was; en
ook m.iddellijl{erwijze door bet leedwezen, gebeden en andere
goede werken, die uit de dadelijlte gratien, welke dit Sacrament
geeft, voortspruiten.

�VIERDE DEEL -

35ste LES, 44e VR.

1107

Die rechtstreeksche vergeving der dagelijksche zonden door de
herstelling van de vurigheid der liefde is gemakkelijk om te begrijpen : de vurigheid der liefde wordt immers verminderd door
de dagelijksche zonden, daar God, wanneer de ziel met die zonde.
bevlekt is, noodzakelijk veel min dadelijke gratien vergunt; en
bijgevolg, :vanneer die vurigheid door het vergunnen van
overvloedige dadelijke gratii:in wordt hersteld, moeten de dagelijksche zonden, welke uie overvloedige gratii~n beletten, eerst
en vooral vergeven worden.
Hoe blijkt het dat het H. Oliesel dit uitwerksel heefU Uit de
woorden die de priester bij het bedienen van dit Sacrament
spreekt. Hij vraagt immers in Christus' naam vergiffenis van al
het kwaad dai. de zieke bedreven heeft.. vVelnu, dit gebed kan
zekerlijk niet verslaan worden van alle zonden in 't algemeen,
dewijl het H. Oliesel geen Sacrament der dooden, maar eerst en
vooral een Sacrament der leven den is; doch, dewijl dit gebed
algemeen is, moet men het verstaan van al de zonden, die in den
zieke, welke het H. Oliesel op geene heiligschendende wijie
ontnmgt, nog kunnen te vinden zijn. Onuer deze soort van zonden
lwmen ongetwijfeld de dagelijksche zonden, naardien wij het
H. Oliesel, gelijk alle andere Sacramenten der levenden, zonder
heiligschenderij te bedrijven, mogen ontvangen in staat van dagelijksche zonde. Bijgevolg moet het H. Oliesel de kracht hebben
om de dagelijksche zonden te vergeven.
Is er niets verei:scht om door het H. Oliesel de vergiffenis der
dagelijksche zonuen le bekomen?: Ja; dam·toe is er uit de natuur
cler zaak vereischL, dat men aan die zon.denniet meer verkleefd
wezc en ook dat men er eenig leedwezen over hebbe.
Wij moeten hierbij nog opmerken hoe redelijk llet is, dat het
H. Sacrament ues Oliesels, 'Lwelk dient om den mensch volkomenlijk lot de intrede det· eeuwigheid te bereiden, de vergiffenis schenke van de dagelijksche zonden. Om alleszins tot de dood
bereicl te zijn, is het niet genoeg dat men vertroost en versterkt

�ll08

VIERDE DEEL. -

35510 LES, 440 VR ..

worde ' men. moet ook 0crezuiverd
worden van alle zonden; welnu,
•
de mensch valt gemakkelijk en dikwijls in dagelijksclle zonden,
ten minste in half vrijwillige dagelijksclle zon&lt;.len, en in het
uiterste is llet hem moeilijk al die zondeu, daar zij zoo menigvuldig zijn, in de biecht te verl\lareu en er zoo vergiffeni:; van te
bekomen, of ze dan nog uit te boeten; en daarom stemt het met
Gods goedheid en wijsheid allerbest overeen, daL Hij voor dat
oogenblik een bijzonder middel heefL gegeven, om vergiffenis der
r
dagelijksche zonden te verkrijgen.
Ten vim·de, het neemt wegde vergetenedoodzonden.- Wat
wordt er hier door vergetene dood:;onclen verstaan; zijn het
doodzonden, die men in eene voorgam1de goede Biecht vergelen
heeft te belijden, of waarop men in ~ene voorgaande goede aide
van volmaakt berouw niet gedacht heefL 1 Geenszins, want die
vergetene zonden zijn te zamen met de gebiechte zonden, of met
die, waarover men een volmaakt beroU\v gehad heeft, vergeven
geworden, en blijven bijgevolg door het H. Oliesel niet meer te
vergeven. - Welke doodzonden zijn het dari1 Het zijn al de
doodzonden, die door het Sacrament der Bier-ht of door een volmaakt berouw nog niet vergeven zijn, en \Vaarvan tle zieke zich
onvrijwillig (dat is, zouder wetens en willens hei H. Oliesel or
eene heiligschendende wijze te ontvangen) noch door de Biecht,
noch door een volmaakt l.Jerouw zuivert. Zulke doodzonden zijn ·
bij voorbeeld, al degenen, over dewell\e de ziel\e door zijnc
laatste Biecht of door eene akte Yan volmaakt berouw gemeenrl
heeft vergiffenis bekomen te hebben, maar waarover hij geene
vergilfenis bekomen heeft, omdat zijn onvolmaakt berouw in
·de Biecht of zijn volmaakt berouw buiten de Biecht, welli.e
hij rneende voldoende te wezen, onvoldoende geweest zijn; of
ook nog diegene, welke de zieke te goeder trouw als geene
doodzonden aanziet, of van dewelkc hij, van zijn .verstanrl
nu beroofd zijnde, geene vergiffenis door de Biecht of door
een volmaakt berouw meer kan bekomen. Zulke zonden zijn

�VJERDE DEEL. -

35stc J,ES, 4do VR.

ll09

nogal de doodzonclen, die de ziel;.e na zijne laatste goecle Diecht
of na zijne laatste goede ali.le van volmaakt bel'ouw bedl'eve~
heeft, maar die hij, door de stoornis der ziekte of door eene
andere oorzaak lweft vergeten, en zoo over dezelve geeue nieuwe
Biecht meer spreekt, noch er geen volmaakt berouw meer tracht
over te hebben.
Is er niets vereischt van wege den zieke om door het H. Oliesel vergill"enis van die doodzonden te bekomen1 Ja; daa~·toe is
voorzeket· ein onvolmaakt berouw vereischt, hetzelfde berouw
dat tot het Sacramc;tt der Diecht gevorderd wonlt. Er is daartoe
geen volmaakt berouw noodig, aangezien zulk een berouw de
cloodzonden door zich zelf vergecft, en daarom niet kan vereischt
zijn om te zamen met een ander midclel 1le vergeving der zonden
uit te werken.
En hoe blijkt het, clat het H. Oliesel de kracht lweft de vergelene doodzonden te ,·ergeven 1 Dil blijkt uit, de woorden, die de
prie~ter spreel;:t, en die, gelijk wij reeds opgemerJ;:t hebben, uit
hoofde hunner algemeenheid, ongetwijfeld moeten verstaan
worden vail de vergeving van al de zonden, die in den zieke,
welke het H. Oliesel op geene heiligschondende wijze ontvangt,
nog kunnen gevonden wor·den. \Velnu, de zieken die zich in
het voorgesteld gcval bevinden, ontvangen het, H. Oliesel op
geene heiligschenclende wijze, vermits zij voor het oogenblik niet
weten, dat zij in rloodzonrle zijn, en zoo niet gehouden wezen
die zonden te biechten of er een volmaakt bet·ouw over te
hebben.
Indien de zieke, die door het H. Oliesel vergilfenis van vergetene doodzonden bekomt, later die zo111len indachtig wordt, is
hij dan nij die nog te biechtcn ~ Geenszins; indien hij nog
biechten ltan, is hij gehouden die aan den priester te verli.laren
en er de absolutie nog over te ontvangen : alle doodzond~n,
moeten immers, volgens Christus' gebod, in de Biecht verklaaru
worden, tenzij de zaak onmogelijk ware. ·

�ll!O

YIERDE DEEI,. -

35stc LES, 4dc YR.

Maar is het redelijk, dat God die vergetene doodzonden, door
H. Oliesel vergeve ~ Ja, het is ten hoogste redelijk, dat God aan
de menschen, die zich in gevaar van sterven bevinden, dusdanig·
een middel van zaligheitl verschaife. Zulke menschen, die door
deze vergetene doodzonden nog ii1 vijandschap met God zijn,
verdienen voorzeker medelijden, dewijl het door hunne schuld
niet is, dat zij geene vergitfenis bekomen hebben; en hadden zij
het middel des H. Oliesels niet, velen van hen zouden ongetwijfeld verloren gaan.

Ten vi,j(de, het helpt ook de zieken tot gezondheicl, als het
zalig is. Het H. Oliesel dient danniet alleenlijk om de ziel van
aile zonde te zuiveren en ze met menigvuldige gratiiin te versieren en op te beuren, maar het helpt tevens de zieken tot gezondheid, 't is te zeggen, het helpt ook om de zieken van hunne
lichamelijke kwalen te genezen en tot de gezondheid weder te
brengen. - Maar heeft het H. Oliesel altijd dat uitwerksr.H
Geenszins; het heefl alleenlijk dat uitwerksel, zegt de Catechism us, als het zalig is, dat is, als de genezing den zieke niet schadelijk of min profijtig is tot zijne .eeuwige zaligheid. De vier
voorgaande uitwerJ(sels des H. Olie;;els zijn, als het Sacrament
wel ontvangen wordt, onfeilbaar; maar dit laatste wordt a\leenlijk bekomen, wanneer het tot de zaligheid der ziel voordeelig is.
Waarom is dat laatste uitwerksel niet onfeilbaar gelijk de
andere~ De reden is, dat indien het H. Oliesel een onfeilbaar
middel tot genezing ware, het een zeker behoedmiddel tegen ue
d?od zou uitmaken .= 'twelk de tegenwoordige orde der wereld
heel en gansch zou omverwerpen. Daarbij waredit uitwerkselonfeilbaar, de zieken zouden het H. Oliesel begeeren te ontvangen
niet zoozeer uit geest van geloof en uit begeerte der zaligheid,
maar veeleer uit aangekleefdheid aan bet tijdelijk geluk : en dit
zou ongetwijfeld met de goddelijke wijsheid zeer strijdig zijn.
Waarom wordt do genezing alleenlijk g~geven, als het zalig
is? Omdat God, die ons waar geluk en goed overal en altijd

�VIERDE DEEL. -

35stc LES, 4&lt;1o YR.

1111

zoekt en begeert, OilS niet kan geven hetgeen strijdt met Oilze
zaligheid, die OilS eenig waar geluk is, gelijk wij in de l()dc Les,
5do en Qdc vraag, geleerd heuuen. Is het uetamelijk, dat God
aan het I-I. 0\iesel, 't welk eigenlijk een middel van zaligmaking is,
de kracht heeft gegeven om den zieke ioi gezondheid te helpen,
als heL hem zalig is 1 Ja; want dit Sacrament is ingestehl om den
mensch in hei uiterste vollwmenlijk tot de eeuwigheid te bereiden; welnu het kan allerbest geschieden, dat de verlenging des
Ievens voor d~n zieke waarlijk dienstig zij om zich beler tot de
~euwigheid te bereiden, om namelijk vee! verdiensten in te
zamelen, de voorgaande zonden meer en meer uit te boeten, en
in deugd en heiligheitl aan te groeien; en z66 is het zeer natuurlijk dat het H. Sacrament des Oliesels de l&gt;racht heeft om de
gezondheid te herstellen, als het zalig is.
Men denke nogtans niet, dat de genezing altijd zalig is, (dat wil
zeggen, voor de zaligheid niet schadelijk noch min profijtig),
wanneer iemand den nieuwen levenstUd tot het oefenen der deugd
zou besteden; het l;.an immers geschieden dat zij dan veel min
prolijtig weze, t'zij omdat men meer verdiensten l;.an vergaderen
mel in dat oogenl&gt;lik volgens Gods ueschikking nijwillig de dood
te aanveerden, dan meL op aarde te l&gt;lijven Ieven; ofwel ool;. omdat God iemands dood om eenige hoogere reden wil, en den ziel;.e
tot vergoeding buitengewone gratii~n geeft om op korte slonden
door cene volmaakle onderwerping· meer te verdienen, dan hij
gedurende lange jaren zou verdiend hell ben.
DooJ' hetgeen de Catechismus ons bier !weft leeren kennen
over de uitwerksels van bet I-I. Oliesel, zien wij heel klaar hoe
cliL Sacrament waarlijk dient om de overblijfsels der zondcn weg
te nomen en zoo bet sacrament der Biecht te voltrekken. Hei
dienL immers ten em·ste, om de zonden, welke nog overblijven,
nadat men aan bet gebod van de Biecht en van bei volmaakt
berouw, (welk berouw met den wil van de doodzonden te hiechten aiLUd gepaard gaat), voldaan beeft, te vergeYen. Ten tweede,

�Ill

VIEDE DEEL. -

35810 LES, 5do VR.

11et dient nog om de uitwerl;:sels der voorgaande zonden. zooals,
de vrees der dood en des oordeels, de kleinmoedigheid, de afgekeerdheid van den dienst van God, de genegenheden tot het
I~waad, en allerbande bekoringen uit voorgaando slechte gewoonten voortspruitende, te verminderen en weg te nemen. Ten
derde, bet neemt zekerlijl;: ook, ten minste gedeeltelijk, de
overblijvende tijdelijl{e pijnen der reeds vergevene zonden weg,
gelijk dit natuurlijk volgt uit zijne bestemming om den mensch
tot de eeuwigbeid te bereiden. en uit U.e l{racht di.e bet heeft, om
de overblijvende zonden te vergeven.
Uit deze leering blijkt ook zeer duidelijk, hoe U.it Sacrament
de zieken in hunne zielden en hunnen uitersten nood komt verlichten en helpen : bet helpt hen in die allergewichtigste omstandigheid onder alle opzichten : in bet lichaam, met bet te verlichten en zelfs te genezen, als het zalig is, en in de ziel met
ze te vertroosten en moed in te boezemen, met ze tegen de aanvallen des duivels te beschermen, alsook met ze van hare zonden
te zuiveren. -..., Men geve er aandacht op, hoe dit Sacrament ook
allerbest geschikt is, om in schielijke gevallen den ziel;:e· te
helpen en tot de zaligheid te brengen : wannee1· de zieke, schielijk door eene doodelijke ziekte aangetast, buiten· staat is van .te
biechten en door de hevigbeid en de stoornis van bet lijden op
geen volmaakt berouw denl\t, lmn llij bij middel van bet H. Oliesel en een onvolmaakt berouw vergiffenis zijner (}oodzonden
bekomen.

5. V. Wat 2's het Priesterdom?
A. Een Sacr~ment, door betwelk de dienaars der
H. Kerk macht ontvangen en gratie om hun ambt
bekwamelijk te bedienen.
I. De Catechismus begint thans te sprel{en over bet Sacrament des Priesterdoms; en om ons dit Sacrament te leeren

�YIER.DE DEEL. -: 35ste LES, 5do YR.

1113

kennan, vraagt hij vooreerst wat het is, 't is te zeggen, waarin
het bestaat, wat er eigen aan is, en hoe het van de andere
Sacramenten onder:;cheiden is.
2. In zijn antwoord leert hij het ons kennen onder het opzicht
zijner uitwerksels. Al de Sacramenten geven door zich zelven
die zonderlinge gmtie welke zij beteekenen; welke is dan de
zonderlinge gratia die het Priesterdom beteekent en geeft ~ Het
geeft, gelijk de Catechismus zegt, aan de dicnaars dc1· If. Kcrk
mac!tt en g1·atie om hun ambt bcltwamclijk te bedienen.
Voor wie i~ het dus bestemd1 Het is bestemd niet voor een'
ieder, gelijk de andere Sacramenten, maar alleenlijk voor de
dienaars der H. Kerk, dat is voor degenen, die in de H. Kerk aan
de geloovigen de HH. Sacramenten moe ten bedienen, hen onderwijzen en bestieren.
En wat geeft het aan die dienaars der H. Kerk 1 Het geeft hun
macht en g1·atie om hun ambt bckwamelijk te bcclienen. _ 111acht, dat is het merkteeken, dat in de ziel geprent wordt, en
waardoor de dienaars der H. Kerl\ hun ambt vermogen uit te
oefenen. - Gratie, dat is vermeerdering van de heiligmakende
gratie (het Piesterdom is immers een Sacrament van de !evenden) en f1et recht tot dadelijke gratiEin, die beide gegeven
worden, opdat de dienaars der IL Kerk op eene gevoeglijke en
heilige wijze hun ambt zouden bedienen.
De Catechismus zegt : macht en g1·atie, en niet g1·atie alleen,
alhoewel bet merkteeken onder de gratie kan verstaan worden;
en de reden is dat de macht, welke door bet Priesterdom gegeven wordt, het voornaamste uitwerksel van &lt;lit Sacrament
uitmaakt : het is immers eerst en vooral ingestelcl om de dienaars der H. Kerk de macht te geven hun ambt uit te oefenen;
en de heiligmakende gratie met bet recht tot de dadelijke gratiEin worden alleenlijk gegeven, opdat de dienaars der H. Kerk
.
'
lmn ambt wel en· heiliglijk zouden lmnnen bedienen. In het
Doopsel en in het Vorrnsel wordt er ook een merltteeK'ei1 in de

�1114

VIERDE DEEL. -

35'10 LES, 5do VR.

zie\. geprent en zoo eene geestelijl~:e lnacht gegeven, te weten, de
machtvan de andere HH. Sacramenten te ontvangen; doch de Catechism us zegt van die Sacramenten niet, dat zij macht en gratie
geven; en de reden daarvan is, dat de macht clie zij geven, de
oorzaak niet is van de instorting der heiligmakende gratie, maar
integendeel uit de instorting der heiligmal{ende gratie vloeit.
3. Welk is nu het uitwendig teeken van bet Sacrament des
Priesterdoms1 Dewijl bet bedienen van dit Sacrament van in
. bet begin der H. Kerlt altijd met veel ceremonien is geschied,
waaronder er verschillige zijn, die tot uitwendige teel~:enen van
dit Sacrament zouden lmnnen dienen; zijn de godgeleerden begirinen twijfelen, welk dee! van geheel het uitwendige van het
Sacrament des Priesterdoms bet waar uitwendig teekeu is, dat
tot het bestaan van het Sacrament is vereischt; en uit hoofde
van dezen twijfel, he~ft de Catechismus van dit punt niet willen
spreken. Nu tot het uitwendig teeken van dit Sacramimt behooren voorzeker de oplegging der handen en de woorden.van den
bisschop : eenigen beweren dat de toereiking der instrumenten
ook Heel maak~ van bet uitwendig teeken; doch dit schijnt
weinig of niet gegrond. Deze twijfel brengt voor de zaak zelve
geene zwarigl1eid bij, daar de _toereildng der instrummiten in de
wijdingen altijd uauwlteurig onderhouden wordt. - De oplegging der handen is een natuurlijk tee\{en, om de macht en de
gr:atie uit te drultken die de dienaars der II. I&lt;erk ontvangen,
ten einde hun ambt bekwamelijk te bedienen : met aan iemand
de banden op te leggen, beteekenen wij natuurlijlt dat wij hem
aanzien, of als onze bezitting, onzen beschermling, onzen die_naar, onzen plaatsvervanger of als onzen medehelper (zie
bl. 939); en bijgevolg wanneer de bisscho11 in Christus' naam de
handen op den wijdeling legt, en te zamen den Heer bidt om de
volheid zijner gaven op dien wijdeling te doen nederdalen, opdat
. deze zijn ambt :?ou kunnen heiliglijk vervullen, wordt het uitwerksel van &lt;lit Sacrament klaarlijk te kennen gegeven.

�VJERDE DEEL. -

3r;sto J,ES, tjdo VR.

1115

4. Maar tot een waar Sacrament is de installing van Christus
vereischt; is het Priesterdom waarlijk van Christus ingesteld~
.Ja; dit weten •wij door den H. Paulus. die heel klaar van bet
Pl'iesterdom spreekt als van een inwendig teeken, 'Lwelk door
Christus' instellil1g gratie inslort; hij zegt immers in zijnen
tweeden brief aan 'l'imotheiis (l, 6): " Ik vermaan u, dat gij de
., genarlegave Gods opwekket, welke in u is door de opleg, ging mijnet• handen ..,
5. Men ga .ile aanmerking niet voorbij, dat mei1 door bet
Sacrament des Priesterdoms niet alleenlijk verstaat die wijding
waardoor iemand priester wordt, maal' ook al de andere waardoor de dienaars der H. Kerk uit Cltrislus' :instelling, macht en
gralie ontvangen om hun ambt bekwamelijk te bedienen : al de
wijdingen dan, die uit Christus' instelling ·aan de dienaars der
. H. Kerk macht en gratie geven om hun ambt bekwamelijk te
bedienen, komen onder den naam van Sacrament des Priesterdoms. En dit blijkt duidelijk uit de algemeene uildrukking van
den Catechism us, die zegt dat ltet Priesterdom een Sact'ament is,
door hetwelk aan de dienam'S de;· II. Ke;·k (niet alleen aan de
priesters maar ook aan andere) macht en gratie gegeven wordt.
Zij Iwmeri onder dien naam, omdat de pl'iesterlijke wijding de
voornaamste is, en dat de andere wijdingen geene macht die in
deze van den priester niet gevonden wordt, maar een deel der
priesterlijke macht geven, en in de priesterlijke wijding voltrokIwn wonlen.

6. V. Zijn al de dienaars der· H. Ke1·k even groot?
A. Geenszins, want onder deze zijn zeven trappen of
staten, waarvan de hoogste is bet Priesterdom of
d.e priesterlijke staat.
l. In de voorgaande vraag heeft de Catechismus ons voorge-

houden, dat het Priesterdom aan de dienaars der H. J{erk macht

�1116

VIERDE DEEL. -

35sto LE~, 6do VR.

en gratie geeft om hun ambt bekwamelijk te bedienen. In deze
vraag zalllij ons die dienaars leeren kennen : hij vraagt of al de
dienaars de~ H. Ke1·k even groot ziJn, 't is te zeggen, of er
·in de H. Kerk verscllillige ambten bestaan, ofwel, of al de dienaars een en hetzelfde ambt hebben, en z66 allen even groot
zijn.
2. In zijn antwoord leert llij ons, a) dp.t zij uiet allen even
groot zijn i b) lloeveel trap pen of staten er onder hen bestaan; en
c) welke de hoogste trap of staat van dezen is.
3. Hoeveel verschillige klassen van dienaars der H. Kerk zijn
er~ Zeven; er zijn, zegt de Catechismus, zeven trappen of
staten, dat is, zeven verschillige graden van ambten of dienaars
der H. Kerk. - En welk is bet hoogste van die verschillige
ambten~ Bet is het ambt des priesters; de hoogste (trap ofstaat)
is, zegt de Catechismus, het Priesterdom of de prieste1·lijke
staat. - Het woord P1·iesterdom wordt hier genomen in zijnen
nauwsten zin, namelijk, in den zin van ambt des priesters, of
priesterlijken staat; gelijk de Catechismus het zelf uitlegt, met te
zeggen: het Priesterdom of de priesterliJke staat. - Welke
zijn de zes andere trappen of staten, of orden vau dienaars der
H. Kerk 1 Bet zijn de volgende : het Ostiariaat, het Lectoraat,
het Exorcizaat, llet Acolytaat, het Subdiaconaat en het Diaconaat. De vier eerste orden, te weten, het Ostiariaat, het Lectoraat, bet Exorcizaat en het Acolytaat, worden gewoonlijk de
lagere of de mindere orden, en de drij laatste, het Subdiaconaat, het Diaconaat en het Priesterdom. de g1·oote ofwel ook de
heilige orden genoemd. De reden daarvan is, dat de vier eerste
van mindere weerdigheid zijn dan de drij laatste, en dat de drij
Iaatste den dienaar der H. Kerk verplichten het kerkelijk officie
te lezen, tot de dood toe in den geestelijken staat te blijven en in
altijddurende zuiverheid te Ieven, terwijl de vier eerste die verbindingen niet medebrengen.
4. Waarin bestaan die zeven orden of staten 1 Het Ostiariaat

�VIERDE DEEL. -

35sto LES, 6do VR.

1117

(dat is, het ambt van portier of deurbewaarder) verleent de
macht om llet uur der kerkelijlw bijeenkomsten aan rle geloovigen bekend te maken, de klokken te luiden, het huis van God te
openen en te sluilcn, en degenen, die geen dee! mogen nemen
aan de kerkelijke diensten, buiten te houden. Hedendaags wordt
dit ambt door leeken (rlat wil zeggen, door menschen die tot den
geestelijl;:en staa.t niet behooren) vervuld; maar nogtans is de
wijding gebleven, en tleze word t nu gelijk vroeger door bet toerei ken van tle.,sleutels del' kel'k, als teeken van dit ambt,gedaan.
Het Lectm·aat (voorlezersambt) geeft de macht om Jessen uit
de I-I. Schl'iftuur of uit de I-II-I. Vatlers. verorrleningen der bisschoppen, enz., tot stichting der geloovigen te lezen, alsool;: om
bl'ooden en nieuwe vruchten te wijrlen; en daarom wordt er in
de wijding tot dit ambt een boek, waar er schriftuurlessen in
staan, overhandigd.
Het Exm·cizaat (of bet ambt nn bezweerder) geeft de macht
om op de bezetenen de hand te Jeggen, den duivel uit hen te
jagen, en zijne tooverijen te niet te doen. In het begin der
H. Kerk waren el' zeer vee! bezetenen, gelijk de HH. Vaders en
de heidensche oude schrijvers het eenpal'ig geluigen : God
liet dit immers toe om aan de 1-Ieidenen en aan de .Joden de
l\racbt van Jezus' verlossing dool' bet verjagen des duivels ldaar
te bewijzen, en om aan ric geloovigen te toonen, hoe zij aan J ezus
hunne verlossing van het juk des duivels te danken hadden.
Nmlien, wanneer het christendom alreede algemeen begon aangenomen le worden, en de aanhangers des duivels in getal zeer
verminderd waren, zijn de gevallen van bezetenheid tangs om
zeldzamer geworden. Daar tegenwoordig bij de weinige nog
voorkomende gevallen van bezetenheid veel voorzichtigheid
vereischt wordt, is het gebruik der macht, van de bezwering
te doen, aan de priesters voorbehouden, en deze mogen ze zelfs
niet bezigen, tenzij met de toelating van den bisschop. De
:wijding tot bet Exorcizaat is nogtans in de H. Kerl~: blijven

�1118

V!ERilE DEEL. -

35810 LES, 6do VR.

bestaan: zij geschiedt door de toereiking van llei boek der bezweringen.
Het Acolytaat geeft de rnacht om de licllten in de kerkelijke
diensten aan te sicken, aan het altaar de lwersen te dragen,
wijn en water voor de H. Mis gereed te stellen en aan te bieden.
De wijding tot dit ambt geschiedi door het toereiken eener keers
en van ledige arnpullen voor wijn en water.
Het Sttbcliaconaat verleent de rnacht om met den diaken den
priester op het altaar ter zijde te staan, den Epidel te zingen,
den kelk aan te brengen en weg te dragen, den kelk en de lwlkdoeken te reinigen. Het wordt gegeven door het toereiken van
eenen ledigen lwlk met eene pateen, van arnpullen met wijn en
\vater gevuld en van het epistelboelc
Het Diaconaat bestaat in de macht van den priester in de
H. Mis allernaast bij te staan, het Evangelic te zingen, en met
bijzondere toelating van bevoegde overheid ook te prediken, te
doopen en de H. Communie uit te reiken. In de wijding tot het
Diaqonaat legt de bisschop de hand op den wijdeling zeggende :
" Ontvang den H. Geest tot versterking en tot wederstand aan
~· den duivel en zijne aanvallen, in den naarn des Heet·en ..,
· Waarin de lloogsie orde, te weten, het Priesterdom, gelegen
is, zullen wij leeren in de volgende uaag.
Is iedere wijding, door dewelke de dienaars der H. l{erk
tot de genoernde zeven orden verlleven wm·den, een Sacrament? Het is een punt van ons Geloof, dat de wijding der priestars een waar Sacrament is; en dat die der diakens ook een
waar Sacrament uitmaakt,ltouden de godgeleerden als onbetwijfelbaar. Wat de overige wijdingen aangaat, het is zeer waarscllijnlijk, dat deze geene ware Sacramenten, maar alleenlijk
ceremonien· zijn, van de H. l{erli. ingesteld, waardoor zij tot
meerderen luister der goddelijke diensten, op eene plechtige wijze
met menigvuldige gebeden en zegeningen, eenige uitgelwzene
geloovigen tot de genoemde ambten aanstelt.

�\"IERDE DEEI.. -

35sto I.ES, 7dc \'R;

1119

Buiten de zeven arden, waarYan hier gesproken is, bestaat
er nog de Tonsuw· of lwuinscltm·ing. Deze is eene ceremonie,
door de H. Kerk ingestehl. wam·door iemand van de andere geloovigen afgescheiden, onder de dienaren van de H. Kerk
aangenomen, en om de wijdingen te ontvangen voorbereid
wordt, alsmede tevens recht krijgt om de geestelijke bedieningen
te bekomen. Zij is het afbeeldsel der doornen kroon van Jezus; ·
en is zoo allerbest geschikt om aan te duiden, dat degene die ze
draagt aan Jezl.JS op eene bijzondere wijze toebehoort. De Tonsuur, ofschoon zij tot de volgende wijdingen berei(lt, wordt geene
OiYle genoemd, omdat zij geene macht, gelijk de andere orden,
geeft om eenig ambt in de H. Kerk nit te oefenen.

7. V. lVelke macht hebben de prieste1·s meer da_n de

andere dienm·en dm· II. J(e1·k?

A. De macht om in Christus' nuam de zonden te vm·geven, en door hun woord het brood en den wijn te
veranderen in het lichaam en het bloed des Heeren.
l. De Catechismus hcefLons in de voorgaande vraag gezegd, dat
bet Priesterdom de hoogste is der zeven h·appen of staten van de
dienaars der H. Kerk; en nu zal hij ons verklaren, hoe bet waarlijk de hoogste is, of door welke macht het boven de andere
trappen of staten is verhe&gt;en. - :Men merke hier de cigene
beteekenis van het woord pi·ieslei' aan : door dit woord verstaat
men overal eenen mensch, die aangesteld is en de macht heeft
om sacl'ificien aan God op te dragen, en die zoo als middelaar
tusschen God en het mensclldom is gcplaatst. Dit woord beteekent volgens de woordafleiding : ouderting; en degenen, die de
macht hebben om sacrificien op le dragen worden zoo genoemd,
omdat zij, alhoewel misschie~1 nog jong ·zijnde, althans als ouderlingen moeten optreden en moeten geeerd 'vorden uit hoofde
hunnet; wijsheid, heiligheid, overheid en macht.

�ll20'

VIERDE DEEL. -

35sto LES, 7do VR.

2. In zijn antwoord zegt de Catechism us, dat zij meer 'dan de
andere dienaat·s der H. Kerl;: de macht hebben : 1° om in Clwistus' naam de zonden te vergeven; en 2o door- hun woor·d het
b1•ood en dim wij11 te veranderen in het lichaam en !tel bloed
des Heer·en.
Hoe hebben zij de macht om de zonden te vergeven 1 Zij ltebben de macltt om cle zonden te ve1·geven door de absolutie,
die zij uitspreken in de Biecht, gelijl;: wij in de voorgaande le!;
geleerd hebben . .:._ En hebben zij die macht uit 'zich zelven, uit
hunne bekwaamheid, uit hunne heiligheid, enz.1 Geenszins; zij
hebben die macht alleenlijk als afgezanten en plaatsvervangers
van Christus; de Catechismus zegt immers : de macht om in
Clwistus' 11aam de zonden te vergeven. God alleen, die door de
zonde is vergramll geweest en de opperste meester is van alles,
kan door zijne eigeue macht de zonde vergE:ven, en zoo l;:an de
priester alleenlijk als plaatsvervanger en afgezant van Christus
en van God die macht bezitten.
Detweede priestet•lijl;:e macht, waarvan de Catechismusspreekt,
is die van door ziJn woo1•d het brood en den wijn in het
lichaam en het bloed van Christus te ve1•ande1·en. Door welke
woorden l;:an hij dat .wonderwerk teweeg brengen ~ Door de
. woorden der consecratie : clit zs mijn lichaam, clit is de lwlk
van mijn bloed. En welk werk is die verandering van brood en
wijn in ·het licliaam en bloed van Christus¥ Het is een waar
sact•ificie, het Sacrificie namelijk der Mis, waarin Christus zich
door den priester zijnen dienaar, aan God den Vader opolfert;
en het is ter zelCder tijd &lt;le daarstelling van bet H. Sacrament des
Altaars. Dat. er in dit werk een waar sacrificie te vinden is,
hebben wij gezien in de aa•to les : wij hebben daar geleerd, hoe
Christus door zijne tegenwoordigstelling onder de gedaanten van
brood en wijn wezenlijli geslachtofferd wordt. - Is het dan met
recht dat onze priesters den naam van p1·iesters dragen ~ Ja,
dewijl zij ware offeraars van bet Sacrificie der Mis zijn, en zoo .

�VIERDE DEEL. -

35sto LES, jdo VR.

1121

de vereischte voorwaarde, om priester genoemd te wm:den,
vervullen.
3. Behooren er tot het priesterlijk ambt geene andere bedieningen, dan de twee, welke de Catechism us bier voorstelt; en
zijn al de priesters gelijk in rnacht ~ Buiten deze t wee behooren
tot het priesterlijk ambt nog verschillige andere bedieningen,
waarvan er eenige aan alle priesLers gemeen zijn, en andere aan
eene bijzondere klas van priesters, te weten, aan de bisschoppen
of hoogepriesters eigen wezen. De priesters llebJJen nog de rnacht
van te doopen, de H. Cornrnunie uit te reiken, bet H. Oliesel
te geven, het woord Gods aan te kondigen, de christelijke gemeente hun Loevertrouwd niet als wetgevers en rechters maar
als gezanten van den bisschop te bestieren, en zelfs ook, mits
eene bijzondere toelating van den Pans, het Vormsel te bedienen~
De bisschoppen of hoogepriesters hebben daarenboven ook de
macht van het Sacrament des Priesterdoms te bedienen, het
· Vormsel zonder eenige bijzondere toelating van den Pans te
geven, en het bisdom hun door den Pans aangewezen, als leeraars, wetgevers en rechters onder het gezag van den Pans te
bestieren. - Echter in het uitvoeren van die rnacht moeten de
priesters en de bisschoppen de wetten volgen welke de H. Kerk
no pens bet gebruik van dezelve gegeven heeft .. - De Catechism us spreekt bier maar van de macht. om de. zonden te vergeven en om de H. Mis op te dragen, omdat deze .dubbele
macht ver het bijzonderste is van geheel het priesterlijk ambt,
en de oorsprong van al de andere bedieningen. (Zie verdet•
12° les, bladz. 215.)
4. Is bet bisschopschap of hoogepriesterschap geene bijzondere
geestelijlw orde, en maakt het zoo geen achtsten staat van dienaars der H. Kerk uit? Geenszins; het is maar de hoogste graad
vm~ het pl'iesterdom, 'twelk verdeeld wordL in bet enkel priesterdom, en in het hoogepriesterdom of bisschopschap. De voornaamste macht van den bisschop blijft immers altijd die van de

�ll22

VIERDE DEEJ,. -

35sto LES, 8510 VR.

zonden te vergeven en de H. l\'Iis op te dragen, en zoo is het
bisschopschap niets anders dan een graad, te weten, de hoogste
graad, van de orde des priesterdoms .. nit is allet•best uitgedruld door het woord, hoogepr·iesterdom : de bisschop is
vooreerst priestet· gelijk de enkele priesters, maar zijne priesterlijke macht is wijder uitgebreid, dan die der enkele priesters.
En de wijding van bisschop is zij een Sacrament1 Het schijnt
zel{er te zijn, dat deze wijding een waar Sacrament is, welks
uitwendig teeken, gelijk !lit cler wijding van diaken en van
priester, in de oplegging der handen bestaat.

8. V. Mag een iegelijk de lteilige wijding ontvangen?

de

A. Geenszins, want
wijding van subdiaken, diaken
en priester vereischt zekeren ouderdom, geleerdheicl, en ook belofte van zuiverheid.
1. In deze laatste vraag. tot verderen uitleg nopens de die-

naars der H. Kerk. waaronder er zeven trappen of staten zijn,
onderzoekt deCatechismus, wie de heilige wijding mag· ont\angen. J.lfag een iegelijk, zegt hij, de heilig~ wijcling ontt;angen,
't is te zeggen, zijn er geene bijzondere voorwaarden tot het
ontvangen van de heilige wijding vereischt?- Men merkewel
op, dat het woord heilige wijding bier niet alleenlijk beteelwnt
die wijdingen, welke een Sacrament zijn, maar ook de andere,
door dewelke men tot de lagere ambten van dienaar der H. Kerk
aangenomen wordt.
2. In zijn antwoord leert hij, a) dat niet een iegelijk de heilige
wijding mag ontvangen; en b) \Vater vereischt is tot de wijding
van subdiaken, diaken en priester. ·
3. Wat is er tot deze drij wijdingen vereischt¥ Daartoe is
vereischt, zekere ouderdom, gelee1·dheid en ook belo{le van
zuiverlzeid. - Is er tot bet ontvangen der tonsuur en der
kleine orden niets vereischt ~ Indien die bijzondere voor-

�VIERDE DEE!.. -

35sto LES, gste VR.

1123

waat·den vereischt zijn tot de wijding van subdiaken, diaken en
priester; zoo mag voorzeker ook niet een iegelijk tot de tonsuur
·en de 1\leine OJ,'den aanveerd worden, dewijl deze wijdingen tot
de hoogere leiden, en dat ook zij, zoowel als de hoogere, den
wijdeling als dienaar der H. Kerk, alhoewel in eenen minderen
graad, aanstellen.
4. Welke oude1·dom is er nu vereischt tot de wijding van
subdiaken, diaken en p1·ieste~·? o~::.-- priester te worden moet
men zijn 25stc jaar ingetreden zijn; docll de bisschoppen kunnen,
door eene bijzondere macht hun daartoe verleend, voor Mm jaar
dispensatie geven, en de Paus staat in sommige gevallen toe, dat
men van in bet 23st• jaar tot bet Priesterdom aanveerd worde.
Tot het ontvangen van bet subdiaconaat, moet men 21 voile
jaren bereikt hebben, en 22 om diaken gewijd te worden.
5. Welke geleerdlzeid is er tot die wijdingen vereischt? De
wijdeling moet niet alleenlijk weten, wat er tot het gebruik en
de bediening der Sacramenten noodig is, maar hij moet nog
ervaren ziju in de keunis der christelijke leering, om de geloovigen te kunnen onderwijzen in al hetgeen noodzal;:elijk en zeer
dienstig is tot de zaligheid. De priesters zijn immers niet
alleenlijk de bedienaars der HH. Sacrameuten; zij zijn ook de
leeraars, de geestelijke geneesheeren en de rechters van de
geloovigen; en om deze ambten wel ui t te oefenen, moeten
zij ongetwijfelfd eene aanmerkelijke kennis bezitten. En men
geve er acht op, dat eene dergelijke kennis reeds ten deele in
de subdiakens en diakens vereischt wordt, aangezien deze
orden rechtstreeks tot het Priesterdom leiden en er de na.:1.ste
voorbereiding van zijn. De noodzakelijkheid der geleerdheid in
de }lriesters getuigt de profeet Malachias II, 7 : "·de lippen
.. van den priester zullen de wetenschap bewaren (d. i. zullen
.. wijsheid sprel\en) en men zal de wet uit zijnen moud zoeken
.. (d. i. men zal aan hem komen uitleg vragen over de wet Gods);
, want hij is de engel (de afgezant, de plaatsvervauger) van den

�1124

VIERDE DEEL. -

35810 LES, 88 to VR.

.

.. Heer der heirschareu. , Ook zilm wij in bet Evaugelie, dat de
Apostelen door Jezus tot de priesterlijke weerdigheid aileenlijk
verheven zijn geweest, nadat zij zich gedurende drij voile jaren,
in zijne school, met. eene heilige leerzaambeid tot dat ambt
geoefend badden.
6. Wat is er te verstaan door de belo{Ze van zuiverllet"d, tot
dewelke de subdiakens, de diakens en de priesters gehouden
zijn 1 Het is de belofte van altijd in den ongehuwden staat
te Ieven en aile zonde van onzuiverheid te vluchten. -En welk
uitwerksel heeft deze belofte1 Door eene bijzondere wet der
H. Kerk brengt zij teweeg, dat bet huwelijk, 'twelk een subdiaken,·diaken ofpriester zou durven aangaan, van geener weerde
zoude wezen, en dat de zonde van onkuischbeid, well\e zij
zouden bedrijven, eene dubbele zonde uitmake, te weten, eene
zonde tegen bet zesde gebo~, en te zamen ook eene zonde tegen
bet tweede gebod, dat het breken van belofte verbiedt.- En hoe
geschiedt die belofte van zuiverheid 1 Zij geschiedt niet door
uitdrukkelijke woorden, maar door bet aanveet·den van het
subdiaconaat, waaraan de wijdeling die belofte weet vastgehecht te zijn. In de wijding zegt immers de bisschop : .. Daar gij
" tot bet subdialtenschap verheven staat te worden, vermaan
"ik u, om nog eens aandachtig te overwegen, welken last gij
" heden, uit eigen beweging, op uwe schouders verlangt ....
"Bedenk u nog, terwijl bet tijd is; en, als gij verkiest in uw
" heilig voornemen te volherden, treed dan toe in den naam des
" Heeren; " en door dat toetreden en het ontvangen van het
subdiakenschap doet men de gezegde belofte.
7. Door wie zijn de drij hier genoemde voorwaarden ingesteld ¥ Zij komen ten deele uit god~elijke installing voort, maar
hunne nadere bepaling is geschied door de H. Kerk. Christus
heeft voorzeker gewild dat niet een iegelijk tot de heilige
wijding zou aanveerd worden, maar alleenlijk degenen die zulken
ouderdom en zulke geleerdheid hebben en zoo heilig leven, dat

�VJERDE DEEL. -

35sto I.ES, 8stc YR.

1125

zij weerdig zijn de dienaars der H. Kerk te worden; doch
welke ouderdom, welke geleerdheid en welke heiligheid dam·toe
vereischt zijn, !weft Christus niet. bepaald; het is de H. Kerk
die deze nadere bepaling heeft gedaan.
Maar hoe l\an de H. Kerk zooveel eischen tot het onlvangen
van de 'Iwilige wijd ing, en er dam·door zooveel mensch en van
verwijderen, terwijl zij dit ten opzichie van de andere Sacramenten niet mag doen 1 De reden daarvan is, dat de andere Sacramenten rechtstreeks ingesleld zijn tot de heiligmaking dergegen diedezelveont;'angen, Lenvijldegenen, die de heiligewijdingen
ontvangen, aan de goddelijke gi'atie eerst en vooral deelachtig
worden, om door hunne bediening de zaligheid der geloovigen
te bewerken; en hientit volgt noodzakelijl\ dat niet een
iegelijk maar slechts- uitgelwzene personen tot bet Prieslerdom
moeten aanveerd worden.
:rvraar handelt. de H. Kerk wijs, met. aan de subdiakens, diak~ns en prieslers, de belofle van eeuwige zuiverheid op i;e leggen 1 Ja, ongetwijfeld; vooreerst, zij handelt daarin op geener
wijze onrecbtveerdig, aangezien zij niemand tot het ontvangen
der groote orden, en zoo tot de belofte van zuiverheid verplicht : zij legt ze alleenlijl\ op aan degenen, die uit vrijen wil
de heilige wijding en bijgevolg ook de er aangebechte eeuwige
iuiverheid aanveerden, gelijk bet !dam· blijkt uit de boYengemelde wo01·den, die de l.Jisschop tot de wijdelingen spreekt in
het geven van bet subdiaconaat. Ten tweede, het. is allerredelijkst dat de H. Rerk de eeuwige zuiverheid van de dienaren des
Altaai'S eische: immers Cbristus en de H. Kerk leeren, dat het
volmaakter en zaliger is, in den ongehuwden staat te blijven,
dan bet Huwelijk aan te gaan, en zoo zoude bet zeker eenigszins
aanstootelijk wezen, dat de priesters, die deze groote les des Zaligmakers verplicbt zijn te prediken, dezelve niet volgden. Bovendien, hunne bedieningen zijn zoo heilig en verheven, dat zij
een Ieven vragen gel! eel aan den dienst van God toegewijd; z~j

�1126

VJERDE DEEI,. -

35 810 LES, AAN)IERK.

hebben eene zoo groote uitgestrektheid, dat zij met de huwelijks
bekommernissen niet kunnen gepaard gaan; zij vereischen dat
de priester het geheele vertrou\ven van de geloovigen bezitte,
'twelk hij ten voile niet zou kunnen genieten, indien hij gehuwd
ware; en zij vergen eene zelfopotrering en eene zelfverloochening, die in den buwelijkmi staat niet kunnen gevonden worden.
Annruerklngen. 1° Nopens het H. Sacrament des Oliesels valt er
op te merken, dat bet eene allergrootste weldaad is van God, en
datwij, door eene doodelijke ziell.te aangetast,,ten vurigste mogelijk moeten. begeeren bet te ontvangen. Het is ongetwijfeld
natuurlijk, dat een ieder vreeze dit Sacrament te moeten ontvangen.aangezien wij weten,hoe betalleen in doodelijke ziekten
mag ontvangen ~orden : wij vreezen van zelf ons in zulk
eene ziekte te bevinden, en wij begeeren het gevaar van stenen
zoo vet• mogelijk van ons gedacht te verwijderen. Nogtans, indien wij wil\en te werk gaan, niet volgens onze natuurlijke
vrees van de dood en van alles wat met de dood eenige betrekking beeft, maar volgens het Geloof, moeten wij, als wij ziek
zijn, zorgen in tijds te \Yeten of er geen gevaar bestaat van sterven, en of wij derhal\e tot bet ontvangen van bet H. Oliesel
nog niet bekwaam zijn; en als wij weten rlat dit gevaar bestaat,
behooren \Vij met de gl'Ootste vurigheid te begeeren dit Sacrament zonder uitstel te ontvangen. Die vrees van dit Sacrament
te ontvangen, alhoewel zeer natuurlijk, is toch ten boogste onredelijk, vermits bet H. Oliesel de dood noch medebrengt, nocb
verhaast, maar integendeel den zieke tot gezondheid helpt, als
het hem niet schadelijk noch min profijtig is; _en dat het daarbij
een zoo uitmuntend middel is ter zaligheid. Het is immers eene
laatste bereiding tot de verschrikkende reis naar de eeuwigbeid,
eene versterking om den laatsten strijd tegen de vijanden onzer
ziel zegepralend tc onderstaan, eene laatste zuivering onzer ziel
eer wij voor den rechterstoel van God gaan vcrschijneu. Welke
dwa~sheid is het dan niet, dat Sacrament zoo haastig mogelijk

�VIERDE DEEL. -

35°'0 LES, AANMERI{.

1127

niet te ontvangen, en het niet vuriglijk te begeeren! Hier op
aax·de, zoekt een reiziger zich op aile wijzen mogelijk van al de
zal&lt;en lot zijne reis vereischt te voorzien; de soldaat, die naar
het slagveld moet trel\.ken, wapent zich ten beste mogelijk;
en de plichtige,· die voor den rechter moet verschijnen, spant
aile middelen in om vrijgesprol;.en te wor~len. Wat rnoelen wij
clan niet doen, a!~ wij in eene dooclelijke ziekte op het puut zijn
van de reis der eeuwigheid aan te vangen, van den laatsten strijd
vom· hel bekomen cles heme Is te strijclen en &gt;oor den rechterstoel
•
van den alwetenden en almachtigen God te verschijnen 1 In het
H. Oliesel vinden wij een goddelijk en onfaalbaar midclel van
bereiding tot die reis, van versterking tegen dien strijd, van
zuivering van die zonden. l\Ioeten wij dus met de grootste vurigheid dat zoo !;.rachlig midtlelniet trachten te gebrui!;.en 1
2° De 11ersonen, welke den zieke omgeven en oppassen, zijn
ook Yerplicht te zorgen, dat hij op lijd het H. Oliesel ontvange .
• Dikwijls geschiedt het, dat zij, in plaals van hem op zijnen staat
opmerl;.zaam te maken, hem integendeel bedriegen en Yalschelijk gerust stellen; en tot hunne verontsclmldiging brengen zij
bij, dat zij zoo handelen uit liefde, om den zieke geene vrees aan
le jagen. l\Iaar kan dit nog liefcle genoemd worden! Om den
zieke goed te doen, berooft men hem van het groolste goed, rlat
hij in die oogenblil;.ken !;.an ontvangen en genieten. En men
zegge niet, dat men dit mag doen, ten eimle den ziel;.e niet te verschrikken : als men buitengewone geneesmiddelen moet gebruiken, is dit ook geen teeken van gevaarlijl;.e ziekte, en laat men
na die middelen te bezigen, uit vrees van den zieke te ontstellen1 Daarenboven men moel den zieke wel doen opmerken. rlat
het toedienen van het H. Oliesel op geener wijze eene zekere
aanslaa.nde dood aamvijst, maar alleenlijk eene zware ziel;.te
veronderstelt, en een middel is tot de gezondheid, als het hem
zalig is.
3° Wilde zieke met veel vrucht het H. Oliesel ont&gt;angen, hij

�1128

YIERDE DEEL. -

35stc J.ES, AANMERK.

wekke zich op tot een levendig geloof in dat Sacrament, tot een
groot l.Jetrouwen op zijne uitwerJ;:selen en ten minste tot een
onvolmaakt l.Jerouw over zijne zonden, en dat hij bovendien nog.
trachte eene volledige otrerande van zijn Ieven aan God te doen,
en de dood als eene welvenliende straf zijner zonden, als eene
nog duizendmaal te kleine herstelling van Gods eer, te aanveerden. Wij kunnen geene grootere of verdienstelijkere otrerande
aan God doen dan die van ons Ieven, wijl het Ieven bet li.ostelijkste is van al hetgeen wij God kunnen opdragen,, en wij daardoor God wezenlijk als onzen hoogsten Oppermeester erkennen
en aanl.Jidden.
4° Men mag uit 't oog niet verliezen, dat de za\igheid van den
mensch in menige gevallen van het ontvangen des H. Oliesels
afhangt. De stervenden, die in doodzonde zijnde, buiten staat
zijn van te biechten en tevens geen volmaakt maar slechts een
onvolmaakt l.Jerouw hebben, l;.um,en door het H. Oliesel ter goeder trouw ontvangen, vergilfenis belwmen; maar ontvangen zij
het niet, en verwekken zij geen volmaakt l.Jerouw, zij gaan voor
eeuwig verloren : het onvolmaakt berouw is door zich zelf niet
voldoende om ons de vergilf8nis der doodzonden te l.Jekomen.
Daarom wanneer iemand schielijk door eene doodelijke ziekte
geslagen wordt, en buiten staat is om zijne Liecht te spreken,
moet men alles doen, wat moge\ijk is, om hem het H. Oliesel te
bezorgen.
5° Ret priesterlijk ambt is uit zijne natuur, zelfs zonder de
bijzondere macht die er onder de Nieuwe Wet aan toebehoort,
llet verhevenste en het voortreffelijl;:ste, dat men op aarde denken kan. De priester is immers eigenlijk aangesteld om de sacrificien, die "11et middenpunten het verhevenste deel van geheel den
godsdienst uitmaken, aan God op te dragen, en derwijze Gou met
het menschdom te verzoenen en het menschdom met God te vereenigen; en deze eerste bestemming brengt noodzakelijk bij, dat
hij een man is tusschen God en de menschen geplaatst, een mid-

�VIERDE DEEL. -

35 810 LES, AANMERK.

1129

delaar tusschen den hemel en de aarde, de gezant en de vertegenwoordiger van God, die in den naam van God het volk
onderwijst. bestiert, vermaant en tot de zaligheid leidt. Ook zijn
de priesters te allen tijde hoogst geeerbiedigd gcworden, en
aanzien geweest als mannen, die onder ons de macht en het
gezag van den onsterfelijlien God uitoefenen.
In den tijd, die de geschrevene wet Yan Mozes is voorafgegaan, bestonden er ook alreede priesters : er moesten immers,
opdater ordezgu bestaan hebben in den dienst van God, eenige be'stuurders zijn, die met de geestelijke macht bekleed waren. Wij
weten uit de Schriftuur dat de hoofden der famiWin, zoo als
Abel, Ca'in, Enos, Noe, Melchisedech, Abraham, Isaac, Jacob,
bet ambt Yan sacrificien op te dragen uitoefenden; en de heilige
geschiedenis stelt ons tevens voor oogen, hoe hoog die weerdigheid geacht en geeerbiedigd werd.
Onder de oude Wet door Mozes gegeven, heeft God zich uit de
· twaalf geslachten den stam van Levi uitgekozen en dezen tot den
dienst des tabernakels en later des tern pels geheel bestemd; Hij
heeft eenen opperpriester, priesters en levieten aangesteld, hen
door eene plechtige \vijding van het volk afgezonderd en geheiligd, en aan bet volk opgelegd hen a\s zijne gezanten en dienaars
te eerbiedigen.
Maar deweerdigheidderpriesters van de Nieuwe \Vetovertreft
oneindig rliegene, welke in de priesters onder de wet der natuur
en onder die van Mozes te vinden was. De macht om het licbaam
en bloed des Heeren daar te stellen en op te olferen, alsook die
van de zonde door de absolutie in de Biecht te vergeven, welke
de priesters der Nieuwe Wet bezitten, is niet alleen de grootste
die op aarde bestaat, maar zij is wezenlijk eene rechtstreeksche
mededeeling der goddelijke macht zelve. En inderdaad, wanneer
Christus aan den Iamme zegde dat Hij hem zijne zonden vergaf,
dachten de schriftgeleerden, die daar aanwezig waren : .. Wat
.. spreellt deze aldus? Hi} lastert God (Hij rand t Gods eer aan,

�1130

YIERDE DEEL. -

35sto LES, AANMERK

" met zi.ch eene goddelijke macllt toe te eigenen). TVie kan zon. "den vergevcn, dan God allecn? " En Jezus deed door een
mirakel den lamme gaan, om te bevestigen, dat Hij die macht
wezenlijk bezat (Marc. II, 7). Insgelijks, wanneer Jezus de belofte deed, dat 1-Iij het H. Sacrament des Altaars, waarin zijn
lichaam en zijn bloed ons tot spijs gegeven worden, zou ingesteld
hebben, redetwisten de Joden onder ell\ander. zeggende : " hoc
"kan dcz·c ons zijn vleesch te eten geven?" en zelfs velen uit de
leerlingen, Jezus zijne belofle hoorende bevestigeJ~, zeiden : '" dit
.. woOiYl is hm'fl(ongeloofelijk) en wic kan het aanhoo1·en (zonder
zich te ergeren)1 ·· (Joan. VI, 53-Gl.)
Deze feiten bewijzen ongetwijfeld heelldaar, dat die dubbele
macht alles te boven gaat, wat de natuur kan geven, en bijgevolg
eene zonderlinge en bovennatuurlijke gave is des Heeren, door
dewelke de mensch wezenlijk deelnemend wordt in de oneindige
macht Yan God zelYen, den Schepper des hemels en der am·de.
Niet een engel noch eenig ander schepsel, ware het zelfs nog
duizendmaal volmaakter dan de volmaakste engel, lmn die macht
uit zijne natuur bezitlen : zij komt aan God aileen toe. Bij de
hooveerdige en hardnekkige Joden, bracht de verhevenheid van
die macht de ongeloovigheid teweeg; bij ons integendeel, die
op het onfaalbam~ woord Gods steunen, en met ware onderwerping de goddelijke vm·openbaring aannemen, zal zij geene
aanleidingtoi ongeloovigheid gcven; maar indien wij hare grootheid aantlachtig wilden overwegen, zoudc zij ons verrukken en
ons den grootsten eerbied tot de priesters inboezemen.
6. Willen wij weien, welken eerbied wij voor de priesiers
moeien hebben, wij moeten slechts overdenken wiens plaais zij
bekleetlen en '.Yelke macht zij hebben. Zij vervangen de plaats niet
van eenen grooten, van eenen koning dezer aarde, maar van Jezus
Christus, Yan God zelven; en bijgevolg, die den priestereert, eert
Jezus Christus, eert God; en die hem veracht, veracht niet alleenlijk eenen meusch,maar Jezus Christus, maar God zelven, wiens

�VIE!WE !HmL. -

1131

35ste I.ES, AAN~IERK.

plaatsvervanger de prieste1· is. 'Vat m1 de macht betreft, waarmede de priester bcldecd is; dezr. is zoo groot. zoo edel en zoo
verileven, dat ?.ij aan niet een schepsel van de aarde of van den_
heme! tockomt, maar eene eigenschap is der goddelijke natuur,
en zij ,\•ordt niet aan a! de Jievelingen Gods, maar allcenlijk aan
de priesters medegedeeld; zelfs de H. !IIaagd Maria, de engelen
en de heiligen bezitten de macht uiet, welke de priester hier op
aarde uitoefent. Daarom zegde de H. Franciscus van Assisien,
dat indien il~m een priester en een engel te zamen te gemoet
kwamen, hij eerst en vooral den priester zou groeten.
7. Overdenken wij dikwijls de overgroote weerdigheid des
priesters, en gedrag-en wij ons ·te 7.ijnen opzichte volgens hetgecn het Geloof ovet· de verhevenheid van zijn ambt ons leert.
Eeren en eerbiedigen wij den JH'iester op straat, in de kerk en
in a! onze betrekkingen met hem; en doen wij dit eerst en
vooral, uiet voor ?.ijne persoonlijke begaafdheden en deugden,
maar wei voor zijn godtle!Uk gezantschap-&lt;··U moesten wij ook
menschelijke zwakhr.den en gebreken in eenen priester ontdekl;.en, wij mogen hem toch tlaarom onze achLing niet ontnemen,
dewijl hij, in weerwil zijnet· 7.Wakhelleu, a!Lij!l tle plaalsvervanger van Go•l hlijft. - In vele plaatsen beslaat het gehruik, !lat
rle geloovigen recht slaan, wanneet· een priesler de J;.erk in- of
uitgaat : tle?.e· vercering der Jll'ieslel'lijl;.c wecnligheid is ?.eker
allerloffelijl;.st, en 7.al bij Gotl, in•lien Ai met g:eest van gcloof
geschiedt, eene rijke belooning bekomeu.
8. De zeven verschillige tmppen of staten lier geestelijl;.e ambten dragen ook deu naam van o;·llen. De reden hiervan is, dat et'
door het priesterschap en de andero ambten die er aan toel.Jehooren, orde in de H. Kerk bestaat. Eene groote vm·garlel'ing, gelijk de
H. Kerk, zondet•l.Jestiet·det'S en dienaars, ware eene onuitsill'ekelijke Yerwarring, en et·J;.an maar orde ?.ijn door de aanwezigheid
van hoofden, van bestuurders. Het priesterschap geeft die l.Jestuurders en zoo lteeft het met recht den naam van o;yle ontvangen.
·LO

�1132

YllmDE. DEE!,. -

:jfislo I.ES, INilOUD.

ZES EN DERTIGSTE LES.
Van het Huwelijk.
Inltoml. Dczc Lcs handclt over hct laatstu dcr· z~1·cn 1111. Sacra111cntcn, tc
wctcn. over hct lluwclijk, 'twclk tiicnt 0111 de II. 1\crk, die door de dood
gcllurig van hare !eden vcrlicst, voort lc zeit cu.
Z1j bcvat de vijf volgcndc tlcclcn :
I. In hcl ccrslc dec!, 'Lwclk in de ccrslc en de tweet~ vraag bcgrcpen is,
lccrt de Catechismus ons kcnncn, waarin dit Sacrament bcstaat : daarloc
l'i·aagt hij voorccrst, wat ltet 1/ruve/ijk is, en daarna 0111 hcl lluwclijk wclle
onderschciden van hctgecn het nict is, omlcrzockt hij : wat de o1ulertrouw is,
die ycmccnlijk vooryaat; 't is tc zcggcn, of dezc ondertrouw ook he! Sacrament des Jluwclijks nicl is.
II. In hctlwccdc dcel, 'twelk zich van de dcrdc tul de vijfdc Haag uitstrckt,
sprcckt hij I'Uil d"gcncn, 'die hct lluwclijk niel mogcn ontvangcn, en met wic
men hct nict mag aangaan. In de dcnlc vraag nocmt hij ccnigc klasscn van
zulkc mcnschcn op. Vcrdcrs in de vierdc vraag I'Crklaart hij /toe die gcuoemdc
klassen van mcnschcn bclct zijn hct Huwclijk aan te gaan : namelijk, of hct
hct hun all~cnlijk ongeoorlooftl is te trouwcn, ofwcl of zij bclct zijn ccn gcltlig
lluwclijk aan lc gaan. In de vijfdc 1-raag lcgl hij uit, wie in ecnc van die
gcnucmdc kla~scn. tc wctcn, in /ret yccstelijk maaasclwp. zijn : wat is, naagt
hij, /tel !JCC~le/ijk /IIIICI[JSCflllp?

Ill. In de zcsde vraag, die hct dcnle dec! uitm:1akt, spr·cckt hij van de
manicr op dewclkc he! lluwclijk moe! gcschicdcn : moct hrt Jlluvelijk, zcgt hij,
vutir iemand ycschicdcn, ofwclmag hct in hct gchcim aangegaatl worden.
IV. In hcl vicrdc dccl, 'twclk nit de zcvcndc en achtslc naag bcstaat, lmndclt hij over de uitwcrkscls van dit Sacrament, tc wclcn, over •le gratic en over
de vcr!Jintenis. Voorccrst in de zevcndc vraag slclt hij l'oor, wclkc g•·atic hel is,
die dit Sacrament gccfl; en in de achlsle lc::;t hij hct andcr uitwcrkscl,·tc
wctcn, tic vcrbintcnis uit, met lc ondcrzoekcn : of het Jluwelijk 11ict kan
olllbollflcn worden.

V. Eindelijk in de laatste vraag, die hct vijf1lc dec! dcr Lcs is, handclt hij
O\'Cr den tijd des jaars, g•!durcnJe dcnwclkcn de lluwclijken niet tocgelaten
zijn : hij vr'ililgl wclke, tic reden is, rtJtlarom de fl. /(erk de ll1twclijken 11iel
toe/aat in den Adve11t en de Vasten.

�\'JERDE Dimr.. -

36 810 LES, 1stc VR.

1133

I: V. lVat is het Iluwel(jk?

A. Een Sac1·ament, door hetwelk man en vrouw wettelijk verbonden worden, en gratie ontvangen om
kinderen tot Gods glorie op te brengen.
l. De Cate&lt;:hismus naagt bier, waarin het Huwelijk, 't welk
het zevenrle Sacrament is, bestaat, of welke zijne eigenschappen
zijn, .en waar,loor het van de anrlere Sacramenten is onderscheiden.
2. Het Huwelijk, antwoordt hij, is een Sac1·wnenl: hijgevolg,
bes1aat het in een uilwendig leelwn; dat uitwenrlig teeken
ueteckenl en geefi ccnc ::,onde;·linge [JJ·atie, en het is van
Clwislus ingesleld. - De Catecllismus lecrt ons in het ovcrige
ues ant woords diL Sacrament alleenlUk kennen onder het opzich t
der zonderlinge gratie, die hct beteekent en gecft.
Welk is nu die zonderlinge gratie, welke dit Sacrament eigen
is1 Door dit Sacrament, antwoordt de Catechismus, wonlcn
man en m·ouw wellelijk 1:e1·1Jonden, en onlvangen gt·atie
om kinde1·en lot Gods glOJ·ie op le b1·engen. Bet Huwelijk !weft uan een dubbel uitwerksel : a) uoor dit Sacrament
worden man en VI'OUW wellelijk 1:e1·bonden, om namelijk llinde;·en tot Gods glo;·ie op te 1J;·engen; b) en zij out1xmgen g;•atie
tot dat werk.
3. :\Iaar hoc !weft dit Sacrament die verbintenis 1001' uit.werl•sel, dewijl wij in de Les der Sacramenten geleerrl hebben,
·dat deze allecnlijk dicnen om lle gratie Gods mede Le rlcelen? De
reden daanan is, dat het I-Iuwelijk niet alleenlijk een Sacrament, maar ook ee11 contract is : Christus !weft inuners het
contract des I-Iuwelijks tot de wcenligheid van een Sacrament
verheven, en zoo !weft dit Sacrament boven de gratie, die het
als Sacrament instort. ook het uitwerksel van een contract.
Nogtans heeft hct Huwelijk als Sacrament, ook eenigen invloed

�YIERDE DEE!.. -

1134

36sto I,ES, ) 810 YR.

op de verbintenis. door de gratie die het geeft : het l\omt i mmers
aan die natuurlijke verbintenis eene bovennatuurlijke kracht
geven; het lwmt ze op eene bovennatuurlijke wijze bezegelen;
want een icder verstaat, dat eencontract eene bovennatuut·lijke
steride ontvangt, wauneer het door God als een midrlel om zijne
gratie in te storten, gebruikt wonlt.
4. De Catechismus zegt : doo1' helwelk man en tTouw wetlelijk 'l:e;·bonclen wo1·den : wie worllt er dan wettelijk door het
Huwelijk verbonden? Jlfan en vrouw, dat is, een• man met eene
vrouw en nieteen man met verscheid(me vrouwen of eene nouw
met verscheidene mann en, gelijk Christus het klaar geleerd heeft.
- TVettelijk ve1·bonden WOi'den, rlat is, re~ht krijgen in de
oogen van God en van de I-1. Kerk om zich te zamen toe te
leggen op het werk van kinderen tot . Gorls glol'ie op te brengen, en verplicht worden samen te wonen, elkander gelrouw
te zijn en te blijven, en niemanrl anders aan te haugen. -Kinde1·en lot Gods glo1·ie opb1·engen, dat is, hen winnen ter eere •
Gods en ze opvoerlen als ware dienaars van God en als ware !eden der H. Kerk.
5. Wat moet hier verstaan worden door. de gratie die het Huwelijk geeft1 Ten ee1·ste. vermeerrlering der h~iligmakende gratie
(\vant het 1-Iuwe\ijl\ is een Sacrament der Ievenden). die aan
man en \TOUW gegeven wordt om 1\inderen tot Gods glorie op te
brengen. Ten tweede, het recht tot de dadelijke gratien die
vereischt zijn, om de belwmene heiligmakende gratie werkend
te maken.
G. De Catechismus schrijft hier die twec uitwerksels, de
wettige verbintenis en •le·gratie, aan het Sacrament des Huwe-

lijks toe; kan men n~ het contract des Huwelijks niet aangaan
en zoo de wettige verbintenis bekome11 zonder het sacrament
te ontvangen? Dit geschiedt bij de ongedoopten : deze lmnnen
het Sacrament des Huwe!Uks niet ontvangen, dewijl zij bet
Doopsel, dat_ de deur en de ii1gang is tier andere Sac•·amenten,
J

�VIERDE DEEJ,, -

36 510 LES,

)SIO

VR.

1135

niet ontvangen hcbben; maar 1lit l1.an op geener wijze plaats
grijpen bij degenen die het Doopsel ontvangen hebben, en zoo
!eden der H. Kerk geworden iijn. Christus l1eeft immers voor
hen van het contract zelf des Huwelijli.s een Sacrament gemaakt,
en derwijze is voor de gedoopten, het contract .des Huwelijks
van het Sacrament en het Sacrament van het contract geheel
onafscheidbaar. Hij heeft voor de Christenen, die het contract
des Huwelijli.s aangaan, geen Sacrament ingesteld, dat van het
contract ond~rscheiden is, maar aan dat contract zelf l1eeft Hij
de kracht van een Sacrament gegeven : waaruit volgt dat de gedoopten, die het contract des I-Iuwelijks zouden aangaan, en het
Sacrament volstrekt niet zouden willen ontYangen, niet alleenlijk ~gratie van het Sacrament niet zouden bekomen, maar
ook niet wettelijk verhonden zou(len zijn. Chl'istenen die het Huwelij;k zouden aangaan. het Sacrament volstrekt niet willende ontvangen, wuden niet m~er getrouwd zijn, alsof zij op geener wijze
het Huwelijk aangegaan hadden : men J;,an immers uiet gehliglijli.
een contract aangaan, zonder dat alles ie willen wat er onafscheidbaar aan toebehoort.
7. Welk is in het Sacrament rles Huwelijks het uitwendig
tee ken, 'twelk de -gezegde zonderlinge gratie beteel\ent en geeft~
Dit uit·.vendig teeken bestaat uit de woorden ol' teeli.eneu, waar..
door man en &gt;rouw zich elkander tot wettige echtgenooten
nemen, of uit de door woorden of teekenen geopenbaarde toestemming, waardoor zij zich ten Huwelijk verbinden.
Die woorden of teekenen, waardoor het 1-Iuwelijk aangegaan
wordt, mal{en voorzeker een uilwendig teel\en uit, daar wij de
woorden hooren en de teekenen zien ; maar hoe beteelienen zij
de zonderlinge gmtie des Huwelijks~ Dit is niet moeilijk om
begrijpen : die woordeu of teekenen rlrukken natuurlijli het
contract des I-Iuwelijks uit, waardoor man en vrouw wettelijk
vet·bonden worden om kinderen tot Gods glorie op te brengen ;
en als men een contract uitwendig aanveerdt, beteekent men ...

�1136

\"JERDE DEEL. -- 3Q&gt;to

u:s, Jslu \"!{.

noodzakelijk dat men dit contract, aangaat, gelijk het in zich
zelf '1. zij door zijne rw.tuur of dool' tlen wil ue:; wetgeve!'s
bestaat, in antlel'e \voo!'den tlat inen het aang-aat met al hetgeen
el' eigen aan is. Welnu, het Huwelij.k, tlat de gedoopten aangaan, is niet a\leenlijk een conh·act, maar ook een Sacrament,
een midrlel om de gmtie Gods te bekomen, door Christus ingesiehl; en bijgevolg de gedoopten, die het I-Iuwelijk tlool' uiiwendige woorden of teekenen aangaau, beteekenen tloor die woorden of teekenen niet alleenlijk de ve!'bintenis, umar ook de
goddelijke gl'atie; ve!'mits wij dool' het Geloof we ten, dat het
contract van hei Sacmmen L niet kan gescheiden wonlen. Gelijk
de wijdeling met het subdiaconaat te ontvangen, zomler het
uitdrukkelijl;: te zeggen, nogtans uitwendiglijk belofte van
zuiverheid doet, omdat die belofte aan het suhtliaconaat eigen
is; zoo ook de gedoopten. die door woo!'tlen of teekenen lwt contract des Huwelijks aangaan, beteel;:enen dat zij een Sacrament
daarstellen en ontvangen, aangezien men weet dat vool' de gedoopten dit contract Levens een Sac!'ament is.
8. Eindelijk is dat Sacmmenl des Huwelijks waa!'lijk door·
Chl'istus ingesteld~ .Ja; dit weten wij doo!' de H. Kerl;:, tlie ons
op.eene onfaalbare wijze de goddelijke veropenba!'ing voorslelt,
en ook door de Over·level'ing, die een del' schatten is, waaruit de
H. Kerk n:eemt, hetgeen zij ons voorhoudt. Eenstemmig noemen
de HH. Vaders het Huwelijlt een Sacrament. De H. Augu:siinus
geeft daarenboven eene he~l klare getuigenis van deze waarhid :
" Bij bet Huwelijk der Cht•istenen, zegt hij (over het Huw. c. 2'1),
.. is de heiligheid &gt;an het Sacrament van veel grooter weertle dau
" de vruchibaarheid en het kroost. " En 'fertullianus zegt insge- ·
lijks (Ad uxo1·. B. 2. hooftlst. 8) : " Hoe kunnen wij de \Veertle
" voorsiellen van het Huwelijk dat de Kerk samenvoegt; bet
" offer bevestigt, (hieruit blijkt dat het Hu welijk van in de -eerste
" tijden der H. Kerk met bet opdragen van het H. Sacrificie tler
" Mis gecelebreerd w~rd), de heilige zeg·ening bezegelt, de enge-

�VJERDE DEEL. -

:35sto J.I•:S. 2'lc Vll.

11:37

·· len verkondigen, en de hemelsche Vader bel\rachtigt. " Die
bekntehtiging dom· den hemelschen Vade;· cloet ?.eker verontlerstellen dat Tertullianus. het Huwelijk des Ch!'istenen als een
· Sacrament aan?.ag. nat het Huwelijk een Sacrament is p:etuigen
ook de oude ceremonieboeken fler H. Kerk.

2. V. 1Vat is de onde1·b·ouw die gemeenlijit roorgaat?
A. Deze is eene enkele belofte van malkander te trouwen op~bek \Vam3n tUd.
l. Om ons nog bcter te doen kennen wai het Sacrament de::;
Huwelijks is, spreekt de Catechismus van de ondertrouw, die
gemeenlijk het Huwelijk voorgaat; hij uaagt: wat is de o;ule;·l;·ouw; 't i::;ie ?.eggen. is tie ondertrouw ook een Sacrament des
Huwclijks ofwel wai is zij ~
:?. Hi.i aniwoordt tlat zij ccnc cnkele belo(lc is. Zij is dan geen
Sacrament des Huwelijks, maar alleenlijk eene belofte. En waarover is die belofte?Zij is eene beloflc van mallwndei' te t;·ouwen
op bekwamen tijd, 't is te zeggen, van met malkander het
Huwe\ijk aan te gaan op den tijt.l, die met hunne belofte of met
de omstandigheden overeenstemt.
\Vat brengt dus de ondertrouw teweeg; geeft ?.ij gelijk het
I-Iuwelijk, de verbintenis en de graiieom l\inderen tot Godsg\orie
.on te brengen? Geens?.ins; zij geeft die \'erbintenis en die gratie
niet, naardien ;dj geen Huwelijk, maar alleenlijk de heloft.e
is van het Huwelijk aan te gaa11. Doch ?.ij brengt eene ware verplichting teweeg : wanneer tie trouwbelofie door man en vrouw
crnstig gedaan en weder?.ijds aanveerd is geweest, verplicht. zij
hen op doodzonde het Huwelijk op bekwamen tijd aan te gaan,
tenzij beiden vrijwillig terugtraden, ofcen van heiden om bijzondere redenen recht krege om af te wijken. Hiet·over moet de
geestelijke overheid, als de zaak twijfelachtig is, beslissen. Eene
geldige trouwbelofte verplicht voorzeker, gelijk aile andere con-

�1138

YIERDE DEE!.. -

36slc U:S, 3de YR.

tracten, heL gegeven woord te houdeJl, en wei op zware zonde,
vermils bet Huwelijk eene zeer gewichtige zaak is. - En men
merke op dat (le verplichting, zoowel uit eene geheime als uiL
eene solemneele OIHlertrouw (t is te zeggen, die Yoor den pastoor
geschiedt), voortkomt. \Vanneer de vereischte voorwaarden tot
eene geldige belofte vervuld zijn, vloeit die verplichting er aliijd
uit voort.

3. V. Mag ltet Huwelijk van een' iegelijk ontvangen
worden en rnet alie mensclten?
A. Neen, want niet met degenen, die belofte van zmverheid geclaan hebben, noch met ongeloovigen, of
zekere geestelijke personen, of degenen die maagschal) zijn, en sommige anderen.
1. De Catechism us begint ons hier te spreken over de per-·
sonen, die bet Huwelijl\ nieL mogen aangaan. Hij vraagt : mag

het J!mvelijk van een' iegel{jk ont1:angen wo1·den en met alle
menschen; 'tis te zeggen, mag-een ieder, die wil. het Huwelijk
ontvangen, en degenen die heL mogen onLva!lgen, mogen zij !let
aangaan met aile menscllen zonder uilzondering·?
2. De Catechismus leert a) dat niet een iegelijk het Huwelijk
mag ontvangen, en daL zij, die het mogen ontvangen, nogtans het
niet met aile menschen mogen aangaan, en hij stelt b) eenige
klassen van personen voor, met wie het niet mag aangegaan
worden.
:Met welke klassen van personen, bij voorbeeld. mag men het
Huwelijk niet aangaan? 1lfet clegenen, zegt. de Catechismus, die

belofie van zuiverheid gedaan hebben, met ongeloovigen, of
zekere gee~telijke pe'rsonen, of clegenen die maagschap zijn,
en som,mige anclei'en.
3. Wat verstaat men hier doordegenen die belofle van zuive1·-

�VIF.fiDF. DEEL. -

:~()&gt;II: LES, 3de Vlt.

1139

!wid ycdaan ltebben? Het zijn al de menschen,die aan God of
root· cenwig of voor eenigen l.lepaalden tijd beloofd hebben ongehuwd te leren en aile zonden van onzniverheid le vluchten, en
door die belofte nog gehouden zijn. Deze menschen kunnen, zonder legen hunne l.lelofle te handelen, het. Huwelijk niel aangaan,
en derhalve mag men ook mel hen niet lrouwen.
4. Welke zijn de ongeloot:igen waarvan !le Catechismus hier
spreekt? Het zijn al de menschen, die op eeni~er wijze aan de
Roomsch-Katholiekc Kerl;: niet toebehooren, zooals Heidenen,
"
.J oden, Tu rken, Ketters, Schismatieken. - Een ieder verstaat hoe
geraal'lijk het is root' de geloovigen het Huw~lijk aan te gaan
met ongeloovigen, hoe zij zich dam·door in groot gevaar stellen
van hun geloof en hunne zerlen te verliezen, en aan hunne1\inderen, die zij lot nods glorie moeten opbrengen, eene slechteopvoe!ling le zien gcren; en llaarom lteeft de H. Kerl;: aan degeloovigon verbollen het. Iluwelijl;: met ongeloovigen aan te gaan.
5. Yan welke :;elw·e geestelijlw pe;·sonen SJH'eekt hier (le Catechismus? Hel zijn degenen, die ten minste eene van de groote
orden ontvangen henhen, te weten, de bisschoppen, de priesters,.
de diakens en de subdiakens.- l\Ietdezen mag men het Huwelijk ·
niet aangaan, dewijl zij belofte van zniverheid gedaan hebben.
- \Vaarom noemt de Catechismus deze geestelijke personen
hier op eene l.lijzondere wijze, nmlat hij reeds gezegd heeft. dat
het Huwelijk niet magaangegaan worden met degenen die l.lelofte
van zuiverheid gerlaan hel.lben1 De reden dam·van is, flat dezen
geene uit&lt;lrukkelijke belofte van zuiverheid doen : het is eigen~
lijl;: !le H. Kerl;:, die als voot·waarde tot de groote wijdingen de
eeuwige :zuiverheid gesteld heeft, en zoo de belofte vaon zuiverheid aau die wijdingen heeft Yastgehecht.
6: Wat wordt hier verstaan tloot· degenen die maagscltap
zijn? Bet zijn degenen, met dewelke men familie is, gelijk men
zegt, ofverwantschapt is. Het maagschap ofverwantschap is vierderlei : er is een ~wtuw·lijk maagschap of bloedverwantschap,.

�ll40

een geestelijk maag~chap, een wettelijk maagschap en een aanyeli·omvclmaagschap.
Het natuudijk maagschap of uloe(henvantschap ue~taat tusscben al degenen, die door lmnne aflwmst, door lmnne geboorte
verbonden :7.ijn. Konwn de personen, die in maagschap zijn, van
elkander voort, gelijk bij voorbeeld, de dochter en de vader, de
]\leinllOchter en de grootvader, dan 'Zijn zij IJ\oedverwanlen in
rechte lijn; en zuike mogen nooit met elkander trouwen, in
we\keu graad van bloedverwantschap zij ook zijn ..-;- Komen zij
niet van elkamler, maat: alleenlijk uit eenen gemeenen stam
voort, gelijk bij voorbeeld, broeder en zuster, oom en nicht, dan
r.ijn zij bloedverwanien in zijdelijke lijn; en dezen mogen met
ell\ander niet trouwim tot in den vienlen gram\. - Om nu die
graden der zijdelijlw lijn te kunnen optellen, merke men bet
volgende op : brooders en zusters mal\en lien eersten graad uit,
dewijl zij lie cerste zijn, die uiL lien gemeenen stam voortkomen; de kinderen van broeders en zusters den tweeden; de
kleinkindeJ•en van broeder·s en zusters den derllcn; en tie kinderen der kleinkinderE'n van brooders en zusters den vierden
graad. Indien de person en in ongelijken graad Y.ijn, · dat is,
indien zij niet even verre ntn den gemeenen stam verwijclenl
zijn. dan wordt het bloedvet·wantschap gerckent! volge_ns den
graad, die van den stam verst verwijderd b. Bij voorbeeld, 1\e
taute en de neef zijn in den tweeden gmatl, omdat 1\e neef, die
van den gemeeuen stam verst is verwijllcrd, in •len tweerlen
graa.d is ..
Het wettelijk maagschap ontstaat uit het aannemen van eenen
persoon tot zijn l&gt;ind, en verbiedt het Huwclijk tusschen dellgene, die tot kind is aangenomen, zijne echtgenoot en zijne kinderen die onder de vaderlijke macht nog staan, van' den eenen
kant,- en den persoon die aangenomcn heeft, zijne echtgenoot
en zijne kinderen die onder de vadetllijl\e macht nog staan, van
den anderen kant.
' .

�JJ.IJ

Hetaan,qeli·ouuxl maagschap is eene soort van verwanlschap.
welke tm;schen rlengene. die met eenen per~oon van het ander
geslacht als echlgenoot handelt of leeft, en rle bloedverwanten
van rler.en ont:;taat. Is rlie samenleving weltclijk en gcnm·loo/'rl
ton gevolge van ecn gel dig Huwelijl;., dan sli·ekt ltctaang:etrouwd
maagschap r.iclt uit en belet het Huwelijk t.ot in den vierden
gt·a&lt;ul. Is rlaarcnlegen die samenleYing 7.&lt;&gt;ttder Hn\velijk geschierl en bijgcvolg ongeoorloofd, dan strekl. hct r.ich slechts uit
en hclet bet Huwelijk allcenlijk tot in den tweeden graad.
Wat het ,qccstelijh maagschap is, r.al ons de Calechismus zelf
uitleggcn. in de 5'1c uaag.
De reden, om rlewelkc het Htnvelijk ouder personen, rlie door
maagsehap Yerbo!lllen r.ijn, niet loegelat.en is, vinden wij a) in
de cot· die rle lerlen eener familie r.ich werlcrzijds versclmlt!igd
zijn, en welke r.ckcr ten hoogsle wu gckrcnl;.t worden. mochten
degencn, clie maag:schap zijn, met ell;.ander trouwcn: b) in het
bewaren cler kui:;chheid ondet· rle bctrekkingen en hijeenkomsten
van familie, en c) in de noodzakelijkheicl van tie maatschappelij!;.e
betrekkingen nit te breirlen, opdat tie familien onder elkander
zouden ,·erbonden worden en zoo ell;.andm· helpen en bijstaan,
en flat or derwijzc eenheid. liefde en vrienrlschap onder de menschen r.ou heerschcn. - Het verbod van te trott\Ven met degenen, die maag:--;chap zijn. komt Yoorzeker Yonrt van de H. Kerk;
doch voor woYecl hct 't Huwclijk tnsschen onders en kinders
ve•·!Jiedt, Yloeit het ook nit. het natunrlijk recht. gelijk de rede
het ons heel &lt;luidelijk YerklaarL
De Catechismus, na de voorgcstclt!e !;.lassen van menschen
genoemrl te hebben, Yoegt er nog !Jij : en sommi'ge ande;·en.Er zijn inderdaad nog cenige andere klassen Yan menschen met
wie men het Huwclijk niel mag aangaan. zooals !Jij voorbeeld,
al de menschen, die wettelijl\ met eenen anderen pcrsoon getrouwrl zijn, gelijk het zal blijken uit de gsto \Taag. l\Iaar de
Catechism us vernoemt die klassen niet, ofwel omdat men ze leert

�1142

V!ERDE DEE! •• -

36Sle I,ES",. (clc \"!~.

kennen door ant.lere wagen dezer les, ofwei omdat zij r.elden te
pas komen, en zoo weinig l.Jelloeven door aile geloovigeu gekend
te zijn.
7. AI de klassen van menschen, die t.Ie Catecllismus bier noemt,
zijn personen met wie men llet Huwelijk niet mag aangaan :
welke van dezen mogen het Huwelijk niet onivangen1 Het zijn
degenen, die door eene l.Jelofte van zuiverlleid gebonden zijn, en
de geestelijke personen, die eene gt•oote wijding hebben ontvangen, aismede degenen die alreede getrouwd zijn : deze alien zijn
door hunne belofte van zuiverheid of door hun nog b&amp;staall(le Huwe lijk wezenlijk be let te trouwen, 'tis gelijk met we! ken per:~oon.

4. V. Zou ltet Iluwel~"jk, rnet clezen aangegaun, imn;;e1·s
goed wezen?
A. :Met sommigen zou het van geene1· weerde weze11 •.
als met geestelijke pe\·sonen, of met lichamelijk
maagschap tot den vierden graad, en ook met
geestelijk maagschap.
l. De Catechismus, na eenige li.lassen van menschen opge-

. noemd te hebbe11, met dewelke men het Huwelijk niet mag aangaan. onderzoekt water van een Huwelijk met zulke menschen
aangegaan te denken is: zou het Jlmoelijk, zegt hij, met dezen
aangegaan, imme;·s goecl wezen; 'tis te zeggen, zou dat Huwclijli. gcldig of zou hei nietig wezen; zou hetman en vrouw wettelijk verl.Jinden en gratie geven, ofwel zou het niets leweeg
brengen 1
2. Hij antwoordt : met sommigen zou ltet van geener weci·de
wezen. dat is, het Huwelijk niet met allen maar met eeuigc van
.die klassen zou·nieiig wezen, of niets meer teweeg brengen, als
ware bet niet aangegaan.- i\Iet welke klassen zou het, bij voorbeeld, van geener weerde wezen 1 De Catechism us antwoordt
., dat het van geener weerde zou wezen, als met geestelijlw 71er-

�YIERDE DEE! .. -

J(iS!e LES, Jldc \'R.

1143

sonen, of mellichamelijk maagscltap lot den vie1·den graad,
of ook mel geeslelijk maagschap.
1lfel geeslelijlw pe1·sonen, dai is. met bisschoppen, priesters,
diakens en subdiakens.

1lfel lichamelijk maagsclwp lot den vierclen g1·aad, dat
is, met do bloedverwanlen in zijdelijl;e lijn en met de door
een wetlig Huwelijl\ aangetrouwde verwanlen tot in den vierden graad; doch in aile grad en met de bloedvel'\vanten in
rechte lijn;
. en alleenlijk tot in den tweeden graad met dezen die
door eene ongeoorloofde samenleving verwantschapt zijn. De
Catechismus zegl in het algemeen lot in den 'l.lieiYlen g1·aad,
omdal hij rechlslreel\s spreekt van het maagschap, 'twelk in de
huwelijl\szaken meest vool'lwmt.
Over het geeslelijk maagschap zal hij in de volgende vraag
handelen.
3. Zou nu het Huwelijk, met de andere opgenoemde klassen
. aangegaan, geldig wezen1 Door het opnoemen van eenige klassen
met dewelke het Huwelijk van geener weerde zoude wezen, geeft
de Calechismus niet te kennen, dat men met alle de anderen
een geldig Huwelijk zou kunnen aangaan, dewijl hij alleenlijlt
eenige klassen als voorbeelrlen aanhaalt. 'Vat nu degenen, die
de belofte van zuiverheirl (buiten rle heilige orden) gedaan hebben, en de ongeloovigen bet1·efl, waarvan de Catechismus in de
3~• vraag gesprokon .heeft en hier niet meer handelt, vall er
onderscheirl te mal\en. - De belofte van zui&gt;erheill maakt het
Huwelijk ongeldig, wanneer zij eene plechiige helofte uitmaakt
die in eone door de H. Kerk goedgel\enrde religieuze orde met de
dam·toe noorlige vereischten is afgelegd, maar niet wanueer er
iets van deze voorwaarden ontbreeli.t. - Insgelijks de ongeloo.vigheid maakt het HuwelUk ongeldig, wanneet· de ongeloovige
waarmede een geloovige trouwt een ongerloopte is, :r.ooals een
Heiden, een .Jood, een Tul'l\, enz.; maar niet, wanneer de ongeloovige het Doopsel ontvangen !weft, en alleenlijk een Kette1' of

.

�1144 .

YIERDE DllEL. -

:16stc l.ES, 4do YR.

Schismatiek of een Apostaat is; alhoewel het aan de geloovigen verboden i~ met dez(m te trouwen. Geheel dit beletsellwmt
voort uit de wetten der H. Kerlc
4. Uit hel~·ene wij hier geleenl hebuen, vloeit llct rechtstreeks
dater twee soorten van beletsels tot het Hnwelijkzijn: de eerste,
zooals het bloedverwantschap tot in den vierden graad, de plechtige belofte van zuiverheid. de heiliga. ot·den, maken het Huwelljk ongeldig, of brengen teweeg dat het. als het door zulke
pct·sotwn aangegaau wordt, niet bestaat; tenyi.i l de ant! ere,
gelijk de enkele belofte v~n zuiverheid, de ketterij, bet Huwelijk
alleen ongeoorlooftl maken, of oorzaak zijn dat men het zonrler
zondigen niet l\an aangaan. Als . men met een beletsel van de
eerste soort het I-Iuwelijk aangaat, bedrijft men eene groote
zonde van lteiligschenderij en ill men niet getrou,vd; lcrwijl ecn
Huwelijk met een belclsel der tweede soort aangegaan, wel eene
groote zonde van lleiligschenderij·uitmaakt. maar toch gehlig is,
of man en vrouw wettelijk verbindt. - Van dit ondersclteid
t~sschen de huwelijksbeletsels kunnen wij ons zeer gemakkelijk
een goed getlacht maken, als wij willen !etten op hetgeen de
burgerlijke macht nopens vele contracten doet : eenige verbiedt
zij alleenlijl\ op boet of straf, en andere verldaart en maakt zij
ougeldig. Zoo is deze of gene burgerlijl\e aid ongeldig· als zulke
of zulke omsfandigheden ontbreken; tenvijl hij \Vel geltlig maar
ongeoorloofd en slrafbaar zal zijn, bij het ontbreken van andere
omstandigheden; en hetzelve !weft plaats voor het Sacrament
des Huwelijks, 'twelk ook een contract is.
5. Van waar komen al de beletsels des Huwelijks voort? Zij
komen ten deele voort uit de natuurwet; en ten deele ook uit de
Hije instelling der H. Kerk.
Maar heeft de H. Kerk de macht van beletselen aan het Huwelijk te stellen die ltet of ongeldig of ten minste ongeoorloofd
maken 1 Ja; zij heeft die macltt ontvangen, door de verheffing
van het Huwelijk tot de weerdigheid van een Sacrament. In-

�YIERDE DF.EI.. -

3Q 510 LES, 5d 0 YR.

1145

llerdaarl, rle bcuiening van al de HH. Sacramenten is aan de
H. ·Kerk floor Christus toevertrouwd. \Velnu, '!Jet Sacmment
des Huwelijks bestaat in een contract; en de contracten mogen
of zelfs moeten door de hevoegrle overheid geregeld en bepaald
worden : in eenigc gevallen behooren zij ongeoorloofd ve.rklaard,
en in a!lllere vernietigd te worden opdat de orde in de samenleving zoude blijven bestaan. Bijgevolg mag ook het. Huwelijk
door de overheid geregeld en bcpaald worden : en daar het
een Sacrament js, moet dit geschieden door de H. Kerk. aan wie
aileen !Jet toebehoort ue Sacramenten te bedienen. Hieruit blijkt
heel J;:laar, dat de H. Kerk, door de verhetllng Yan het Huwelijl;;
tot de wcerdigheid van een Sacrament, inderdaad de macht
heefi bekomen om er de gezegde beletsels aan te stellen.

5. V. TYat is geestelUk maagsclwp?
A. Hetwelk dom· de stelling van de I-1. Kerk hestaat
tusschen den peter of de meter en dengene die gedoopt of gevormd is, en zijne ouders.
l. De Catechismus leert ons hier, waarin het geestelijk maagschap, waarover hij in de 3&lt;~o en 4&lt;~• vraag gesprolwn heefL, bestaat. Hij zegt ons a) tusschen wie het beslaat, en bi van waar
het voot·tkomt. - i\Iaagschap, dat is, verwantschap, familieband, gelijk wij alrecde gezegd hcbben.
2. 'fusschen wie bestaat nu het geestelijk maagschap? Het bestaat. gelijk de Catechismus z~t. tusschen den peter· en de
meter, die in het Doopsel en in het Vormsel geltruil;;t worden,
van den eenen kant, en lien doopeling of den vormling en zijne
oudm·s van den anderen kant. Bijgevolg, wie hebben door het
geestelijk maagschap beletscl tot !}tet Huwelijk? .De peter en de
meter van het Doopsel of van het Vormsel zijn belet het Hmvelijk
aan le gaan met hunnen doopeling of hunnen vormling en zijne
ouders. Het beletsel bestaat dan niet tusschen peter en meter,

�1146

VIERDE DEEL. -

3Qstc· LES, iJdC VR.

maar peter en me_ter zijn belet bet Huwelijk aan te gaan met den
doopeling of den vormling en zijne ouders.
3. Valt degene die doopt of die vormt onder dat beletsel niet?
Ja; zoowel als de peter en 1le meter, maar de Catechismus
spreel;.t er niet van, aangezien degene die vormt altijd bif'schop
of ten minste priester is, en zoo alreede door zijne heilige wijding voll;.omenlijk be1et is het Huwelijk aan te gaan, en dat de
priester de gewone bedienaat' is van het Doopsel. \Vanneer dan
iemand, die de heilige orden niet ontvangen l1eeft, het Doopsel
zou toedienen, zou bij gelijk de peter en de meter belet zijn het
Huwelijk aan te gaan met den doopeling en zijne ouders.
4. Van waar lwmt dit beletsel1 De Calechismus zegl om;, dat
bet bestaat doOi' de stelling de1· H. J(e,·k, dat is, door den wil
van de overheid der H. Kerk, die, gelijk wij gezien bebben, de
macht heeft beletselen te slellen, die het Huwelijk of enkel
ongeoorloofd of zelfs ongeldig maken.
Wij hebben in de 4de vraag reeds ge1.ien, dat het gee!'telijk
maagschap het Huwelijk niet alleenlijk ongeoorloofd, maar ook
ongeldig maakt.
5. Maar waarop steunt dit beletsel van bet geeslelijk maagschap; waarom beeft de H. 1\:erk het ingesteld? Het is omdat
degene die doopt of vorint, met den peter en de meter, als de
ouders van bet geestelijk Ieven des doopelings of des vormlings
zijn; zij zijn ilnmers eel)igszins de oorzaak van het geestelijk
Ieven 'twelk de doopeling of vormling ontvangt. Welnu, daar
de ouders het Huwelijk niet mogen en niet kunnen aangaan
met hunne li.inderen en rle naastbestaanden dezer kinderen,
heeft de H. Kerk ook gewil&lt;l dat de geestelijke ouders, te weten, de- dooper, de peter en de meter, niet zouden mogen 11och
zouden kunnen trouwen me~ hunne geestelijke l;.!nderen en de
naastbestaanden van deze geestelijke kinderen, te weten, met
den doopeling ~f den vormling en met hunne ouders. - Geven
wij acht op den naam van geesteliJk maagschap; deze naam is

�VJF.RDE DEE!.. · - 35ste LES, (jde VR.

1147

aan dit maagschap gegeven, omuat het gesteund is op het geestelijk Ieven, 'twelk in het Doopsel en in het Vormsel ingestort
wordt; gelijk het lichamelijk maagschap in de lichamelijke
hetrekkingen zijnen oorsprong vindt.

6. V. Jlfoet ltet JluwelUk v66r z"emand gescldedenl
A. 1-Iet moet geschieden vo6r den eigen pastoor, of
v6ot' iemancl van hem daartoc gemachtigd, en twee
getuigct~;

of andet's zou het vD.n geener weerde

'VCZC!l.

I. De Catechismus, na gezegd te hebben, wie het Huwelijk
mag aangaan, en met welke personen het mag aangegaan. worden, zal ons nu leeren, hoe het moeL geschieden. Hij vraagt :
moct lzet JJuwelijk t·661· iemand gcschieden, 't is te zeggen ..
moel het Huwelijl\, om we\ aangegaan te worden, v66r iemand
geschieden, of mag meu het in 't geheim, zonder getuigen aangaan~

2. In zijn antwoord l~ert hij ons; a) v66r wie he!. moet geschieden; en b) hoe noodzakelijk dit is.
:1. Voor wie nioet het dan geschieden? !let moet gesclzieden,

antwoordt de Catechismus, ~661' den eigen ]Jastoo;·, of t·do1'
iemaud van hem daai'loe gemachtigd, en twee getuigen. Het mag dan in 't geheim niet geschieden; het moet aangegaan
worden in de tegenwoordigheid van andere menschen, en zelfs van
bepaalde personen, namelijk, in de tegenwoordigheid van drij person en, en het is nietgelijk wie deze personen zijn. Een van dedrij
moet de eigenpast001' zijn, of iemand van den pa.stom· dam·toe
gemachtigd; de twee andere zijn twee getuigen, 't is te zeggen,
twee menschen, die de jaren van verstand bereikt hebben, en
in staat zijn getuigenis te geven van het aangegane J-Iuwelijk.
- De eigen pastoo;·, dat is de weit.ige pastoor der parochie in
dewell\e de man of de vrouw woonachtig zijn. Het is gelijk of

�1148

VIERDE DEEJ,. -

36810 I,ES, ()dO \"R.

beL Huwelijk gesclliede. Y06r den eigen pastoo1; vail den man .of
v66r ~lien der vrouw, als zij van verschillige parocllien zijn;
maar tolgens het gemeen gebruik gesclliedt het gewoonlijk v66r
den pastoor der vrouw. - Of voo;· iem.and van hem daw·toe
gem.achtigd, dat is te zeggen, of v66r eenen priester wellie van
den eigen pastoor of ook van den bisscllop of den Paus, die
hoven den pastoor zijn, gedelegeerd is om in zijne plaats !let
Huwelijk bij te wonen. Niem1!-nd anders dan een priester kan
daarloe ged,elegeerd worden, gelijk de kerkelijke ~vetten !let
klaar voorscllrijven.
4. En hoe noodzal;:elijk is het, dat bet Huwelijk gesclliede Y66r
den eigen pastoor, of Your iemand Yan hem dam·Loe gemachtigd,
en twee getuigen? De Catechismus zegt dat hct ande;·s van
geene;· weerde zoude wezen; of in andere woorden, dat indien
er iets aan rlit voorscllrift kwame te ontbreken, 't zij rle tegenwoordigheid Yall den eigen pastoor of Yan iemand door hem
daat·toe gemachtigd. 't zij de tegenwoordigheid Yan nog twee
andere getuigen, het Huwelijk ongeldig zou wezen of niet zou
bestaan, en bijgevolg man en nouw door !let Huwelijk niet
wettelijk zouden verbonden .r.ijn.
5. Van waar komt het, dat het Huwelijk on1 geldig te zijn,
v66r den eigen pastoor, of v66r iemand Yan hem dam· toe gemachtigd, en twee getuigen moet geschieden ~ Dit komt uit eene stellige verocdening der H. Kerl;:, die de geheime Huwelijken altijd
verfoeid heeft om de groote misbruiken, die er natuurlijk uit
voortsproten : om reden dezer misbruil;:en !weft zij in het Concilie van Trente bevolen, dat de Huwelijli:en der geloo•igen, om
g·elrlig te zijn, in de tegenwoordigheid der genoemde personen
moeten geschieden. Nogtans, dewijl deze wet zoo gewichtig is,
heefL de H. Kerk gewild dat zij alleenlijk zou verplicllten in die
parochien, waar zij afgekondigrl zou geweest zijn. In ons YaderIand heeftdeze aflwndiging in alle de parochien plaats gehad, en
zoo verplicht de gezegrle wet in aile de parochien van ons land.

�YIF.RDE DEEr •. -

::lG•te r.ES, 7" 0 Vlt.

1149

6. Men bemerke hier, dater in al de huwelijksbeletselen, die
van •le H. 1\erk zijn ingesteld, door de H. Ke!'k dispensatie kan
gegeven worden : wie de wet maakt, kan er ook in dispenseenm. - Dewijl de \\·etten, die het I-Iuwelijk aangaan, algemecne
kerkelijke welten zijn, moet er dispensatie in gegeven worden dooe den Paus, die het opperhoofd is der H. Keek, ofwel
door iemand van den Pans •laartoe gedelegeerd. De bisschoppen
kunnen in sommige gevallen in die wetlen dispenseeren, door
bijzondeeo macht, die zij rlaarloe van den Pam; ontvangen
"'
hebben.

7. V. lFa/ gee(Z !let Heilig Sacmmentdes IluueZUks?

A. Ten ecrste, gratie om kinderen tot Gods eer te krijgen en op te voeden; ten tweede, bovcn de verbintenis geeft het gratic om in lief([e en peis te leven ; ten
derde, stel'lde om beter de lasten van het Huwelijk
te dragen.
I. In het eerste antwoord !weft de Catechismus ons in het

algemeen de uitwerksels des Huwelijl\s voorgesteld, met te
zeggen : dat !tel man en m·ouw weltelijk ve;·bindt en fJI'rtlie
geeft om kinde;·en tot Gods glm·ie OJi le b1·engen. Nu zal hij
ons in deze vraag breedere uitlegging geven over de gratie,
welke dit Sacrament instort. De woortlen: wat geefl het Jluwelijk, doen genoeg zien, dat er hier geene spraak is van de verbintenis welke uit het Huwelijk voorlkomt, maar wel van de
gratie, die het geeft.
2. Wij hebben alreede gezegd, dat het Huwelijk ''ermeerdering geeft der heiligmakewle gratie en recht tot de dadelijl\e
gratien. die noodig zijn om de ingestorte heiligmakende gratie
werl\eJHl te maken. Thans zullen wij de bijzondere bestemming
van die heiligmakende gratie en van die dadelijke gratien leeren
kennen.

�1150

YIERDF. J&gt;I\E(,. -

3(3Sio J,ES, jdC \"R.

Ten eerste, zegL de Catechism us, geeft llet Huwelijk giYtlze om
kindm·en tot Gods ee;· te ll?'iJgen en op te voeden; dat is, om
zich op eene verdienstelijke en heilige wijze toe te leggen om
kinderen te krijgen en op te voeden, en dit alles te doen ter eere
Gods, om namelijk het getal der ware dienaars van God te vermeuigvuldigen. Het krijgen en opbrengen der kinderen ter eere
Gods is het eerste en bijzonderste einde van de huwelijksverbintenis : het is van de grootste aangelegenlleid en vereischt zeer
veel zorg; en zoo moet de gratie welke het Sacr~ment des Huwelijks instort, eel'st en vooral aan de geit·ouwden hulp geven
om dat werk heilig te volbrengen.

Ten tweede, boven de ve;·bintenis geeft !tel gmtie om· in
lie{de en peis te leven; 'tis te zeggen. het Huwelijk bl'engt voor
de getrouwden niet alleenlijk het recht en de verplichting van
sam en te ley en teweeg; het geeft ool;. nog gratie om dezen
plicht op eene heilige en volmaakte wijze te kunnen volbrengen;
het vergunt immers den getrouwden gratie om in liefde en in
vrede te Ieven, dat is, om elkander waarlijk in den Heer te beminnen en altijd den vrede onder hen te bewaren.- Dit tweecle
uitwerl;.sel is nauw verbonden met het eerste : om li.indet·en tot
Gods eer op te brengen·, moeteu man en vrouw te zamen Ieven,
en die samenleving zou daartoe •oorzeker niet dienstig zijil,
indien zij met liefde en vrede niet gepaard gii1g.

Ten derde, sterllte om bete;· de lasten van het Jluwelijk le
d;·agen; dat is,. gl'atie om met verduldigheid, met onderwerpiJlg, met vreugde en liefde, en zoo oil eene zeer verdienstelijke
wij'ze de lasten van het Huwelijli. te dragen, zooals de ontelbare
moei'lijkheden welke het opbrengen der kinderen, het samenleven en de werlet•zijdsche gebreken van man en vrouw natuurlijk
veroorzaken.- Dit derrle uitwerksel staat in nauwe verbintenis
met het eerste en met het tweede : opdat de getrouwden zich op
eene heilige "~jze zouden toeleggen om kinderen tot Gods glorie
op te brengen, moeten zij in vrede en peis leven; en om in vl'ede

�VIERDE DllEI,. -

3Qsle LES, 8Slu \"R.

1151

en peis le leven, is !let volkomenlijk vercischt clat zij de lasten
des Huwelijks vercluldig verdragen.
3. Om boven de verbiutenis al deze genadegaven te bekomen
moet men in slaat van gratie het Huwelijk ontvangen, dewijl
het eeu Sacrament der levenden is. Ontving men het evenwel in
slaat van doodzoude, maar met een onvolmaakt berouw en in de
meening dat men in staat van gratie is, men zou waarschijnlijk
in dat geval vergiffenis zijner zonden en de bovengeme\de uitwerJ;:sels bekomen. De wettelijke verbintenis wordt niet door
den :;laat van"' doodzonde, maar slechts door de beletselen, die
het Huwelijk ongeldig maken, belet. - \Vanneer men het
I-lu\velijk, om reden van den staat van doodzonde, in denwelken
men zich bevond, ontvangen \weft zondet' er de vruchten van te
verkrijgen; zal men. volgens !let gemeen gevoelen der godgeleerden, rlie Hnchlen bekomen, op het oogenblik dat men in staat
van gTatie Jwmt. - i\Ien zij wd indachtig, dat hoe beter en hoe
heiliger rle gelroll\vden gedurende hunnen huwe\ijken staat gestehl zijn, hoe meer dadelijke graWin zij uii kraclti van het
Sacrament des Huwelijks gedurig zullen ontvangen.

8. V. Kan het IluwelUk niet ontbonden wm-clen?
A. Gecnszins dan door de dood, hoewel dat de gelmwden om eene gt·oote reden somtijds van samen te
wonen wettelijk ontslagen worden.
1. Na ons de gmtie, welke'Jwt Huwelijk geeft, te hebben leeren

l;:enneu, zal de Catechismus ons in deze naag uiileg ge&gt;en ovet·
de verbintenis, welke uit het I-Iuwclijk volgi. Door die verbintenh; hebben de getrou \V(len recht om zich te zamen toe te leggen
om kiuderen op te brengen, en al het vereischte of nuttige daartoe te doen, en zijn zij verplicht samen te wonen, ell;:ander
getrouw te blijven en geen ande1·en persoon aan te hangen.
\~'elnu, hoe lang duurt die verbintenis; kan zij weggenomen

�1152

\"JERllE llEEI.. -

3Qslc J,!&gt;S,

t{S!C

VR.

worden. ofwel blijft zij altijd bestaan : ka.n, zegt de Catechismu~.

het Ilmveliik
.. niet ontbonden wm·den?
2. In zijn antwoorcl \eert hij ons deze twee pun ten : a) rlat het
Huwelijk niet anrlers kan ontbonden WOi'den dan doOJ' de
dood; b) rlat nogtans de gehuwrlen om eenc f!i'O_ote i'eden

somtijds van sa.men te wonen wettelijk ontsla.r;en w01·den.
3. Vooreerst dan, einrligt cle .vedlintenis niet na eenen zekeren
tijd of in bijzondere moeilijkheden, of kan zij rloor geenc
overs ten der H. J(erk weggenomen worden? Geenszins; zij eindigt alleenlijk door de clood. - En wat wil cle Catechismus
zeggen met de woorclen : dOOi' de dood; verstaat hij dc&gt; clood
van beide echtgenooten, or alleenlijk de 1loocl van den mau of
van de vrouw? Hij verstaat a\leenlijk de doocl van een der
echtgenooten : wauneer een der echtgenooten sterft. is rle verbintenis gcbroken. en den echtgenoot. die overblijft. staat het
vrij een nieuw 1-luwelijk aan te gaan.
4. i}faar blijven al de verplichtingen, die uil. het Huwelijk
vloeien, altijd bcslaan; l;.an men nooil van rle ecne of rle andere
dezer ontslagen wonlcn? Somtijds om eene g1·oote )'eden tear-

den de gehuuxlen wettelijh ontslagen ran samen te u'onen.
zegt de C~t'echismus. - Om eene g1·oole 1·eden, zooals bij voorbeelrl, ongetrouwigheid in he!. Huwelijk, groote mishandelingen,
groote verkwisl.ingen. ketterij, enz. - TYetlelijk onlslagen;
rnogen de g-et.·ouwrlen zonder iusschenlwmst der geestelijke
overheid ophouden van sam en te won en 1 Neen. zij moel.en
zelfs, eer zij, na hunne scheirling, tot de Sacramenten aanYeerd
mogen worde~, door de geestelijke overheid van samen te
wonen ontslagen zij]l : in eenige gevallen kan rle pastoor der
parochie. door de macht hem Yan den bisschop daartoe Yerleencl,
die ontslaging geven. doch in andere is de tusschenlwmst van

Jwogere O'rerheid vereischt. - l\Jen merke wei op, dat degenen,
die ontslagen zijn van samen te wonen, daarom op geener wijze •
een nieuw Huwelijk mogen aangaan : zij blijven aan elkander

�\'IERDE DEE!.. -

3681'' l.ES, gdo VR.

1153

verbowlen, en zijn alleenlijk ontslagen van hel venullen van
slechts Mnen plicht, die uil. de huwelijksverbinlenis vloeit, te
weten, ran bet samenwonen.
5. Waaruit weten wij dat het I-Iuwelijk niet anders dm.1 door
de dood kan ontbonrlen worden1 De rede alleen verklaart alreeds
dat het Huwelijk ononthindbaar is, len minsle indien God daar
niet komt in dispenseeren; want ware ·hel lluwelijk ontbindbaar, hel bestaan des huisgezins en de opvoeding der ldnderen
zouden hel grgotste gevaar loopen, en diensvolgens zou ook ·
gel~eel de maalschappij in het herl gekwetst worden. Dam·enboven, Christus is ons slellig komen leeren dat volgens de \~et,
die I-IiJ veropenbaarlle, het Huwelijk niet anders dan door de
clood l;,an onl.bonden worden.
G. :\len bemerke wel dat er in deze V!'aag alleenlijk spraak is
van het Huwelijk der Christenen, 'twelk alreede door het huwelijl;,swerk voltrokl;.en is.

·g. V. 1Vaarom laal de H. /{erk de IfutcelUken niet

toe in den Advent en de Vasten?
A. Omdat het tijden zijn van boetveerdigheid en godsdiem;tigheid, dewelke door de blijdschap, die op de
bruiloften gemeenlijk geschiedt, belet worden.
I. ln de1.e laalste naag hamlelt de Catcchismus orcr de tijden

desjaars, in rlewt~ll;.e, volgens de wetlen rler H. 1\erk, de Huwelijken niel mogen gecelebreerd worden. Er 1.ijn twee tijdstippen
in dewell;:e de H. Kerk voor aile landen de solemniteiten der
Huwelijl1.en, en YOOI' ons land, door eene \Vet bij mirhlel eener
algemeene gewoonle ing:ebracht, de Huwclijken zelven verbiedt:
deze l.ijdstippen zijn : de Ad·vent (rl. i. van den ecrsten Zondag
van den Advent tot daags na Drijkoningenfeest), en de Va~~en
(d. i. van op Asschewoensrlag tot daags na Betoken Paschen).
2. Welke is de reden van dit verbod? De Catechism us zegt :

�1154

YIEIWE DEEL. -

:36"" I.ES •. AANMlmK.

onulal de 1tdvenl en de Fasten tijden ~iJn van boelreel'rliglzeid en godsdiensliglwid; 'tis zeggen, onidat de H. Kerk wil
dat de geloovigen ?.ich gedurende die lijden op eene bijzondere
wijze toeleggen om werken van boetveenligheid te doen, hunne
conscientie van aile zonden te zuiveren, hun hert niet deugden
te versieren en God beter en beter te leeren dienen. - En
hoe is dit eene reden om de Huwelijken in die lijden niet toe te
Iaten? De bliJdschap die OJJ de b1·uilo(len (huwelijl;.sfeesten)
gemeenlijk geschicdl, belel die boetveerdigheifl.ell die go,Jsdienstigheill, zegt de Catechismus. Bet is immers gemakkelijk om
verslaan, hoe de feesten, die de Huwelijken gewoonlijk Yergezellen, den geest van boetveerdigheid en godsdienstigheid, welke
de H. Kerk in de genoemde tijden van hare geloovigen vordert,
noodzal;.elijk ten hoogste verhinderen.
Aamnerkingen:- 1° Bier is eerst en vooral op te merl;.en, dai
l1et HU\velijk eene heilige zaak is, en heilig moet 'Jehandeld
worden. Bet contract des Huwelijks is immers van God ingesteld en door Christus tot de weerdigheid van een Sacrament der
Nieuwe Wet verheven. Bijgevolg, moet men het Hmvelijk met
niet min eer·bied, godvruchtigheid en godsdiensligheid onlvangen, da·n de andere HH. Sacramenten; want het is uit Christus'
instelling een mi,ddel om de goddelijl;.e gra tie, die de lwslelijl;;ste
aller schaiten is, te bekorrien voor al hetgene tot rlen huwelijken
staat behoort. Hoe J;,an men dan verstaan, dat geloovigen, ?.onder bereiding, zonder zorg, zonder op God ie denl;;en en zich
enkel met hum1e driften bezig hourlende, tot dit Sacrament durven naderen !
2° Degenen, die zich tot het Huwelijk bereiden, behooren op
tijd hunne biecht te spreken; en clit om twee redenen : ten
eerste, om zich wel te zuiveren van aile hunne zonden, en ook
om zich te ontmaken van aile slechte gewoonten, die zij mi:;schien aangenomen hadden en die hun in het Huwelijk 1.00
na_deelig zouden zijn. Ten tweede, op(Jat de geheime huwelijks-

�\"JEROl&gt; OEEl•• -

3(iste I.ES. AAN)IEI~l\.

1155

IJeletsels. die er misschien bestaan, clool' den hicchtvader
zotu.len onttlekt, en alzoo zouden kunnen weggenomen worden.
Hel is uit dien hoofdc zelfs te wenschen, dat rlegenen, die zich
tot hel Huwelijk bel'eiden, tweemaal zollllen te biecht gaan,
eens acht of tien dagen v6or bet Huwelijk, en eene tweede maal
een of twee dagen v66r het ontvangen van dit Sacrament. Zij
behooren zich ook door de H. Communie tot het Huwelijk te
bereiden; en het is best dat zij het den dag vo6r het Huwelijk
doen.
3° ln de getrouwden moeten bijzonderlijk de volgende deugden
uilschijnen : groote liefde, eerbaarheid, getrouwheid jegens
elkander; levendige liefde voor hunne kinderen, zoodanig dat zij
voor hun tijdelijk en vooral voor hun geestelijk geluk zol'gen
zooveel zij kunnen, wei oYel'denkende dal clie li.inde!'en een
schat zijti hun dool' God toevel'trouwd; venlraagzaamheid eu
lijdzaamheirl in cle menign1ldige moeilijkheden, die zij tegenkomen; en vurige geest van godsdiensligheid. Leefden zij op die
wijze, zij zouden in 't mitlden van tle huwelijkslasten den
gl'ootsien neue genieten, een allel'gelukkigsle huisgezin hebben,
heilige en cleugclzame ldndel'en opbl'engcn, en teYens voor hen
zelYen en vool' huune kinderen cene schoone plaals in den
heme! bel'eiden. -- ne ouclers moeten wel indachtig zijn, dat.
incJien zij heilige en cleugdzame kincle!'en willen hebben, die
hen eerbiedigen en eens hunne l;;roon worden; zij zelYen eerst
en vooral zich moeien toeleggen, om hunne kinderen door
hunne voorbeelden en woorden van jongs af in de deugd te
ondet·wijzen; want niemand, niet een geestelijke overste, J!iet
een meester of meesteres heeft op het bert des kinds die
macht en clat gezag, welke vader en tnoeder daarop hebben.
Ouders en kindereu zijn immers door de naluurlijl;;e gevoelens
zelven len. innigste verbonden; en deze verbintenis !;;an in de
opvoeding door niets leenemaal vervangen worden. Dam·en•
boven, wat zullen de l;.indet·en, die in de school en in de kerk

�1156 ·

\"JERDE !JEEL. -

3Qste LES, AA:'OIEiil\.

den Catechismus leet•en, van God hooren sprel;.en, en tot cle
deugd opgewekt \vorden, niet denken wanneer. zij te lluis
bij hunne ouders geene ware voorbeelclen van godsdienst.igheid
Yinden, en er van het Geloof,. van God, van het toekomende
Ieven, van de weerdigheid des priesters, van rle H. Mis weinig of niets hooren zeggen, of ·zelfs er mede hooren spot ten 1
-wmen dan de christene ouders llet geluk genieten van
kinderen op te brengen, clie ware geloovigen zijn, die
gansch voor God Ieven, rlie de zuiverheid onbe--Ylekt be\varen,
die in de samenleving Yolmaakte menschen zijn; willen zij in
deze dagen, waar de onverschilligheid en hetongeloof bij Yelen zoo
zeel' aangroeit, hun huisgezin van het Yerdet•f cler wereld bewaren; dat zij wei indachtig wezen, hoe zij de eerste Yan allen
de hand aan het werk moeten steken, en dat zij de bijzonderste
zijn om bet te doen gelul;.ken. Hoe zouclen wij de huisgeziJwen
niet zien Yeramleren, de J;.incleren in geloof en deugcl opgroeien, en de vrede onder de familien heet·schen, indietr
de cht'istene ouders zich niet vergenoegden met hunne kinderen
rlagelijli.s eens te zien, maal' aile dagen eenigen tijd met hen overbx:achten hun eene volmaakte liefde en genegenheid betoonende;- indien zij te zamen met hunne kindercn hunne gebeden
zegden; ..-.... indien zij zelven den Catechism us in lie hand hun het
Geloot leerden; - indien zij zelven hun voor oogen legden de op. perste majesteit van God, die ons allen geschapen heeft en gedurig
bewaart, den schoonen heme! welken wij als loon verwacilten, die schrikkelijke bel welke wij als straf der duodzonden
te vreezen hebben, de bovennatuurlijke weerdigheid del' priestors die de afgezanten Gods zijn, de overgroote weerdigheid
vaii vader en moeder die de plaats van God bekleeden, bet kruisbeeld dat ons Christus' dood en onze verlossing indachtig maakt,
de H. Mis waar Christus zelf voor ons geslachtofferd wordt,
de HH. Sacramenten die ons heilig maken; - indien zij
aan tafel zijnde hunnen kinderen zegden, hoe a! hetgene wij

�1157

bier hehben. gaven van Gods goedheid zijn; - indien zij zelven
hunnc kiutlet·en naar (le kerl\ lcidden; - indicn zij hell onder
aile opzichlen voorheeltlen gaven Yan ee1· en deugrl; - indien
zij hunne ldJHleren zegenende, hen dedcn verstaan, !lor. zij hun
llaar in rlen uaam ntn den almachtigen God rlien YL"elle (tlat is
aile gcluk) toewenschen, welken Chl'istus op de aarde is kon'len
brengeu! Mochten al de christene ouders de Yerhevenheid
hunner plichten verstaan, mochten zij allen op die wijze hunne
kinderen opvoeiien : het·geluk van hun huisgezin zou een voorsmaak des hemcls zijn, en na de dood zouden zij eeuwig de vreugde Yan het huis van God zelven geuieten!
4° Dewijl het I-Iuwelijk tler Christenen, om geldig te zijn, v&lt;J(,r
,]en eigen pastoor en twee getuigen, in alle de parochien waar
deze wet der li. Kerk is afgekondigd geweesl. moet geschieden,
en aaugezien die wet der 1-I. Kerk in ons land in alle parochien
afgel\Ondigd is geweest, volgt natuurlijk dat hetgeen men bier
l1et lmrgerlijk 1-luwelijk noemt, of dat Huwelijk, 'twelk hier
v,)6J' tle burgerlijke ambtenaron geschiedt; geen waar Huwelijk
is, of de trouwelingen in de oogen van God en van de H. Km·k
niet verbinclt, en zoo geen recht geeft tot de zal;:en die aan het
1-Iuwelijk eigen zijn. Deze burgerlijkc akt brengt niets anders
voort tlan burgerlijl;:e uitwerksels,_te weten, dat de echtgenooten ab wettigc gelrouwdcn en hunne kindcren als wettigc·l;:inderen voo;· de b1W[jedijke wet aanzien worden. Bijgevolg de
Christenen die hier, na slechts vuor de burgerlijke ambtenaren
getrouwd te zijn, als echlgenooten samenleven, zijn even plichttig als degenen, die zoo Ieven zonder eenig huwelijk aangegaan
te hebben.
5° Aangezien het Huwelijk .niet kan ontbonden worden dan
door de flood, blijkt het ook dat de echtscheiding, die door
burgerlijke rechters- uitgesproken wordt, het Huwelijk op
geener \Vijze breekt. Die echtscheiding l1eeft alleenlijk burgerlijke uitwerksels; zij brengt immers teweeg dat de echlgenooten

�1158

VJERDE DEEL. '-- 3651c LES, AAN~IF. Rl\.

vool' de bu!'ge!'lijke wet niet meel' als echtgenoolen aanzien
wol'den, maar niets ande!'s. Derhalve, de echtgenooten, die
,dool' den bul'gerlijken r~chter gescheiden zijn, mogen niet meer
een nieuw Huwelijk aangaan, dan indien die scheiding niet had
plaats gehad.
6° Het Huwelijk is voor de H. Kerk en voor de samenleving
eene allergewichtigste zaak. Het is imme!'s de bron van he ide;
bet geeft leden aan de burgerlijke samenleving, en onderdanen
aan de H. Kerk; en bijgevolg hoe deugdzamer,'hoe volmaakter
. en hoe beiliger de huisgezinnen zullen wezen, hoe gelukkiger de
burgerlijkesamenleving, en hoe heiliger de H. Kerk in hare !eden
zal zijn. Dat de getrouwden, en dezen die den huwelijken staat
aanv~erden, zulks wel overdenken, en dat degenen, die het volk
moeten geleiden en bestieren dit ook \Vel voo!' oogen houden !
7° Op het einde van de leering welke de Catecbismus ons voorhoudt over de HH. Sacramenten, behooren wij nog eens wel indachtig te wezen, welke oneindig groote weldaden die I-II-1. sa.:
c!'amenten voor ons zijn: zij verschaffen ons immers ui t de kracht
hun door Christus toegeeigend, zonder dat wij bet door onzegoede
werl~en in staat van gratie en met Gods gratie gedaan verdienen,
geheel bet bovennatuurlijk Ieven der gratie; namelijk de geboorte in dat leven, de volwassenheid van hetzelve, zijn voedsel
en oriderhoud, zijne herstelling als het gekrankt of verloren is,
zijne laatste voltrekking, bestuurders die dat Ieven bezorgen en
er ons in geleiden, en personen, die gesteld zijn om nieuwe
leden aan te kweeken die dit Ieven moeten ontvangen. In de
Oude Wet, gelijk wij op bet eintle der 2\Jsto les gezegd hebben,
bestond er niet Mm van die wonderbare middelen om de gratie
te bekomen, die wij nu onder Christus' wet bezitteu. Buiten de
lileine kinderen, die door de besnijdenis zeer · waarschijnlijk de
heiligmakende gratie ontvingen, bestond er voor al de anderen
geen ander middel om bet bovennatuurlijk Ieven der gratie of de
vermeerdering van hetzelve te ontvangen, dan de persoonlijke

�VIEIWE DEEL. -

36"10 . I.ES, AANMERI\.

1159

werken met de gratie Gods gedaan. \Vanneer degenen, die met
de erfzonde of met dadelijke doodzonden bevlekt waren, geloof
in God en een volmaald berouw hadden. verl;.regen zij de heiligmakenue gmtie, en wanneer zij de heiligmakende gratie reeds
bezaten, bekwamen zij hare vermeerdering door al de goede
_werken, die zij uit geest van geloof deden; maar zij badden niet
Mn van die middelen, welke wij onder de Nieuwe \Vet bezitten,
en die door zich ·r.el~en de gratie instorten, welke zij beteekenen.- Veel v~rhevener, veel volmaakter is dan de Nieuwe Wet,
onder dewelke wij Ieven, dan de Oude \Vet, die tot aan Christus
bestaan lweft; doch God, wiens goedheid onuitputbaar is en
die de zaligheid van allen begeert, heeft onder de Oude \Vet,
om hel onlbreken van Sacmmenten, die door zich zelven de
gmtie geYen, len minsle eenigszins te vergoeden, door vel~
uitwendige middelen de deugd vergemakkelijkt en de vrees der
zomle ingeboezemd. Hij heeft immers gedurig mirakelen ge• daan om bet volk te beschermen, de boozen te straiTen, de goeden te loonen, en om zoo door die wonderdaden, welke onder de
zinnen valleu, bet geloof te versterken, het betrouwen op Hem te
doen aangroeien, de liefde tot Hem en den evennaaste te ontsteken, en al de andere deugden te uoen oefenen. Gedurig zag
llet .Joousche volk God zienlijk in zijn midden werken, geheel de
natie I.Jestieren en tot haar einde leiden, zo tegen den vijand beschermen als zij 'de goddelijke wetten onderhield, en ze kastijden
en Yerlatcn als zij r.ondigde : ja, geheel bet bestaan van die natie
was zelfs onder aile betrekkingen mirakuleus; en door die
gedurige zienlijke veropenbaring van Gods majesteit, macht, getrouwheid en goedheid, werden de Joden voorzeker zeer ve~l
aangedreven en onde1·steund om in Hem te gelooven, in Hem te
llopen, Hem te beminnen, de.deugd te oefenen en llet kwaau te
vluchten. - In de Nieuwe Wet toont God zich _uitwendiglijk
zoo veel niet als onder de Oude; Hij doet die gedurige mirakelen
niet om de boozen te straiTen en de goeden te beschermeu : van

�1160

\"IERDH DEE!.

-

:36' 10 J.ES, AANMP.t:K.

tijd tot ,tijr\,toont Hij we\ op (••.·ne uitstekende wijze zijnc voorzienigheid, maar niet gedurig, gelijk \let bij de .Joden geschiedde. En
de reden daarvan is, dat wij om lleilig te Ieven, l1ie overvloeuige
gratien onzet· Sacrameuten hebben, we\ke ons zooveel he\ pen om
onze zaligheid te bewerken. God beroofL ons nu van die uitwendige middelen, welke Hij onder de Oude Wet gaf, omdat Hij in
lmnne plants ons overvloedige inwendige gratii'in door de Sacramenton instort. De Joden werden zonderling tot hot gelnof en
alle deugden geholpen doot' de uitwendige mirak~len Gods; wij
worden er op eene veel voortreffelijker wijze toe geholpen uoor
de graUe der Sacramenten. Het geloof in God, de hoop en de
\iefde en al de andere deugden zijn nu moeilijker voor ons,
onder het opzicht der uitwendige michlelen, daar wij tot hen niet
door eene gedurige uitwendige en zienlijke werking Gods opgewel\.t worden; maar zij zijn veel.gemakkelijl\er dan bij hen
onder het opzicht der inwendigc gratien, aangezien doze ons in
zoo groote maat door ue Sacramenten worden gegeven. - Hieruit verstaan 'vij gemakl\elijk waarom onder ue Nieuwe Wet de
goede menschen dikwijls door ongelukken beprocfd worden, en
meermaals de tijdelijlw goederen niet ontmngen, die zij van God
vragen, en dat de boozen zoo dikwijls hierongestraft hlijvon. God
handelt zoo, omdat Hij wil, dat wij, clie zoove\e gratii~n door de
Sacramenten ontvangen, Hemllienen gansch ui t geest van ge\oof,
ons ·aan Hem niet om hetgene wij van Hem door ouze ziunen
bemerken maar om reden van 'hetgene J-Iij ons veropenbaanl hecfl
geheel onderwerpende, de goddelijke veropenbaring om Chrislus'
getuigenis en mirakelen aannemende, en de deugd oefenende niet
om eene aardsche belooning te bekomen maar op hoop van de toelwmendegoederen, in de veropenbaringons beloofd. En men geve
er acht op, hoe de geesi van geloof onze werken komt. veredelen, en onze verdiensten venneerderen : als wij door het geloof
handelen, onderwerpen wij aan God het edelste dat wij beziiten,
te wcten, het verstami, waardoor wij de koningen der aardsche

�VIERDE DEEL. -

36' 10 LES, AAN)Ilmli:.

1161

schepselen zijn, en erkennen wij Go(! als de opperste•wijsheid.Dit alles legt ons klaar voor oogen hoe gewichtig het voor ons
is, gedurig zo·oveel mogelijl~ de waarheden van !let Geloof,
namelijk hetgene de veropenharing ons van Go1l en zijne
oneindige volmaaktheden, van Christus, van den heme!, van de
hel, van het vagevuur, van het oor&lt;leel, van de gt·atie, van de
zonde leert, indachtig te zijn; dit met zorg te overwegen, en
er ons geheel van te doordringen. 't I:; daar het ware, maar ook
het eenige n"l'idc\el om tot de heiligheid te komen. Wezen wij
tevens indaclrtig, dat God ons voor het geloof den hemelsclten
loon bereid heeft : Hij !1eeft ons immers den heme!, waal'in wij
al zijne verborgenheden aan:schijn nan aan.schijn zullen aan::;chouwen. gcreecl gemaakt, op voorwaarde tlat wij ons hier· op
aarde aan Hem \vil\en ouderwerpen. met door !tel geloof aan te
nemen 'tgene Hlj ons veropenbaart. Wilt gij, zegt ons God,
eeuwig mijne oneindige volmaaktheden aauschouwen en zoo aan
mijne eigene wetenschap len volle deelachtig zijn, begint met op
aarde in mij te geloover).
8° \Vij moeten hier oak, na geheel de Jeering over de
Sacramenten gehoonl le hebben, eens wei o\erdenken cle
overgroole lieftle van ,Jeztrs, die na voor on:; op het kruis
geslorven te zijn. ons al die allerkostclijksle micldelen van zaligheid !weft achtergelaten. Als God, bemint Hij ons met eene oneindige liefcle te zamen met God clen Vader en God den H. Gee:;t, met
wie Hij eene en dezelftle goddelijke natuur heeft; maar ook als
mensch (en als mensch !weft Hij eene natu ur geheel en gansch aan
de onze gelijk, bij uitzondering der zomle) l~eeft Hij voor ons eene
overgi'Oote en onbeschrijllijke Jieflle. Hier op aarde zien wij
voorbeelden van eene reeds zeer verhevene liefde tot den evenmensch : niet zelden gebeurt llet immers dat deugdzame menschen hun Ieven ten pande stollen om zieken en ongelukkigen te
helpen. bij te staan en te bezorgen, en niet zelden ook verlaten
godvruchtige menschen hum1e goederen, hunne familie en al
J~H.

�1IG2

wat zU hier op aa1·de hebben, om met gevaar van hun leYen, in
armoede en ellende het Iicht des Geloofs aan heidensche en
verlatene natii~n te gaan dragen. gn boven dit alles vinden wij
hier op aarde nog die wonderbare lieftle van eene goede moeder ·
voor hare kleine kind.ies; hoeg1·oot is dag en nachL de bekommering en de zorg n iel van die moeder voor hare k inderen ; hoe berooft
zij zich niet van hare rust en van alle eigeri vermaak om hen
te bezorgen, bij te staan, te troosten en te beschermen; hoe is
zij niet bereid alles te geven en te verlalen om hill te redden als
zij in gevaar zijn! Zoo innig is zij met haar kind door de liefde
verbonden, dat zij maar Mm wezen met hem schijnt uit le maken;
want, als het kind lijdt, dan lijdt ook de moeder. Als wij nu den
hemel beschouweu, daar vinden wij de overgroole liefde, die de
heiligen, de engelen en bovenal de H. i\Iaagd, welke al de heiligen en engelen in volmaaktheitl overtreft, voor ons llebl.Jen.
Deze liefde gaat ongelwijfeltl ver al hetgene wij hiei' op aarde
kunnen vinden te Loven, en is voorzeker zeeJ' volmaal\1, daar·
zij door het aanschouwen tier goddelijke natuur zelve aangestoken en gevoed wordt. - Edoch dit alles is maai' een zcet'
onvolmaakL beeltl der liefde van Jezus lot ons. En imlenlaad hoe
groot moet zijne lieftle niet wezell, daar Jczus' menschelijl\e wil
door de godheid zelve, meL dewelke zijne meuschheid per~oo111ijk
vereenigd is, bewogen wonlt, en zoo uit hooftle van die zoo
edele. die goddelijke beweging, noodzakelijk in volmaal\lheid
den wil van alle andere geschapene wezens, ver moei o\·erlreffen! Gelijk de persoonlijke vereeniging eener geschapene natuur
met een goddelijl\en persoon het grooiste is, dat aan een :-:chepsel is verlcend geweesi; zoo moeien de heilig·heid en de deugden
van die aangenomene natuur, welke uil die persoonlijke vereeniging vloeien, noouzakelijk vee! volmaakter en verhevener zijn
dan de gevoelens van eenig ander geschapen wezen. Zoo veJ' de
persooulijke vereenigi11g van Christus' menschelijke naium· met
.God den Zoon onze verbintenis met God door de gmtie, en die

�"\'JERDE DEEL. -

3(3Sto LES, AAN~JERK.

1163

der Heiligen met God door het Iicht fler glorie overtreft; zoo ver
gaat ook de volmaaktheid van Jezus' liefde alle liefde van alle
geschapene wezens te boven. Buitendien hetgene Hij voor ons
gedaan lleeft, bewijst ons genoeg hoe onmeetbaar zijne liefde
voor ons is. Uit loutere liefde tot ons, om ons namelijk van de
eeuwigo dood te verlosson en ons de deur des hemels te
.openen, l1eeft Hij geleden zijn Ieven lang groote armoede en
verdriet, en op den dag van zijn lijden groote pijnen, die nooit
mensch verdragen heeft. En sedert zijne Verrijzenis en zijne Hemelvaart geef~ Hij ons geene mindoro blijken van liefde : Hij
&lt;}raagt vooreerst in den hemel zijne dood en zijn bloed gedm~ig
voor ons op, zijnen Vader smeekende 011s allerhande gratii~n
te Yergunnen. Maar dit is voor zijne liefde nog niei geiweg.
Als onze hoogepriester en onze middelaar bij God, slachtoffert
Hij zich dagelijks door zijne priesters, in geheel de H. Kerk van
het Ooslen tot het Westen, door het aannemen van den laagsten
en den ootmoedigsten staal ~ogelijk, namelijk met zich onder
de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig te stellen; Hij
geeft zijn eigen vleesch en blood aan zijne geloovigen onder de
gr.daanlen van brood en wijn te nutten, om hun zijne eigene
krachlen mode te deelen en hun te loonen hoe innig zij met Hem ,
vereenigd l':ijn en eeuwig zOn zullen: en doot· al de andere Sacramen ten past Hij zelf, bij middel van den bedienaar, die als zijn afgezant handelt, hun de verdiensten zijner dood rechtstreeks toe.
En dH alles doet Hij. in weerwil zijner goddelijke en oneindige
weerdigheid en onzer nietigheid. De Psalmist zong :door goddelijke ingeYing in de Babylonische ballingschap : '· Jei'usalem,

.. zoo ik u ve;·gete, dan wo1·de mijne ~·echte hancl 1:ergeten!
" Dat mijne tong kleve aan mijn geltemelle, zoo ik moe;· niet
.. gedenke, zoo ik Jm·usalem niet stellc als toppunt mlj'nm·
, v1·eugde " (Ps. CX....\:.XVI); en wat moeten wij dus Yan ons
zelven niet zeggen, die zoo weinig Jezus als mensch indachtig
\

zijn, die zoo zelden op zijne liefde denken en er Hem eene zoo
H

�1164

VIERDE DEEL. -

35ste LES, AANlllERIC

kleine dankbaarheid over betoonen. Leeren wij ons dikwijls Jezus als mensch voorstellen, zijne overgroote liefde en genegenheid tot ons overdenken, en met de engelen uitroepen : .. Jezus

komt de lof toe en de eer en de hee;·lijklzeid en de macht in
alle eeuwigheid. " (Openbaring van den H. Joannes V. 13.) Zoo
dikwijl:; wij het Kruisbeehl aanschouwen, zouden wij die gevoelens moeten hell ben; wij behooren ons dan te zeggen : degene, die daar aau het kruis hangl, is mijn Zaligmaker, die mij
van de hel verlost en den hemel voor mU geopend !weft; het is
mijn leeraar, die door zijne woorden en werkel'l. mij den weg
der zaligheid is komen leeren; het is mijn heilige en onbevlekte
opperpriester, die dagelijks in mijne plaals zich aan God
slach'toffert; het is mijne kracht, mijne stel'li.te en mijne
hoop, want aan de heilige Tafel geeft Hij zich zelven tot spijs
mijner ziel om mij te leeren, dat Hij zijne eigene krachten mij
mededeelt, en mij leidt tot zijn eigen geluk, tot den hemel waar
God aanschijn aan aanschijn aanschouwd 'vordt. En bij deze
ootmoedige bekentenis van Jezus' weerdigheid en weldaden, •
zouden wij de uitdrukking onzer innigste dankbaarheid moeten
voegen. Ret zien van het beeld eens weldoeners van deze aarde
beweegt aile rechtschapene herten; hoe verstaan wij dus, dat
wij, die in Christus' weerdigheid en weldadru1 gelooven, bij het
aanschouwen zijner beelden zoo ongevoelig blijYen!

�VIJFDE DEEL.
ZEVEN EN DER'flGSTE LES.
0

Van de erfzonde en de dadelijke zonde.
Snmenbang van dit Inntste deel met de voorgaande. - De ,;ier em·ste
dec len hchucn ons gclccrd, al wat wij moclen we len of doen om volgens de
leering van Christus in den dienst van God lc kunncn treden : hel cerste dec),
'twelk over hel Gcloof sprcckt, hccft ons God lccrcn kenncn gclijk Hij door
Christ us' vcropcnuaring kcnbaar is; hcltwecdc hccft voorgcslcld hoc en wat wij
van God moe len hopcn; hct dcrdc hccft ons vcrklaard hoP. wij God moctcn
• beminncn en wat wij daarloc vcrschuilligd zijn lc docn ; en hel vicrde hccft. ons
de middclcn aangewezcn, die ons de hocdanigheden en de krachtcn vcrschalfcn,
wclkc wij noodig hcuhcn om God tc kunncn uchagcn en Ilem te kunncn dicnen,
gclijk llij het wil. Na ons voorgcsteld tc hebben al wal cr noodig is om God
volgens Christus' leering lc bcginnen dicnen, zal de Catechismus in dil Jaalsle
decl handclcn van dezcn dicnsl in zich zclven, of in andere \\'Oorden, van de
Christclijkc Rcchtveenligheid. Door Christclijke Hechlveenlighcid verslaal men
immcrs dien slaat, waarin de mensch, \'olgens Christus' leering, God dicnt
gclijk hct hehoort, of in de oogen nn God is, gelijk Got! hcl \'faagt; dicn
slaal, waarin de mensch hcrcid is lc handclcn en handclt \'olgcns het rcchl,
volgens ilc wet en den wil Go1ls. De slolfc tlus van tlil laalsle dec\ is in 't kort
voor lc slcllen, wat er in 11icn dicnsl lc v\uchlrn, en wal er in lc docn is;
waarin de zakcn, die lc docn (If lc vluchlcn zijn, cigcnlijk bcslaan, en hoc
dczc tlicnsl ccn eintle nceml.
Dc.Calechismus lecrt dater tot de Christrlijkc n~chtvcerdighcid !wee dingcn
vcrcischt zijn : het lwmacl v/ieden en het goed doen. Ilcl ccrslc dczcr Lwcc
punlcn lcgl hij uit in de 3i&gt;lc en in de 3Sslo Lcs, waarin hij over tic zondc
en uc vcrschilligc soorlcn van zondcn han dell; en hcllwccdc in uc 3!JsLc en in
de 4-0stc, waarin hij van de deugd en van de gocd·c \\'crken sprcckt. Daarna
indc 4lsLc Lcs, om tlczc lccrin:; tc sluitcn, sprcckl hij \'an de uitcr~lcn des

�1166

YIJFDE DEEI.. -

37sto LES, 1sto. VR.

menschen: hij leer! ons daar, hoe ons dienaarschap jegens God hier.op aarde
eindigt, en welk het lot zal zijn van de gocdc en van de slcchte dienaars.
Inhond dczel' Lcs. - Deze les bevat de ,·olgende verdeelingcn :
I. In de cerste vraag ·leert de Catechism us ons, waarin de Christelijke Rechtveerdigheicl hestaat; hij zegt dat zij hestaat in de :anden tc vlieclen en in de
deugden te oefenen.
II. In t1e lweede vraag hegint hij het ecrste punt der Christelijke Rechtveerdigheid uit te lcggen, te weten, /tct v/iedcn dcr zondc : hij vraagt hier
111at zonde is.
Ill. In de derde vraag gecft hij de bijzonderste ~erdeelingen der zonde : hij
vraagt : hoevelcrlci zondcn zij1l c1·.
r
IV. Van de vierde tot de laatsle vraag h:mdelt hij over eenige bijzondere
soorten van zonden.
a) In do vierde en in de vijfde vraag handelt hij over de crfzoiiC/c. llij
vraagt : tvat de crfzonde is, en wat k111aad :ij ons doct.
b) Daarna in de zesde en in de zevende vraag spreekt hij O\'er eene andere
bijzondere soort van zonden, namelijk, over de dagelijksche zonclen: en, gelijk
h\j dit gerlaan heeft met de erfzonde, vraagt hij nopens deze zonden, 1oat :.ij
zijn, en wat kwaad :roij ons doen.
c) Eindelijk in de achtste en in de negendc vraag Ieert hij ons eene bijzon-.
dere onderverdeeling van zonden kennen, waarvan hij in de vierde naag niet
gesproken heeft, te weten, de vreemdc zonden ; hij slelt er dcze twee vragen
over : wat :.ijn vrecmde zonden; en /toe gesclticden de vrcemclc zondctl.

l. V. Iloeveel deelen zijn er van de Gltristelijke

Reclltveerdigheid?
A. Twee, te weten : het kwaad schuwen en het goed
doen, of de zonden vlieden en de deugden oefene1~.
1. De zin der vraag is : waarin of uit welke deelen bestaat de
Christelijke Rechtveerdigheid.- Door bet woord Recht-veerdigheid, wordt bier niet de zedelijke deugd van rechtveerdigheid
beteekend, die ons voorschrijft den naaste in zijn strikt recht
niet te hinderen, maar wel die staat van den mensch, waardoor
hij aan God behaagt en Hem dient gelijk Hij bet vereischt. De

�VIJFDE DEEL. -

37 310 LES, 1sto VR.

1167

heilige en deugdzame menschen worden immers gewoonlijk
r·echtveerdigen genoemd. De Rechtveerdiglleid, waarvan er bier
spraak is, draagt den naam van Christelijke Rechtveerdiglleid,"
omdat Christus ons is komen leeren, wat er in ons vereiscbt
wordt, om aan God te behagen en Hem te dienen.
2. De Cat~chismus antwoordt, dat er tot de Cllristelijke Rechtveerdigheid twee dingen beh9oren : te weten : het l~waad sclmwen en het goed doen, of de z'onden vlieden en de deugden
oefenen.- Het eerste deel: het kwaad schuwen o{de zonclen .
vlieden, bestaat in niets te doen, dat volgens Christus' leering
verboden is; en bet tweede, te weten : het goed doen of !de
deugden oe{enen, in te volbrengen wat door Christus geboden
of zelfs alleenlijk aangeprezen is. - Allergemakkelijkst is bet
te begrijpen waarop dit antwoord geg1·ond is : een dienaar moet
immers om zijnen meester wei te dienen, niet alleenlijk alles
Iaten, wat hem verboden is, maar hU moet tevens alles doen,
· wat zijn meester hem gebiedt; en wil hij zijnen ,meester zeer
volmaakt dienen, hij zal daarbij nog doen hetgene deze hem enkel
zal aangeraden bebben.
3. :Men merke bier op, dat het verzuimen van bet goed te:doen,
'twelk geboden is, ook eene zonde uitmaakt; en~ dat bijgevolg
bet tweede deel der Christelijke Recbtveerdigheid, ten minste
gedeeltelijk, onder bet eerste schijnt begrepen te zijn. M~ar,
wanneer de uitdrukking het goed doen of de deugden oefenen,
aan deze andere : het kwaacl schuwen of de zonclen, vlieclen,
is tegenovergesteld, beteekent zij gewoonlijk : die !dingen doen,
welke ons geboden zijn, terwijl de andere dan alleenlijll:. nitdruid : dat Iaten 'twelk verboden is.- Daarenboven:de uitdrukking het goecl doen of de deugclen oefenen, is nog hierdoor
onderscheiden van het kwaad schuwen of de zonclen vlieden,
dat bet in zich oolt. bet volgen der menigvuldige godvruchtige
en heilige dingen, die Christus niet bevolen, maar~aangeprezen
en aangeraden heeft, besluit, of in andere woorden, dat het 'o'ok

�ll68

VIJFDE DEEL. -

37 510 I.ES, 2do VR.

in zich bevat llet goed te doen zooveel mogelijk, meer dan er
door de geboden vereischt wordt.

2. V. lVat is ::on de?
A. Een woord, \Verk, begeerte of verzuimenis tegen de
wet en den wil Gods.
l. De Catechismus begint in deze vraag uitleg te geven ovei'
het eerste deel der ChristelUke Rechtveerdig:hei1, namelijk,
over het schuwen van het kwaad of lwt vlieden de;' zonden;
en hij vraagt daartoe eersi en vooral : wat is zonde.
2. In zijn antwoord leert hij ons a) welke dingen zonde kunnen zi:jn, en b) wat e;· in die dingen ?;e;·eischt is, opdat zij
zouden 1.0nde wezen.
3. \\'elke dingen kurmen zonde zijn? lVoo;·den, we;' ken, begeei'len of ve;·;;uimcnisseu. - lVowden; men zondigt door
woorden als men, bij voorbeeld, God lastert, slecllte eeden doet,
valsche getuigenis geeft, achterklap spreekt, uitscheldt, verwijt,

liegt.
nre;'ken, dat zijn, uitwendige handelingen; men zondigt
door werken als men, Lij voorbeeld, iemand dootblaat, kwelst
of merkelijk in zijn lic!Jaam hindert, als men steell, als men
uitw~ndiglijk onkuischheid doet.
Begeei'len; dat WOOI'll beduidt eigenlijk den wit VW.t iets te
doen; maar hier beleckent hot daarenboven nog, gelijk hot uit
den samenha.ng der redo Llijkt, de andere inwendige werken
der ziel, te weteri, voorstellingen in de inbeelding en gedachien
i~ den geest behouden, iets goedkeuren of zijn welbehagen in
iets stellen. l\ien zondigt dus door begeei'len, gelijk dit woord
hier verstaau wordt, wanneer men, Lij voorbeeld, den wil heeft
, van te stolen of onkuischheid te 1loen zoo de gclegenheid zich
aanbood, of \Vanneer men wenscht deze of gone zonde te kunnen
bedrijveil; alsmede wauneer men zicli zonuer genoegzame red en

�VIJFDE DEEL. -

3i 8 te LES, 2~e YR.

1169

met onkuische gedachten bezig houdt, wanneer men eene zonde
inwendig goedkeurt of er zijn welbehagen in stelt.
Verzuimenissen, dat zijn, nalatigheden van iets te doen. Zoo
zondigt men door verzuimenis als men, bij voorbeeld, des Zondags geene Mis !wort. als men ten minste Mns 'sjaars zijne biecllt
niet spreekt en het lichaam des Heeren niet nut, als men nalaat
diegenen te straiTen en te berispen, well\e men bestieren moet.
Het vet•dient on:r.e aandacht dat in deze opnoeming van wom·den, wei·ken, begee1·len of ve1·zuimenissen, al de daden van
een redelijk schepsel begrepen zijn : a! hetgeen een redelijk
schepsel l\an teweeg brengen is iets verricltten, of iets nalaten,
of in andere woorden, het is ee.ne daad van bedrijf, of eene daad
van verzuim; en de daden van bedrijf lnmnen op drij manieren
geschieden, te weten, door uiLwendige handelingen of werken,
of door \voorden, of door begeerten (dat is, door eigenl~jke beFeerten, door inwendige goedkeuring of door \Yelbehagen te
nomen, en door hot enl\el behouden van gedachten). Diensvolgens a\ hetgeen een mensch kan doen, is in de opnoeming van
den Catechismus beslo!en.
4. \Vat is er nu vereischt opdat een woord, een werk, eene begee!·te of eene verzuimenis zoude zonde wezen 1 Zij moeten geschieden tegen de wet en den wil Gods; dat is, zij moeten eene
overtreding uitmaken van de wet en den wil Gods, of zij moeten
door God verboden zijn. - Wat beteekenen hier de woorden :
de wet en den wil Gods? Zij beteel\enen, de wet of de gebode.n
ons rechtstreeks van God gegeven. en ook al de andere wetten
ons door de H. Kerk en door andere wettige overheden voorgeschreven : deze laatste komen ook onder den naarn van wit
Gods, omdat zij geeue wetteu zijn rechtstreel\s van God zelven
ons gegeven, maar omdat het Gods wil is dat wij ze volbrengen.
Bijgevolg, eene daad is alleenlijk zonde wanueer zij tegen de
voorschriften, tegen den wil van God strijdt; maar da~u·uit mag
men niet besluilen, dat men niet zoudigt wanueer men tegen de

�1170

YIJFDE DEEL. -

37 510 LES, 2do YR.

rechtveerdige voorschriften eener andere wettige.overheid handelt, dewijl Gorl wil, dat men aan die wettige overheid gehoorzame : 't is immers van Hem dat aile macllt van te gebieden
voort.komt.
5. Bemerken wij wei, dat de Catechismus zegt : tegen de wet
en den tcil Gods, en dat men derhalve niei zondigt met iets te
doen tegen de raden van God : om eene z6nde te llebben moet
de daad geschieden tegen den verbiedenden of den gebiedenden
wil van God.
6. Niaar hoe moet eene daad tegen de wet en den wil Gods
geschieden om zonde te zijn : is bet genoeg dat de daad in haar
zel\e met de wet en den wil Gods strijdig weze, ofwel moet 7.ij
wetens en willens daartegen geschieden1 Tot eene zonde, 'die
den mensch kan aangerekend worden, is er noodzakelijk vereischt, dat de daad tcetens en willens tegen de wet en den wil
Gods geschiede; want de mensch moet enkel rekening geven
van hetgeen hij wetens en willens doet. De mensch is immers
van rle dieren onderscheiden door zijue rede en zijnen vrijen
wil, en derllalve handelt hij alleenlijk als mensch, wanneer hij,
door zijn verstand geleid, iets uit vrijen wil veiTicht. - Wat
beteekent eigenlijk de uitdruld;.ing wetens en wiltens? Zij beteel~:ent : voor het oogenblik met waarheid wetende of ten min:;te
wezenlijk meenende dat eene zekere daad kwaad en verboden is,
en nogtans met den wil in dat gekende of gemeendc kwaad toestemmende.
Eerst en vooral moet men weten, dat de zaak welke men
doet, kwaad en verboden is; en zoo bij voorbeeld, zou voorzeker
een mensch, met op eenen Vrijdag, wei meenende dat het Donderdag is, vleesch te eten, op geener wijze tegen het gebod der
.H. Kerk zondigen. Nogtans is er niet vereischt dat de daad,
welke men denkt zonde te zijn, \Yaarlijk in haar zelve tegen de
wet en den wil Gods strijde, opdat er zonde zou bestaan :
daartoe is bet genoeg, wezenlijk te denken dat iets kwaad en
~

�VIJFOE DEEL. -

37•te J,ES, 2de YR.

1171

verboden is, al ware het in zich zelf niet verbpden. Want bet is
ons verstand, dat ons de wet en den wil Gods moet voorhouden,
en dam·om handelen wij ongetwijfeld tegen de wet en den wil
Gods, wanneer wij iets vrijwillig doen, &lt;lat ons vei·stand verklaart kwaad en verboden te zijn. Daarom, wie op eenen Donderdag denkt dat het Vrijdag is, en niettegenstaande vleesch
eet, zal zich niet min aan zonde plichtig mal&gt;.en, dan indien hij
zich wetens en willens met vleesch op eenen Vrijdag tegen het
gebod der H. Kerk spijsde. ,
7. i\Iaar wat• is er te den ken van &lt;lengene, die eene daa&lt;l verricht, wezenlijl;. Lwijfelemle of hij geene zonde doet1 Deze maakt
zich voot•zeker aan zonde plichtig : want in dat geval wil hij die
daad verriclrlen al ware zij zonde, en zoo wilhij tegen de wet en
den wil Gods handelen. Nooit magmeti met twijfel handelen: men
moet, eer dat men iets doet of Iaat, den twijfel door gegl'Onde
redenen atleggen, en de overtuiging hcbben, tlat men door het• gene men nu zal doen of Iaten, zich aan geene zonde plichtig
maakt. - Dit antwoor&lt;l nogtans moet geene uees inboezemen
aan de uauwgezette conscienWiu, die &lt;likwijls beneesd zijn
door allel'lmnde daden te zon&lt;ligen. Dezen schijnen wel met
twijfel te hanuelen en diensvolgens tegen hunne conscientie (I) te zondigen; &lt;loch het is wezenlijk z66 niet. Zij we ten
immers met der daad dat deze of gene zaak, 'vaarover zij
zondet· reden bevreesd zijn, geen kwaad is, want moesten
zij slechts op eene wetenschappelijke wijze daarop antwoorden,
zij zouden het gewoonlijk wel &lt;loen. l\Iaar de stoornis hunner
inbeeldingskracht maakt hen dam·over angstig en beuauwd, en
belet hen een wam· om·deel te strijl;.en en zich zoo door bet
vet·staud te laten geleiden. Al het.gene zij voor oogen hebben zijn
niets anders dan voorstellingen, die de geest door de inbeeldings(1) Door consciclltic of !JCtcctcll ''OI'stnan wij het oordeel van ons ,·erstaod,
'twellt ons getuigt wat or in deze of gene bepanlde omstandigheid goed of
~~~

.

�ll72

V!Jl•'DE DEE!,, -

37sto LES, 2do YR.

kracht bewogen. zich van de eeue of de andere zaak maakt,
zonder een wam· oordeel daarover te vormen; en bijgevolg
met iets in hunnen angst en vrees te verrichten, handelen zij
niet tegen hunne conscientie, u. i. tegen het oorueel van hun
verstand, maar tegen enkele voorstellingen waaroYer hvn verstand ZOU moeten oordeelen, maar dOOl' de st.oornis be!et WOrdt
een oordeel te strijken.
· 8. Hoe moet. iemand, uie twijfclt of llij verplicht is eene zaali. te
doen of te Iaten, dezen twijfel arleggen; is hij gehouden datgene
te verkiezen, 'twelk ow tegen Gous wet en wilniet te handel en,
bet zekerste is?- a) De meuschen die genoegzame geleerdheid
en bekwaamheid bezitten, moet.eJi als zij over eene zaak twijrelen, dew wei onderzoelwn om tot de ware oplossing te geraken.
Maar .vinden zij dat er gegronde reuenen voor en tegeu bestaau,
dan zijn zij niet gehouden het zeli.erste te verli.iezen~ ten ware
hun twijfel eene zaak als voorwerp had, uie het middel is tot een
einde, dat Yolstrekt moet beli.Omen worden, en datdel'llalve noodzakelijk vereischt flat \Vij het zeli.erste verl\iezen. Zulke zaken
zijn al hetgene waa.rschijnlijk uit noodzali.elijldwid des middels
tot de zaligheid noorlig is; al lwtgene waarschijnlijk vereischt.
wordt tot de geldigheid Yan een Sacrament, al hetgene aan den
naaste waarschijnlijk eenig lnvaad, dat tle liefde of de rcchtYeerdiglieid ons Yerbiedt hem aan te doen, zou toebrengen; alsmede
al hetgene waarin wij u it hoofde van een con tract of van eene
belofte het zekel'ste moeten aannemen. - De rerleu van het
eerste dee! des antwoords is, dat wij in 't algeltleeu maar kunnen
gehouden zijn den wil des wet.gevers te volbl'engen Yom· zooveel
hetmenscheli.ik verstantl dezen met zekerheid kan kennen; want
werd er meer van ons geeischt. dit. zou voorllwmcn of uit cene
algemeene natuunvet: die o11s gebietlt in tlen twijfel altijd het
zekerste te verkiezen, ofwel uit den stelligen wil des wetgeYers.
Edoch zulke algemeene natuurwet, die met ?.ekerheid gekend
is, bestaat er 1iiet; en zelfs de rede Yerklaart ons dat zulk

�\"I,JJ'I&gt;E DEEL. -

3i 510 I.ES. 2do VR.

lli3

eenr wet niet kan bestaan, dewijl zij leert dat niemand tot iets
lwn verplicht of verhonden zijn, tenzij die plicht of band hem
toegepast wordc door zijn geweten of kennis, en rlat twijfel
geene kennis is. Ool;; zowlen cr uit zulke eene verplichting
oneindig vee! moeilijklleden voortspruiten, die het. geestelijk Ieven, om zoo te zeggen, onmogelijk zouden maken: er zijn immers
vele duisterc vraagstukken, en moesten wij in aile omstandigheden het ZP.kerste volgen, dit zoude ons gedurig in lwmmer,
angst en vr~es brengen. - Dat er aan dezen regel de vier
gezegue uitzonderingen te maken zijn, i:; ook gemakkelijk om
begrijpen : vooi'eerst in de zaken, die uit noodzakelijkheid des
middels tot de zaligheid vereischt zijn, .moeten wij ongetwij{eld
altljd het zekerste aannemen, want kwam er ons iets van die
volstrekt noodzal;;e\ijke middelen te ontbreken. wij zouden de
zaligheid verliezen; etl diensvolgens met hel min zeker::;le te
kiezen, zouden w~i ons blootstellen dat einde niet te bereiken,
. 'twelk wij nogtans \Olstreld bereiken moclen·. Insgelijks in de
zaken die tot de geldigheid van een Sacrament betrel;;king
hebben, moei men ook het zekersie volgen; want, buiten het
geval van nood, een Sacrament bedienen of ont"mngen met
twijfel of de noodige vereischten tot de geldigheid vervuld zijn,
is dit Sacrament oneerbiedig gebruiken en bijgevolg Chris ius.
zelven, die er de ins teller Yan is, oneee aandoen; en deze oneer
vermijden is nog eeus eon einde, dat wij voorzekei' moeten
bereil\en. Op dezelfde wijze ab &lt;le zaak, waarover wij twijfellm,
den naaste waaeschijnlijk eenig kwaatl zou aanbrengen, 'twelk
de liefcle of de rechtveerdigheid beJeL hem aan te rloen, moeten
wij ook het zekeeste verkiezen, daar de orde der we~eld volstrekt verbiedt den naaste op eenige· manier zonder recht en
rellen kwaad toe te brengen, ja zelfs hem zonder recht en reden
aan ~enig gevaar bloot te stellen. Eimlelijk als wij door een
contract of door eene belofte, die wij gedaan hebben, verplicht
zijn in de eene of de andere zaak het zekerste aan te nemen, dan

�ll74

' VIJFDE DEEL. -

37 510 LES, 2do VR.

zijn wij noodzakelijk gehouden &lt;lit contract of die belofte te
houden.
b) Wanneer men over iets twijfelt zonder gegronde reden,
deze twijfel brengt geene verandering bij : de zaak blijft dan
voor ons verboden of toegelaten, gelijk zij het v66r den twijfel
was; en de reden dam·van is, dat een twijfel, well;;:e op niet
genoeg gegronde redenen steunt, niets kan teweeg brengen. Zoo
bij voorbeeld, wanneer wij zonder genoegzame reden twijfelen
of eene verplichting niet opgehouden heeft, blijft ,deze voor ons
bestaan; en indien wij zonder goede reden twijfelen of er geene
nieuwe verplichting is opgekomen, moeten wij daarop geene
aandacht.geven.
c) Degenen. die weinig geleet•dheid en belnvaamheid hebben,
moeten in hunne gewichtige twijfels, zoo dikwijls het mogelijk
is, raad vragen; want eenieder moet zijp beste doen om zijne
plichten genoegzaam te J;;:ennen : en wanneer de tijd ontbreekt
om raad te vragen, moeten zij, voor zooveel zij lmnnen. de zaak
rijpelijk m·erwegen en de bovengemelde regelen volgens hun
vermogen toepassen.
d) Degenen, die eene nauwgezette (dat is eene scrupuleuze
conscientie ltebben, moeten aile twij~Js oplossen met de raadgevingen van den biechtvader blindelings te volgen, en zich verders gerust stellen. zoolang zij niet zien dat iets zonneklaar
zonde is. De scrupulen bestaan immers in eene ongegronde en
onredelijke betwijfeling van alles wat of tot gelteel de zedenleer
&lt;&gt;f tot een zeker deel derzelve bett·ekking l1eeft; en zij ];;:omen
voort uit de stoornis der inbeelding, die bij de personen door eene
ongeregelde vrees van te zondigen bevangen allerhande ongerijmde voorstellingen in het verstand Yeroorzaakt, en hetzelve
belet er een oordeel over te vormen. Hieruit volgt dat de
scrupuleuzen geheel onbekwaam zijn om door zich zelven hunne
twijfels op te lossen: en daarom moeten zij, om van die geestelijke kwaal genezen te worden, zich verootmoedigen en blinde-

�VIJFD'E DEEL. -

37s1o LES, 2do vn.

1175

lings met een waren geest van onderwerping op het Geloof
gesteund, zicll geheel door den biechtvader Iaten leiden, en
slechts dat door zich zelvenals kwaad oordeelen,.dat zonneltlaar
zonde is en waarover er niet de minste twijfel voor iemand ka.n
bestaan. Dit is het eenigste micldel. dat hun overblijft; en het
is ongetwijfeld Gods en Christus' wil, dat zij dit middel met
ootmoedigheid aanveerden en gebruiken, ten einde door lmnne
scrupulen hunnen tijd, die zoo kostelijk is, niet nutteloos te
verkwisten, hUJl Ieven niet Ianger te verbitteren en in geene
grootere ongelukken te vallen.
!). Wat is er te den ken van dengene, die door onwetendheid of
onbedachtzaamheid, welke uit eigene schuld voortkomt, bet
kwaad niet kent dat hij doet~ Deze, wanneer hij de kennis, die
hij lmn en nioet hebben, verwaarloost aa.n te werven, en niet
genoegzaam aandachtig wil zijn, maakt zich daardoor plichtig·
aan al de zonden, die hij voorziet door zijne onwetElndlieid of .
•onbedachtzaamheid te lmnuen bedrijven. Hij zondigt niet op het
oogenblik dat hij, zonder het te weten, tegeu de wet en den wil
Gods handelt, maar dan, wanneer hij wetens en willens zich
aan de onwetendheid of aan de onbedachtzaamheid overgeeft,
alhoewel goed overtuigd ·dat hij zich daardoor aan het zondigen
blootstelt.
10. Buiten de kenuis, die men op het oogenblik der zonde van
het kwaad datmen bedrijft, moet hebben, isertoteenewarezonde
nog de vrije toestemming van den wil vereischt: de zomle moet
niet alleenlij k wetcns maar ook will ens geschieden; het is zelfs
de wil, die de bijzonderste oorzaak der zonde is. De kennis van
het verstand is slechts eene vool'loopende vereischte voorwaarde
der zonde, terwijl de toestemming van den '-vii de zonde gebeel
uitmaal\t. Him·uit vloeit dat iemand, die een zondig werk, niet
omdat hij bet wil, maar alleenlijk door geweld "\"Cl'l'icht, op geener wijze in de oogen van God plichtig is. Zoo bij voorbeeld,
wanneer tijdens de eerste vervolgingen, de Heidenen met geweld

�Y!JFDE DEEL. -

1176

37" 10 LES, 3&lt;1c YR.

de Christenen voor de afgodenbeelden sleepten. korrels wierook
in hunne handen staken en deze boven de ollerand.en uitgestrckt
bielden, om hen aldus te dwingen de afgoden te verceren, waren die Christenen in de oogen van Gorl niet plichtig, omdat
lletgeen zij deden niet vrijwillig was. Wegens gebrek aan vrije
toestemming moeten ook verontschuldigd worden de allereerste
bewegingen van ongeduld, van gramschap, van wraal\zucht, Yan
onzuivere neigingen, alsmede ue onkuische gedachten en inheeldingen, en andere dergelijke gevoelens, 7.00 dikwbls zij in ons
ontstaan of bestaan zonder de toestemming van onzen wil.

3. V. Iloevelerlei zonden zUn er?
A. Tweederlei : de erfzoncle en de daclel ij kc zonclc; en
onder de zonden die met de daacl geschieclen, zijn
eenige doodelijke en andere da9elijkschc.
1. Na ons gezegd te hebben, wat de zoncle is, zal tle Catechismus ons thans. om ze ons nog beter te doen kennen, voorstellen
ho&lt;;~ zij verdeeld worrlt : de bepaling en de verrleelinp; eener
zaak zijn immers de twee groote middelen om ze le vel'ldaren.
Hoe·veledei zonden zijn e1·, zegt hij, dat is, hoeveel soorten
van zonden zijn er~
2. Hij leert ons ia het antwoord, rlat er twee hoofdsoorten
van zonden zijri, te weten :de e1'{zonde en de dadelijlw zonde;
en dat de dadelijke zonden, d. i. de zonden die door on7.e daad
geschieden, onderver·deelU. worden in doodelijke en in dagelijk-

sche.
3. De hoofdverdeeling der zonden in e1"(zonde en dadel~jlw
zonden is genomen uit hunnen oorspr·ong : de e1·(zonde komt
voort, niet van onze persoonlijl\e daad, maar van de daad van
een' ander. te weten, van onzen em·sten vader Adam : en zoo
is ;dj '':'aarlijk eene erfzonde, eene zonde die geer·fd wordt, die
ontvangen wordt van een' ander en van ons zelven niet voort-

�VIJFDE DEEL. -

3isto I,ES, 4de VR.

1177

komt. De dadelijke zonde integendeel komt van onze persoonlijke
daad voort; zij is niet geerfd van een' ander, maar bestaa.t in
ons door onze eigene sclmld en werking; en daarom wordt ?.ij
dadelijlw zonde genoemd, d. i. eene zonde die mel de daad,
met onze eigene persoonlijlte daad, geschiedt, gelijk de Catecilismus zegt.
4. De onrlerverdeeling der dadelijke zonden in doodzonden
en dagelijltsche, steunt op de verscilillige zwaa.rte dezer
zonden : eenige&gt;van hen zijn zoo grooL en zoo zwaar, dat 1.ij de
ziel van haar geestelijk Ieven berooven en zoo haar onder· het
opzicht van het geestelijk Ieven de dood toebrengen; terwijl de
andere min grooL en zwaar zijn, de ziel van haar geestelijk Ieven niet berooven, en ten gevolge der krankheid van de menschelijke natuur, gemali:kelijk en dikwijls, ten minste als zij
maar half nijwillig zijn, geschieden. De zonden der eerste soort
worden doodzonden genoemd, omdat zij de ziel onder het op'?.ichL van 't geestelijk Ieven dooden; en de andere hebben den
naa111 van dagelijli.sclw ::onden, omdat men z66 gemakl\elijk,
ja zelfs dagelijks, ten minste zulke halfHijwillige zonden bedrijft.
De tlauelijke zonden lwnnen nog onder vele andere op7.ichten venleeld wor·den. De Catechismus geeft al deze onderverdeelingen niet, omdat zij weinig nut bijbrengen : hij zal er ons
nogtans eenige, die meest behooren gekend te zijn, vau voorstellen in de volgende nagen en in de volgende les.

4. V. TVat is de er(zonde?
A. Eene afgekeerdheid van God en bet·ooving van de
rechtvecrdigheid, die alle mensch en uangeboren
wordt door den val van onzen eersten vader Adam.
l. De Catechism us begint in deze vraag te spreken van de erf-

zonde, die eene der hoofdverdeeliugen der zonde uitmaakt. Hij
vraagt hier, wat die zonde is.

�1178

YIJFDE DEEL. -

37sto LES, •!do YR.

2. In zijn antwoord leert hij ons : a) waarin eigenlijk het wezen of de natuur van die zonde bestaat; b) wie er mede besmet
is; en c) hoe en wanneer deze allen er merle besmet worden.
3. Voorecrst, waa;·in bestaaL eigenlijk de erfzoilllo 1 Zij bestaat,
gelijk de Catechismus zegt, in eene a(gekee;·cllteid van God en

be;·ooving van de i'ecMveeJ•digheid, die alle mensclwn aangebo1·en wonlt dom· den val van onzen ce1·sten uuler· Adam.
- Bene a(gekee1·dheid van God; deze woorden betcekenen
niet de daad van zich van God af te keeren, vawvrijwillig zijne
wet en zijnen wil te over!.reden en te zondigen; maar den sLaat
dergenen, die in Gods gratie of gunsL niet staan, die aan Gotl
niet behagen of zijne vrienden niet zijn, die in zijne oogen niet
zijn gelijk Hij het wil. Bijgevolg is de e;'(zonde ee1·s( en rooml
gelegen in eenen staat. waardoor men in de gratie of de gunst
Gods niet is, of de vriend van God niet is, of Hem niet behaagt.
Welk is de reden van die a(gekeer·dhcid ·ran God, van die
ongunst bij God, van die vijandschap bij God 1 De reden van die
afgekeerdheid is de bc1•ooving van de I'Cchtuc;Yligheid, gelijk
de Catechismus, met deze woorden bij de voorgaande te voegen,
ons leert. - Berooving, dat is nieL alleenlijk iets niet bezitten,
maar iets niet bezitten dat men zou moe ten bezitlen. - Rcchtvee;·digheicl, dat woord is bier niet genomen in den zin, welken
het in de JS16 vraag heeft. waar het beteekent ''cchlvcel'clig
of heilig leven; het druid hier den staat van heiligheid uit, die
eigen is aan de bovennatuurlijke orde, waarin wij ons bevintlen,
en die in de heiligmakende gratie gelegen is (zie II D. bl. 807).
- Derhalve bestaat de erfzonde eerst en vooral in eene afgekeerdheid van God, in dewelke de menscli zich bevindL, omdat
hij beroofd is van de heiligmakende gratie, welke hij volgens
Gods instelling en wil zou moeten bezitten.
Maar van waar lwmt die afgekeerdheid van God en berooving
der rechtveerdigheid, waarin de erfzonde bestaat 1 Zij wordt
alle menschen aangeboren dom· den val t:an onzen ee1·sten

�V!JFDE DEEL. -

37sto LES, 4d 0 VII..

vade1• Jtdam, gelijk rle Catechismus zegt; dat is ten gevolge van

de zonde door Adam, den vader van geheel het menschelijk
geslacht, bcdreven in hel aardsch Paradijs, met van de verbodene vrucht te etca. Deze afgekeerdlleid van God en berooving
van de rechtveenligheid komt dan voort van eene overtreding
der goddelijl\e wet, niet door ons, maar door een' ander bedreven. te weten, door Adam, die de eerste vader is van alle menschen; en daarom wordt de zonde, welke die afgel\eerdheid van
God en beroo'ring'dei' rechtveerdigheid uitmaakt, e;·(:.onde genoemd ; dat is eene zonde die geerfd wordt, die ons van een'
ander als nalatenschap toekomt. - Bijgevolg bestaat geheel
de erfzonde in eenen slaat van ongunst bij Gou, voortspruitende
uit de berooving der heiligmalwnde gratie, die wU door den val
van onzen eersten vader Adam verloren hebben.
Hoe lmnnen wij echter door de zonde van onzen eersten
vader Adam van tle heiligmakende gratie beroofd zijn, en diensvolgens door zijne misdaad in ongunst zijn bij God 1 Dit is gemakkelijk om verstaan : de heiligmakende gratie is geene natuul'lijke
gaaf, die gelijk, bij voorbeeld, de ziel en het lichaam noodzal\elijk vereischt is opdat een mensch waarlijk mensch zou wezen,
of die de mensch door zijne natuurlijke krachten lmn aanwinnen
of verdienen; maar wel eene bovennatuurlijke gaaf, die aan niet
een geschapen wezen natuurlijk toeko1~1t, die God uit loutere
goedheid den mensch geschonken heeft, en die Rij derhalve den
mensch kon weigeren zonder de rechlen det· menschelijke
natuur te kort te doen. Welnu, God l1eeft .de heiligmakende gra~
tie aan Adam &gt;oor hem zelven en te zamen ook voor al zijne
nakomelingen gegeven, doch niet zonder voorwaarde : Hij heeft
immers vastgesteld dat Adam, om deze gaaf voor zich en zijne
nakomelingen te behouden, Hem zijne gehoorzaamheid moest
betoonen met van de verbodene vrucht niet te eten, en dat hij ze
voor zich zelven en al zijne nalwmelingen aanstonds zou verloren bebben, kwam hij dat gebod te overlreden. Adam heeft de

�11~0

\"IJFDE DEEL ..-- 37ste LES. 4dc YR·

gestelde voorwaarde niet volbracht, en zoo lweft hij voor zich
zelven en voor al zijne nakomelingen de heiligmakende gratie_
of de rechtveerdigheid verloren. - Handelt God rechtveerdig,
wanneer Hij ons, nit hoofde der zonrle door een ander bedi·even,
zulk eene groote gaaf ontneemt 1Ja; zijne handelwijze is Leenemaal
rechtveerdig, aangezien de menschelijl\e natuur uit haar zelve
bet minste recht tot die gaaf niet lweft (zij is immers bovennatuurlijk, dat wil zeggen hoven geheel de natmw, hoven al hetgene
tot de gescbapene wezens behoort), en dat bfjgevolg God haar
aan den mensch niet moest vergunnen. Indien Hij ze vel'leend
heeft., Hij heeft dit gedaan uit vrijen wil, uit loutere goedheid.
Maar wie iets geeft uit loutere goedheid, mag ook tot behoudenis van die gaaf. de voorwaarden slellen. die hij wil; en derllalve
heeft God op geener wijze oll!'eclltveerdig gehandeld met de
bebourlenis der heiligmakende gratie voor geheel het menscbdom
te doen afhangen van Adam's gehoorzaamheid. Zoo, bij &gt;oorbeeld,
als een lwning aan eene familie eenen eereUlel of groote landerijen uit loutere goe(lheid geeft, mag hij ongetwijfeld hel bewaren van die gunst, daar hij ze uit vrijen wil schenkt, doen
afhangen van de handelwijze des hoofUs dezer familie en vaststellen dat al de leden dezes huisgezins van llie gunst zullen
beroofd worden, als hun hoofd de gestelde voorwaarden niet
vervult; en voorzeker niemand zal dien koning van onrechtveerdigheid kunnen heschuldigen.
:Maar indien deze handelwijze niet onrechtveerdig i!&lt;, schijnt
zij nogl.ans niet onredelijk te zijn; is bet niet onredelijk de IJehoudenis eener gaaf, aan 't menschdom zelfs enkel uit loutcre goedheidgeschonken, te doen afhangen van bel gedrag van Mnen persoon in 't bijzonder 1 Gorl lweft daarin op geener wijze onredelijk
gebandeld; inlegendeel heen Hij in die beschikking een allergrootste bewijs van zijne oneindige wijsheirl g-egeven. Tnderdaad
God, als Hij den mensch tot zijn kind aannam en hem erfgenaam
des bemels maakte, kon niet nalaten hem boven de heiligmakende

�VIJF'DE DEEL. -

37stc LES, 4de YR.

1181

gratienog demvier buitennatuurlijl\egaven te vergunnen, te weten: deonsterfelijklwid, de ingestorte wijsheid, do vrijdom van de.
begeerlij kheid des vleesches en van de ell end en dezes Ievens;
want deze vier gaven zijn rle natuurlijke voltrel\ldng van den
staat van aangenomen kind Gods en zij kunnen er niet van afgescheirlen worden, tenzij wanneer de orde dcr wereld om eene
bUzondet"e reden het zoo vet"eischt, (gelijk het bij voorbeeld nu
het geval is na de zonde en de verlossing, zie bladz. 012) 'Vant
men verstaaj. niet dat de mensch, tot ldnd van God aangenomen
zijnde, zonrler eene b!jzondcre reden onderworpen zou blijven
aan de dood, aan de onwetemlheid, aan de hegeerltjkheid des
vleesches en aan de ellenden dozer werclrl : rlie weerdigheid van
kind Gods is vee! tc gt"oot en te ve1'11even. om ui t har~ natum· met
deze k~valen gepaard te kunnen gaan. "'elnu, indien rle behoudenis dezer gaven van Adam's gehoorzaamheid niet had afgehangen, zomle zij van het gcrlrag van een'ierler moeten afhangen
hebben, rlewijl God, volgens rle besluiten &gt;an zijne wijsheid en
zijnen nijen wil, de gehoot"zaamheid van rlen mensch wilde
beproeven. Maar inrlien zij van het gedmg van een'ieder had
afgehangen en nog afhing; wat zou er van de samenleving
geworrlen zijn! De eene zoude onsterfelijk, met de grootste
wctenschap zonder studie begaafd, van de begeerlijl;.heid des
vleesches. en van aile ellenden nij geweest zijn, terwij\ een
ander, zooals zijn vader of moeder, zijn bt"oedet· of zuster, zijn
gebuur in rlien staatzich zou bevonden hebben. waarin wij ons nu
bevinden; en· iedereen verstaat dat alsrlan de samenleving zoowei onder het geestelijk a\s onder het wet·el!llijk opzicht. geheel
onmogelijk zou wezen. _Hieruit blijkt het, dat God. om zijne_
wijsheid te toonen, de behoudenis der gavcn aan het menschdom
in Adam gegeven, van de gehoorzaamileid van eenen aileen, en
wei voorzeker van het hoofd des menschdoms.• moest doen afhangen;zoodanig dat indien Adam die gaven Yel'loor, aile menschen

ze vet·loren, en indien Adam ze behield, aile menschen ze

�1182

VIJFDE DEEL. -

3i 510 LES, 4do YR.

bel1ielden. - Men zou hiertegen kunnen inbrengeu, dat God,
indien Hij bet behouden dier gaven van den wil van een' ieder
had doen afhangen, iederen zondaar aanstonds na zijne zonde
had kunnen doen sterven, en derwijze beletten dat de rnaatschappij tevens uit sterfelijke en uit onsterfelijke rnenschen zou
bestaan hebben. Doell het is vruchteloos deze opwerping te doen.
Inderdaad, om te toonen dat de erfzonde niets hevat dat
onredelijk is, moeten wij hare overeenstemming aanwijzen, niei
metal hetgene God te onzen opzichte zou kunnen wjllen hebhen.
maar met het plan van bestuur dat Hij wezenlijk aangenomen
heeft. \Velnu het plan door God aangenomen is als regel niet te
hebben den mensch na de doodzonde aanstonds te doen sterven,
gelijk het klaar blijkt uit de geschiedenis van Adam en Eva, die
na hunne zonde zijn blijven Ieven; en het was ook allerredelijkst
dat God dii plan aannam, want ander:; l;,on van in het begin het
menschelijk geslacht op eens eindigen. Bijgevolg, om te bewijzen hoe er niets in de erfzonde is rlat onredelijk schijnt, moeten
wij beginnen met te veronders iellen en aan te nemen, dat God als
regelniet lteeft willen bepalen, iederen zondaar na de zonde aanstonds te doen sterven. Daarenboven de verondersielling, die in de
opwerping gedaan wordt, is niet vohloende om de samenleving
van in het begin de1· wereld mogelijk te maken; \Vant men
rnoet toch erkennen dat Adam en Eva aanstonds na hunne zonde
niet zouden gestorven zijn; en hoe 7.0uden zij, beroofd van de
genoemde gaven, met hunne kinderen die er rnede versierd
waren, kunnen leven hebben 1
4. TYie is nu met deerfzonde besmei1 Deze zonde,zegtde Catechismus, wordt alle menschen aangeboren: bijgevolg, allemenschen, die tot hierloe bestaan hebben of bestaan, zijn met die
zonde besmet geweest, en al degenen die tot het einde der wereld
zull.en bestaan, znllen er mede besmet worden. - Zijn er hierin
geene uitzonderingen~ Ja; wij kennen er twee. en deze worden
ons voorgehouden als pun ten van ons Geloof: vooreerst Christus,

�VIJFDE DEEL. -

3-;stc I,ES, 4de VR.

1183

de God-mensch, is voorzeker als mensch nooit met de minste
zonde besmet geweest : uit hoofde der oneindige weerdigheid,
die aan zijne menschelijke natuur om hare persoonlijke vereeniging met den tweeden P~rsoon tlet' H. Drijvuldigheid eigen is,
kon er in Hem als mensch geene de minste zonde te vinden
zijn. Ten tweede, de H. l\'laagd Maria is ook zonder vlek
ontvangen, 't is te zeggen, zij is nooit met de erfzonde besmet
geweest : welk voorrechL zij ontvangen heeft omdat zij de
moeder van ChrisLus moest worden .
Hoe lwmt het, datal de menschen, behalve deze twee uitzonderingen, met de erfzonde besmet Y.ijn? Dit vloeiL JJatuurlijk uit
de. wijze op dewelke onze eerste vader Adam de heiligmakende
gratie ontvangen heeft: hij heeft ze ontvangen niet alleen voor
zich 7.elven, maar ook voor alle zijne nalwmelingen; of in
andere woorden, hij heeft ze ontvangen niet persoonlijk, niet
als een bijzOJJdere persoon, maar volgens de naLuur, Yolgens
. Y.ijne hoedanigheid van stamvader van geheel bet menschelijk
geslacht, en bijgevolg nieL slechts voor zich zelven, maar ook
voor al degenen, die uit hem moesten geboren worden. Adam
heeft het gebod van God O\"ertreden, en derwijze heeft hij de
heiligmakende gratie niet. alleen voor zich zelven maa1· ook
voor al zijne nakomelingen verloren. ':Velnu alle menschen zijn
Adam's nakomelingen, en allen zijn bijgevolg als zulken van de
heiligmakende gratie beroofd. Deze berooving maakt de erfzonde
uit; en zoo blijkt het dat alle menscllen met de erfzonde besmet
zijn.
5. ':Vanneer en hoe wordt de mensch met de erfzonde besmet?
Die zonde, zegt de Catechism us, wordt alle menschen aangeboren; 'tis te zeggen. alle menschen zijn met die zoude besmet
van het eersle oogenblik van hun lev en; en zij zijn er mede
IJevlekt om reden lmnner geboorte, namelijk om reden hunner
geboorte uit Adam. - En hoe komt het, dat alle de menschen
van het eerste oogeniJlik buns levens, door hunne geboorte uit

.

�1184

VIJFDE DEEL. -

:3isto I.ES, 4.to YR.

Adam, met die zonde besmet zijn~ De reden daarvan is, dat de
menschen met die zonde besmet zijn a\s nakomelingen van
Adam; welnu, wij zijn lJakomelingen van Adam van in het
begin van ons bestaan, en door onze geboorte u if. hem ; en zoo
zijn wij noodzakelijk van bet eerste oogenblik onzes Ievens en
door onze geboorte uit Adam met die zonde besmet.
6. Eindeli,ik, hoe !;:an. deze verklaring van de 11atum· der
erfzonde met het voorgaande antwoord samengesleld worden :
hier wordt gezegd dat de erfzonde eene afgekt.Wrtlheid is van
God en eene berooving det· gocldelijke rechtveerdigheid, terwijl
wij in de tweede vraag geleet•d hebben, dat de zonde bestaat in
een woord, werl;:, begeerte of verzuimenis tegen de wet en den
wil Gods1 Om clit te verstaan, moeten wij a\leenlij\;: onderscheid
maken tusschen de daad, door dewellw de zonrle gcschiedt, en
den staat. die uit de beclrevene zonde voortkomt. Gelijk er in de
ongehoorzaamheirl van een l\ind jegens zijnen vader twee dingen
te onderscheiden zijn, te weten, de rlaacl van niet te gehoor-zamen en de plichtigheicl en ongunst. die er uit voort.komcn; zoo
is ook in de zonde, rlie tegen God geschiedt. de daacl der zonde en
de staat van zondc of de staa't van plichtigheid en ongunst te
onderscheiden. I&gt;ie staat van plichtighei•l en ongunst is bet
natuur\ijk uitwerksel van de daad dcr zonde, en wot•dt daarom
staat van zonde en ook zonde genoemd. \Ve\nu, de erfzonde,
die aile menschen aangeboren wordt, is niet door o1~ze eigene
daad, maar door die van onzen eersten vader Aclam ucdreven :
zij is in ons niets anders dan een staat ,·an zonde, voortlwmencle
uit de daad van Adam; en daarom a\s men vraagt waal'in de

erfzonde, ·die in ons is, bestaat, kan men ze niet verklaren met
te zeggen, welk werk zij is door ons tegen God bedreven, (want
zij is door ons niet bedreven), maar men moet ze verki:Jren, met
voor te stellen, in welken staat van ongunst zij ons bij God
brengt, en uit wiens daad zij voortkomt.

�VIJI'DE DEE!•. -

:nste LE~, 5de VR.

ll85

5. V. lVat kwaad doet ons de er{zonde?
A. Dat zij ons de rechtveerdigheid beneemt en onbe~
kwMm ma~ld om de glorie des hcmels te genieten.
I. Na ons gezegd te hebben, wat de erfzonde eigenlijk is, zal
de Catechismus ons nu leeren, wat nadeel, wat schade zij ons
aoet : wat llwaad (dat is, wat nadeel), vraagt hij, doet ons de

erfzonde?
2. rn zijn afitwoord noernt hij een dubbel kwaad, dat de erfzonde ons doel : a) dat zij ons de j'echlvee1·diglteid beneemt;
b) dat zij ons onbe/w;aam maallt om de glm·ie des hemels te

gcnieten.
3. Het eersle kwaad, dal de erfzonde ons doet, is dat ziJ ons
de l'echt?:cerdiglwid bencemt.- Welke rechtveerdigheid be~
neemt zij ons? Zij beneemt ons de ret:h lveerdigheid welke Adam
in het Paradijs voor ziclt zelven en voor al zijne nakomelingen
ontvangen IJad.- En waarin bestaat deze rechlveenligheid? Zij
. bestaal hoofdzakelijk in de heiligmakende gratie, waardoor wij
de aangenomene kinderen Gods worden, en in vier andere gaven
die met haar in het Paradijs gepaard gingen, en den staat. van
den mensch, tot Gods kind aangenomen, kwameu voltrekken.
Deze waren de onsterfelijkheid, ue ingestorte wijsheiu, Lie vrijdom van de begeerlijkheid en van al de ellenden dezes Ievens.
Door de onsterfelijkheid zou Adam, indien hij nieL gezondigd
had,"nooii gestorven zijn; na eenen 7.ekeren tijd, gedurende denwelken God zijne deugd zou beproefd hebben, zou Gorl hem,
zomlet· hem de dood te doen ondergaan, van de am·de ten hemet
hebben opgenomen. Door de ingestorte wijsheid be7.at Adam
zomlet· studeeren eene zeet' uitgestrekte kennis over geheel de
gescltapenc wereld en over de mysterien die de Yeropenbaring,
ons kenbaar gemaakt heeft ·: ltij verstond wei die m,ysterien nog
niet, dewijl dit tot het geluk des hemels bchom·t, maat· hij kende

�1186

\'!.IFDE DEEL. -

37sto f,ES, (ida VR.

ze veel beter dan wij 1.e nu kennen. Door den vrijdom van de
begeerlijl\heid was Adam gansch meester over de onkuische of
vleeschelijl\e bewegingen en de genegenheden tot zinnclijke goedCl·en, welke in ons lichaam bestaan : die bewegingen en die
genegenheden bingen geheel van 1.ijnen wil af : zij ontstonden
alleenlijk wanneer hij bet toeliet en eindigden volgens 1.ijne beliefte; terwijl zij in ons ontstaan ?.onder, zelfs ondanks onzen
wil en aan dezen_geens?.ins ten volle gehoo1:1.amen. Door den vrijdom van de ellenden dezes Ievens, was A1lam niet,aan het minste lijden, aan de minste ;dekte, aan de minste lichamelijl\e of
geestelUke kwelli11g onderworpen. - En hoe wordt ons deze
rechtveerdigheid door de erfzonde ontnomcn? De erfzonde bestaat, gelijk wij gehoord hebben, in eene afgekeerdheid van God
en berooving der rechtveerdigheid; en derhalve, is de ontneming uer rechtveerdigheid noodzakelUk !tel eerste k waad, dat
de erf1.onde ons tloet.
4. I-Iet tweedo kwaad is, dat zij ons onbekwaam maallt om
de glm"l'e des hemels te genieten; 'tis te zeggen, llat zij cren
mensch in de onmogelijkheid stelt van den heme! (bet geluk van
God aanschijn aan aanschijn te aanschouwen en in Hem aile
goed te genieten) te bekomen. Bijgevolg dan, aile de menschen,
die in de erfzonde sterven, namelijk aile de kinderen, die voor
de jaren van verstand sterven, zonder het Sacrament des Doopsels of het Doopsel des bloeds ontvangen te hebben en aile de
menschen, die tot de jaren van verstand gekomen zijntle van
deze wereld scheiden zondet· door het Sacrament des Doopsels
of door het Doopsel van begeerte of Yan bloed vergilfenis der
erfzonde te hebben belwmen, ?.ijn voor eeuwig van het geluk
des hemels beroofd (Zie 14do les, 3do vr.). - En waaruit volgt
bet dat de erfzonde ons onbekwaam· maakt om de glorie des
hemels te genieten1 Dit vloeit uit ham· ef)rste uitwerksel, uit de
ontneming der rechtveerdigheid. De heiligmakende gratie is
mmers volkomenlijk vereiscbt om den heme! te kunnen binnen-

�VIJFDE DEEI .. -

37sto J,ES, GdC VR.

1187

treden. Dewijl de hemel de erfenis is der aangenomene kinderen
Gods, en dat bet de heiligmakende gratie is, die ons aangeuomene kinderen Gods maakt, zoo blijkt bet dat deg·enen, die
zonder de heiligmakende gratie van deze wereld scheiden, den
heme! nieL kunnen bekomen : die geen kind van God is, kan de
goederen, door God aan zijne kinderen voorbereid, niet ontvangen. - Men weze wei indachtig, dat de ll.leine ltinderen die
zonder Doopsel v66r de jaren van verstaud sterven, alhoewel zij
van den heme! beroofd zullen wezen, nogtans niet ongelukkig
zullen zijn, maar integendeel een natuurlijk geluk zullen genieten. (Zie 15uc les, sstc vr.).

6. V. vVat £s de dagelijksche zonde?
A. Eene zonde zoo gecban tegen de wet Gods, dat zij
nogtans de godclelijke liefde niet wegneemt, maar
alleenlijk tot eenige tijdelijke pijn vet'bindt.
I. De Catechismus begint bier nu te spreken o&gt;er de zonden,
die wij door onze eigene daad bedrijven, en hij handelt eerst
over de dagelijksche zonden. 1Vat is, zegt hij, de dagclijkschc
zonde, of waarin .s de natuur der dagelijksche zonde gelegen 1
2. In zijn anLwoord leert hij ons twee dingen : a) dat de dagelijksche zonde eene ware zonde is; en b) welke zonde zij is, of
hoe zij van de andere onderscheiden is.
3. Vooreerst is zij eene ware zonde1 Ja, antwoordt de Catechismus, zij is eene zonde gedaan tegen de wet Gods; 't is te
zeggen, zij is een woo~:d, werk, begeerte of verzuimenis tegen
de wet en den wil Gods. Bijgevolg, door de dagelijksche zonde
verstaat men dan niet eene daad die alleenlijk min Yolmaakt is,
of die slechts te~en de goddelijke raden geschiedt, m~ar eene
daad, die waarlijk eene overh'eding van de wet en den wil
Gods uitmaakt.
·4. Maar welke zonden zijn dagelijksche zonden, of hoe strijdt

�1188

VIJFDE DEEL. -· 3i•to I.ES, 6do VR.

de dagelijl\sche zonde tegen de wet en den wil Gods~- Men
merl\e eerst op dat eene daarl op twee manieren tegen de wet en
den wil eens oversten kan strijden; zij lmn er z66 tegen strijden,
dat zij ons geheel ile gunst van dien overste ontneemt. en rle
volle straf tegen de overtt·eders der wet gesteld verdient, ofwel
slechts op zull{e wijze dat zij ons nog niet in ongunst doet vall en
en alleenlijk door eene gedeeltelijke straf moet uitgeboet worden. - Hoe strijdt nu eene dagelijl\sche zonde tegen de wet
Gods~ Zij is, antwoordt de Catechismus, z66 tegerr de wet Gods
gedaan dat zij nogtans de goddelijke liefde niet wegneemt,

maa1• alleenli;jk tot eenige tijdelijke pijn verbindt. - De goddelijke liefde niet wegneemt; dat is de vriendschap met God
niet breekt, of ons van de heiligmakende gratie niet berooft;
·want daardoor zijn wij in vri~ndschap met God, dat onze ziel
met de heiligmakemle gratie versie:ct is : de staat van heiligmakende gratie en de vriendschap met God, gelijk ook de berooving
. der heiligmakende gratie en de staat van vijandschap met God,
zijn zaken die in de bovennatuurlijl\e orde, door God ingesteld,
onafscheidbaar zijn. - Jlfaar alleenlijk tot eenige tijdelijke
pijn ve;·bindt; ·dat is te zeggen, niet de eeuwige straf der he!,
maar enkel eene straf van een bepaalrlen tijd bier op deze aarde
of hiernamaals in het vagevuur te lijden medebrengt. - Diensvolgens strijdt de dagelijksche zonde z66 tegen de wet Gods, dat
zij, alhoewel er eene ware overtreding van uitmakende, ons
nogtans in de ongunst van God niet brengt, maar alleenlijk tot
eenige tijdelijke pijn verbindt.
l\fen behoort hier indachtig te wezen d~t de eeuwige pijn
te zamen gaa.t met het wegnemeu de1· goddelijke liefde : de
eeuwige pijnen der bel zijn immers bestemd voor degenen, die
buiten de liefde Gods sterven (zie l5do les, gstc vr.); en bijgevolg,
kan de dagelijkscbe zonde, dewijl zij ons van de liefde Gods niet
berooft, ons tot de eeuwige piji1 niet verbinden. Zij verbindt
nogtans tot eenige pijn, .aangezien zij eene ware zonde is, en dat

�YIJFDE DEE!,. -

37sto LES, (ldo YR.

1189

de rechtveerdiglleid Gods voor aile ronde straf eischt in evenredigheid van het hedreven l\\vaad.
Wij zullen nog beter de natuur der dagelijl\sche zonde Ieet·en
lwnnen in lie volgende les, die over lie doodzonde handelt: daar
zullen wij leeren dat de dagelijl~:sche zonde ten opzichte der doodzonde is waL een onvolmaakt werk is tegenover een volmaakt.
5. 11Iaar hoe kunnen wij verstaan, dat de dagelijksche zonde
indien zij eene ware overtreding van Gods wet is, de goddelijke
liefde niet wegnfY'lmt; verl"oeit God niet ten hoogste alle zonde,
en rnoet Hij van zijne vriendschap niet al degenen berooven, die
Hem eenigszins vergt•ammen 1 Gelijk een overste hier op aarde
onredelijk zou hamlelen, indien hij voor alle overtreding zijner
geboden, hoe klein zij ook mocht wezen, teenemaal moest vergramd zijn en eene voile straf opleggen; zoo kan ook God, die
de opperste wijsheid eu reuhtveerdigheicl is, de kleine en onvolmaal\le overlredingcn zijner w:elmet de berooving zijner vriendschap en met cle eeuwige pijn der hel niet slmlfen. - De berooving van a lie niendschap en de volledige straf passen all~en­
lijk op eene. groote en volledige overtl'eding der wet, maar
geenszins op eene kleine en on•olmaakte mnde tegen de wet
bedreven : verbreking der nienllschap en volkomene straf voor
eenc volkomcne mnde; maar geenc verhrcking tier Hiendschap
en allecnlijk eenc onvolkomeue straf voot·· de onvolkomene
zonden.
o. Uit hetgeen de Catcchismus ons leert over de natuur der
dag·elijksche zonde, volgt dan klaarblijl\end, dat zij geene volledige mam· alleenlijk eenc onvolledigc overtreding van Gods
wet is. \Vanneer eene overlreding van Gods wet onvolledig is,
zullen wij leeren in de 2'1" vraag der volgenlle les.
7. Waarom worden nu de zonden, die Gods liefde niet wegnemen en alleenlijk Lot eene tijdelijl;.e pijn verbinden, dagelijksche .z~nden genoemd? Zij worden zoo genoemd omdat zij, uit
hoofue van de li.rankheid onzer natuur en van de moeilijkhcid

�1190

VIJFDE DEEL. -

37sto LES, 7de YR.

om de wet Gods alleszins te volbrengen, zeer dikwijls, ja zel[s
dagelijks door godvreezende menschen kunnen bedreven worden. Wij zijn immers zoo krank, dat, alhoewel wij ell\e dagelijksche zonde in 't bijzonder lmnnen schuwen, wij nogtans
nooit Iangen tijd al de half vrijwillige dagelijksche zonden
zullen vermijden, len ware God ons daartoe eene gansch
bijzondere gratie verleende, gelijk Hij het volgens de leering der
' H. Kerk voor de H. Maagd gedaan heeft.

7. V. Wat kwaad doen ons de dagelijksclte zonden?
A. Ten eerste, zij doen ons in de liefde Gods vediauwen; ten tweede, zij maken ons gereed tot meerderen val; ten clerde, zij verbinclen ons tot tijclelijke
straffen.
l. De Catechismus, na gezegd te ·hebben wat de dagelijksche
zonde is, leert ons bier wat schade, wat nadeel zij ons doet : ·
wat kwaad, zegt hij, (dat is, wat schade of nadeel) doen ons de

dagelijksche zonden;
2. Hij antwoordt dat zij ons een drijvoudig kwaad doen. Ten
eerste, zij doen ons in de lie{de Gods verfiauwen; dat is, zij
zijn de oorzaak dat wij God min vuriglijk begiunen te beminnen,
of de deugd min vuriglijk beginnen te oefenen, want wij onderhouden de liefde tot God met de geboden te volbrengen en de
deugden te oefenen. - Maar hoe zijn zij de oorzaak, dat wij
God min vuriglijk beginnen te beminnen 1 Onze vurigheid in den
dienst van God hangt af van den graad der heiligmakende
gratie die in ons is, alsook van de menigvuldigheid en de
kracht der dadelijke gratii:in die dienen om de heiligmakende
gratie werl{erid te maken; bijgevolg moeten wij hier verklaren, wat de dagelijksche zonden ten opzichte van die twee
bestanddeelen onzer godvruchtigheid doen. Vooreerst zij verminderen den graad van heiligmakende gratie niet, clien wij

�VIJFDE DEEL. -

37sto LES, 7do VR.

11"91

bezitten, daar zij onze vriendschap met God niet brel\en en zoo
ons de geestelijke goederen niet doen verliezen, well\e wij
alreede bezitten; maar zij verminderen de dadelijl\e graWin, zij
zijn oorzaak dat de dadelijke graWin, die God ons. nog zal
vergunnen, min menigvuldig en min krachtig zullen zijn.
Het is immet·s gemakkelijk om begrijpen, dat God min zorg
voor ons zal hebben en ons min hulp zal verleenen, naarmate
wij, met dagelijksche zonden te bedrijven, zijne zorg meer
zulleu verslooten en zijne hulp min gebruil{en. Een vader zal
natuurlijk ''eel meer zorg hebben voor een kind, dat naar hem
welluistert en al zijne geboden tracht te volbrengen, dan voor
een ander, dat ongehoorzaam is en weinig acht neemt op zijne
zorgen.
Dat de dagelijl\sche zonde de heiligmakende gratie niet vermiudert, blijkt ook uit hetgeen de Catechismus over deze zonde
geleerd heeft in ~e voorgaande vraag. Hij zegt daar, dat de
· dagelijl\sche zonde de heiligmakende gratie niet wegneemt;
welnu, indien de dagelijksche zonde de heiligmakende gratie
verminderde, zoude men met meer en meer dagelijksche zonden
te bedrijven, meer en meer van de heiligmakende gratie verliezen, tot dat deze eindelijk geheel zou verloren zijn; en bijgevolg blijkt bet, dat de dagelijkscbe zonde de heiligmakende
gratie op geener wijze vermindert.
Het tweede kwaad. dat de dagelijkscbe zonden ons doen. is
dal zij ons gereed maken tot mee1·de1·en val; 't is te zeggen,
dat zij ons voorbereiden om dikwijlder te zondigen en grootere
zonden, te weten, grootere dagelijksche zonden en zelfs doodzonden, te bedrijven. - En· hoe komt het, dat de dagelijksche
zonden ons dit kwaad doen ~ Dit tweede kwaad vloeit uit het
eerste : indien de dagelijl\sche zonden ons in de liefde Gods doen
vertlauwen, volgt bet natuurlijk dat zij ons voorbereiden om in
menigvuldigere en in grootere zonden te vallen : hoe min hulp
wij van God, onder het opzicht der dadelijke gratien die recht-

�1192

Vll'JDE DEEI,. -

3i•lo !.ES, jdc VR.

streeks dienen om ons de deug1l te doen oefenen en het kwaad
te doen vlucllten, ontvangen, lwe gemakkelijker wij in zonden
en zelfs in grootere zontlen zullen vallen. Daarenboven, de
H. Schrift getuigt en de ondervinding lee1·t ous dat degenen, die
li.leine dingen verzuimen, allengsl\ens in gi'ootere foulen vallen.
En het is niet rnoeilijk om te begrijpen, hoe dit voor de dagelijli.sche zonden ten volle waar is; want 't zij wij ons aan
dagelijksche zonden plichtig mali.en met slechts half vrijwillig
de wet en. den wil Gods g1·ootelijks te overtreden. pf met geheel
vrijwillig eene kleine overtreding te bedrijven, in alle geval
verflauwen toch de kracht en de moed van onzen wil om
aan de groote en zware bekoringen te wederslaan, en tevens
groeien onze begeerlijldwid en onze neiging tot het kwaad
gedurig meer en meer aau. - Gelijk het immers met de ldeine
licharnelijke krankheden, die verwaarloosd worden, geschiedt,
zoo is het ook met de kleine zonden, die men niet vlucht.
De lichamelijke kranldwden ve!·zwakken gedurig het lichaam
en leiden het langzamerhand naar de dood; zoo ook die kleine
zonden, waarop men geene aandacht vestigt, verslappen dagelijks het geestelijli. Ieven der ziel, en doen haar eindelijk door
de doodzonde dat le&gt;en verliezen.
Het derrle lnvaml, 'twelk da dagelijl\sche zondcn ons docn,
is dat ;;ij ons verbindcn tot tijdelijke sli·af!'en; 'tis te zcggen,
dat zij ons Lijdelijke pijnen bereiden, hier op am·de of Jliernamaals in het vnge,·um', uit te boeten. Deze pijnen worden
tijdelijk genoemd, omdat zij nict eeuwig dm·en, gelijk die dcr
bel, maar na een zekcrcn tijd ophouden. - ''.raarin IJestaan
die tijdelijke straffen1 H_ier op aarde bestaan zij in ziekten,
vroegtijdige dood, ongelukken, tegenspoed, verlies van cer,
faam en tijdelijke goederen, kwellingen der ziel, en in alle
andere kwalen &lt;lor wereld. De pijn des vagevuurs bestaat in
de tijdelijke berooving van Gods aanschijn, en in de tijdelijke
pijn van llet vuur. (Zie 15&lt;1o les, 4ao vr.) - En hoe groot

�\'lJFDE DEEL. -

3is!e LES, 8 510 YR.

1193

zijn de tijdelijke ·straffen, tot dewe\1\e de dagelijksche zonden
ons verbinden1 Die straffen zUn verschrikkelUk groot. Wij
lezen in de H. Schriftuur, dat Mozes, de bevoorrechte geleider
van bet volk van Israel, voor eene kleine zonde van wantrouwen, beroofd is geweest van bet geluk bet Heilig Land binnen
te treden, en dat hij, als hij dat land in 't zicht had, is moeten
sterven. De huisvrouw van Lot is om eene kleine zonde van
nieuwsgierigheid in eene zuil van zout veranderd; en 50,000 inwoners van Bethsames werden met de dood gestraft, om wat
te lichtveerdig ~e ark des verbonds aanschouwd te hebben.
\Vat de grootte varr de pijnen des vagevuurs betreft, men
weze aandachtig dat volgens het gemeen gevoelen der godgeleerden, de kleinste straf in het vagevuur, ten minste onder
het opzicht der pijn van schade, de grootste pijn die een
mensch op aarde lijden kan, te boven gaat. En het l\an niet
mulees zijn : dewijl wij liever de grootste pijnen dezer wereld
moe ten lijden, dan de l\leinste dagelijksche zonde te bedrijven;
'zoo moet ook de skaf, die er tegen gesleld is, grooter zijn dan
die pijnen; want ande1·s zou de gestelde straf geene kracbt
hebben om den mensch van die zonde te wederhouden.

8. V. l'Vat zijn vreernde ~onden?
A. Zonden die, hoewel zij door anderen geschieclen,
nogtans ons toegeschreven en aangerekend worden,
omdat wij tot dezelve in eemge manier geholpen
hebben.
1. De Catecbismus spreekt hier nu v_an eene bijzondere soort

van dadelijke zonden, die zoowel doodzonden als dagelijksche
kunnen zijn, te weten, van die zonden, welke VI'Cemde zonden
genoemd worden. Hij onderzoekt in deze vraag, wat die zonden
zijn of waarin zij bestaan.
2. In zijn antwoord eert hij over die zonden drij dingen :

�1194

YIJFDE DEEI •. -

3i810 f,ES, gste Y!C

a) dat !let ware zonden zijn; b) wat die zonden eigen is : er is
hun eigen dat zij door ande1·en geschieden, en nogtans ons
toegesclvoeven en aangereltend wcwclen; en C) Waat'Oill die
zonderi, allloewel door auderen I.Jedreven, ons toegeschreven en
aangerekend worden : dit gesclliedt omdat wij tot clezelve in
eenige manie1· gelwlpen hebben.
3. Vooreerst dan, de vreemde zonden zijn ware zonden, 'Lis te
zeggen, daden door dewelke wij de wet en den wil Gods overtreden ..
4. Wat is nu die zonden eigen ~ Dat zij niet door ons zelven
maar do01· anderen gesdlieden, en nogtans ons toegesclweven
en aangerekencl W01Ylen; 't is te zeggen, daL de daad, welke
de zonde uitmaakt, gelijk I.Jij voori.Jeeld, een doodslag, eene
diefte, een onkuiscll werk of eene ongelloorzaamlleid, 11iet door
ons zelven, maar door anderen bedreven wordt, en, alhoewel
door anderen bedreven, nogtans in de oogen van God ook als
onze zonde wordt aanzien, en ons \vaarlijk plichtig maakt.
5. En waarom worden die zonden door anderen bedreven
ons toegeschreven en aangei·ekend 1 Omclat wij tot dezelve in
eenige IIUtniei· geholpen hebben; rlat is, omdat wij eenigszins
medegewerkt hei.Jben tot het bedrijven dier zonde. Deze medewer);.ing tot het I.Jedrijven eener zonde kan op drie manieren
geschieden : wij kunnen daartoe medewerken, ten eerste, met
iemand wezcnlijk tot het kwaad te bewegen, le belwren, le
verleiden, zooals met hem dit te gebieden, te raden, aan te
prijzen enz.; - ten tweede, met iemand in 't bedrijven der
zonde te helpen, zooals bij voorbeeld, met iemand hulp te geven
om in een huis te breken ten einde daar ie stelen; - en ten
derde, met de ·zonden van een' ander niet te beletlen, als men
da.:1.rtoe uit hoofde van zijnen staat of ambt, of van eene zekere
overeenlwmst of ·contract gehouden is, zooals bij voorbeeld
met niet tr. straffen, als bet ambt, waarmede men bekleed is, ons daartoe verplicht. 't Is waar dat niet beletten

�VIJFD(; llF.EL. - · 37 810 I.ES, Ssto \'R.

ll95

geene medewerking !;.an genoemd worden in den eigenlijl;.en
zin des woords, daar zij geen \Verk maar eeue verzuimenis
uitmaakt. Edoch zij mag alleruest onder den naam van medewerl;.ing komen, daar men met beL beletsel niet te stellen, 't welk
men schuldig is te stellen, zoowel mede-oorzaak is der zonde
als met wezenJ:jk daartoe hulp tc geven: 't is immers om 't even
of men iemand niet betaalt wat men hem schuldig is, of dat met!
van hem dezelfde som steelt. -Om wel 1.e begrijpen, waarin dat

" niet beletten ~lei'' zonde, als men dam·toe uit lwofde van ::.iJn
" ambt of van een contract is gehouden, ·• wezenlijk bes!aat en
hoe het ons aan eene ueemde zonde plichtig maa kt, behooren
wij het eens nauwkeurig- le onderscheiden van •· het vm·zuimen

., den naaste ova zijn slecht gerb·ag le be1·ispen o( den naaste
"tegen de sleclzte en om·echtveerdi(Je daden van anderen
" te bescltermen, als de liefde, maw· zij alleen, ons daw·toe
" ve;-·plicht. ·• Zonder tot die berisping of beschel'lning uit
. hoofde van onzen s!aat of van een conLract gehouden le zijn,
worden wij er niet zelden doot• de liefde toe vet·plicht, namelijk
wanneer de zaak gewichtig is en dat wij Levens den naaste
gemakkelijk kunnen helpen. Welnu, als wij die bet·isping of
die beschel'lning, waartoe slechts de liefde ons Yerplicht, Yerzuimen, en ZOO de zomle des naasteu niet beletlen, zondigen \Vij
wel tegen de liefde, rnaat• wij maken ons niet plichlig aan eene
vreemde zonde, 'tis te zeggen, wij makcn ons niet plichtig aan
de zonde die ten gevolge van ons verzuim geschiedL En de reden
dam·van is, dat wij in die gevallen de zonde des naasten in haar
zelve niet verplicht zijn tegen te houden, maar slechts door
berisping of door uescherming voor 's naasten geluk moeten
zorgi:m, en dat wi_i diensvolgens niet wezenlijk merle-OOfzaak zijn
van de zonde die door ons verzuim bedreven wordL. Integendeel, als wij door onzen staat of door een con tract verplicht
zijn eene zonde te beletten, wel'lwn wij met der daad tot die
zonde mede indian wij geeu beletsel stellen: wij zijn immers in dit
i2

�1196

VIJFDE DEEL. -

3i 510 LES, 8510 VR.

geval verplicll~ de zonde zelve tegen te houden; en doen wij het
niet, wij werken wezenlijk tot die zonde merle, mal:;en ons
zoo aan die zonde zelve plichtig, en bedrijven bijgevolg eene
v1·eemde zonde. In de eerste der genoemde manieren
van medewerken is er buiten de vreemde zonde nog eene
zonde Yan rechtstreeksch schandaal, daar men in die medcwerkiug iemand wezenlijk tot zonde verleidt. In de tweede en
ilule derde manier van medewerkeu, za.J er, bo&gt;en de vreemde
zonde, zoo clikwijls nog zonde van onrechtstreeksch schamlaal
•
bestaan, als men dam·door aan iemand de gelegenbeid
geeft van
te zondigen. - :Men weze bier wel indacbtig, dat het on.rechtstreeksch schandaal, te we ten, zonder genoegzame red en iemand
de gelegenbeid geven van te zondigen, geeno neemde zonde
uitmaal;.t; men werld daar immers tot het hedrijven &gt;an bet
kwaad uiet wezen\ijk merle; het eenigste dat men doet. is de
gelegeuheid geven om de zonde te hedrij&gt;en, bet herlrijven van
het kwaacl iemand gemakkelijk of mogelijk mal;.en.
Is het wei redelijk dat 1le zonde door anueren bedr~ven ons
toegeschreven en aangerekenrl worlle, om reden dat wij tot
dezelve op eenige manier geholpen hebben1 Ongeiwijfeld, zoo
v'ereiscbt bet immers de recbte rede; want met iemantl in hot
overtreden van de wet en den wil Gods te helpcn, zijn wij
waarlijk te zamen met hem do oorzaak van die overtrccling, en
zoo maken wij ons noodzukelijk aan die overtreding plichtig.
Diegene is aan eene zonde plichiig, wie e1· 1le oorzaak vm1 is;
welnu, doo1· tlie hulp te geven, zijn zij waarlijk do oorzaak van
de zonden dooi' anderen berireven; en zoo mocten die zonden
ons toegeschreven en aang_erekend worden. De vader eons huisgezins bijYoorbeeld, zal niet aileen tlat kind van ongeltoorzaamheid beschuldigen, 'twelk wezenlijk ongehoorzaam is, maar
ook dat ander, 'twelk in cle ongehoorzaamheid \an het eerste
1nedewerkt.
6. Van waar komt die naam van ·m·eemde zonden? Die naam

�VIJI.'DE DEEL. -

37 810 LES, g•to \'R.

1197

komt voort uit hetgeen aan die zonden eigen is; te weten :
dat zij niet door ons maar door anderen, of in andere woorden, door m·eemden be(h·even worden ; en daarom worden zij
.vr·eemde zoiH.Ien genoemd. - Beteekent dus die naam dat deze
zontlen ons gansch vreemd zijn 1 Geenszins; hij beteekent alleenlijk, dat zij ons vreemd zijn, voor zooveel zij door anderen
geschieden; want zij zijn Oils echtcr niet vreemd, in zoover wij
er dee! in hebben.
7. Bier blijftnog het volgendeaan te siippen: tot eene vreemde
zonde wordt er "niet ':ereischt, dat de zonde, tot dewell;.e wij
hulp geven, waarlijk bedreven worde : neen; wij maken ons
alreecle aan eene vreemde zonde plichtig, met tot eene zonde op
eelle van de gezegde manieren mede te werl;.en of met den wil
te hebben van dit te doeu; want daarin is geheel de schuld
gele~en, die wij in eene vreemde zonde kunnen hebben. Doell
anuers is het voor hetgeen de gevolgen der zonde aangaat,
~ooals bij voorbeeld voor
de restitutie, tot dewelke het
bedrij\en van onrechtveerdigheden ons vei'plicht. Van die
gevolgen zijn wij slechts verantwoordelijl;., nadat de vreemde
ZOJHle wezenlijk bedrevell is.

9. V. Hoe gescltieden de vree;nde zonden?
A. Door raclen. beschermen en gebieden, prijzen, medeclcelen en behagen, niet straffen, niet beletten,
niot overdhtgen.
l. Wij hebben gezien uat de vreemde zonden uie zonuen zijn,

welke hoewel door ande1·en gedaan, Oils nogtans toegeschreven
ail aangerel;.end worden, omdat wij tot dezelYe in eenige
manier geholpen hebben. Nu gaat de Catechismus ons de verschillige manieren uitleggen, op dewell;.e wij" tot de zonden
van aml~ren kun~ helpen : hoe geschieden, vraagt hij, cle
w·eenule zonden; dat is, op welke manier kan men andei'e':_l
tot zondigen helpen 1

�1198

VJJFDB DEEL. -

37 810 LES, gdo VR.

2. In zijn antwoord stelt hij negen bijzondere manieren v66r,
onllet· dewell~e alle andere begrepen zijn. - De ze~ ee1·ste
manieren bestaan in iets te doen, in dadelijk tot de zonde te
bel pen door woord~n of door werken; terwijl de di'ij laatste
gelegen zijn in eene verzuimenis.
3. De eerste manier is 1·aden. Men geeft 1·aad tot zonde :
a) met iemand de eerste genegenheid tot de zonde in te boezemen, zooals met hem voor te stellen, wat voordeel, wat
vermaak, welke wellust hij in de zonde zal vinden; hoe gemah.kelijk het is rlie zonde te doen, en dater geene redenen bestaan,
om zich daarvan te onthouden ; alsook t;Jet hem door beloften
of door· giften of door smeel\ingen tot zonde ~e verlehlen;
b) met op eene dergelijke wijze iemand in zijne genegenheid tot
het kwaad aan te moedigen; en c) met iemand, die de zonde
reeds wil bedrijven, de middelen aan te wijzen om ze te doen.Aan rleze vreemde zonde maken zich in 't bijzonder plichtig,
allen die hunnen naaste door woorden, beloften, giften, smeekingen, aanlokl~en tot vloeken, onkuischheden of anrlere slechte
"\\ret·I;:en, om naarslechte vergaderingen of naar s!P.chte en geYaarlijke llUizen te gaan. om slechte boeken te lezen, om het Geloof,
de H. Kerk en hare wetten te verachten, om de priesters oneer
aan te doen, om zijne kinderen op eene onYerschillige en
goddelooze wijze op te brengen, enz .. alsook degenen, die aan
den naast.e, wanneet• hij alreede slecht gesteld is of wanncer zij
hem tot het kwaad bewegen, de plaatsen, de manier en de middelen aanwijzen, om zich gemakkelijkst en Yeiligst aan de zonde
te kunnen oYerleveren.
4. De tweede manier is besche;·men. De zonden van wule1·en
besche;·men geschiedt : a) met eenen zondaar tegen degeneri,
die werken om hem van de zonde te wederhouden, door woord,
· schrift of daad voor te staan en te verdedigen; of b) met hem te
.beschermen in 't bedrijven zelf van de zonde. - Deze vreemde
zonde wordt op de eerste manier berlreven door oversten, welke

�VIJFDE DEEr,. -

37sto LES, g.te VR.

1199

ten onrechte kinderen verdedigen tegen andere oversten. die ze
eene wei verdiende straf willen toepassen; door degenen, die op
de tribunalen of in den dagelijkschen handel onrechtveerdigherlen en zonden van anrleren verdedigen; door dezen, die in
schriflen en redevoeringen de vervolg-ingen legen het Geloof
en de I-I. Kerl;; voorstaan; door slochte gezellen en !eden van
slechte vergaderingen, die elkandet· ondersteunen en verrledigen, om in hun zondig Ieven te kunnen voortgaan. En op de
t\v~de manier, maken zich aan rleze ueemde zonde plichtig
degenen. die brj voorheelrl de dieven in hun huis verbergen of
de instrumenten en het geslolon goed der dieven be\varen;
alsook degenen, rlie hunne !mizen aan lie zondaars openen tot
het bedl'ijven van het kwaad en om de zondaat·s nijheid to
geven.
5. De derdc manier is gebiede11. Gebieden beteekent hier.
door zijn gezag, door zijne macht, door zijnen invloed iemand
d wingen iets zondigs te doen. - Met dew zonde bevlekken zich
de ouders, die hunne kinderen gebieden te liegen of te bedriegen; de oversten en meesters die hunnc onderdanen op de
gebodcne Heiligdagen en Zondagen zondcr nood slafelijke ambachten doen verrichten, of andere werken opleggen, die met
de welton van God of van de H. Kerl\ strijdig zijn, enz. -Doze
nccm&lt;le zonde is nog crger kwaad, als men hoven bet gebod
iemand tot bet kwaad dwingt 't zij door bedreigingen of zelfs
~loor list of geweld.
G. De vionle manior is p;·ij:;en.
Men maakt zich aan deze
zonde plichtig, als men mot bet kwaad te Ioven en te verheffen,
en met de doug&lt;l te belachen en te bespolten, den naasle tot de
zonde aanlokt. P;·ij:.en is dan hetzelfde niet als '!'allen; als
men de zondc ::.umr:uuH, dan stoql\t men rechtstreeks een' atHler
op, om eenig kwaad te doen; maar als men alleenlijk het kwaad
prijst, dan ·lokt men den naaste slechts door eenen om\Yeg tot
rle zonde : met hot k\vaa1l to verheffen en de deugd te mis-

�1200

VIJI'DE DEE!,

-

37stc I.ES, ()de VR_.

prijzen I.Jeweegt men hem tot de zonde, zmider hem .i·echtstreeks
de zonde aan te raden. Zoo handelen de vleiers, die om eenige
gunst ie bekomen, de fouten en zwakheden van andereu met den
naam van deugden bestempelen; degenen &lt;.lie eet• en lor geven
aan ue ongehoorzaamheid, aan ue onret·:;chilligheid, aan de
ongei.Jondenheid, en de deugd en de godvruchiigheid belachell;
die zich op hunne ondeugden en slechte werl;.en I.Jeroemen, en
de godvreezeiHle menschen als onnoozelen en zwakhoofden
Yoorstellen. Door zulk eene handelwijze Iokken zij den naasle
wezenlijk tol de zonde en 1le ondeugd aan, en m&lt;n;.en zich derwijze aan eene vreemde zonde plichtig.
7. De Yijfde manier is mededeelml. Door mededeelen wonlt
verstaan : iets wezenlijk bijdntgen tot hei I.JeurijYell Yau eenc
zonde en zoo in de
_, zondige daad, welke uoor ccn· &lt;UHler betlreven wordt, werkelijk &lt;.lee! nemen; of wei &lt;.lee! hei.Jbe11 in
gestolen goed, en zoo medehelpen in hetzehe onrechlYeerdiglijk te I.JeziLten of Le gebruiken. - Door raden, gebieden en
prijzen, en gedeeltelijk ook door I.Je~chermen, urengt men
iemand tot de zonde; terwijl men uoor deze manier, en gedeeltelijk ook door Leschermen, rechlstrecks in !let bedrijYen
der zonde van een· allllet· medewerkt. - Aan deze neemde
zonde ma·ken zich plichtig tlegenen die andercn helpeu sielen
of Ledriegen; die aan anderen de middelen verschaffen om nam·
veri.Jouene llUizen te gaan, slechie boeken en schriften le
bel~omen; die anderen he! pen in het schenden van de eer en de
faam des imasten, die gestolen goed aannemen, I.Jewaren of
gebruiken, enz. De II. Paulus heeft zich vo&lt;)r zijne bekeering tloor
.med,edeelen aan eene vreemde zonde plichiig gemaakt, met in het
steenigen van den H. Slephanus de kleederen van den marlelaar te bewaren.
8. D~ zesde mauier is beltagen. Dii woord beieekent hieJ',
eenig kwaad door WOOL'den, door teekenen, UOOl' lacheu, door
zijne handelwijze of door zijne stem in eene kiezing goedkeuren,

�V.JJI~DE llEIU.. -

37 910 I,ES,. 9d~ \'R.

1201

en alzoo iemand in zijne zonde doen voortgaan of hem het
nood.ig gezag geven om rle zonde te bedrijven. - Deze vreemde
zonde bestaat ook in iemand tot zonde te ).ll'engen, en niet
hierin dat men met iemand tot de zonde eigenlijk als gedeeltelijke oorzaal&lt;: medewerl\l. - Aan deze zonde maken zich plichtig clegenen die achterklap, onlmische "rerlenen. goddelooze
ge~prekken of ~odslasteringen door eenen welgevalligen lach,
floor handgel;Jap. zelfs in bijzomlere omstandigheden, door
hunne enkele ~ tcgenwoonligheid goedkeuren; rle ourlers en
rle oversten die toestemmen in het slecht gedrag van hunne
ldnderen en diensthoden, en inwilligen dat zij tot. ge&gt;am·lijl\e.
plaatsen gaan en het kwaad bedrijven; degenen die in eene ]\ie?.ing hunne stem aan menschen geven, well\e zich van hunne
plichten slecht zullen 1\\vijten, en zelf.'&gt; hel kwaad.zullen vom·slaan, enz. - Wie !len naaste slechts rle gelegeuheid van le
zonclip:en gC'cft, maar tevcns de imwnrligc begeerte heeft dat cle
. naaste in de zonclo zou vallen, die maa\d: zich aan die zonde. door
rlit inwendig be hagen ongetwijfeld p\ichtig; doch hij bedrijft
geene vreemrle zonde van be hagen, of de zonde des naaslcn wordt
hem niet toegeschreven, omdat hij tot rlie zonde niet wezenlijk
hecft mcllegcwerkt noch heefl willen medewerken, maar enl;.el
den naaste de gclrgenheid lteeft gegcven Yan ze te bedrijven.
0. De zevende manier bestant in nicllc strafl'cn. Men bedrijft
np deze manier eene vreemdc :mnde, als men, niet alleenlijk uit
liefde, maar door zijn ambt of door eon contract veq&gt;licht is te b'erispen en te l'-h'allim, en dezcn plicht Yl'ijwillig Yerzuimt. Deze
twce llingen moeten te zamen gaan, opdat het 11iet sliYtfl'cn eene '
vreemde zonrle zoude zijn : men moet uit hoofde Yan zijn ambt of
Ynn een conimct verplichl zijn te straffen, en dezen plicht vrijwillig vet·zuimen. \Vare men·rlaarloe niet Yerplicht,zoo kon men
met niet te st.raffen geene Yreemrle zonde bedrijYen : eene verzui. men is lmn ons nan eens aml~rs zon&lt;le niet plichtig mal;.en, inclien
wij niet gehouden zijn die zonde te beletten. Aan deze zonde ma-

�1202

YI.IFDE DEI&gt;!,. -

3i"'" LI&gt;S, ()dO \'R.

ken zich tlikwijls plichtig de ouders en de oversten, met uit eene
ongeregelde Jieftl; of nit lafhertigheitl, niet of ten minste nict genoeg te berispen en te straiTen. De heilige Geschiedeni~ leert om;
hoe st1·cng Heli oYer 1lic ZOIH1e door God i~ behandc!11 gewon1en.
10. ne achtste manie•· best.aat in uiet te belctlen. ::\len maakt
zich aan de:~e zontle plichtig, wanucer n~e1: uit hoofde Yan zijn
·ambt ofYan een contract nfYan zijne Ym:plichting jegens het gemeenebesteenezonde moet beletten, en dit; HijwilligYerzuimt.Aan deze zonde mal\.en zich plichl.ig de owlers ,en oYersten, die
geene maatregelen nemen om hunne kintleren en onderdanen Yan
de gelegenheitl tier zontle ie Yerwijclercn en zc Yan de millllclen,
om het kwaad le doen, te beroo,·en; of die in hnnne tegenwoordigheid hunne kinderen en ond!)rllanen, als zij het ]\nun en beJelten, Iaten Y!oeken, de eer en repulatic nm clen naaste schenden,
slechten li.lap spreken; alsool• degenen. die een groot ongeluk mn
het gemeenehest gemakl\elijk kunnen afwentlcn, zooab &lt;lieYen
en moortlenaars. Leletten Yoort te gaau in het uitvoeren Yan
hunne p1annen, en dit verzuimen te doen, enz.
11. De laatsle maniet· is niet ove;·cli·agen, 'tis lezeggen, tie zonde
van anderen ·aan degcnen de ze moe ten siralfen of beleUeu,
zooals aan ouders, overlleden, zielverzorgers, enz. niei IJekend
maJ;,en. als men daartoe uit hoofde van zijn ambl, ol' van eeu
contract, of van zijne verplichting· jegens het gemeeuebe::;i gchouden is. - Op deze manier maken ·zich aan Yreemt!e zowlen
plichiig de onderdanen van Kerk en Staat, met onl.Jekende
groote misdaden, die aan de H. Kerk of aan den burgerlijken
Staat veel k waad doen, t).e rust stooren en den voorspoell of hei
geluk der kerkelijke of l.Jurgerlijke maatschappij rechtsireeks
bestrijden, aan de bevoegde overheid niet keubaar tc maken;
want als leden van de H. Kerk en van den Staat zijn zij verplicht
voor hei algemeen goed der kerkelijke of burgerlijke maatschappij te zorgen. Op dezelftle wijze maken zich soms aan
vreemde zonden plichtig, de kinderen van een ll.uisgezin, de

�VIJF!JE DEEL. -

37stc LES, ,\,\NMERI\.

120~

leerlingen van eene school of van een gesticht, de lerlen van een
genootf'chap. die hcrlokcne 1.ware misbruilwn en 7.0nden, weU:e
tot hel 7.ef!enhrclerf en het ongeluk van hcl hnisge7.in, van de
school, van het gestich t en van het genoolschap rechlstree]\f'
leiden, aan cle ouders of oversten niet veropenbaren : 1.ij zijn
immer~ als !eden van dat huisge7.in, van die school, van dat
gcsticht, van dat patroonschap, lot hct algemeen goed van
tle7.ch·e Tei·plicht: t.e ?.Orgen. Eindelijk deg:enen, die uit hoofde
van hnn ambL o!: van cen contract gehourlen zijn, het kwaad dat
er ge~chicdt, aan clc ovei'slen te veropenbai'en, mf!ken zich
ong-etwijfehl, aan vrecmde 7.omlcn plichtig, als 7.ij !let k'vaacl,
dat. 7.ij l\enncn, ann de oversten niet overdmgen.
Als wij op de voorgestelde wij?.e verzuimen te straiTen, te
belctten of over Lc 1lragen, mal\en wij ons plichtig aan al die
7.0!Hlcn, well\e dr 11aaste ten gevolge van tlie verwimenis 1.al
bedrijven, !en minste TOOl' 7.oovecl wij ze eenigszins in 'lalg:emeen
·voon:irn hebheu: en daarom is het niet genoeg in de Biecht te
vcrldaren, tlat 'vij ver7.uimd hebbcn te straffrn. te belet.te.n of
ove1· te dragen, als wij er toe gehourlen wai·en; \vij moeten
daarbij nog zrggen, welke de zonden zijn die wij verzuimd hebben
te hclelt.cn, en wolke de ?.ware geYolgen 1.ijn, door ons ecnig!'&lt;7.ins
voor7.ien, die er uitgevloeid zijn, of er 1.0uden kunnen uitvloeien
hebhen.
Annmcrkingcn. 1° 0Yerdcnli.en 'vij dikwijb de schril\l;.elijke

uitwcrli.sels clce erfzonde, namelijk : de herooving der lwiligmali.encle gmlie in dewelke wij allen geboren WOI'den, de dood
mot a! de 7.ieli.ten en 1i. wellingen die haar voorgaan, die groote
genegenheid tot de Yleeschelij ke lust en well;.e wij in ons gevoeIen en ~e!lurig te bestrijden hebben, de moeite die wij hebben
om eenige wetenschap te bekomen, en al die ontelbare en on be·
schl'ijfelijke kwellingen die wij hier op aarde tegenkomen, te
beginnen met onze geboorte tot bet uur der dood toe .. Leeren wij
uit dieafgrijselijkegeYolgen, watgroot kwaad de zonde uitmaakt.

�1204

VIJFDE OEEL. -

:37ote LES, AAN~IERK.

en wat de rechtveerdiglleid. van God is. Luisteren wij naar de
stem van al de ellenden dezer wereld : zij roept ons gedurig toe,
wat wij van de zonde moeten denken.
· Uit de grootle clet· straffen van de erfzonue zien wij heel
klaar hoe lloog wij Christus' verlossing moeten achten, door
welke wij reeds in dit Ieven de verlorene bovennatuurlijke gaven
terug kunnen bekomen, en na llet laatste oorueel, indien wij in
staat van gratie sterven, al de vel'lorene buitennatnurlijke gaven
zullen ten!g ontvangen in gelleel hunne volmaakJ.heid en dat tot
in der eeuwigheid. Daar God, om de erfzonde te vergeven, eene
volledige voldoening eischte, konnen wij zonder Cllristus van de
erfzonde nooit verlost worden, en de heme! zou, zonder Hem,
eeuwig voor ons gesloten · geweest zijn. I-Iet · beeld van eenen
persoon, die ons llelleven in een groot gevaar gered heeft, zal
ons immer bewegen; welken indt·uk moet dus op ons niet maken bet beeld van den gel;.ruislen .Jezus, die door Y-ijne dood ons
van de erfzonde verlost en den he mel ons geopend lteeft!
2" Wacllten wij ons wel de dagelijksche zonde als eene kleinigheid, als eene beuzelal'i) te aanzien, gelijk eenige lauwe
Christenen doen; zij is immers een veel gt·ooter kwaad dan fle
dood en al de grootste ellenden dezet· wereld, gelijk het uit de
leering van den Catechismus klaar blijkt. Zij strijdt immers
tegen God, zij is een opstaml tegen Hem. die c.le fontein van
geheel onze zaligheid en ons op'perste goed is, en die door zijne
oneindige volmaaktheden alle liefde verdient; en zoo bevat zij·
eene oneindig grootere stoorriis der orde, dan al de ellenden, die
wij kunnen lijden : hoe verhevener de persoon is tegen wien iets
. geschiedt, hoe grooter de stoornis der orde moet wezen. Daarenboven zij berooft ons van veel dadelijke graWin. die duizendmaal
van grooter weerde zijn, dan aile wereldsche goederen;. want zij
dienen om onze verdiensten en onze glorie in den hemel te doen
aangroeien, en een graad glorie des hemels gaat, zoowel door
de grootte van bet geluk dat hij aanbrengt, als door zijne

�VIJFDE DEEL. -

37stc LES, AANbiERK.

1205

eeuwigheid, a\ hct gocd dat wij ons 1\unnen inbeelden, oneindig
in weenle tc boven. Wat nog mecr is, zij maal\t ons oo\{ bereid
tot. meerueren val; wclnu, is ltet voor ons geengrooter ongeluk
den wcg rles ecuwigen vcrdcrfs te naderen, dan aile pijn.en dezer
wereld te oudergaan1 Eimlelijk zij verbindt tot straffen, die aile
pijnen en ellenden van dit Ievell overtreiTen. Openen wij dan
onze oogen, leeren wij verslaan, uat wij de dage\ijksche zonden
als ecn grootet· kwaad moeten aanzien dan al de kwalen dezer
wet·cld, en leeten wij ze meer \Teezen dan ziekten, ongelukken,
tegenspoed, ja, dan de dood zelve. Dit eisclwn van ons de rede en
het Geloof.
3° Bcmerken wij ool\, nopens de dagelijl\sclte zonde, hoe redelijk het is, den wil van God in a\les, zelfs in de kleinste zal\en, te
volgen. I-Iij is immers de wijslc en de beste meesler en vader,
dien wij kunncn hcbuen; al zijne geboden zijn wijsheid en
. heiligheid; en Hij wil niets anders dan ons goed. Zeggen :wij on;;
dan dikwijls, gelijk Petrus aan Christus antwoordde: 0 Heer,
hoe zoude ik mij van U zelfs in de ldeinste zaak verwijderen,
want tot wie zoude ik gaau; 't is immers Gij en Gij aileen, die
de leering en de gebo1lcn gcert., tlie tot het eeuwig Ieven leiden:
't is Gij en Gij aileen, die cJe fonlein zijt onzer zaligheid en on;;
opperste goed.
4° Om de dagelijl\sche zonden te vermijdeu, moeten wij er
lrachlen eenen zo&lt;) gt·oolcn at'l\eer van I.e hcuben, dal wij ten
minste nooit geheel wijwillig:, in iets daL op flagelijl\sche zonde
verboden is; tocstemmen; en \'!)OJ' hetgeen de halfnij.willige
dagelijli.sche 1.0nden aangaaL, wij moeten ons gerlurig op het een
of bet ander punt, waarin wij dikwijls zondigen, bijwnderlijk
oefenen en daarover raad aah on zen biechtvader nagen; en na.
eene zoride geheel vet·laten te ltebben, ons op het uitroeien van
eene andere beginnen toe te leggen. Wmineer wij al onze li.leine
fouten in Mns willen uitroeien, zullen wij dam·in niet gelukken : onze vermogens zijn daartoe niet toereili.end, en wij zullen

�120~

.VIJFDE DEEL. -

37 518 LES, .o\ANMERK.

dan gewoonlijk piets bekomen. Willen wij waren vooruitgang
doen, wij moeten de ltrachten van den te bestrijden vijand
verdeelen, en de eene fout na de andere aanranden. Thomas a
Kempis zegt zeer wel in zijn gulden boeli, De Na_volging 1:an
Christus, dat het reeds zeer veel zou zijn, indien wij iedet· jaar
eene onzer fouten teenemaal overwonnen.
5° Laat ons steeds eenen allergJ·ootsten afschrik hebben van
de vreemde zonden. Met immers tot de zonden van een'ander
mede te werl\en, maakt men zich dilnvijls aan mfsdaden plichtig
waarvan men den grootsten afschuw zou hebben, moest men ze
zelf uitvoeren; en nogtans uit hoofde onzer deelneming worden
zij ons aangerekend en mali.en zij ons plichtig alsof wij zelven
ze gedaan'hadden. Zoo geschiedt bet niet zelden, dat men zich
door raden, prijzen, niet stralfen, enz., plichtig maakt aan de
grootste onrechtveerdigheden, aan de schandelijkste zonden van
onkuischheid, aan schelmstukken die alle menschelijk hert
doen ijzen en die men op geener wijze door zich zelven zou willen bedrijven. En men verlieze uit het oog niet, dat cle medewerking in zonden van onrechtveerdigheid tot restitutie verplicht,
en derwijze dikwijls den mensch in bet eeuwig ongeluk stort..
De restitutie wordt gemakkelijk verwaarloosd, en zoo verliest
de mensch niet zelden voor eeuwig zijne ziel.
6° Wat de zwaarle der vreemde :r.onden beireft., deze zullen
doodzonden of dagelij){sche zonclen zijn, volgens flat de zonden
·van anderen, tot dewelke men medewerkt, min of meet· zwam·
zijn, en volgens dat me':! daarin min of meer invloed heeft.

�VIJFDI~ DEE!,. -

38ste LES, INHOUD.

1207

AOHT EN DERTIGSTE LES.
Van de dood.zonde.
Inhoml. - In deze les ~;aal de Catechism us voorl, mel ons bel ecrstc dec! dcr
Cbristelijke HechtvecrJighcid, tc wetcn, hel vliedcn der zonde uit te lcggen :
bij wl ons hier sprckcn van de twcedc groote vcrdccling van dadclijkc zondcn, •
namclijk, van de dooclzoncl~n, en da3rna zal hij handclen van ccnigc onder''erdcelingcn dcr tladelijke zondcn, lc wctcn, van de lwofcl:.onden, van de
:.ancien tegcn den fl. Gecst, en van de wraakrocpemle zonclen.
I. \'an de [sic tot de lJdc vraag spreekt hij over de doodzonde op de volgende
wijzc : (I) in de Jslc vraag zcgt hij wat de dooclzonde is; en b) in de vier
volgende vragcn lcgl hij zijn antwoord op de eerste vraag uit.
In de 2dc en in de 3dc vraag zcgt hij ons, hoc ecne zonde tcgen de wet
Gods moct strijden om doodzonde te zijn, mr.l tc vragcn of het al cloodzonde
is, dat tegw Gods,pebod yeschiedt, en 1qaaraan men in twij(eling :.al
kenncn clat ecniye zonrle dooclelijk is.
In de id" en in de lJdo vraag lr.~1t hij ons de uitwcrkscls dcr doodzonde
k.cnnen, wclke hij in de ·1 sic vraag hccft uitgcdrukl met de woorden : dat ~ij
ons fJCitcel/ijk bcrooft van rle gorldelijke liefde die het Ieven on:.er :.ie/cn is,
en hij doel dil mel ons \'Oor te slellcn, wat wij door de dood:.onde uerlie;en,
en waartoe de doocl:.onde ons brengt, 't is te zcggen, tot welk lot zij ons
brengt door de vcrliezcn wclkc door lwar ondcrsaan worden.
II. In dP. Gdc en jdo naag sprcekt hij van de lwo[lhonclen, weike hij ons
lcert kennen, met ons te zcgt;en : wat men hoofd::.onden heel, en hoeveel
hoofclzonden er zijn.
Ill. De Sslo en de 9do \'raag hamlelen over de zonden tegen dm~ H. Geest;
de ccrsle dezer vragcn leer! ons, wat die zonden zijn, en de twcedc welke
overlredingen van Gods wet zontlen Lcgcn den H. Gcest uilmakcn.
IV. De t Qdu en de 11 do vraag handclcn ove1· de wraakrocpcnJc zoudcn : de
eersle stclt ons voor, waarom sommiyc zonden wraakrocpende ::.o11de11 gcnoemd
worden; en tic lwce1le, wel/;c zonden wraakroepende zonden :.ijn.
~

�1208

VIJI'DE DEEL. -

38810 LES, }StC VR.

I. V. TVat is eene doodzonde?

A. Eene zonde, z66 strijdende tegen de wet Gods, clat
_zij ons gebeellijk berooft van de godclelijke liefde,
die het leven onzer zielen is.
1. De Catechismus onderzoeld bier, wat de doodzonde is, wat

• haar eigen is, of waarin zij bestaat; en hij leert _ons in zijn antwoord deze drij dingen : a) dat zij eene wm·e zmode is; b) welke
zonde zij is; en c) wtta?'Om zij den naam draagt van doodzonde.
2. Zij is vooreerst eene wm·e zonde. dat is een woonl, werk,
beg~erte of verzuimenis tegen de wet en den wil Gods.

3. Welke zonde is de doodzonde 1 Zij is eene zonde .z66 strijdende tegen de wet Gods, dat zij ons geheellijk be;·oofl ·ran
de goddelijke lie(de; dat is te zeggen, zij is eene z66 groote en
z66 zware overtreding van Gods wet, dat zij ous geheellijk van
de vriendschap Gods of van de heiligmakencle gratie berooft.
Dopr gocldelijlle lie(de wordt hier verstaan de staat van
vriendschap met God of van heiligmakende gralie, gelijk wij alreede meermaals gehoord hebben. - En hoe is de doodzonde
hierdoor van de dagelijksche zonde onderscheiden 1 De dagelijksche zonde, gelijk wij in de voorgaande les geleerd hebben,
neemt de 1iefde Gods niet weg, maar doet er ons alleenlijk in
verftauwen, terwijl rle doodzonde ze geheel wegneemt en ons
vijanden maakt van God.
4. En waarom wordt deze zonde doodzonde genoem1H Wij
vinden de reden daarvan in deze woorden van den Catechismus :
die het leven onze;· zielen is. -Door deze woorden leert de
Catechismus, dat de goddelijke liefde het Ieven is onzer ziel :
welnu. de doodzonde. berooft ons van dat Ieven, dewijl zij de
goddelijl\e liefde van ons geheel wegneemt; en derhalve is zij
waarlijk eene zonde die de dood teweeg brengt, namelijk de
dood der ziel, en wordt zoo met reden doodzonde genoemd. -

�VIJFDE DEEI.. -

3S•te LES, ] ste YR.

1209

Maar hoe is de goddelijke liefde het Ieven der ziel; is de ziel ten
voile dood wanneer zij beroofd is van de goddelijke liefde1 Wij
moeten in onze ziel een dubbel Ieven onderscheiden, namelijk
het natuurlijk en het bovennaluurlijk Ieven. Het JJaluurlijk
Ieven bestaat in de natuur onzer ziel, die zich in de kracht van
te verstaau en van te willen openbaart, en dit Ieven komt niet
voort uit de goddelijke liefde of, in andere woorden, uit de heiligmakende gratie. Het bovennatuurlijk Ieven integendeel isgelegen
in een bijgevo~gd goddelijk Ieven, dat de J;.racht geeft om verdienstelijke wel'l;:en voor den heme! voort te l.Jt&lt;engen; en dit
Ieven lwmt voort uit de goddelijke liefde, dat is, ui t de heiligmakende gratie. Bijgevolg, de doodwnde, die van ons de heiligmakentle gmtie wegneemt, berooft ons niet van het natuurlijk Ieven
der ziel, dewijl dit van de heiligmakende gratie niet afhangt,
maar wel ''an het bovennatuurlijk Ieven, dat geheel uit de heiligmakende g1·atie voortspruit. - Die kracht van verdienslelijke
werken voor den hemel te verrichten wordt leven genoemd,
omdat men door leYen in het algemeen verstaat de kracht,
welke een wezen in zich zelf bezit om door zich zelf iets te doen.
G. l\Ien beme1'ke aandachtiglijk, dat de doodzonde, alhoewel
zij wezenlijk onze ziel onder het opziclit van het bo\ennatuurlijk
Ieven doodt, toch met reden ook aan eene ziekte kan vergeleken
worden , zoolang de mensch hier op am·de leeft. Zij heeft
immers, zoolang ons Ieven hier op aarde duurt, dit gemeen met
de ziekte, dat zij ons tot een onherstelbaar verlies. te we ten, tot
de eeuwige verdoemenis leid t, maar dat tevens het verlies, 't welk
zij ons op aarde doet onde1·gaan, hersteld \;.an worden; gelijk de
ziekte ons tot de dood, die onherstelbaar is, den weg baant, maar
door Imar zel ve ons geen onherstelbaar ,·erlies doet ondergaan. De
doodzonde wordt aan eene zielde vergeleken, wanneer men
zegt dat het Sacrament der Biecht"lwt geneesmiddel is van de
kwalen onzer ziel; want die kwalen zijn aile onze zonden.

�1210

2. V. Is het al doodzonde, dat tegen Gods gebod geschz'eclt?
A. Neen. als het gedaan wordt zonder vol verstand en
vrijen wil, of als de zaak in huar zelve klein is.
I. De Catechismus na gezegd te hebben, dat eene dnod?.Ondc
eene zonde is z66 stl'ijclende tegen de wet Gods, dat zij ons geheellijk van de goddelijke liefde berooft. uaagt..tham: wcll;:e
overtredingen op die wijze tegen Gods gebod strijden en bijgevolg doodzonden uitmal;:eu : is hel al doorlzoude, zegt hij. dal

leg en Gods gebod geschiedt; 't is te zeggen, zijn al de dad en
die tegen Gods gebod geschieden, zondcr uitzondcring rloorlzonden?
2. Hij antwoordt, dal niel al helgeen Legan Gods gcbod r;eschiecU cloodzonde is; en zegt daarbij nog. ?·n wellw gevallen
ecne overtrading van Goris wet geene doodzonde is.
3. Vooreerst dan, niet alle daden, die tegen Goris geborl geschieden, zijn doodzonden. De rede bewijst heel klaar. gelijk
wij in de voorgaande les gehoord hebben, hoe het onmog-elijk is,
dat aile overtredingen, hoe klein en hoe onYollcclig zij ool;:
mochten wezen, ons geheel van de goddelijke licfdc zondcn berooven.
4. In weU;e gevallen is eene overtrading van Gods wet geene
doodzonde1 Zij is geene dbodzonde, a) wannccr zij gcdacm is
zonde~· vol ve;·stand en vriJen wil; of b) wmmee1· de zaak in
ham· zelve lllein is. - En welke zonde is die o&gt;ertreding in
deze gevallen 1 Zij is dan enkel eene dagelijksche zondn. - Diensvolgens. wat is er Yan noode opdat iets doodzoncle zij, en wanneer is eene ov~rtreding van Gods wet alleenlijk eene dagelijksche zonde1 Tot eene doorlzonde zijn e1· twee dingen vereischt :
a) dat de overtrading· met vol verstand en vrijen wil geschiede;
en b) dat betgeen, waarin men de wet Gods ove1·treedt, in zich

�VIJFDF. DEF.J,. -· 33ste J,ES, 2do VR.

1211

zelf gewichtig weze. D~aruit volgt dat eene overtreding van
Gods wet alleenlijk eene dagelijl\sche zonde uitmaakt, wanneer
een van dezetwee dingen ontbreekt: te weten, wanneer zij niet
geschiedt met vol vcrstand en vrijen \Vii, of wanneer de zaak in
haar zeh:e klein is.
5. 11let vol ve;·stand en vrijen wil, dat is, vollwmenlijk wetens en willens. - Jl1el vol ve;·stand, dat beleekent niet : ,, de
booshcicl dcr zonde onder aile opzichten of alleszins l\enneJH.le; ..
maar: •· ten vo.jle we ten de of ten minste mer.nenrle dat zullw overtrerling van Gods wet eene zware ZOJHlc, eene doodzonde uitmaal\t. ·· Bij gebrel\ aan deze voorwaarde zal een kind, 'twelk
eene groote misdaad bedi·ijft,.wel wetende dat hct eenigszins zondigt maarniel dal het doodelijk zondigt, zich min geene donrlzonde
maar alleenlijk aan eene dagelijksche zonde plichtig maken. Zoo
ool\ moet een men~ch, die nog half slapemle in onli.Uische bewegingen ofg-edachten toestemt. of door do stoornis des lichaams en
der inbcelding zonder genocgzame voorhedachtzaamheicl, zich
met onzuivere gedachten of met groote wraal\zucht of met zware
ver'!letele oordeelen bezighoudt, van doodzonde verontschuldigd
worden, omdat hij met geene volle Iwnnis der zaak handelt. ltfet r;·ijen wil, clat is, nict alleenlijk met halve, maar met voile
toestemmingvan den wil in eene daad die men weet doodzonde te
?.ijn. Bestonr.l er maar halve toestemming, cle overtrerling zoude
geene doodzonde maar enkel eene dagelijksche ?.Onde zijn. Zoo
bij voorbeeld, iemand rlie in eene bekoring tegen het Geloof, of
tegen de Liefde tot den even mensch, of tegen de ?.uiverheid niet
ten volle toestemt, maar ze met eenige traagheid of eenig •erzuim bestrijdt, maakt 7.ich niet. aan eene rlood?.Onde, maa~· slechts
aan eene dagelijl;.sche 7.0nde plichtig, dewijl hij geene
.,. voile toestemming geeft.
6. Als de zaak in ham· zel·ve ldein is; 't. is te zeggen, als de
bedrevene misdaad de natuurlijke of bovennatuurlijl\e orde 11iet
grootelijks stoort, of in andere woorden, tegen de eer van God,

�1212

VIJFDE DEEL. -

38 810 LES, 3de \'R.

tegen den even mensch, of tegen ons eigen zelven niet grootelijks
strijdt, gelijk wij in de volgende vraag zullen leeren. Zoo bij
voorbeeld, eene kleine leugen doen om beterswil, op eenen vastendap; een weii1ig verboden spijs gebruiken, in eene ldeine zaak
aan zijne ouders ongehoorzaam zijn, zich een weinig. k waad
maken, in de goddelijke dienstei1 een weinig oneerbiedig zijn;
deze overtredingen schenden de orde niet grootelijl;:s, en maken
daarom geene doodzonden, maar alleenlijk dagelijksche zonden uit.
i. Hieruil blijkt, dat de .dagelijksche zonde wezenlijk in die
betrekking tot de doodzonde staat, waarin eene onvolmaakte tot
eene volmaakte daad is. Tot eene zonde is e1· immers vereischt:
a) eene overtredin~ van GOds wil; en b) die overlreding
moet wetens en willens geschieden. \Velnu, wanueer die twee
bestamldeelen volledig zijn, 'tis te zeggen, wanneer de overtrading in haar zelve zwaar is, en dat zij ten volle wetens en
willens geschiedt, bestaat er eene doodzonde; maar zijn die twee
bestanddeelen, of is Mm van de twee niet volledig, dan bestaat
er maar eene dagelijksche zonde. Bijgevolg springt het in 't oog,
dat de doodzonde een8 volmaakte overtreding is van Gods wil,
terwijl de dagelijksche · zonde alleenlijk P,ene om•olmaakte
uitmaakt.

3. V. Waaman zal men in twUfeling kennen, clat
.eenige zonde cloodelUk is?

'A. Is 't dat zij vrijwillig- gedaan wordt en grootelijks
strijdt teg-en de eer Gods, of de welvaart van onzen
evennaaste.
1. De Catech'f.~m-us, na voorgesteld le hebben welke zonden
geene doodzonden zijn, zal ons hier nu aanwijzen hoe wij zijne
leering over bet onderscheid tusschen doodzonden en dagelijl;:sche zonden moeten toepassen. Waaraan, vraagt hij. zal men

�·\'IJFDF. .DF.F.J,. -

38Sic J,F.S, 3dc VR.

•

1213

in twiJleling kennen, of eenige zonde doodelijk is; dat is,
wanneer men Lwijfelt of eene zonde doodzonde of dagelijl;;sche
zonde zij, \Yaaraan lwn men met zel\erheid weten of zij doodelijk is.
2. Hij antwoordt, dat men dit met zekerheid zal weten indien
deze twee voorwaarden vervuld zijn : a) indien zij n·(jwillig
gedaan is, dat is, indien zij ten valle wetens en willens gedaan
is, en b) indien zij {JI'Oolelijlls sli·ijdt tegen de ee1· Gods of de
wcl'vaa'f'l van onzen e1:ennaaste; dat is, indien zij groolelijl;;s
de eer, die wij God verschuldigd zijn, schendt of groat kwaarl
rloet aan den evenmensch of ook aan ons eigen zelven, want
onder den naaste moeten wij voorzeker eerst en vooral ons
eigen zeh·en verstaan : wij moeten immers onzen naaste beminnen gelijk ons zelven, en bijgevolg moelen wij beginnen met
voor ons zelven liefde te hebben. - En waai·uit vloeit het, dat
wij, om te onderscheiden of iets doodzonde is, op die t wee pun ten,
maar aileen op deze moeten lett en 1 Dit vloei t uit de leering der
voorgaandevraag, in dewelke wij gehoortl hebben, dat eenezonde
alleenlijk doodzonde is, wanneer zij ten volle wetens en willens
geschiedt, en de zaak in haar zelve tevens zwaar is. Hieruit
volgt immers natuurlijk, dat men, om te oordeelen of eene
zonde doodelijk is, slechts op die twee pimten moet aandacht
geven. - Men merl;;e op dat de Catechismus hier verl\laart,
wat er moeL verstaall worden door eene zaak die 1:n /war
zelve zwam· is; hij leerl dat men daardoor eene daad moet .
verstaan, welke {J'I'OOlelijks sb··ijdt tegen de ee;• Gods en de
welt,am·t van den evennaaste, en onder den et•cnnaaste,
moeten wij ook OilS eigen zelven verstaan. Alle onze plichten
llebben immers God, of den naaste of OilS zelven als voorwerp;
en derhalve moeten alle doodzonden uitlwmen op iets dat
grootelijl\s tegen onze plichten jegens God, of jegens den naaste,
of jegens ons 7:elven strijd t.
3. Maar als men twijfelt of men met nijen wil eene do9d-

�1214

VIJFilE DEEL. -

38510 J,ES, 3do VR.

zonde i.Jedreven hel.Ji.Je, hoe moeten wij daarover oordeelen 1 De
personen, die gewoonlijk in geene gansch Yrijwillige en oni.Jetwijfell.Jare doodzonden vallen, en die eenen afschrik hel.Jben van
de doodzonde en trachten wel te Ieven, mogen oordeelen dat zij
niet ten volle wetens en willens gezondigd hebi.Jen, zoo dikwijls
zij er niet geheel zeker van zijn; want het is onmogelijk dat
een mensch, die de zonde vreest en verfoeiL, eene doodzonue
zou l.Jedreven hel.Ji.Jen, zonder dat zijn geweten er getuigenis
van geve. \Vij kunnen immers aan iemands Yl'~3nuschap niet
vrijwillig verzaken, zonder het te weten; en derwijze ook knnnen wij de vriendschap Gods niet vrijwillig verstooten en de
vijand van God niet worden, zonder dat onze conscientie het
duidelijk verldare. Integendeel, de anderen die dikwijls zich op
eene onbetwijfell.Jare wijze aan die zonden plichtig maken, waarover zij nu twijfel"en, moeten gewoonlijk oordeelen, dat zij doodelijk gezondigd hebl.Jen, dewijl hun geweien hun anden; geiuigenis
zou geven van de overwinning, die zij over de bekoring
l.Jehaald zouden hel.Jl.Jen. Er is voor dezen slechts uitzowlering
te maken in geval dat zij wezenlijk twijfelen of de toestemming
niet geschied is eer zij genoegzaam wakker wm·en, en ook
indien zij na hunne neiging tot hei lnvaad opgemerkt te hebben,
aanstonds verschrikt zijn geweest : in deze twee gevallen mag
een ieder oordeelen dat hij niei doodelijk gezondigd lweft.
4. \Vaaraan !;.an men weien. of eene zaak in haar zelve zwaar
is. of grootelijks sirijdi tegen de eer Gods en de welvaart
van den naaste 1 Voor sommige dingen l.Jlijkt dit heel klaar nit
de natuur der zaak zelve : zoo i.Jij voorbeeld, iedercen ziet
gemakkelijk dat vloeken, valsche eeden doen, iemand doodslaan,
eene groote diefte begaan, onlmische werken doen, uit zich zelf
doodzonden zijn, dewijl de orde volstrekt onmogelijk zou wezen,
waren deze daden niet strengelijk verl.Joden. Zulli.e zonden,
zooals vloeli.en, valsche eeden doen, enz., strijden grootelijl;.s
te$en de eer, die wij God sclmldig zijn; en die andere, zooals

�Y!JFDg IJEEL. -

38sto LES, 4de VR.

1215

iemand doodslaan, eene groote diefle doen, onkuischheid bedrijven, beletten gt·ootelijks de orde, de ,welvaart, het geluk
onder de menschen; en derhalve moe ten zij op ·doodzonde verboden zijn : wat grootelijks de orde stoort, is uit zijne natuur
eene Z\vare overtreding van Gods wil, die de bewaring der
orde noodzakelijk gebiedt. -In andere zaken weten wij het ook
heel duidelijk uit de onfaalbare leering der H. Kerk, nit de
H. Schriftuur. uit de Overlevering, of, wanneer er spraak is
van wetten do"br menschen gemaakt, uit de bepaling, de manier
van spl'eken, tie handelwijze tier wetgevende overheid.- Doell er
zijn zal\en, in dewelke noch de natuur der overtreding, noch de
vel'openbaarde leering, noch de wetgeving den twijfel oplossen;
en in deze schikke men zich naar de gemeene leering der godgeleenlen en bet gemeen gevoelen der godvruchtige en wijze
menscheu, daar die leering en dat gevoelen doorgaans op de
H. Schrift, op de Ovel'leYering en op de grondstellingen der
gezowle rode gesteunu zijn. Ware bet zelfs onuer de godgeleertleu wezenlijk twijfelachtig, of zekel'e overtreding eene
doodzonde zij, dan moet men ze als geene doodzonde aanzien.

4. V. TVat ve1'lie~en u;ij door de dood:;onde?
A. Ten eerste, de goddelijke gratie; ten twecde, de
vet·diensten van onze goede wel'lwn; ten dercle, de
hemelsche glorie.
l. De Catechismus, na gezegd te hebben, welke oYertreding

van Gods wet eene doodzonde uitmaakt, zal ons nu in twee
vragen ':an de uitwerksels dezer zonde spreken. Bier naagt hij,
wal"(welke goeueren) wij Dei·liezen dom· de doodzonde.
2. Hij leert ons dat wij door de doodzonde drij goederen·verliezen. Het ee1·ste is de gocldelijhe gmtie, dat is, de heiligmakende gratie, wam·door wij aangenomene kinderen Gods en
erfgenamen des hemels zijn. - Dit verlies der heiligmakende

�1216

YI.TFDE DEl~! .. -

3881 " LES, -ide VH.

gratie is een natuurlijk uitwerltsel der doodzonde. Dewijl zij
eene volledige overtreding van Gods wet is, hreekt zij noodzakelijk de vriendschap af, in dewellte de mensch was met God,
en. beroort hem zoo van de heiligmal&lt;enrle gratie, die in de
bovennatuurlijke ·orde, waarin wij ons bevintlen, van Gods
vriendschap onafscheidbaar is. - Als iemand, rlie door de erfzonde of door ·eene voorgaande doodzonde van de heiligmakende
gratie beroofd is, eene uoodzonde bedrijft, dan begin t er in hem
nog eene nieuwe reden te bestaan, om van God '·verworpen en
van de heiligmalwnde gratie beroofd te zijn.
Hettweede zijn de ?.Jer·d£ensten ·van onze goede wc1·l,·en, dat wil
zeggen, het recht tot vermeerdel'ing der heiligmakenrle g1·atieen
tot de hemelsche glorie als loon en vergelding onzer goede werken.
En hoe verliezen wij dat recht door de doodzonde? Zij stelt ons
vooreerst buiten staat om de heiligmal&lt;ende gratie en den heme!
nog te kunnen verdienen. en ten tweede, zij berooft ons van het
recht tot loon, dal wij door onze goede werli.en in Rtaat van
gratie gedaan, belwmen hadden.
Blijft dat uitwerksel altijd duren, zoodanig dat de verdiensten
der vroegere goede werken· eens door eene doodzonde vrrloren,
altijd vel'loren blijvcn. en rlat men nooit meer nieuwe verdiensten ];:an bekomen? Het blijft alleenlijk duren tot dat de ?.Ondaar
wederom de heiligmakende gratie outvangt. Wanneer hij
opnieuw met de heiligmakende gralie versierd wordt. herleven
zijne vroegere verdiensten, en kan hij wederom nieuwe verdiensten bekomen.
Maar indien men in staat van rloodzonde zijnde. geene verdiensten l&lt;an bekomen, is bet dan niet nutteloos in dien staat
goede \~erl&lt;en te doen? Geenszins; het is daarentegen noodzakelijk dat men zich in dien staat op de goede werlwn toele(l'ge want
" '
alhoewel zij ons dan geen recht geven tot de heiligmakende
gratie en de hemelsche glorie, bewegen zij nogtans God om ons
vele gratien, die ons tot bekeering leiden, te verleenen.

�VIJFDE DP.EL. - . 3Ssto I.ES, 4d 0 YR.

121i

Eindelijlt waaruit volgt het, dat de doodzonde ons van de verd iensten onzer goede werken berooft 1 Dit volgt noodzaltelijk
uit het eerste verlies, dat de doodzonde ons doet ondergaan, te
weten, uit het verlies der heiligmakende gt·atie. Een kind kan
immet·s bij zijnen vader voor de werken van eerbied, onderwerping en gehoorzaamheid, die hel Yroeger gedaari heeft of nu doet,
voorzeker geen recht tot loon en vergelding meer hebuen: indien
het tegen zijnen vader opgestaan is, van hem is verwijderd
geworden, ui~ het vaderlijke huis gejaagd en van hem als een
vijand aanzien wortH. En hetzelfde geldt voot' aile onderdanen,
die voor hunne eerbetuigingen en diensten moeten loon en v~r­
gelding ontvangen, zonder dat er een contract van verhuring
tusschen meester en dienaar bestaat, gelijk bet 't geval ig voor
eenen onderdaan ten opzichte van den koning. Welnu door
het verlies der heiligmakende gratie is men buiten het huis
van God geworpen, en in plaats van aangenomen kind Gods
nog· le zijn, is men de vijand Gods en de slaaf des duivels
gewonlen, en bijgevolg geheel onbekwaam om die goederen
nog te ontvangen, welke den loon de:· getrouwe kinderen
Gods uilmaken." Diensvolgens kan men, in staat van doodzonde zijnde, noch nieuwe verdiensten meer bekomen.
noch zelfs de vruchten ontvangen van de voorgaande werken,
die wezenlijk verdienstig geweest zijn : de loon der ki.nderen
kan zeker aan. geene verworpene kinderen, aan geene vijanden gegeven worden. - Deze reden uewijst ook, dat de verdiensten, welke v66r den staat van ~oodzonde zijn gewonnen
geweest, in de rechtveerdigmaking van den zondaar herleven :
de staat van doodzonde neemt die verdiensten niel weg, want
eens gewonnen zijnde, .blijven zij gewonnen; hij belet slecltts
huune loepassing, en daat·om wanneer deze slaat eindigt, kunnen zij toegepast worden. Doell cle goede werken, wellte i~1 staat
van doodzonde gedaan zijn geweest, kunnen nooit als verdienste
lijl;.e werken tot den heme! herleven, dewijl r.ij nooit als zulke

�1218

YIJFDE DEE! •. -

388 1° I.ES, 5dc Vlt.

geleef~l of l&gt;estaan hebben : er ontl&gt;rak immers aan die werken,

wanneer zij geschiedden, eene noodzal;,elijl;,e voorw:un·1le om
verdienstelijk te zijn, en zoo kunnen zij dit nooit worden.
Het derde verlies is rlat de1· hemelsche gl01·ie, 't is te zegg·en,
van het g~luk des hemels, 'twelk hoofdzakelijk ht&gt;slaat in C'rod te
aanschouwen en in Hem a lie goed te genieten. - En lioe verliezen wij de hemelsche glorie door de doorlzondeY Dit volgt ook uit
het verlies der heiligmal;,ende gratie :de hemel is rle c1·fenis der
aangenomene kinderen Gods, en wij zijn aangenom.ene 1\inderen
Gods door de heiligmal;,ende gratie : bijgevolg, verliezen al rlr::n~­
nen, \velke beroofd zijn van de heiligmal;,ende gralie, allc recht
tot den hemel. - Daarenboven, de heme! is de loon rler getrouwe dienaars van Go1l, en het is bijgevolg onmogelijk, dat
degenen, die den wil Gods grootelijl;,s overtreden, dezen loon
zouden lmnnen ontvangen.

5. V. Waa1·toe b;·engl ons de doodzonde?
A. rrot eene schandelijke slavernij des duivels, en de
pijnen cler he!.
I. Na gezegd te hehben, wat wij door rle dood7.onde •erliezen,
zal nu de Catechismus, om ons nog beter de schrikkrlijke uitwerksels dezer 7.0nrle te docn kennen, het lot beschrijven, tot
hetwell{ deze zonde ons brengt. TYa(wloe (dat is; tot \Vat lot).
vraagt hij, b;·engt ons de doodzonde?
2. In zijn antwoord leert hij ons, waartoe zij ons l&gt;rengt in het
tegenwom·d(q en in het toekomend Ieven. Reeds in hcl tegenwoordig leven brengt zij ons tot eene schandelijke slavm·nij des
duivels, en in het toelwmend l&gt;rengt zij ons nog daarbij tot de

pijnen de;· !tel.
3. Waarin bestaat die schandelijke slavernij des duivels? Zij
bestaat in de berooving van de heiligmal1ende gratie, wa.ardoor
wij aangenomene 1\inderen Gods en erfgenamen des hemels wa-

�\"IJFDE DEE!. -

38slc LES, 5dc \'H.

. 121'9

ren; en deze berooving wordl met recht eene schandelijlte sla·ve;·nij des duivels genoemd. De staat van slaaf is iri1mers
hel tegenovergestelde van den staat van kind des huisgezins;
gelijk het blijli.l uit de wetten van het heid~mlom, waar de slavemij IJestontl, en waar tle~ene die den lite! vau kind des huisgezins vel'loor, slaaf wen!. Welnu, door de heilig·makende gratie
zijn wij aaugenomene kiuderen en erfgeuamen van God; en
Lijgevolg, wie de heiligmali.enrle gratie verliest, die verliest den
lite! van kind en erfgenaam Gods en vall in de slavemij. Deze
•
slavernij wonlt genoemd de slctve1·nij des dui-vels, omdat de
duivel door zijne IJekoriugen er ons inbrengt, en in zijnen oor·log
tegen God lloor· 7.ijne listen ons uit het l'ijk Gods trekt en slaven
of krijgsgevangenen maaki; -of ool\, onulat de duivel, die de
eersle iegen God is opgeslaan, en over al de menschen, die in
doollzoude Ieven, vee! macht heeft, als vorst is der wndaars en
over hen heerscht, niet als een vader over zijue kinderen, maar
gelijk de ergste dwingelaml over zijne slaven; -of nog, omdat
de zondaan; tle pijnen der he!, die het ware rijk des duivels uitmaakt, schuldig ?.ijn ie lijden. - Deze slaxernij \vordt sclwndelijk geheeten, in tegenoversielling met· den hoogen en verheven
stantl waaruit zij ons doet vallen, en uit hoofde van· het &gt;erachlelijk lot tot hetwelk zij ons Lrengt. Wat is er immers verhevener
dan kind en erfgenaam te zijn van God; en w~tt is er verachtelijker dan den duivel te volgen en hem, om zoo te zeggen, als
vorst te hebben.
•1. De doodzomle brengt ons ook tot de pijnen dm· !tel, 't is ie
zeggen, dat degene die eene doodzonde bedreven l1eeft, sclluldig
is de pijnen der hcl te lijden, en dat llij in uie pij11en zal vallen,
indien hij in zulke zonde komt le stenen. - Doell wat is er
hier te verstaan door de pijncn de1· lwl? I-Iet zijn de eemvige
pijn t'an schade (van berooving van !Jet goddelijk aanschijn te
aanschouweu) en de eeuwige pijn van gcvoel (welke bijzonderlijli. in !Jet vuur bestaat); en zoowel de eene als de andere

�1220

VIJI&gt;DE i&gt;EEL. - · 38 810 J,ES, 6~ 0 YR.

pijn zal de '\'erdoemden ten hoogste doen lijde11. -De pijn der hel
is dan dezelfde niet voor degenen die in doodzonde sterven, als
voor de kinderen, die vuor de jaren van vei'sland zonrler Doopsel
van deze wereld scheiden : dezen zullen alleenlijk de pijn van
scharle onde1·gaan, en zullen zelfs uit die pijn niet lijden. (Zie
1511" les, 8"10 vr.)
5. UiL a\ hetgeen wij tot hiet·toe over de doodzonde gehoord
hel&gt;ben, zien wij heel klam-. well;, verschil Cl' tusschen (\e doodzonde en de dagelijksche zonde l&gt;estaat : a) de doo~lzonde is eene
volledige zonde, terwijl de dagelijksche slechts eene omolledige
zonde is; want ee11e zonde is alleenlijk dagelijksche zonrle en
niet doodzonde, of omrlat zij niet teenemaa\ weteni' en willens
geschied t, of omdat de zaak te Ide in is; b) de doodzonde berooft
ons ten volle van de hei\igmakenrle gratie, terwijl rle dagelijksche zonde ons van de heiligmakende gratie op geener wijze
berooft, maar alleenlijl;, tle vurigheid onzer liefde vennindert;
c) de dootlzonde verbimlt tot de eeuwige pijnen der he!, de dagelijksche zonde daarentegen maakt ons enkel aan eenige tijdelijke
pijnen schuldig.

6. V. TVat !teet men lwo(d~onden?
A. Die gelUk oot·sprongen zijn en beginselen van vele
andel'e zonden.
l. De Catechismus begint hier te SJH'eken van de eerste onder-

verdeclingderzonden, te we ten, van de lwo(dzonden.; en hij vraagt
wat men door die soort' van zondcn verstaat. lVat !teet men,
zegt hij, lwo(d::;onden, dat is, welke zonden worden hoofdzonden
genoemd, of om welke reden dragen ecnige zondeu rlien naam?
2. Hij antwoordt dat eenige zonden hoofdzonden genoemd
worden, omdat ::ij gelijk OOI'SlWOngen zijn en beginselen van
vele,ande;•e zonden. - Om welke reden dan worden eenige
zonden hooftlzonden genoemd, is beL omdat zij zwaarder zijn dan

�YIJFDE Dim!..

-

3SStc LES, Qdc \"!~.

1221

andere zontlen, of omdat zij altijd doodzonden zijn,. ofwel om
eenige andere red en? I-Iet is niet, omdat zij r.waarder zijn, want
er ueslaan andere 7.0nden, gelijk uij VOOI'beeld, de godslaslering,
de vrijwillige tloodslag, die uit hunne 11atuur zwaarder en afsclmwelijkcr r.ijn dan de hoofdzonden. Het is ook niet omdat zij
allijd dooclwnden zijn, want eene hoofdzonde maakt soms alleenlijk eene dagelijksche wrule uit: zoo I.Jij voot·ueeld, kan men
zich door hooveenligheid, door gierigheid, door traagheid, enz.,
enkel aan e~ne dagelijksche r.ondc plichtig mal\en. De \Vare r·eden, om cleweli\e eenige wnden den naam van hoofdzonden dragen, is dat ::;ij gelijk oo;·sp;·ongen en beginselen zijn van vele
ande;·e zonden; 't is te zeggen dat zij gelijk bronnen zijn,
waaruit vele andere zonden vloeien, of dat zij ons aanzetten of
aandrijven tot vele andere zonden. ledere hoofdzonde is de bron
van 'Gele andere zonden, en de r.even hoofdwmlen zijn de bron
van al cle andere zonclen. Gelijk het hoofd in het lichaam al de
. andere ledematen besliet·t en beweegt, zoo zetten de hoofdzonden ons aan tot al de andere zonden, en hebben derwijze over
deze als het opperbestier : daarom hebben zij den naam van
lwofi.lzouden onivangen. Hetgene wij immers in iedere hoofdzonde' op eene ongeregelde wijze zoel~en of vluchten, zet
ons aan tot vele andere zonden die er wede verbonden· zijn,
en die dienen om o11s dat einde te do en bereiken. Zoo word t de
hooveerdige, die zijne eigene vel'i1evenlwid te. vee! zoekt, door
die zonde natuurlijk aangezct om o11geltoorzaam te zijn,
daar· de ongehoorzaamheid in zijne oogen een middel is om zich
te vel'iwlfen. Behalvc de gezegde manier, zijn de hoofdzonden
ook nog dikwijls de oorsprong van vele andere zonden, met ons
in cle naaste gelegenheid te stellen van deze te bedrijven : zoo
bij voorbeelcl heeft de gulzigheid de zonden van onlwischheid
als natuurlijk gevolg. - ln de volgende vraag zullen wij zien,
hoe de ltoofdzonden waarlijl;. bronnen zijn van vele andere zonden, of den mensch tot vela andere zonden leidelL

�VJJFDE DEEL. -

3Sste LES, 7de .YR.

7. V. Iloeve_el hoo(dzonden zUn m·?
A. Zeven : l. Hooveerdigheid. 2 .. Gierigheid. 3. Onkuischh~id. 4. Nijd. 5.-Gulzigheid. 6. Gramschap.
7. Traagheid.
l. De Catechismus noemt·ons hier de hoofdzoi1den. £;· zijn
namelijk zeven lwofUzonden, gelijk de Catechismus zegt. -En
waaruit weten wij, dater zeven hoofdzondeu zijnnoch min noch
meer? Wij weten tlit uit tle leering tier godgeleer'tlen, die klaar
bewijzen, dat al de zonden, welke oorsprongen en beginselen
zijn van vele andere, op de zeven genoemde uitkomen.

2. Hoovee1·di'gheid. Waarin bestaat de hooveerdigheid? Zij
bestaat in eene ongeregelde begeerte van persoonlijke verhevenheid of uitmuntendheid, om welke men ons eer schuldig is; en
deze Jjegeerte !weft voor oorspt•ong dat wij ons hooger of verhevener achten dan wij WQ.arlijk zijn. Het woord hoocee;·digheid
beteekent immers uit zijne natuur: zich hooger stellen of achten
dan men is. -'- De persoonlijke ve1'11evenheid komt voort uit
allet·hande zaken, zooals uit de begaafdheden van de ziel of van
het lichaam, uit de wetenschap, uit de kunst, uit de rijkdommen.
uit de ambten, enz. ; en zij is een goed dat niet tot het genot des
lichaams, maar slechts tot dat der ziel betrekking l1eeft. Het
is imniers de rede aileen die de persoonlijke verhevenheid kan
opmerken, ·en de wil alleen lmn ze begecren; en daarenboven
het eenigste goed dat een geest, ?.Ooals de ziel is, door zich
zelven zonder de zinnen zoeld, is de volmaaktheid, de verhevenheid, de uitmuntendheid.- Men is dan hooveerdig als men hetgene dat men is of heeft, niet aan God maar aan zich zelven
toeschrijft, want in flit geval acht men zich hooger dan men
inderdaad is, dewijl alles, wat wij bezitten, ons van God is
geschonken. - Thien is nog hooveerdig, als men wel erkent, hetgene men bezit van God ontvangen te hebben, maar zijne eigene

�YIJFDE DEE!.. -

38Sic LES, 7de VR.

1223

verdienslen als de oorzaal~ clam·van beschouwt; met zoo te handelen, acht men zich nog eens hooger, dan men \vaarlijk is,
dewijl wij het naluurlijk Ieven en het Ieven der gratie van God
zonder vcrdiensten bckomen . .:..._ Gelijkerwijze is het hooveerdigheid zich eenige uitmuntendlleid of eenige eigenschappen. toe
te schl'ijven, welke men niet bezit, of degene, welke men IJezit,
te vergrooten, of eer, macht, glorie of amblen te willen bekomen, die IJoven onze verdiensten zijn; want zoo acht men zich
IJoven hetg-ene men wezenlijk is, en verheft men zich op eene
onrcdclijl\e \vijzc. Zoo zondigen door hooveeJ:digheid al de
menschen die door lmnne weelde in hunne !mizen, door
hunne kleedeqn'acht, door hunne spreek- of handelwijze zich
boven hunnen staat, bovcn hetgeen zij wezenlijk zijn, verhelfen;
alsmede al degenen, die e1· op uit zijn, om in alles, zonder recllt
of redcn, de eersten to wezen, met onderscheid behandeld te
worden, en IJoven de anderen te staan. - l\Ien valt nog in
hooveerdigheid, met an.dereu die min begaafd schijnen dan wij,
daarom te vemede1·en en te verachten, alsof wij inclerdaad uit
hoofde van de gaven, die wij bezitten, grooter en verhevener
waren dan zij; alsmede mel te willen uitschijnen; buitenmate
boven de anderen en met hen allen te willen o'l'ertreifeu alleenlijk om IJovcn hen te wezen. Want als wij zoo te werk gaan,
achlen wij 01is boven de waarheid : immers God, die alle:,zins
volgens de waarheid oordeelt, schat de menscheu niet naar
hunnc begaafdheden, maar naar het gebruik dat zij er van
maken; en zoo zijn dikwijls de verlatenste en de laai.stc dezer
werel!l, de ecrste in zijne oogen.
Tot wat kwaad b1·engt ons nu de hooveerdigheid? Zij brengt
ons vooreerst tot ongclwol·zaamhcid aan de wetten Gods. aan
de gebodcn der H. Kerk en der andere oversten. Inderdaarl, er
lwn geene ongehoorzaamheid bestaan zonder hooveerdigheid,
want a!::; men ongehoorzanm is, weigert_men zich :aanzijne oversten te onderwerpen, stelt men zich boYen de oversten, wil men

�1224

\'IJFDE DI&gt;J&gt;I •. -

38" 10 I.ES, 7&lt;1o VH. _

zijne eigene wet en meeste1· zijn. en verklaart men zich onafllankelijk. Integenueel acht.ten wij o11s nooit lJoven hetgene wij zijn,
l.Jegeer(len wij nooit op eene ongeregelde wijze onze.eer en·glol'ie,
wij zouden ons altijd aan de wetten van God en aan de geboden
van al onze wettige oversten ondei·we1·pen, want wij zomlen
onze afhankelijkheid nw God bekennell, en zoo hunne geboden
steeds voli.Jrengen. Daarom zegt de H. Schrift, dat de hooveerdigheid cle oorsp1·ong is -van a.lle zonde, van a.lle ove1·t;·eding
.van Gods wet en wil: flat wil nogtans niet zeggen, dat aile zonden daar noodzakelUk uit voortvloeien, maar dai&gt; de hooveerdigheid aan alle zondei1 den weg opent, met de onderwerping
aan God, die de zonde lJelet, weg te nemen. Op dezelfde wijze
wordt de ootmoedigheid de grondvest aller deugden genoemd,
omdat zij aan aile deugden den weg baant, met de hooveerdigheid \veg te nemen. - Zij brengt ons rechtstreeks ook tot ijdele
glorie en tot eerzucltt. De ijdele glm·ie is immers de ongeregelde
· l.Jegeerte van onze verhevenheicl of uitmuntendheid buitenmate
aan anderen bekend te maken; en door de eerzucht hebben wij
op eene ongeregelde wijie de begeerte van door anderen hoven
onze verdiensten geeerd i.e worden; en deze twee begeerten zijn
een natuurlijk gevolg van hetgene wij door de hooveerdigheid
zoeken. - Zij lJrengt ons insgelijks tot verzuim -van den
godsdienst en van !tel gebed; want daar de lwoveerdige zich te
veel toeschrijft, zal hij gemakkelijk nalaten God als zijnen
Schepper, Heer en -Regeerder te erkennen en tot Hem te gaan
als tot de fontein zijner zaligheid en zijn opperste goed. - Zij
brengt ons insgelijl;:s tot ongedulcl in het lijden en in den tegenspoed; want de llooveerdige, die zich bovenmale acllt, zal
moeilijk aannemen, dat hij de kwalen, welke llij lijdt, door zijne
zonden verdiend lweft, en dat hij zich moet gclukkig achten eene
otrerande aan God te mogen aanuieden. - Zij lei~lt ons nog
onmiddellijk tot verscltillige zonden die tegen den naasle strijden: hij immers, die bovenmate zljne eigene verhevenheid naloopt,

�VIJFDI&gt; DEE! •. -

38810 LES, id" Vlt.

1225

zal den naaste dikwijls door leugentaal en veim:erij bedriegen,
hard en opvliegend ·tegen hem zijn. zijne eer en geluk benijue~1,
zijne faam uoor achterklap en leugentaal schenden, hem J;:waad
wenschen, enz.
3. Gie1·igheid. Waarin bestaat 1le gie1·igheid 1 Zij bestaat in
eene ongeregeltlc liefcle of begeerte tot de g0ederen der aarde;
of in andere woorden, zij bestaat in de goederen der aarde
(rijkdonunen en al hetgene de mensch op aa1·de !;:an bezitten) te
bcgee1·en, niet vom· zooveel zij ons nuttig en dienstig kuimen
zijn om volgens om:en staat te Ieven en onze ziel zalig te mal;:en,
mam· alleenlijk om ze te hebben en er zijn genot in te vinden;
in ze vurigm· na tc streven, dan het met de geboden Gods J;:an
samenstaan. en in er zich op eene onbehoorlijlie wijze aan vast
te hechten. - Tot welke ZOIIllen brengt ons cle gierigheid 1 Zij
verleid t in het !Jijzoncler tot eene overd1·evene zorg •oor bet
tijclelijl&lt;.e; tot eene onmatige clroefheid over het verlies van
aardsche goetlereu; tot het aanwenden van schanrlelijke en onrecht~·eenligc miclilelen om die goederen tc verwerven, namelijk
het gebrniken van lengens, valsche eeden, diefte. bedrog;
verders nog tot twist en tweedracht, tot. onderdrukking der
&lt;ll'lnen en ongelukkigen. - De gicl'igheid worclt dil\\Yijls de
br·on g-enoemti van alle zonden, omdat de tijdelijke goederen,
wei kc de gi&lt;~1·i g·heid nastreeft, het m iddel zijn om allerhande
kwaad ten uitvocr tr. brengen.
,~, Onlwischheiri. ncze zonde be:;taat, gelijk wij alreede in
rle 2:J' 1" les geleerd hebben, in de ongcr~gelllc begeerte tot de
\Vclke 7.onden uil de onkuischheid voortsprni ten, hcbiJen wij daar ook aangetoond.

vlec~chelijke lusten.

:J .. Nijd. Waal'in bestaat rleze zontlc? Zij hestaat in een verdl'iet of rh·oefheid, well;:e wij over het geluk Y&lt;Hl een'ander
geYoelen, omdat wij zijne vcl'lwvcnheid als ons eigen ongeluk be:;chouwen; en bijgevolg ook in eene zekere n·eugde over iemands
ongeluk, onulat wij zijn ougeluk als ons gelul~ aanzien . .Men

�1220

neme er wei acht op, dat er geene zon&lt;le van nijll hestaat,
indieu het verllriet ovet• ':::; naasten gelul\!. of de vreugde over
zijn ongelul\. niet ontstaan, om&lt;lat wij zijn gelul\ of zijn ongeluk
als ons ongeluk of als ons geluk aanzien. Bij voorl.Jeeld, waren
wij over het geluk van lieu naaste alleenlijk droevig omdat wij
rlenken, dat de naaste nw dat goed zal misbruik mal\en of er
onweerdig van is; of omdat ons geluk ons doet verslaan hoe
wij ongelukl\ig of ten achteren zijn, of omdat wij hetzelfde
geluk nog niet· bekomen hel.Jbe~1; wij zouden ons daardoor aan
geene zonde van nijd plichtig maken. De nijd ' is dus wei te
onderscheiden van de t'e;·ontwee;·diging, waardoor wij misnoegd zijn over den rang, de eer, het geluk van den naaste,
omdat wij denl\en, dat hij er onweeruig vim is; als ook van
den naij'ce1·, die bestaat in de l.Jegeerte van anderen in verdiensten, in talenten; enz., te evenaren en zelfs te overt1·effen,
niet omdat wij hun geluk als ons ongeluk aanschouwen, maar
omdat wij, met hun geluk te zien, beter ~eg1·ijpen wat e1· ons
ontbreekt en aangemoedigd worden om meer en meer le werken. - Tot well\e zonden brengt ons de nijd 1 Hij leitlt rechtstreeks tot haat en afkeer van den naaste, tot kwaadspreken, tot lasteren, tot oorblazerij, ja zelfs lot haat van God, tlien
wij, do01· tlcn nijd gedre\en, als om·~chtveerdig in het uitdeelen
der goederen zouden beginnen te aanzien.
6. Gulzigheid. Wam·in bestaat deze zonde 1 Zij beslaat in
eene ongeregelde begeerte tot het genot, dat het eten of drinken
geven. Die 'begeerte zal ongeregehl zijn, als men alleenlijk eet
of drinkt om reden van bet genot, dat. men daar in vindt,
zoodanig dat bet einde, waartoe l1et eten en d1·inken tlient,
namelijk bet onde1·houtl van het lichaam. met der daad of ten
minste met den wil uitgesloten zij. Het genot, dat het eten en
drinken verschamm. is ons van den Schepper gegeven, opdat de
mensch spijs en drank zou&lt;le nutten, en clerwijze zijn Ieven
onderllouden; en bijgevolg als men z66 eet en drinltt, dat men

�YIJFDE DEEL. -

1227

38Sto LES, 7do Yll.

alleenlijk het geuot zoel\.l, en het einde, waarLoe het nutten
van spijs en drank client, wezenlijk uitsluit, handeU men ongetwijfeld tegen cle o1·de en iegen de rede, die het bewaren der
orde voorsclll'ijfL. Zulks grijpt plaats, \vanneer men in het eten
of tlt·inl;.en overdaad doet, want hetgene men hoven de maat
neem t, gebru i kt men alleenlij k tot genot van den smaak, daar
de oYel'daad in plaats van de gezondheid · te ondersteunen, er
kwaa1l aan doct. Dit gl'ijpt nog plaats, als men, zonder ovet·daad to doen, op zulk eene wijze spijs en dt·ank nut, dat dit
•
slechts toL de vohloening van den smaak en niet tot het onderhom! des lor ens !;.an diensiig zijn; alsook wanneer men het
einde, waarloe het elen en drinken dienen, misacht en zich
gehecl aan het gcnot Yan den.smaak OYergeeft.
De ongcregelde begeel'te Yan· het smaakgenoegen is allenvaarschijnlijksl. eene zoHde tegen het zesde gebod, vooreerst omdat
zij rechlstreeks strijdt met die heer\ijkheid, welke den mensch,
als met redo en versl.and begaafd zijnde, eigen is, en die het
voorwerp is \an het zesde gebod. De rede is den mensch gegeven, om zijne driften tot de lichamelijke lusten van het eten en
drinken en Yan .de vlecschelijlw werken, die zoowel in den
mensch ab in tlc tlieren zijn, te belcugelcn, en hem zoo als koning
oYer de d iercn en de andere aardschc schepselen te tloen hem·schen;
en bijgevolg met die lichamelijke neigingen den toom te gevcn,_
trapt hij zijnc heerlijkheid, zijne verheYenhcid boY ell tle dieren
onder rle ,·octen, dewijl hij daardoo1· leeft alsof ltij, gelijk de
dieren, gccne rede bezat. - Wij vinden, om deze ongeregelde
begeerte als cone zomle tegen het zesde gebod le aanzien, eene
tweede reclcn in de bcstemming Yan het smaal;.genoegen. Dit
dient immers, zoowel als de vleeschelijke Justen, tot behoudei~is
yan hei mcnschdom; en zoo behoort naiuurlijk de mat.igheid in
het etcn en drinken Lot hetzelfde gebod als de zui&gt;erheid.
Doell de dronkenschap, alsmede de overdaad in het eten,
mal\en tlaarenboYen (dat is boven de zonde van het ongeregeld
t:;

�1228

VJJFDE DEEJ,, -

3851 C I.ES, 7de YR.

smaakgenoegen) nog eene zonde tegen het vijfde gebod nit,.
'twelk verbiedt zich zelven of andere menschen, zonder wettige
macht en reden dood t.e slaan, te kwetsen of merkelijk te hinueren. Inderdaad, door de dronkenschap berooft men zich,
zonder wettige rnacht en reden en alleenlijl\. uit een~ ongeregelde begeerte tot smaakgenoegen, van het gebruik des verstands; en hierdoor hindert men zich ongetwij feld grootelij ks,
daar de rede de eerste en de bijzonderste is van alle onze
vermogen·s. En men brenge hier tegen niet in, dat wij, met
ons aan den slaap over te laten, ons ook van het gebruik des verstands berooven, want de slaap behoort tot cle orde, tot de noodwendigheden door God, den Schepper der natuur, ingestelu; en
daarenboven hij is niet eene ware.berooving van het gebruik des
verstands, maar slechts een stilstand in de werkingen der ziel
en des lichaams; terwijl het verlies van het gebruik des verstands door de dronl;:enschap teweeg gebracht, geheel buiten de
~rde is en eene ware berooving, ·een ware krenking, eene ware
schending dcr menschelijke vermogens uitmaakt.- Op dezelfde
wijze is ook de overdaad in het eten eene zouue tegen het vijfde
gebod, daar zij altijd len minste eenigszins het lichaam hindert.
- Men bemerke dat men in het toepassen van heelmiddelen in
eene ziekte recht kan hebben om zich van het gebruik der rede
cloor bet een of bet ander middel te berooven, gelijk \Vij om de
gezondheid of het Ieven te behouuen, ons mogen berooven van
een lidmaat of het ongebruikbaar maken; doch in de dronkenschap is de zaak gansch anders : daar bestaat niet de minste
reden om zich van het gebruik des verstands te berooven; want
.men begeeft er zich slechts toe uit eene ongeregelde begeerte
-van genoegen in den drank. - De dronkenschap, als zij volledig
is, maakt eene doodzonde uit; aangezien zij, gelijk iedereen
het gemal&gt;kelijk begrijpt, de orde grootelijks stoort, zoowel
onder het opzicht van den dronkaard zelven als van de samenleving. - De onmatigheid in het eten zal ook eene doodzonde

�VIJFDE DEEI.. -

3S•te I.ES, 7de VR.

1229

uitmal\en, als men dam·door zijn Ieven in gevaar stelt of Len minste de gezondheid grootelijli:s krenl\t; alsook wanneer men goheel zijn geluk in bet smaal\genot zou stollen.
Tot welke zonden leidt ons de gulzigheid 1 Zij brengt ons tot
allerhande oneerbare en onkuische werken, daar de ovenlrevene ~·oldoening van .Jtet smaal\genot lie ongeregelde hegeerte
lot de vleeschelijl\e wellusten, die er innig mede verbonden zijn.
natuurlijk lioet ontstaan en het lichaam ontroert; en dat dam·enboven de beliwelming van lien geest of de berooving van bet
gebruik tier rede, rlie de gevolgen van den ovenlaad en de dronkenschap zijn, de kracht om aan de vleeschelijke belwring te
wederslaan verkrenlwn of zelfs wegnemen, en derwijze den
mensch zooverre brengen, als ware hij een om;edelijk dier. -Zij
verleidt ons uog tot onmatige noolijkheid die zich dikwijls in
vuile gespreldwn, gezangen en allerlei on belamelijkheden uitlaat; alsook Lot g1·oote gramscliap, godslasteringen, twisten,
scheldwoorden, en tot verkwisting en verzuimenis der plichten
van onzen staat, enz.
i. GiYtmschap. - Wat verstaat men door deze zonde? l\Ien
verslaat daarrloor rle ongeregelde begeerte van r.ich te \\Teken
over het. onrecht dat ons is aangCllaan; en wij kunneu ons willen \\Teken : ten eerste, over ric retlelijke wezens, die ons kwaatl
gedaan hebben of die wij aanzien als hadden zij ons kwaad gedaan; ten tweede, over de d ieren en allerhande onredelijke·
schepsels tlie on:; in iets hinderen en die wij in onr.e inbeclding
aanschouwen als waren r.ij met relic begaafd en bekwaam om
geslraft te worden; en ten rlerdc, over ons eigen zelven, wannear wij ons aanschou wen, a Is ons z·~lven gehindenl te hebben.Deze begeerte lmn ongeregeld r.ijn of nit hoofrle tler wraak welke
men begeert te nemen. of uit hoofde rlei' stoornis van lie ziel en
van het lichaam, welke die bcgeerte· .vergezelt. (Zie II Deel
blaliz. (318.) - Om ten•volle te zien. waarin de gramschap gelcgen is, moeten wij ze wel onderscheiden van den haat en van

�1230

YIJFDE DEEL. -

38810 I.ES, 7dc VR.

(len nijd. In den haat willen wij iemand kwaad tot zUn ongelnk,...
en in den nijd zUil wij bedroefd ove1' het geluk van den n~aste,
daar wij !let als OilS Ollgeluk am.lschouwen, tenvijl wij door de
gramschap hem op eene ollgeregelde wijze kwaad wenschen tot
straf zijner fouten of misdaden. -Tot well~e zonden brengt ons
de gramschap1 Zij brengt ons tot vele en tot r.ware overtredingen
vooral van het gebod der naa~lenliefde, zooals tot haat, vijandschap, twist, verwenschingen, beschimpingen, vechtpartijen,
verwondillgen en doodslagen; en dilnvijls ook is ~ij de oorr.aak
&gt;au godslasteringen.en allel'!ei woeste werken.
8. T;·aagheid. Waarin bestaat tleze zonde? Zij bestaat in eene
ze!;:ere slaperigheid, waardoor wij in om~en natuurlijken afkeer
van moeite en arbeid toegeven, en zoo verzuimen onze plichten
te volbrengen en de zonde te vermijden.- Volgens dat in hetgene,
'twelk de traagheid ons doet verzuimen, het lichaam of de geest
meest dee! heeft. wordt zij lichameliJ!w of r;eeslelijke traagheid
genoemd : de geestelijke traagheid draagt ook den naam van •
lauwheid, en de andere wordt dikwijls·ledigheid geheeten. "\Vaartoe IJl•engt ons deze zonde1 Vooreerst stelt zij ons bloot aan
vele groote bekorillgen, die wij anders niet zouden ondcrstaan,
en berooft Oils ter zel.fder tijd van den noodigen moed 0m ze te
overwinllen; en hieruit volgt dat zij ons gemakkelijk tot allerhande zonden verleidt. Zij brengt nog voort een om·etlelijk mistrouwen van den bijstand Gods en van onze krachten; cene
verveling en eenen afkeer van Gods vriendschap, van de plichten die zij ons oplegt, en van de godvruchtige en werkzame
menschen; eene groote ongestadigheid des gemoeds waanloor
men in allerlei zinnelijld1eden verstrooiing zoekt om zijn hert
van de knagende onrust te bevrijden. Eindelijk Yoert zij ons nog
iot de wanboop of tot eene vermetele gerusthcid, waardoor
men zich inbeeldt reeds genoeg gewerkt te hebben en in
de deugd geoefend te zijn, en zoo verwaa.rloost zich te beteren.
9. Hier behoeft aandachtiglijk opgemerkt te worden, dat de

�VIJI'DE DEEL. -

385 tc J,ES, 7de VR.

1231

zeven genoemde hoofdzonden, niet altij&lt;l als dadelijke zonden,
maar dikwijls als ondeugden, dat is als slechte genegenheden
der .:del tot die zonden, genomen worden. In den zin van ondeugden genomen, maken zij geene dadelijke hoofdzonden uit,
maar Jciden ons tot het bedrijven van die zonden.
10. \Vat nu de zwaarte van de lloofdzonclen, als zonden
beschouwd, betreft, zij zullen doodzonde zijn, zoo &lt;1ikwijJ:.; zij
uit zich zelven groot zijn, of den wil insluiten van doodelijk te
zondigen of eenc naaste gelegenhcid &gt;an doodzonde zijn. - Zoo
bij voorbeeld, wanneer men uit nijd aan den naaste eenig groot
kwaad wenschL, wanneer men met vollen uijen wil de onkuische
wellusten des vleesches zoel\t, wanneer men zich aan de gulzigheid zoo overgee.ft dat men beL gebt'uik der rede &gt;erliest, of
wanneer men door gramschap eene groote wraak zonder recht
wil nemen, of de aanwezigen groote ergern!s geeft; iondigt men
voorzeker doodelijk, dcwijl de zaak in die gevallen uit haar
zel&gt;e groot is. - Insgelijks wanneer men door, hooveerdigheid
zoo gesleld is dat men zich aan God of aan de wettige oversten in
gewichtige pun ten niet wil onderwerpen, of wanneer men door
gierigheid gedreven. bereid is werken te doen, die grootelijks
verboden zijn; zondigt men ook doodelijk, dewijl die zonden
meL den wil van doodelijl;; te zondigen dan gepaard gaan.- Eindelijk, wanneer men bij voorbeeld, door eene kleine gramschap,
eene kleine dronkenschap, ·eene kleine traagheid in de naastste
gelegcnheid komt van in doodzonde te vallen, zondigt men
doodelijk met in die zonden, welke uit haar zelven klein zijn,
toe te stemmen, naardien zij eene naaste gelegenheid van doodzonde uitmaken, en zoo op doodzonde moeten gevlucht worden.
ll. Hoe de zeven genoemde zonden, en zij alleen, hoofdzonden zijn, of hoe alle de andere zonden er uit \OOrtvloeien,
is niet moeilijk om te verstaan. Aangezien alle zonde bestaat in
hetgene, dat ons aangenaam is, op eene ongeregelde wijze te
begeeren, of in hetgene, dat ons tegengaat, op eene onredelijke

�1232

YIJI'DE DEEI •. -

3Sstc LES, 7&lt;1c YR.

wijze te vluchten; zoo .?.Ullen alle de ongeregelde begeerten van
iedere hoofdsoort van goederen, die wij lwnnen naloopen, en
aile de ongeregelde afgekeerdheden van iedere hoofdsoort van
kwalen, die wij kunnen vluchten, hoofr.lzonden uitmaken.
"'einu, a! hctgene wij kunnen begecren, lwmt op deze
hoofdsoorten van goederen nit, namelijk : de uitmuntendheid
of de verhevenheid boven de audcren, de tijdelijke goederen
.(dat is al heigene wij !Jier op aardc bezitten) en ·de welJusten die het Jichaam in den smaak en in dl\ vleeschelijke
werken vindt (1); en at hctgene wij kunnen vluchten bestaat
hoofdzakelijk in het tcgeuovergestelde van die goederen, te
weten : de verhevenheid van anderen die on7.e uitmuntendheid
belet en hind crt; de schade in on7.e tijdolijl\e goederen; en het
Jijden, de la:;t of de arbeid des lichaams. die hot tegenovergestelde .zijn (lor licli;;.:..:1elijke wellusten. Bijgevolg zijn de 7.e\'en
genoemde zonden ware hoofdzonden, en zijn 7.ij het alleen. De
hooveerdigheid, de gierigheid, de gulzigheid en lle onkuiscllheid zijn imrners de ongeregelde begeerien tot de hool'llsoorten
van goederen, die wij kunnen nastreven : de hooveerdigheid is de
ongeregelde begeerte van de uitmuntendheid, de giel'igheid van
de uitwendige goederen, tie gul7.igheid van de wellu:;ien in den
smaak en de onkuischheiu van de vlee~chelijke wellu:;len. Van
den anderen kant (le nijd, lle gramschap en de imagheid :dju
de ongeregelde afgekeenlhedcn van de hoofdsooricn van kwalen, die wij kunnen vluchlen : de nijd is de ongeregelde afgekeerdheid van de verhercnheid der anlleren ; de gmmschap van
de schade die ons in de tijdelijke goederen is aaugetlaan, en

(1) De H. J.oaones zegt I B1·. II, lu: Jl1oat iil de 1oc1·eld is, is ber1ee 1·t(ikl~aid des vlecsches (wellusten van cton en &lt;ll·inken en ~an do onkuische

wet·lten); beoecl'lijklteid del' ooge,, (tijdclijk&lt;) gucdorcn) ou !toovecl'digheid
des leve11s (de uitmuntenclheid die hot gcnot rleJ• zicl uitmnakt, gclijk de
wellusten van het eten en drinken on ''an dovlecschelijko werltcn het genot
zijn des lichaams).

�VJJFOE DEEL. -

3851° LES, gsto \"R.

1233

de tmagheid van den arbeid, den last en het lijden, die wij
in het vervullen onzer plichten niet zelden tegenkomen.

8. V. TVelke noernt rnen zonden tegen den Ii. Geest?
A. Die uit enkele boosheid geschieden en strijden tegen de goddelijke bermhertigheid, en daarom zeer
zelden vergeven worden.
l. De Catechismus spreekt hier van eene andere onderverdeeling der dadelijke zonden. te weten, van de zonden, welke
genoemd worden : zonden leyen den H. Geesl. In rleze uaag
onderzoekt hij, water rloor die zonden te verstaan is.
2. In zijn antwoord leert hij ons die zonden l&lt;ennen : a) onder
het betrek hunner natuur. 't is te zeggen. ~1ij verl\laart ons
waarin de natuur rlezer zonden beslaat, of wat er vereischt is
tot eene zonde tegen den H. Geest: en b) onrlet• het opzicht
hunner vergilfenis.
3. \Vaarin beslaat de natuur dezer zonden, of wat is er aan
deze zonden eigen 1 Het zijn zonden die a) u£t enkele boosl~eid
geschieden, en b) str·(jden tegen de goddelijke be,·mlm·tigheid.
De eerste eigenschap der zomlen tegen den H. Geest is, dat dj
geschieden uit enkele booslteid, 't is te zeggen dat zij op geener
wijze voortkomen uit de aanlokldng onzer driften en de natuurlijl&lt;e zwali.heid van den wil door de driften teweeg gebracht,
maar cnkel uit slechtcn wil, dat is uit eenen wil, die zonder
verleiding der driften, door gansch vrije verkiezing de zonde
aanneemt (1).
(1) EeM zondc gc~chiedt ook niet. uit. enl,ele boosheid, als zij gcdeeltelijk
uit onwctcndht!id voortspruit; doch wij mootcn hier van do onwetendheid
nict ~J;rckon, dnnr de zonden van den H. Gccst, uit hoofde Yan hun
voorwerp, ecne bijzondcrc soort van zondcn uitmnkon, on daar deonwetendheid niet tot bet Yoorwcrp elm· zondc bchoort, mam· tot de manior op de
velke eone zokot·o zondo door icmnncl bc;ircvcn wor&lt;lt.

�1234

Y(Jl•'DE DEE(,, -

38810 (,l•:S, 8810 \"R.

De zonden bij voorbeeld, van onlmischheid, van onrechiYeerdi.,.heid, van gulzigheid, rlie men bedrijft om zijne U.riften van
0
onlmischheid, gierigbeid en gulzigheid te Yoldoen, zijn geene
zonden, die uit enkele boosheid geschieden; want de naiuur1ijke driflen sporen ~r toe aan {1). Doell rleerl men eene zonde,
(t) 'Vat :::ija dl'i{t~Jn. Doo1' dri{tea (passien) vel'8lnan wij clio beweging~n
mn genegonheid of :tlgel;:rwrdheid, wclkc ten gevolg·~ \':In ltelgt'IIP. wij dom·
ooze 1.intuig&lt;lo on onze inbeelflingslo·ncht (imnginatie) o' door &lt;h•ze aileen
nantt·ell'en, niet in den wil maar in ons ander begeerensvermogen, namelijk in onze zinoolijke begecl'lijkheid. noodznk.,lijk ontstaan, en Sleeds
,-an ontl·oet·ingen &lt;J,•s lichnams ':~•·gezeld 1.ijn.
Uitlcgging de:.:e1· bcsch1·ijcing. Om dt~ze beschl'ij,·ing wei te ,·er~taan,
mocton wij het volgenrlo aanmt;rl;:cn. a) \\'ij zeggen rlat de passiiln uic/. ht
dell tcil ruuat• in ons andct· n·rmogen om te begcet·ou, naruelijl\ iu cle :.:iluwlijlte begeel·lijlthetd zUn : gelijl\ wij een rlubbel vermogen hezit!en om de
zaken to ltennen, te weten, de 1.intuigen en de imaginalie. wcll\e ons hot
uiterlijke (de Ideur, den klan It. den •·cui;:, enz.) d&lt;•r stoffelijl;:c wczens doen
kenoen; en do! redo of hot \'t!I'Stand dat de natuur zelve det· stoffdijke
wezens doot• de nlgemeooe gcdachtcn die hct er ons ,·an gecft, ons ,·oorstolt, en uit hotgenc, dat het van de aardsche schP.psden wa8l'necmt, tot de
);:ennis van Gorl opklimt; zoo besfnnt er ook in den mensch con dubbel
ve1·mogen om de gekende zal;:en te bcgeeren of te vluchtcn : een dnt. als
,·oorwerp heoft hetgene rlc zinnen en de imaginatie li•!llllcn, en dmu·om de
::imtelijltc begee1·lijhlwid genoemd word!, en ccn andcr rlnt als ,·on• W&lt;'I'Jl
heeft het.genc de t•ede lee•·t, en den nnam rh•angt vnn l'cllelijltc bcgcalijhhe~d of vntl tcil. Ann iode1· Jte,n·ermogen beantwoordt et• een ,·e•·mogcn
om de gelteode znl;:en to begeeren of te vluchtco; en dil is noodznkelijlt, aangozion de );:ennis de1· wezens uit hare natuur gcschil\l is om zc
ons te doen begeet·en of vluchten.- Hicruit hli,ikt dat de hewegingen, die
wij d1·i{len noomen, geheel ''ct·schillig zijn van do genogcnhcdcn nm den
wil : zij verschillen er ''an gelijk de -zinnen en de imaginatie, waai'Uil zij
vloeien, onde•·scheiden zijn vau het ve1·stnod uit het.wcllt de gen~gcnherlcn
van don wil voor!komon.
b) Die bewegiogen, wolke wij rll'iften noemen, ontstaan in ons, zeg~en
wij, tell gevolgc van hetgene on.;e :.:iitll!lgcil Cit cm.;c imagiuatie aailll'cffeil.
Inderdaad, zoo diltwijls onzo zinnen en onzo iobeeldingsl\l·acht of dczo
aileen ons de wellusten ,·an eton on d1·inken, onzuh·ere dingen of werl;:en,
uitwendige gooderen, uitwendige CCI' on glorio, uitwendige schoonhedon
en aangonaamhcden, smerten, ziel;:ten, gc,·m·en, of de dood voorstellen, govoelen wij, buiten onzen wil, zonde1· dat hij er tusschcnkomtcn zelfs ondanlts

�VIJFDE DEEL. -

38Slc J."S,

gsto VI{.

.

1230

nict nit ccne r.ekcrc krankheid van den wil door de driften
bewogen en verlcid, maar uit enkelen kwaden wil, de zondc
allcenlijk verkiezende omdat men hct r.oo begeert, deze zondc
r.oude uit eukelc boosheid gcschieden. \Velnu de zonde tegen den
zijncn l••gen~tam\, de bP.wegingen van de zinnelijke hegeerlijkhei&lt;i ont.staan. En dit is zocr natuurlijk, daat· deze begofll"lijkheid van de liennis
&lt;loot· de zinncn belwmen afhangt.
c) Et· is ook g&lt;•'l.cgd dal die bowegingen nood;al&gt;elijk in onsontstnan; 'tis te
zeggen, dat m· in &lt;le zinnelijke bcgcot·lijkheid zelve geene vrijheid is, en dat
wij hijgevolg lot hctgene wij met de ~.innen of door de imaginatic bemerl\cu, gedt·even of er ,·an afgetrol\kon worden, ~olgens dat &lt;le zaak ens als
aangeuaam of als ouaangcn::wm voot·lwmt. De reden daanan is. dat de
zinnen &lt;;n do imaginati·~ niei do natuur van de znken, maat• slechts hunne
uitwcndigo hoedanighed••n ken non, en wo ni..t kunnen oordel'len ••n bijgevolg tusschen ver~chillige goederen ook niet kunnen kiezcn. De zinnelijke
hegecl'lijkheid dus in dt•n mensch is door h::tar zelve zoowel \'an Hijhcid
heroofd als in de diereu.
d) In tl" lwschrijdng i~ Ct' nog gcJcoc•rd, dal die hewegingcn ges"hic&lt;len
met onll'Of!l'iii{J des l1chaams. Gelijl; de on&lt;lct•vi'lding het ons hewijst, de gen ... genhoden van Lien wil kunncn zond&lt;·I' ontroering gPschieden, maar &lt;lie
van &lt;In zinr.clijl;•~ b()gccrlijkheid hrengcn te weeg, dat hrt hcrt ldopt. dat
wij rood of hl~ek word&lt;·n. lint Ct' onzuiYOI'O •&gt;ntsleltenisscn plant~ gt·ijpen,
&lt;lat wij hu,-cn. &lt;lat. wij soms, zooals in de gt•amschap. geheel hniten ons
zelvcn zijn. De rcdon van dit uitwel'l;sPI iR. dat die geneg~nheden ann de
ziel uiot bchooren voor ;woveel zij cen geest is, maat· wei \'OOI' zoo,·cel zij
het zinn~lijl\ !~von gt-eft, en dat dit Ieven gehecl in de hcwegingcn des
lichaarns bestaat..
e) Aile onz" drifton hestaan, gelijk cr gczegd is, in bewegingen t:an [Jene~
genlwid of nw af.qcl;e,,·r/lteid; o&gt;n de t·edcn dam·van is, dat. a!. h&lt;&gt;tgent· wij
nopen~ iets kunnen &lt;l•wn, nitkomt op het to bcminn.•n of to vluchten. Doeh
dezt~ twc~alg~moene pasxi&lt;ln ·&gt;f drifton worden in ,·erschillige andet·e onderverdceld, volgeus dat het voonvorp. 't welk wij heminnen of vluchtcn, zich in
vcrschillige omstandighodcn bcvindt. - Vooreerst hebbcn wij de lie(de,
door dewdko wij centl annw~zige of afwezigc zaali, die ons anngenaam
voot·lwmt. geet·n zion, goer! willcn en begeeren; en het tegenovet·gesteldo
det·licfdn.• to wcten, !lcnlwat, doot· &lt;lenwelken wij cen&lt;&gt; aanwczige ofafwezigc ;mal;, die ons als onaangenaam voorlwmt, vluchten, kwaad willen en
\'erstooten. - A Is wij hP.t good, &lt;lat onze zinnclijl'e bogeel'lijkheid naloopt,
bezitten, dan wordt de licfde b/ijclschap genoemd : icmand is imn1ers blijde,
als hij bezit hetgcnc hij zocht. - Bezitton wij dat goed nict, dan wordt do
Iiofd&lt;~, die wij d::t:u·too hebbon, eene begec1·te; wij begeercn immet:s het

�1236

VlJFDE DEEL. -

38""' LES, gsl&lt;l VR.

H. Geest zijn zuike, waal' er ge~ne drifl tusschen komt en die
uiL enkele boosheid beclreven wotden.
De tweede eigenschap dezer zonden is, dat z'ij str·ijden tegen
de goddelijlw be~·mhertigheid; 'tis te zeggen, dat zij bestaan in

good, dnt wij niet bezitten, te bekomen. -Is dat good afwezig en moeilijk
om bekomen, doch niet onmogelijk, dan ontstnnt de hoop: zoo heeft eon
ziel\e hoop van gcnczing, nls de gczondheid, wellie hij begcert, wei moeilijk is om bekomen mnat· toch beliOmen knn worden. -En gedreven worden
om eene moeilijkheid to overwinnen, dat mankt de drift'van onvel·saagdhcid of van moed uit. - Wat nude afgel•eerdheid van bet lnvaad betrefl;
als de zaalt, die de zinnen of de inbceldingskrncht ons nls onnangenaam
voorstellen, aanwezig is en ons met der daad kwelt, dan wordt die nfge·
keet·dheid d1·oc(heid genoemd: men is immers droevig over eenig k waad,
dat ons met dot• dand •·eeds overgekomen is.- ·wanneerdie znak afwezig is,
dan is de afgekeerdheid er van een a(sclww, waardoot· wij gedreven
worden om te belettendat ditkwaad onswezenlijkovet·kome.- Schijnteene
goede znak als onmogelijk om te bekomen, dan wordt de afgekeerdheid er
van wanhoop gelioemd. - Komt eenig kwaad ons te lastig en te moeilijk
voor om het te o~erwinnen, dan maalil de afgekeerdheid er &gt;an de v1·ees uit.
Eindelijk wanneer wij in onze goederen beschadigd en gehinderd worden,
wordt de afgekeet·dheid, die wij daarvan hebben, g1·amschap geheeten.
() Om de werkingen dot· zinnelijke begeerlijkheid van die van het verstand
en van den· wil te onderscheiden, behoe,·en wij slechts op bet volgend
voorbeeld te !etten. Veronderstellen wij eenen mensch, die honger hebbende zich voor eene tnfel met welberoid vleesch voorzien bevindt : zoo
haast zijno oogen op dat vlcesch vallen, zal hij zich aanstonds, niet min dan
de.dieren, genegen gevoelen, om het le nemen en zich er mede te spijzen.
Deze genegenheid gevoelende, zal hij l.teginnen denken of hot hem wei toegelaten is, dat vleesch te gebruiken; en vindt hij, dnt ltet voor nnderen is
bestomd, of dat hct \'erboden is dien dng vl~esch te eten, hij zal begl'ijpen,
dut hij dit vlcesch niet mag g«:bt•uilien; en op dat oordeel moet de kens van
den wil volgen, waardoot· hij ''et·kiost of het te gebt·uikon en hijge,·olg te
zondigon, ofhet niet te gebt·uiken en zoo zijncn plicht te volbrengen. Dieeersto
gonegenheid behoort tot de zinnelijko bogeet·lijkheid, ierwijl he! onderzoek
of het toegelaten is dnt vleesch te nemen, het oordeel en de vrije kens tot
het verstnnd en den wil behooren. De diet•en clio geen verstand hebben, en
de ltinderen die tot bet gebruik des verstunds nog niet gol{omcn zijn, handelen slechts volgens hunne zinnelijlte begeerlijkheid; maar de mensch die
het gebt·nil{ des v~t·stands bezit, oot·deelt over hot wet•k dat h ij gnat doen, ~n
handelt volg~ns vrjje verkie:r.ing.

�1237

datgene te verachten, te ·terstooten en te verwerpen. waardoor
de goddelijke bermhertigheid ons lot de vergitrenis der zonden
en !J.et verdienen des hemels leidt, en dat z(j derwijze rechtstreeks de bermherl.igheid Gods zelve bevechten en be&gt;&lt;trijden.
Zljn de dl"i{ten [fOCd o{ hwaad? De dl"iften, wanneet· zij zondcr de tusschcukomst van den wil ontstaan, maken voorzel&gt;cr gcene zondc uit, zoo
lang zij door hct ve1·staud niet opgemcrkt gcweest zijn; want zij ontstaan
in dat geval nood1.akclijk en gcenszins wetens en willens. - ;\laar, wannoet· zij op die wijzc ontstaan, ltunnon zij tot het goed of tot het. kwaad
aanleiding gevcn, met ons tot hct goed of tot hct lnvaad nan te zetten; en
dam·om moet de rede, zoo l~nast zij eenc zinnelijl;e IJewcging gcvoelt, annstands ondcJ·zoekcn. of het voor\\"CI"Jl dezm· d1·ift goed of k\\aad is, mag
ge,•olgd of mo~l gevlucht wonlen. In de rlieren is d~ zinnclijke hegeerlijkheid, daar zij geene redo hebben. bij middel vnn een instinct rloo1" God
gegeven, op zull&gt;e wijze geregeld dat hun bestaan en de· vool"lzetting van
hun geslaeht doot· tc groote builensporigheden in het eten en dJ·inl;en of
in d•J vooJ'ttelingsweJ·ken in gevaar niet zou ge•teld wot·dcn. Maar bij den
mensch, die met t•edo en ''erstand begaafd is, hestaat er zulk geen rE&gt;geltuchtig instinct; hij zelf mo&lt;•t hij middel van zijne rede en zijnen vl'ijen wil,
doot· dewelke hij de lwning der nat•rlsche schepseleu is, zijne driftcn ragelen, rn~tigcn en bcteugelon. Dnm·om zondig-Pn wii. nls wij nn hemPrkt te
hehben, dat de passie die ontstaan is, ongcoorloofde dingen als '&lt;'OOrwerp
heeft, doze drift niet be"echten maat• er in tocsternmen, of wanneer wij
vl'ijwillig eene kwarl" dl'ift in ons ontstekcn; of zclfs wanneet• wij eene
drift, die hot goed als voorwerp heoft, te ,·one Iaten gaan en ze niet beteugelen. "'nnneer intE&gt;gendeel de passie hilt 6ocd als ,·oorwet·p heeft en niet
overd1•even is. dnn moet men ze niet be\"IJchten; men mag ze dan hewaren, en
zelfs mng men ze vt·ijwillig opwekkon. Gelijl; de driften ons tot het kwaad
annlol;l;en en middelen zijn om hot ln\'aad gemal;kelijl;E'r en ernstiger
te doen, als hun voorwerp slecht is; zoo hewegcn zij ook den wil tot het
goed en zijn hem dienstig om hot good gemakkclijltet·, ijveriget• en moediger te \"Crriehten, als hetgene waat•toe zij ons annzetten, goer! en deugdznam
is; en dam·om mogen wij zo involgen en ze opweldwn, als hun ,·oorwerp goed
is, en als wij ze tevens matigen. De liefrle, de haat, de hlijdschap, de dt·oefheid,
de vrees, de hoop, onz., leu nncn zoowel goede nls sleehte zal\en nls voorwerp
ebben, en hijgevolg mag de wil er op eene geregelde wijze in toestemmen
en ze zelfs opwolcken om er het goer! modo te docn. Zelfs behoort hot dat
wij.de dt•iften op eeno gerogeldo wijzo in onze goode werken gebruiken; wan
dnnr wij noodzakelijk het liehaam in dezo wet·l;cn moeten hezigen, on daar
hot lichnam zieh gemakkelijkst bij middel det· passien beweegt, zoo is het
zelfseenigszins noodzakelijk hen te gebruil&gt;on om er het goed me de te doen.

�1238

YIJFDE DEEL. -

38810 LES, sstc \'R,

·waarom draagi deze soort van zonden den naam van zonden
tegen den H. Geest; strijden alle zonden tegen den 1-1. Geest niet,
enstrijdenzij nietallen zoowel tegenden Vader en tegen den Zoon
als teO'en
den H. Geest ~ J a, alle zonden stl'ijden tegen den I-1. Geest,
0
daar Hij ze allen gelijk de Vader en de Zoon verbiedi en verHoe die d••i[tan in den mensch ta .::amen met llet varstand bcstaan. Ten
einde deze leering ovet• de cll'iften en l!et verband der driftenmet. de rerle te
begt•ijpen, moeten wij ons l!erinnercn, dat onze ziel, die uit geene deelen
gelijk ons lichaam bestaat en een enkele ~eest is, nogtans.eeuc dt•ijdubbclc
functie in den mensch ''er,·ult. - Zij volbrengt ten eerste de functie ,·an l!et
levenspt•inciep der plnnten. met do01· de genutte spijzen hot licl!aam te veeden, te vormen, te doen groeien en te onde1·steuncn volgens de hestcmming
en den Ievenstijd die God aan do menschelijkc natuur gegevcn l!eeft. Ten tweedc, zij ver,·ult oolt do functie van het le,·ensprinciep der dieren
met door de uitwendige zinnen de stolfelijke zakcn te kennen,het gekende
indeimaginatie te prenten en door het geheugen l!et orin te bewarcn,en tevens met ten gevolge der kennis door dezinnen en de inbeeldingskracht bekomen ltctgene ons aangenaam schijnt te begeeren en hel onaangcnaam to
vluchten. - Eindelijk zij ,·er,·ult nog de edele funclie ,·an ceneu gel!st, met
doot· algemeene gedachtcn de natuu1· de•· zalten le ltennen, met le oo•·cleelen,
tet·edeneeren en tol de kennis van God zeh·on opleldimmcn,en met Ievens
onder de ,·erschillige gocde•·cn door de rode voo•·gesteld ''rijlijlt le kiezen.
Op de funclii!n ''an het lichaam t.e voeden, te vormen, te ondersteunen en
to doen opgroeicn, hebben de rede en de wil gcenen im·loed,daar die funcW!n, als de ,·e•·eischtc ,·oot•waa•·rlen ,·e•·,·uld zijn, op eeoc onveranderlijke
en noodzakelijlte wijzc gescltierlen. Op de zinnelijke begc:erlijltheid heeft
de wil g&lt;'ene ,·olkomen beheerschende mncht, dnar de d••iften zondm· den
wil en zelfs ondnnlts den wil dikwijls ontstaan; maar hij heeft e•· eenc bestiercnde mach! op, wanthij !tan ze doen ontstaan, ze regelcn, matigen, en
vermeerderen, en hij knn altijd nan hare aanloltldngcn wcderstnncl biedcn.
Einrlclijlt o~er zijne eigene genegenheden of afgekeerdheden heefl de wil
volkomene macht, dnat• hij tusschen de verschillige zalten door het ,·e•·stand ''OOI'gesteld, kan verltiezen wat hij begeort.
De namen del' d1•i[ten worclen ook aan de bewegingcil raa dca wil fiCge-,;ail.
Daa1• wij in a lies van het zinnelijke tot het verstandelijlte moe ten opklimmen,
en d~uu· de ''oorwerpen van den wil in al dezelfde omstandigheden zich
kunnen bevinden als die ,·an de zinnt&gt;lijltc begeerlijkheid; zoo worden 'rlc
gencgenheden en afgelteerdherlen ,·an den wil op dezt&gt;ICde wijze verdeeld
als de dl'iften deJ' zinnclijlte begeerlijkheid en zij dragon dezelfde namen,
te weten : liefde, baat, blijdschap, droefheid, begeertc, afschuw, hoop,
wanhoop,, onve•·saagdheid, vrees, gi·amschap.

�VJJFDE DEEJ •. -

33s1e J.ES, gsto VR.

1239

foe it; en zij strijden ook allen tegeu den yader en den Zoon,
.aangezien de drij goddelijli.e Personen maar Mne en dezelfde goddelijke natum· llebben, en tlaarom aile drij even oneintlig heilig
zijn en de zonde oneindig halen. Noglans, alhoe.wel de drij
gofldelijke Personen maar Mne en dezeifde goddelijl\.e natuur
hebben, wonlen aan ieder van hen eenige bijzondere hoedanigheden Loege~cht'eYen, om te doen zien hqe zij onder het opzicllt
der persoonlijlilleid verscllillen :zoo wordt den Vader de macllt,
den Zoon de wijsheid, en den H. Geest de lteiligheid, de liefde,
de bemthertigheid toegeschreveu. Deze hoedanigheden worden
den H. Gcest loegeschreven, omdat Hij is de lie(de des Fade1·s

en des Zoom;, en uil Gods lie(de ons alle heiligheid komt,
gelijk wij in de lldc les gehoord hebben. Welnu, daar onze heiligmal\ing of de goddelijli.e bermllert.igheifl rlen H. Geest bijzonderlijk wonlt toegeschreven, worden de zonden, die tegen die
goddelijke bennhert.igheid strijuen, met alle recht zonden tegen
den H. Geest genoemd.
nlen merke op, dat 1le zonden, welke de goddelijl\e bern\hertigheid rechtstreeli.s bestrijden, noodzakelijk uit enkele boosheid
geschieden, omclat er niet eene drifl is, die ons tot zull\.e zonden
aanlokt; maar niet alle zonden, die uit enl\ele boosheid geschieden, strijden tegen de goddelijlw bermhertigheid.
'1. "'at is e1· aan die zonden eigen, onder het opzicht der vergiffenis? Dat zij zec;· zelden ve;·geven wm·den, gelijk de Catechismus zegt. - En welk is de reden daarvan, of waarom
worden zij zeer zeluen vergeven ? Omdat zij tegen de goddelijke
bermhertigheid strijden : het zijn zondeu. zegt de C'atechismus.
die strijden tcgen de godtlelijke bermhertigheid, en daw·om zeer
zelden Yergeven worden.
"'at heleekenen de woorden zee1· zelden 'Dei'{Jevcn wm·den;
drukken zij nit, dat de zonden zelden van God vergeven worden, wanneer de mensch de vereischte voorwaarden orn vergiffenis te bekomen volbrengt; ofwel dat de mensch zeer zelden de

�1240

YIJFDE DEEJ,. -

38810 LES, gdc YR.

verE!ischte voorwaarden volbrengt om van die zonden vergilfenis
te bekomen ~ Zij drukl;:en alleenlijk uit, dat die zonden zeer
zelden vergeven worden, omdat er bijna nooit boetveerdigheid
over gedaau ~vordt; want, als de mer~sch berouw lteeft over zijne
zonden en alles wil doen, wat God tot de vergilfenis vereischt,
weigert God nooit de vergiffenis te schenken. Er is im~ners vergiffenis te bekomen ~'illl aile zonden, hoe groot en hoe zwaar zij
ook mochten wezen, indien wij de dam·toe gestelde voorwaanlen
willen volbrengen.- "\Vaaruit komt het tlat men over de zanden tegen den~ H. Geest zeer zelden boetveerdigi;eid doet? Dit
vloeit hieruit, dat degenen, die tegen den I-I. Geest zondigen,
de middelen om boetveerdigheid te doen, verachten, verstooten
en v~rwerpen, aangezien die zonden bestaan in de gaven der
goddelijke bermhertigheid te bestrijden. Zoolang zij in dicn
strijd tegen de goddelijke geriade voortgaan, is hunne bekeering,
en bijgevolg de vergeving hunuer zonden zoo onmogelijk, als de
genezing van eenen zieke, die het eenigste voor hem geschikte
· geneesmiddel veracht en verwerpt. Hierbij mag mei1 nog voeg·en,
. dat deze zonden ook moeilijker vergeven wordeu, omdat zij uit
enl;:ele ~oosheid geschieden, en z66 niet eene reden nm verontschuldiging bevatten.
Hieruit volgt nogtans niet, dat het voor zulke zondaal'S vol- strekt onmogelijk is, op te houden tegen den H. Geest te zondigen. Het staat hun te allen tijde vrij die zonde te verlaten, gelijk
het den zieke vrij staat het afgewezen geneesmiddel eindelijk
toch te willen gebruiken. Doch men verlaat veel moeilijker
deze zonde dan eene andere, dewijl men in deze zonden rechtstreel;:s de genadegaven verstoot, 't geen men hoegenaamd in de
.andere zonden nieL doet.

9. V. TVelke z~jn de zonden tegen. den II. Geest?
A. Deze zes : I. Van Gods genade wanhopen. 2. Op
Gods bermhertigheid zo.nder deugden zich beroe-

�VIJFDE DEEI •. -

385 1° I.ES, gdo VR.

1241

men. 3. De welbekende waarheid bestrijden. 4. De
broederlijke liefde benijden. 5. I-Iardnekkig- zijninde
boosheid. 6. Verachten het berouw of de penitentie.
l. Van Gods genade wanhopen.- De wan/wop bestaat in
stellig niet te will en van God verzoeken en verwachten heteeuwig
Ieven en al wat ons dam·loe helpeu kan, gelijk wij in de lQd• en
in de 21'1" les geleerd hebben. -De Catechism us zegt niet enkel
wanhopen maar
, van Gods geuade wanlwpen om te beteekenen, dat niet aile wanhoop eene zonde is tegen den H. Geest.
maar alleenlijl\. diegene, well\.e voortlwmt uit een rechtstreeksch
wantrouwen op God, waardoor men met stelligen wil weigert
van God de gratien en de zaligheid, well\.e Hij beloofd heeft, te
verzoel\.en en te verwachten; dit is immers de natuurlijke zin
der woorden .. van Gods genade wanhopen: .. zij heteel\.enen :
stellig niet willen van God verzoeken en verwachten de gratie en
de &lt;laarop volgende glorie, die Hij beloofd heeft. - Buiten deze
wanhoop is er nog eene andere, die enkel voortvloeit uit 1\.leinmoedigheid en traagheid, waanloor men zich het werk ller zaligmaking als zoo moeilijk en zoo lastig voorstelt, dat men het voor
zich als onmogelijk aanziet. En deze wanhoop is geene zonde
tegen den H. GeesL, daar zij ten eerste niet uit enkelen kwaden
wil, maar uit eene drift, te weten, uit gebrek van moed en
uit traagheid voortkomt; en daar zij ten tweede, niet rechtstreel\.s weigert Gods bermhertigheid te el'l\.ennen, maar uit
\Tees en traagheid Gods gena&lt;le en hulp slecht:s als onvoldoende
amu~iet om ons zalig te mal&gt;en.
Hoe is .. van Gods gcnadc tcanhopen ·· ecne zonde tegen deu
H. Geest1 Deze wanhoop verntlt ue twee vereischte condiW!n
tot ?.ulk eene zonde. Ten eerste zij p:eschieclt uit enkele boosheid,
want er is niet eene drift, die ons aanzet tot die zonde. Aangezien God en al het goddelijke onder de 7.innen niet valt, zoo kan
,er niei eene !h·ift ?.ijn die ons aanspoort om op liem geeu betrou-

�1242

VIJFDI': DE:F.L. -

38810 LES, gdo VR.

\Yen te hebben. want de dt•iften vo\gen de zinnen en hebben
bijgevolg alleenlijk zinnelijke zaken als voorwerp. Ten tweede
zij strijdt ook rechtstreel;:s tegen de goddelijl;:e berm!JeJ'tig·heid,
want met van God de vergiffenis der zonde. de gratie om we\ te
Ieven en hiernamaals het eeuwig Ieven, die ons cloor God beloofd
zijn, niet te willen verzoeken en verwachten, hanrlelt men a\sof
. God ons die gaven niet lwn of niet wilde vel'gnnnen. en zoo
verstoot men ue beloften. die God uit lfermhertigheid gcrlaan
heeft, en de gaven ze\ve die Hij on~ heeft beloofrl~ - .\an zulk
eene zonde heeft Ca"in zich plichtig gemaal\t.
2. Op Gods bennheJ"tigheid zonde;· dcugdcn :.ich be;·oem.en.
-Door deze woorden 'vortlt die zonde van ·re,·mclclltcid uitgedrul\t, well;:e bestaat in de vergiffenis der zoJH.le en de zaligheid van God te verwachten, zonrler de doodzonde te willen
''erlaten en Gods geboden te willen volhrengen. Dater hier van
deze vermetelheid spraak is, blijkt heel 1\laar uit de woorden :
zonder deugden. - Buiten deze vermetelheid is e1· nog- eene
andere, waardoor men zijne hoedanigheden en goede werl;:en
onder het opzicht der zaligheid hooger acht als zij het verdienen; en hierin is er geene zonde tegen den H. Geest gelegen,
dewijl men rlaartoe door rie drift, door den ui lerlijken sehijn
der zaken aangelokt wordt, en dat daat·eniJoven deze zonde de
goddelij\{e bermhertigheid op geener wijze rech tstreeks vcrstoot;
zij heeft immers als onmiddellijk voorwerp niet Gotl zelven
noch zijne gaven, maar onze persoonlijke weerdigheitl, onze
persoon\ijke verdiensten.
Hoe is de vermetelheid, waarvan de Catechismus hier spreekt,
eene zonde tegen den H. Geest1 Zij vervu\t de beide voorwaarden tot zulk eene zonde _vereischt : zij strijdt immers rechtstreeks tegen Gods bermhertigheid, daar zij deze als onrechtveerdig, als onrcdelijk met der daad aanziet, en hare gaven
·. verstoot met de voorwaarden niet te willen vervullen, die God
tot het verhijgen ·derzelve gesteld heeft. Daarbij zij komt ook

�Y!JFllB DEE!..

- , 38Mo LES, gdo VR.

1243

voort uit enkele boosheid, daar er geene drift ons aanlokt om
van God de vergiffenis der zonde en de ?.aligheirl ?.O!Hle!' goede
werken te verwachlen : de?.e ?.aken vallen immers onder de
zinnen niet, en kunnen bijgevolg het vooi·werp eener drift niet
zijn. - Aan deze zonr\e maken zich diegenen plichlig, die stoutmoedig in de boosheid voortleven, voor zeker houdende dat
God op hel einde des Ievens hen ongetwijfeld zal redden.
3. De welbel.·ende wam·lteid besli·ijden. -Door deze woor!len wonlt die, zonrle van ongeloom'glteid nitgedrukt, waaJ'dOOI',
men de godtlelijke vcropenbaring, wellw men weet de ware
veropenhal'ing Gods te zijn, stellig: hevecht en !war zoekt als
valsch of te·n minste als twijfelachtig te doen doorgaan.
De waw·heid, waarvan de Catechismus hier spreekt, is de
waarheid die do zaligheid aangaat, te we ten, de godde\ijke
veropenharing die ons leert a\ helgenc wij moo len we ten of doen
om zalig te worden. lVelbekeml geeft te 1\ennen, dat er hier
alleenlijk spraal\ is van het heslrijden dr1· veropenharing, die
wij \Vel we ten de ware gotldelijl;.e veropenbaring te zijn.- Buiten de?.e onge\oovigheid is er nog eene andere, waanloor men uit
hoofde der plichten, die de veropenbaring aanbrengt, of uit
ijdelc glorie, ric veropenhm·ing wel niet hestrijdl, mam· ze toch
niet aanveenlt of e1· aan twOfelt. En dcze ongeloovigheid is
geene zonde tegen den H. Gecst, daar zij nit eene drift voortkomt, en dal zij Gods waarachtigheid niel recht::lreeks aanrandt,
noch do gave des Geloofs tot de bel;,eering en de zaligmaking
vereischt niet onmiddellijk verstoot. maar slechls onze passien
zoekt te voldoen.
Hoe is de ongeloovighei(~, die de Cai.echismus hie1· noemt,
eene zonde legen den H. Geest? \Vij vinden in ham· de twee
dam·toe vereischle conllitii:in : zij komt immcrs voort nit enl;.ele
boosheid, want de drift lok l wel aan om zich tot het Geloof onverschillig te houden, cloch niet om het te bestrUclen; en zij strijdt
tevens rechtstreeks tegen de godcle\ijke bermhertigheid, daar zij

�1244

VIJFDE DEEL. -

38510 . I.ES, gde VH.

het Iicht des Geloofs, dat God ons uit bermhertigheid om ons tot
de zaligheid te leiden vergunt, stellig verstoot en verwerpt. Deze zonde hebben de Joden bedreven, als zij, door vele mirakelen overtuigd, J ezus weigerden te erkennen als den waren
l\fessias.
4. De broederlijke lie(de benijden; dat is, bedroefd zijn over

de liefde die God tot onzen naaste heeft en over de gratii:in die
God uit hoofde van die liefde aan onzen naaste, 't zij omdat hij
~ich zoude bekeeren, 't zij omdat hij in heiligheid ZOJl aangl'Oeien,
vergunt; en bijgevolg ook bed'roefd zijn ovee de heiligheid of de
bekeering van onzen naaste. Door b~·oederlijlw lie(de wordt er
bier verstaan de liefde Gods jegens den naaste die onze broeder
is ' en de gratie uit die liefde vloeiende, alsmede de liefde of de
heiligheid van den naaste. Deze zonde is zeer gemeen onder de
goddelooze menschen : hun eigen ongeluk en hunne eigene boosheid begrijpende begeereu zij niet min dan de duivel, dat de goddelijll.e gratie niet zoude gegeven worden en dat de naaste ook
een zondig Ieven zoude leiden. - Buiten dit benijden der broederlijli.e liefde is er nog een ander, 'twelk bestaat in nijdig te
zijn omdat een ander ons in deugd en heiligheid overtt'eft; en
deze zonde stt·ijdt niet tegen den H. Geest, aangezien zij Gods
genadegaven niet i·ech tstreeks verstoot, en ui t de drift van ijdele
glorie voortkomt.
Hoe. is het benijden van de b1·oederlijlle lie{de, wam·van de
Catechismu~ hier spreekt, eene zonde tegen den H. Geest~ Zij
strijdt t•echtstreeli.s tegen den H. Geest: want ten eerste, daar zij
&lt;le begeel'te bevat dat God geene gratie meer zou vergunnen, zoo
verstoot zij de gratie, rlie het vereischLe middel is om de vergilfenis der zonde te bekomen; en ten tweede, zij geschiedt uit enkele
boosheid, daar er geene drift is die ons aanzet orn Gods gratie
te verstoote11 ..
5. Hardnellkig zijn 1~n de boosheid, dat is, de vermaningen
waardoor God ons tot de bekeering roept, zooals de inwendige

�VIJFllE Dl&gt;EL. --

38 810 LES,. ()de YR.

1245

verlichtingen van den H. Geest, de goede raad van de overs ten
der H. Kerli:, van onze ouders. van onze vrienden, en ook allerhande voorvallen, gelijk b. v .. de schielijke rlood van bekenden
ofvenvanten en zicnlijlw straiTen Gods, verstooten en verachten,
en de bedrevene zonden met op7.et niet willen verfoeien. Aan deze
zonden hebben de Joden, gelijl1. de H. Stephanus het hun verklaanl !weft (Haml. der Ap. VII. 51-5:3), :dch plichLig gemaali:t,
met al de vermaningen die God hun door woorclen en werken
gegeven had, ~e venverpen, en met de profelen, die hun van God
gezonden waren, te vervolgen. - Van deze zonde is wel te
onderscheiden het enkel voorlgaan in de zonde, 'twelk slechts
uit kraukheid voortkomt en waarii1 men de gegevene vermaningen niet veracht maar ze niet volgt, enkel om 7.ijne driften te
voldoen.
Hoe is deze luwdnekhiglteid in de boos/wid eene zonde tegen
den H. Geest? Zij vervult heel duidelijk de beideconditien: 7.ij
beslaat immers in de vennaningen van rlen H. Geest tot de
bekeering te verwerpen. en 1.00 strijrlt zij rechtstreeks tegen
Hem; en zij geschiedt ool1. uit enkele boosheid, rlaar de drift ons
wel aan7.et om te zondigen en Gods vermaningen niet le volgen,
maar niet om de vermaningen te verachten.
6. Ve;·achlen hct be;·ouw of de 71enitentie; .dat is, het voornemen maken van zich gedm·ende eenen zekeren tijd des Ievens ofwel
zelfs in het uur der dood niet te bekeeren. -Van de1.e zonde is
geheel verschillig het blijven in zonde voort.leven zel~s tot de
dood toe, als dit geschiedt niet met opzet, maar slechts uit de
kranl1.heid van den wil om aan de driften te wederstaan.
, Dit verachlen van berouw of de penitentie is heel duidelijk eene
zonde tegen den H. Geest, daar het hestaat in de vergiifenis die
God aanbiedt, stellig te verslooten door het voornemen te maken
van zich niet te bekeeren, en daar zij geenszins uit de drif~en,
maar uit onzen slechten wil voorlkomt : de driften Iokken, wel
is waar, ons aau, hen in ieder geval, dat zij voorstellen, in

�1246

VIJFDE DEEJ,. -

38 510 I,ES .• gdc YR.

te volgen, maar zij bekoren ons niet om een voomemen te maken
van ons niet te beli.eeren.
7. ·wn men weten, hoe deze zes zonden rechtstreeks tegen
den H. Geest strijden, en hoe buiten hen er geene andere zonden
tegen den H. Geesi te vinden ?.ijn, dan moet men enkel op het volgende wel letten. Om de vergilfenis der zonden te kunnen bekomen en tot .de zaligheid te geraken, zijn er deze dingen vereischt:
ten eerste , moet .men de bermhertiO'heid
en de rechtveerdigheid
0
,.
Gods in aanuacht nemen, want het eerste dat ~nen doet, als
men vergilfenis van iemand wil verkrijgen, is onderzoeken of
de beleedigde persoon bermhertig en tevens rechtveerdig is.
Ten tweede •. moet men weten wat er te doen is om vergitl'enis te
bekomen, en de noodige krachten bezitten om de vereischte conditien te volbrengen. En ten derde, moet men de vereischte conditien vervullen. Bijgevolg; als men Mne van deze voorwaarden
vrijwillig veracht en verstoot, dan zondigL men tegen den
H. Geest, aangezien de vergilfenis der zondc en onze zaligmaking
aan den H. Geest zonderlingworden toegeschre,en.- Welnu met
van Gods genade te wanhopen veracht men zijne bermhertigheid, en met op zijne bermherti.gheid zonde1· dcugdcn zich te
beroemen misli.ent men zijne rechtveerdigheid. Vcnolgcns met
de welbekende waadteid te bestt·ijden, verstoot men het licht,
dat wij ~1oouig hebben om ons te bekeeren; en met de b1·oedei'liJ!te lie{de te benijden verwerpen wij de gratie die ons de
li.rachten moet geven om ons te lmnnen bekeeren. Eindelijk om
ons met de1· daad te beli.eeJ·en; moeten wij onze bedrevene zonden verfoeien en een vast voornemen mali.en van niei meer te
zondigen; en de eerste dezer twee Iaatste voorwaarden verwerpen
wij met hw·dneltltig te zijn in de booslwid, en de Lweede met
te veracllten het berouw o{ de peniteutie. Dus door (le zes
genoemde zonden, verstooten wij de ies voorwaarden die Lot de
vergiffenis der zonde vereischt zijn; en zoo zijn zij all~n r.onden
tegen den H. Geest, en zijn zij het aileen.

�VIJFDE UEEL. -

38sle J,ES,

)QdO VR.

1247

8. Men bemerke ten slotle, dat de haat van God ongetwUfeld
ook eene zonde tegen den H. Geest uitmaakt; want met God,
die de fontein is onzer zaligheid en ons opperste goed, te llaten,
verstooten wij zekerlijk van ons al hetgene ons tot de vergiifenis der zonde en tot de eeuwige zaligheid moet brengen, en
zondigen wij ook ui t enkele boosheid, daar de godtlelijke natuur
onder de zinnen niel valt, en dat wij diensvolgens door onze
driften niet kunnen aangezet worden om God te verfoeien. De
haat van Goq wordt nogtans onder de zonden tegen den
I-I. Geest niet gerekend, omdat de zes genoemde zonden, allen ten
minste ten deele, dien haat in zich bevatten : zij Yerachten en
verstooten immer~ of Gods bermhertigheid (gelijk de wanhoop),
of zijnc recht,·eerdigheid (gelijk de vermetelheid), of zijne waarheid. (gelijk tle ong·eloovigheid). of zijne liefde (gelijl' het benijd.en
der broed.erlijl'e liefde), of zijne heminnelijldwid (gelijk tle hardnekldgheid in de boosheid en het vemcltten Yan het herouw).

I 0. V. TYacwmn worden somm,ige zonden genoentd

wraakroepende zonden?

.A,. Omdat zij door hare groote boosheid met reclen de
o·ocldeliJ'ke rechtveerdio·e
wraak, ook in deze web

b

reld vereischen.
1. De Catechismus SJH'eekt bier Yan eene laatste ondenerdeeling der dadelijke zonden, te we ten. Yan de wraakroepende zond.en. Hij stelt de naag, om wclke reden eenige zondcn den
naam van wmakroepende zonden d.ragcn, en bijgeYolg ooli, wat

die zonden eigen is.
2. Hij antwoordt dal sommige zonden dien naam dragen, om-

dat zij dom· hm·e rp·oote boos/wid met redcn de goddelijke
1'echtcee;·dige wNwh, oak in deze we1·eld -ve;·eischen. Vereischen aile zonden geene goddelijke rechtveerdige wraak;
en om welke reden worden dan eeuige zonden op cene bijzon-

�1248

"i"IJFDE DEE!,

-

38 810 l.ES, )Qdo YH.

der~ wijze wraalu·oepende zomlen genoemd? Aile zonden vereischen voorzeker wraak van God na dit Ieven, en er zijn er ook
vele, die bier op am·de rechtveerdige wraak van de geestelijke
of wereldlijke overheid vragen; doch er zijn eenig·e zon.den die
zelfs hier op aarde de goddelijke wraak vereist:hen; en deze
wor·den op eene bijzondere wijze wraalwoepende zonden genoemd, omllat zij meer dan al de andere wraak roepen, daar·
zij de goddelijke wraak 1·eeds in deze wereld vergen. - En
hoe lwmt hel dat zij de goddelijke wraak, ook i)l deze wereld
vereischen? Door hm·e g~·oote booslteid, zegt de Catechism us,
dat is, doot• de buitengewone schending cler orde. welke zij
teweeg · brengen, en die zoo groot is dat God ze zelfs hier op
deze wereld voor. het welzijn der maat.schappij moet wr·eken,
om de menschen door de vr·ces der tijdelijke straf er· van te wederhouden. - Wat is er dan vereischt tot eene wraakroepende
zonde? Ten eerste, de zonde moet van e-ene groote booshei•l zijn,
en ten l\veede, die boosheid moet van dien aard wezen, dat zij de
goddelijl;;e reclltveerdi~e w1·aak, zelfs in deze wereld vereische.
3 . .1\Iaar wat beteekent de Catechismus, als hij zegt, dat deze
zonden de goddelijke wraak ook in rleze wereld ver·eischen;
beteekent hij dat zij de goddelijke wraak hier in deze wereld
Yragen, tel kens ~ij bedr·even worden? Geenszins; llij drulit daardoor enlwl nit dat God ze van tijd tot tijd bier op de wereld
moet stmffen. De reden daarvau is cle volgende : alhoewel de
orde of het welzijn der maatschappij vergt dat God eenige bijzondere groote en booze zonrlen bier op deze wereld stralfe, om
de menschen door de nees der tijdelijke pijnen van die zonden
te wederhouden, betaamt het nogtans niet, dat Hij gedurig die
zonden hier wreke, dewijl Hij wil dat de menschen meer uit
geest van geloof dan door het zienlijke geleid, de deup;d oefenen
en tot den hemel komen.

�V!JFDE DEEI .. -

38 510 J,ES, JJdo VR.

124H

11. V. lVelke z.Un wmakroepende zonden?

A. Deze vier : 1. Vrijwillige doodslag. 2. ·Onkuischheid tegen de natuur. 3. Verdrukking van armen,
weduwen en weezen. 4. Achterhouding van den
loon der wel'ldieden.
l. De Catechismus, na gezegd te hebben wat wraak!'oepende
zonden zijn, Zfl,l ons nu. leeren welke zonden onder die soort
moeten ge!'eltend worden. TVelke zifn, vraagt hij, wmalwoe-

pcnde zonden?
2. De Calechismus stelt ons in zijn antwoord vier zonden voor,
die voorzeker wraakroepende zonden zijn.- En waaruit 'veten
wij dat die zonden voorzeil.er onder de wraakroepende zonden
moeteu gerekend worden? Wij welen dit 1\laarlijl~ uit de
H. Schrift, die ons leel't dat die zonden waarlijk de goddelijke
rechtveerdige wraak ook in deze wereld vereischen, en ons verhaalt hoe zij menigrnaal door God up deze wereld zijn gestraft
gewonlen. Daarenboven, de rede kornt de leering der H. Schrift
in deze zaak bevestigen. - Zijn er buiten deZe vier geene andere
wraalu·oepende zonden? "'ij kennen uoch d?or de veropenbaring, noch door de rede, andere zomlen die zeker als wraakroepende zonden moeten aanzien worden.
3. De vier wraal;.roepende zonden zijn .: a) Vrijwillige doodslag; die beslaat in zouder wettige macht of reden iemand vrijwillig ter dood te brengen, op welke wijze dit ook moge
geschieden. - Dat tleze zonde eene 'vraakroepende zonde is,
blijkt heel klaar uit tle H. Schrift : God sprak immers tot Ca"in,
llie den eersien vrijwilligeh doodslag heeft gedaan : ~ De stem

., van hct bloed uws b;·ocde1·s ~·oept tot mij t:an de am·de; ..
en om tegelijk een schrikkelijk voorbeeld aan het menschdom t&lt;:
geven, liet G(ltl aanstonds zijne straffen op Ca'in nedervallen :
" Gij ~ult ve1·vloekt zi,jn, zegde Hij, op de am·dc wellw hw·en

�1250

VIJI~DE DEEL. -

38" 10 J.Io:S, 1]do VR.

., monel geope1Ul en uios b1·oede;·s blocd van woe hand hec{t
., ontvangcn. A.ls gij ze bebomot, zal zij hm·e t:j·uchlrn niet
., get·en, (d. i. geene rijke Yrnchten geven); mwustig en vom·t., ·vluclttig zult gij op aw·de zijn ... En Ca"in tceek t•an het
., aansclt{jn des Ifee;·en en woonde 1~om··tvluch!1:q in !tel land
., ten Oosten van Eden . .. (Gen. IV.)
b) Onkuischheid tegen de natum·; dat is, die onlmische werken, welke niet alleenlijk door de wet Gods en door de rechte
rede.verboden zijn, maar ook nog st1·ijden tegen 1e natnurlijl;:e
bestemming en geschil;:theid der ·!eden, l;:rar.hten en ncigingen
van het menschelijk lichaam. - De geschiedeni~ van Sodoma
eu Gomorrha bewijst ons hoe deze zomle eene wraakroepende
zonde is. God sprak immers tot Abraham : •· Het gcte1·g (de
., hemeltergencle onkuischheid tegen de natuur) van Sodo1i1a en

.. Gomm·rha hee(l zich vennee;ylerd en hunne :sonden zijn ten
·• hoogste geklommen ., (Gen. XVIII, 20); en cle beide engelen.
die Lot bezochten, zegden : .. w(i willen deze plaols 'UJ;•delgen,
·~ omdat haw· gete1·g g;·oot gewm·den is vom· den Ilee;• ··
(Gen. XIX, 13.)- Hetzelfde blijld nit de geschiedenis van Onan,
die' in bet huwelijl;: onkuischheid Legen de natuur hedreven had;
hij we!'d van den Heer gedood, omdat hij een t'Ci"doel.~elijk
toe1•ll had gedaan. (Gen. XXXVIII, 10.)

c) TTerd1•ukkz'ng ·can armen, wecluwen en wcezen; dat is,
de armen, de bescherminglooze werluwen en weezen niet aileen
niet bijsta.:1.n, gelijk de wet der liefde het vereischt, maar hen in
hunne rechten krenl~:en, hetgeen zij bezitten hun ontnemen, hen
onderdrukken, zonder dat deze, juist omdat zij zonfler hulp en
bescherming zijn, iets daartegen vermogen; van hunnen ongelukltigen staat gebruik maken om hen le dwingen tot zomle, Lot
ongeloovigheid, tot het ontvangen van slecht onderwijs, enz. De
H. Schrift getuigt uitdrukkelijk dat deze zonde eene wm·e
wraahoepende zondc is : " Vloeien de tranen dm· weduwe

., niet af van lzat·e wangen? Roepen zij niet tegen hem, die

�Y!JFDE IJEEL. -

38810 J,ES, AANMERh:.

1251

, ze !taw· doet stoi'len? Ja; van hare wang en stijgen ze op
··ten ltemel! ., (Eccles. x·xxv, IS, Hl.)
d) Acltle;·houding t:an den loon de;· wm·lllieden; dat is, de
dienslboden in al le Iangen tijd niet belalen of te weinig betalen,
of hen onrechlYeerdiglijk, omler hot ongegroiHle Yoorwendsel
als hadllen zij hun werk slecht YetTichl of ::~Is ware et· iets door
hunne foul Ycrloren gegaan, gehee\ of ten tleele Yan hu11nen
loon bet·ooYeu; ook nog r\e dienslboden onreclttveenliglijk YMI'
den Lijd &lt;loor )1et gohruik Yastp:esteld, wegzenden en hen zoo
voor korteren or langoren tijd onbelnvaam waken ie!s te vet·dienen en teYens in de ellende brengen. -Dew zonde is buiten
twijfel eene wraakroepende zan de; wani 1le 1-I. Geest :;lelt zein de
H. Schl'i!"luur gelijk met die Yan eenen mom·rlenaar, als Hij
zegl : .. IIet b;·ood de,· behoe(ligen is lwt lecen de;· w·nwn,
., (daanan hangl hun \evensbehoud af). lVie hen ran dit b;·ood

., bc;·oofl. is ecn blocd'De;·gicle;·. lVic hem !tel u;·ood z!)"ns
, z·1oeets ontnceml, is gelijk aan iemand die ::Jjncn naaste
.. doodt. Ilij die bloed ve;·giet en ltij die den dagloone;· be" cb·icgl, deze zijn geb;·oede;·s. ·· (Eccl. XXXIY. :?G, :?G, 27.)
4. T-Iel is hee!Hatuurlijk &lt;lat deYiet•genoemde zontlen wezenlijk
wraakroependo zonden zijn; want een ierl_er verslaat dat de ortle,
de vt·ede en rle rust in de samenleving niet zouden kunnen
bestaan, indien die zonden dikwijls moesten bo!lreYen worden; en
wierden rle menschen door de uees van zelfs hier op am·de
gestraft te worden Y&lt;Ul die zonden niet wederhouden, zij zouden
et· zich ongetwijfeld niel zelrlen plichtig ann mnken.
Anumcl'ldngcu. I o \Vi !len wij wei vet·staan, wat groot kwaad
de doodzonde is, en er nllijd eenen al\ergrootsten af:;chrik van
hebben, wij moeten maar op het volgen&lt;le !ellen : a) waarin zij
eigenlijk IJestaat; b) hoe schrikkelijk zij door God t•eeds is
gcstmft gewecst; c) wat zij ons doet verliezcn; en d) tot welke
pijnen zij ons brengt;
a) Zij beslaat in eenen volletligen opstand legen God, in eene

�1252

YIJI&gt;DE DEEL. -

38ste I.ES, AAN~IERK.

volledige overtrading en verwerping van de wet en den wil
Gods, die onze Schepper, onze Heer en opperste Regeerder, de
fontein onzer zaligheid en ons opperste goed is. die ons al het goed
heeft geg~ven dat wij bezitten, en niets anders zoekt en wil dan
ons geluk en onze zaliglleid, die door zijne almacht ons alle
oogenblikl1.en van het Ieven l1.an berooven, die onze opperste en
all~rrechtveerdigste rechtet• is : welke schande, welko dwaasheid, welke ondanl1.baarheid is het dan niet, door de dvodzonde
tegen God op te stam1. Hoe schandelijk is het nieJ;, dat een kind
tegen zijne brave en deugdzame ouders, een rlienaar tegen zijnen
goeden meester. een weeskind tegen zijnen aannemenden vader,
een onderdaan tegen zijnen rechter opsta, en hen beleedige,
onteere en bespotte; maar wat is de beste ller vallers, de goedhertigste der meesters, de grootste der weldoeners, de machtigste
der rechters in vergelijking met den oneindigen God; en wat is
dus ue grootste oneer den verhevensten overste der werelrl aangedaan, in vergelijking met eene doodzonde tegen God bedreven!
b)De straiTen, welke God voor doodzondenreedsopgelegd heeft,
toonen omi ook zeer duidelijk, wat oneindig kwaad die zonde is.
Uit de doodzonde ·van .ongehoorzaamheid door Adam bedreven,
vloeien de on tel bare ell end en, die 'vij hier op aarde lijden;
de dood. de ziekten die dikwijls zoo afschuwelijk zijn en zoo erg
doen lijden, de oorlogen, de hongersnood en allerhanrle ongelukken; voor eene doodzonde zijn de duivelen voor eeuwig uit
~en heme! in de he! geworpen; voor de doodzonde heeft God
het menschelijk geslacht, behalve acht menschen, geheel verdelgd in de wateren des. zondvloeds; en tot uitboeting der
doodzonde heeft God geeischt dat Jezus Christus, zijn eeuige Zoon,
de schrikJ;.elijJ;.e dood des kruises zou ondergaan hebben. En dit
moet ons niet verwonderen, daar de doodzonde een oneindig
groat kwaad bevat, gelijk wij in de 7do les, bl. 134 gezegd hebben,
en zoo verdient zij eene oneindige straf.

c) De doodzonde doet ons de grootste goederen verliezen, die

�VIJFDB DEE! •• I

38Slc l.ES, AANME!UL

1253

de mensch kan bezitten : zij berooft. ons van de heiligmakende
g1·alie en van het recht Lot den heme\ : welke goederen zoo ver
al hel.geen in de wei·eld te viiHlen is, te uoven gaan, dat wij
ons Yan hunne voortreffelijkheid gedu!'ende dit Ieven geen
gedacht kunnen maken (7.ie 4l"l" les). En deze zoo verhevene
goederen Yerliest de ~nensch vrijwillig voor een dwaas vermaak
vau eeneu korten Lijtl, van een oog:enblik. ~Ien noeml hier op
aardc eenen uitzinnige dengene, die om zijne drift leYoldoen zich
in geY~uu· stelt ';an zijn ei·fdeel, zijne forlilin, zijn leYen te Yerliezen; mam· wat moe len wij tlus niet zeggen Yan tlen zontlaar, die
met God tlootlelijk te vergmmmeu, de hemelsche erfeni~. de
godde\ijkc goederen zeiYe, hel eeuwig Ieven Yerliest!
d) Eindclijk de doodzonde urengt ons tot de eeuwige pijnen
der he\. Hoe verscln·ikkend de stmf der he\, zoowel nit hal'e
natum· ab om ha!'e e~uwigheid b, hebben wij al Len deele
gehoonl in de Ud" les; maar in de ·!Pte les za\ el' over dit punt
· nog breedvoeriger gehandeld worden.
Leeren wij hieruit eenen allergrootsten en ged ul'igeu afschi'ik
van de duodzonde in ons he1·te voeden : wij beven' soms vau
vrees als wij op de dood, op groote en gevaai·lijke ziekten, op
g!'oote tegenspoeden llenken, en wij zoutlen alios doen om deze
kwalen Le ontgaan; maar wat zijn aldie kwalen in vergelijking
met de doodzonde, die ons in vijandschap brengt met God en'iot
het eeuwig ongeluk leidt!
c) Geheel deze leering legt ons YOOI' oogen, dat iedere doodzonde eene hoofdmisdaad is. een volledige opsland Legen Gods
opperste ma.jesteit, eene volle verbreking onze1· \Tienclschap met
God: en bijgevolg blijl\t het, dat wij in het Sacrament der
Biecht, 'Lwelk de belijdenis der doodzonden vereischt. aile
doodzonden moeten belijllen, die wij na een neerstig onderzoek
gevomlen helJben en indachtig zijn, 1laarbij •oegende hct getal
en alles wat de zonde mag veranderen of zeer bezwat·en. 't Is
ilnmers te klaar, dat iedere hoofdmisdaad in 't bijzonder, zooveel
mogelijk, aan den rechter moet voorgesteld worden.

�1254

YIJFDF: DEEI,. -

38"10 J,ES, AAN~IERii.

2o Vluchten wij met de grootste zorg de hoofdzonden, die ons
uit hunne natuur tot zoo menigvuldige overtredingen van Gods
wet brengen, en derhalve, ons no?dzakel.ijk meer en meer van
den weg der deugd aftrekken om ons den weg des verderfs verder en verder te doen ingaan. Gelijlt men met de grootstezorgdie
zieltten vlucht, waaruit vele andere vloeien, zoo moet men zich
ook meest toeleggen om die zonden te vet·mijden, wellte de oorsprong zijn van vele andere. Daat·om moet men in het onderzoek
van bet geweten, bijzonderlijk aandachtig zijn q,m te zien, of er
geene hoofdzonde in ons bert heersche.
3° Wij behooren nog eenen gansch bijzonderen afschrik te
hebben van de zonden tegen den H. Geest, die. helaas! door de
boozen niet .zelden bedreven worden. Door deze zonden loopt
men niet alleenlijk den weg des verderfs in, .maar verwerpt men
zelfs van zich de m'ddelen om tot den weg der deugd en der
zaligheid weder te keeren. Dat degenen dan, die met Gods bermhertigheid spotten of met zijne rechtveerdigheid lachen en zich ·
beloven, op bet einde huns Ievens, als zij bet dan willen, den
priester bij zich te roepen en vergiiienis te bekomen, - di~ door
hunne schriften, door hunne leeringen, door hunne bandelwijze
bet Geloof bestrijden en de verkondigers des Geloofs, rle priesters,
vervolgen, - die bet Geloof en de deugd uit de herten der kinder'Em en der menschen trachten te trek ken en werken om dezen
in bet ongeloof en in de ondeugd te doen vallen; - die alle vermaningen verachten, bet voornemen maken van zicb niet te
bekeeren, en zelfs, gelijk de hedendaagscbe boosheid uit duivelsche ingeving bet ingebracht l1eeft, middelen zoeken om te
beletten, dat de priester bij hen op bet einde des levens zoude
lwmen; dat zij all.en wei indachtig wezen, hoe zij door die zonden, voor zooveel het in hunne macht is, hunrie eeuwige yerdoemenis bezegelen. Zij zelven sluiten voor zich de schatten der
goddelijke bermhertigheid; en bet is zeer te vreezen, dat zij
nooit vergiffenis zullen bekomen.

�VJJFDE DEE(,, -

3\JS!c LES, INHOUD.

NEGEN EN DERTIGS'rE LES.
Van de deugden en goede werken.
lullou&lt;l. - De Catechismus, na ons het eerste dec! dcr Christelijkc Hechtvcerdigheid, te weten, hcl vlieden der zondcn, uitgelegd le hebben, zal ons tlmns
in dcze les en i~ 1le volgende sprcken van hct ander dee!, namclijk, van hel
oc(e11en der rlerrrJden.
In hct uitle:;gen van dit tweede dec! volgt hij dcze orde : hij zegt ons
I'Ooreerst wal de deugrl is, en lcert ons cenigszins hare vcrdeeling kennen. Daarna spreekt hij van hetgeen wij door de tlcugden doen, te wclen, van
de gocde wcrken. llij leert ons namelijk de bijzondcrste ~oorlcn 1•an goede
werkcn kennen, te welen : de ct•angelische radcn, de acht zali[!hcdcn, de
vruchten t'llll den II. Gccsl en de werken van bcnnhertigheid, die de vijrde
der acht nligheden uitmaken .. - Eindclijk stelt hij ons voor wat wij door
de gocdc wcrkcn kumren vcrrlicncn.
Deze les bevat deze lwee hoof,I.Jeelcn :
I. In het ·ccrsle dec!, 'twelk de ccrste en de twecdc l'l'aag inhoudt, handelt
de Catechismus over de deugd; hij vraagt, wat de rlcugd is; en hij lcert ons
daarbij nog ecnc bijzondcre soort van dcugden kennen, te wcten, de goclclelijke
deugrlen.
II. In hel lwectle dec!, dal zich van de dcrdc tot de laatstc Haag uitstrckt,
handclt hij over de gocde wcrken, lol dewelke de deugd ons genrgen maakt en
die wij door haar vcrrichten. Ilij stelt ons drij bijzonderc soorten van goede
werken voor : a) de cvangelischc rarlcn, die de I'Oimaaktste en de vcrhevenste
gocde werken zijn; b) de acltt zaligheden, die ons op eene bijzondcrc wijze
tot de zaligheid l.trcnsen, en c) de vr11chlcn van den fl. Gees/, die gocdc werken zijn, wclke cenc !Jijzondcrc aangcnaamhcid en zoetighcid in zich bcsluiten.
- Daarna handelt hij over de verdiensten van die goede werkcn.
In de 1lerdc en vier1le Vl'aag hamlelt hij over de cvallgcliscl!c radeti : hij
vraagt, wat zij ~ijn., en of liet goed is ziclltol die raclw duor bclofte te verbinclen.
In de vijfde en zesde vraag sprcckt hij over de aclit zaligl~eclen : hij vraagt
ccrst, waarin zij bestaan, en daarna noeml hij ze op.
In de Lien-de vraag stelt hij de vruclttm van dell II. Geest \'oor.
Van de zevendc tot de negende vraag lecrt hij ons kennen, wat wij door onze

�1256

V!Jl'Dll pgEL. -

39810 LF.S,

(S!e YR.

gocdc wcrkcn verdic11c11. - llij zest voorecrst wat pro{ijl de gocdc wcrkcn ous
·doc 11 ; daarna, lccrl h(j ons wat l'echl wij lul dat profijt helJIJen : is God, vraagt
hij, o11S icts sclmldiy voor on;;c goede wcrke11, - en eindelijk stclt hij I'Oor,
waaruit onzc goctle wcrkcn de kracld hcbbe11 om den hcmcl tc verdiencn.

l. · V. TV"at is de deugd?

A. Ecne gcncgcnheid der ziel, door dewel~e de mensch
weldoet.
1. DH Catcchismus uegint met o11s te leeren kennen, waarin de
deugd bestaat. '~at de deu~d eigenlijk is.
2. In zijn antwoord zegt hij ons : a) dat 7.ij cene r;enegenlwid
is de1· ziel, en b) welke genegenheid rler 7.iel zij is; zij is eene
genegenheid doo;· dewelke de meusclz weldoet.
3. Eene gener;enheid, dat is, eene bijblijvenrle geschiktheid,
bereidveerdigheid of neiging om iets te doen. Bijgevolg de
deugd is geene Yluchtige neiging, die maar een oogenblik duurt,
noch eene daad, maar eene bijblijvende neiging tot eene daad.
Zoo, I.Jij voorbeeld, geven wij den naam van deugrl niet. aan het
goed, dat. iemantl v'erricht. noch aan de goede gesteltenis die

iemand voor een oogenblik heeft; maar de bijblijvetHle gestelt.enis, waardoor iemand genegen is om het goed te doen, zooab
om gehoorzaam. om verduldig, om zachtmoedig te zijn, zoodm
eene gelegenheid zich opdoet,.noemen wij !leugd.
Is aile genegenheid -van den mensch eene deugd 1 Geenszins;
bet zijn maar de genegenheden de;· ziel, die deugden kunnen
zijn. - En wat wonlt er hier verstaan door gene,r;enheid de;·
z£el? Hierdoor wordt verstaan eene genegenheill, die niet is in
de letlewaten of in de zinnen des lichaams. maar in de vermogens t.ler ziel, namelijk in het. verstand en in den wil, en ook 1iog
in de zinnelijke begeerlijkheid, doch enkel voor zooveel deze aan

�VIJFDE DEEI,. -

39 810 LES, 1810 YR.

1257

deredeen aan den wilonderworpen moet zijn.- De behendigheid
immers. die iemand in zijne ledematen tot een zeker werk !weft
of de geschiktheid der zinnen om wei tezien, wei te hooren, enz.,
worden voorzeker nooit deugden genoemd. Zelfs de goede
neiging der zinnelijke begeerlijkheid in een kind dat tot het
gebruik des verstands nog niet gekomen is, ontvangt eli en naam
niet. Maar de geschiktheid van het 'l'erstand om te oordeelen
wat wij moelen doen om heilig te Ieven, de genegenheid van den
wil om heilig te handelen en de onderwerping van de zinnelijl&gt;e
•
begeerlijl;.heid aan hei verstand dat ovet· hei goed wei oordeelt
en aan den wil die het goerl aanneemt, dragen rlen naam van
deugd. - De deugrl is dan eene goede hoedanigheid van den
mensch, voor zooveel hij ~·edelijk is; en rlerhalve beslaat zij in
zijne rede en in zijnen wil, die zijne J'erlelijke vermogens zijn:
en ook nog in de zinnelijke begeerlijkheid voot· zooveel deze &amp;an
de rede en den wil onderworpen moet zijn. Om irnmers den
. mensch, als redelijk schepsel, lot het goed geneigrl le maken,
moet d~ deugd voorzeker eerst en vooral zijne rede en zijnen wit
dam· toe schikken; maar zij moet ook op de zinnelijke begeerlijkheid invloed hebben; want om het goed te doen en het kwaad te
vlucliten, moet de wil onze driften matigen, regelen, beteugelen,
van het kwaad afwenden en tot het goed l;.eet·en; en opdat hij
dit wei zou kunnen doen, moeten onze driften zou gesteld zijn,
dai zij zich gemakl;.elijk omlel'\verpen. Gelijk een ambachtsman,
om een werk wei te doen, tot het werk moei bekwaam zijn en
tevens goede werktuigen hebben; zoo moet de deugd, die ons
behendig maakt om het goed le doen, ons daal'toe genegen maken
in het verstand en in den wil, en daarbij onze driften, die wij
moeten beleugelen en tot het goed gebruiken, zoo stellen, dat de
wil er gemakkelijlt zijne kracht !;.an op uitoefenen.
4. Is nu aile genegenheid der ziel eene deugd 1 Zekerlijk neen,
het is maar de genegenheid der ziel, door· dewellw ·de mensch
weldoet, die eene deugd uitmaakt, of in andere woorden, het is

�1258

YIJFDE DEE I.. -

39stc J,F.S, ) ste VR.

alleenlijk die genegenlteill welke onze ziel niet slechis bekwaamheid geeft om hot goed ie doen, maar zelfs haar genegen
en bereillveertlig maal\l om ltet goed te doen, als de gelegenlteid
zich aanbiedt.- En van well;. goed is er spraak, als de Catechismus zogt, dOOi' dewelke de mensch wcldocl? Er is alleonlijlt
spraak van hot zodelijk good, dat is, van &lt;lc goode werl\en,
waardoo1· wij de zowle fluchlen, den wil Gods volbrengen en
God dienen. -Door doze wool'&lt;len : dOOi' dcwclkc de mensch
wcldoel wonlt de deugd onderscheiden : a) van ~e ondeugd, &lt;lie
eene genegenlteid is der :del, door dewelke de mensch kwaad
doet of zowligt; en b) van de behendigl~eid des verslands om le
verslaan, le ool·deelen en to leeren ; van de welenscltap en van
al de kunsten, zooals van de welsprel\onheid, de bouwkunst, de
schrijfkunsl, onz. Dil zijn ilumers zoovole genegoJ~heden der ziel,
die ons bek waamheid geven om hot zedelijk good le doen; maar,
dewijl zij alleenlijk in het verstaml gezeleld zijn, mal\ell zij ons
niet bereidveenlig en genegen om hot zedelijk good to doen, als de·
gelegenlteid zich aanhiedt; en zoo zijn ?.ij geene ware deugden.
Door de behendigheill llie de schmnderheid van den geest, de
weten~chap en de bmst ons geven, kunnen wij goode werli.en
docn; maar daaruoor b onzc wil niet bereirl\·eenlig om goede
werlwn le YCITicltien : hij Iwn inlegcndeel die bchemligheid gebruil\en zoowel t.oi hot kwaad als tot hot g·oed. Omdat men een
geleerdc, con kunslcnnar of een schrandel' man is, daarom is
men niet. &lt;lcugdzaam of nict hcilig, gelijk eon ieder Yerslaat. ~
Hicruit hlijkt dat aile &lt;leugd, ien minste op eene ondergeschikte
wijzc, in den wil moei gezelehl zijn; want antlers wude zij ons
niet berci&lt;h·eel'tlig makcn om het goed ie doen, als de gelcgenhei&lt;l zich nanlliecll. -De goode genegenheden, die slcchis in
hot. versland zUn, zooals de kunsl., de weienschap, de schranderheid, worden soms ook rleugden genoemd, doch alleenlijk in
eenen oneigenlijli.en zin. - Soms worden ook de goode werken,
daar zij uit de deugden voorlspruiien. in eenen overdrachtelij-

�YIJFDE DEEL. -

39 510 LES, 1sto YR.

1259

ken zin deugden genoemd ; in 'velk geval bet woord deugden,
deugdelijke werken beteekent.
5. Om de deugden op eene nog volmaaktere wijze te leeren .
kennen, zullen wij bier hunne bijzonderste verdeelingen voorstellen.
De deugden worden, uit hoofde hunner natuur, verdeeld in
natuurlijlw en bovennatmwlijke deugden. -De natuurlijlw
deugden zijn degene, welke wij lmnnen hebben door de natuurlijke begaafdl~eid. onzer ziel, of welke wij door ons zelven,
namelijk d.oor herhaalde oefeningen kunnen aanwinnen; en die
bijgevolg slechts dienen om natuurlijl;.e werken en verdiensten
voort te brengen. Gelijk wij allerhande bekwaamheid tot wetenschap, kunsten en ambachten uit onze natuurlijke begaafdheid
kunnen hebb~n, of door herhaalde oefeningen kunnen aanwinnen; zoo kmmen wij ook door onze natuurlijke begaafd.heid of
met ons op goede werken toe te leggen, genegenhed.en in ons
hebben waardoor wij weldoen; en deze genegenheden zijn
natuul'lijke deugden, daar zij uit onze natuur voortspruiten.
Maar deze deugden, aangozien zij een eigendom onzer natuur
zijn, kunnen op geener wijze dienen tot bovennatuurlijke werken (dat is, tot werken d.ie al de krachten der geschapene wezens
te boven gaan), en om ons tot den hemel, die een l.Jovennatuurlijke loon is (dat is, eenloon die door de natuurlijke kracbten van
niet een geschapen wezen kan verdiend worden) te leiden : iets
natuurlijks kan immers geen bovennatuurlijk uitwerksel hebben.
De bovennatuurlijlw deugden integendeel zijn degene, die al
de krachten der schepselen te boven gaan en door loutere goedheid Gods rechtstreeks ingestort worden, en die bijgevolg ons
bekwaam makcn, om bovennatuurlijke werken te verricbten en
den bemel te verdienen. - Die al de krachten der schepselen
te boven gaan, dat wil zeggen, die a) op geener wijze deel rnaken van eene geschapene natuur ofuit geene natuurlijke l.Jegaafdheden kunnen vloeien, b) noch door herhaalde oefeningen

•

�1260

VIJFDE DEEL .. -

39sto J,ES, 1ste VR.

kunnen aangewonnen worden, noclt c) door natuurlijke verdiensten van God als loon lmnnen ve1·diend worden. -Door
. loute;·e goedheid Gods rechtstt·eeks ingestod : daar zij aile
krachten der natuur overtreffen, kmmen zij niet bekomen
worden, tenzij door God, die ze ons rechtstreeks instort; en als
God ons r.e instort, doet HU bet uit loutere go::)dheid, dewijl zij
op geener wijze aau eene geschapeue natuur behooren. - Zij

maken ons bekwaam om bo1:ennatuudijke we1·ken te verrichten en den hemel te ve1·dienen, daar zij geheel bovennatuurlijk zijn en zoo tot bovennatuurlijke uitwerltc;els dienen. Gelijk God ons met zijne gratie l;:an ltelpen en te zamen met ons
onze goede werken doen, zoo lmnHijons ookzijnegenegenheden
om bet goed te doen mededeelen en ons zoo aan zijne eigene
goede genegenheid tot de· heiligheid deelachtig maken : deze
genegenheden, derwij7.e van God ons ingestort, ma1wn de bovennatuurlijke deugden. uit. - Dewijl God ons geroepen heeft, om
zijne aangenomene ldnderen en erfgenamen des hemels te zijn,
'twelk onze natuur en die van aile geschapene wezens overtreft,
heeft 1-Iij, om otis daartoe bekwaam te maken, ons met bovenna. tuurlijke kracltten moeten voorzien; het is immers onmogelijk
met natuw-·lijlle krachten bovennatuw·lijlw \erdiensten te
bekomen. Die bovennatuurlijke krachten besiaan hoofdr.akelijk
in de heiligmakende gratie en in de bovennatuurlijke deugrlen :
de lleiligmakende gratie is als een nieuw bovennatuurlijk Ieven
dat ons geschikt maakt om God op eene bovennatuurlijl;:e 'vijze
te dienen, en de bovennatuurlijke deugden komen die lJovcmmtuurlijke kmchten der heiligmakendc gratie voltrekken, gelijk
de natuurlijke deugden tot de volmaking der natuurlijkc lirachten dienen. De bovennatuurlijke deugclen worden ook ~wnoemd,

de op zich zelven ingestode.deugden,- de rechtsli·ceks of
onmiddelliJk ingestode deugden, omdat zij op geoucr wijze
door natuurlijke krachteu, maar sleclltg door goddelijlw instorting kunnen verkregen worden. - Natuurlijke deugden, die

�VIJFDE DEEL. -

39sto LES, 2do VR.

1261

wij door onze werken zouden Jmnnen aanwinnen, lmnnen ook
van God ingestort worden. Gelijk I-Iij, bij voorbeelfl, aan de
Apostelen eene zeer uitg·ebreide kennis der H. Schrift, welke
zij nogtans door de siudie zouden lmnnen aanwinnen h.ebben,
heeft ingestort; zoo zoude I-Iij ons ook die deugden kunnen
instorten, welke uit de natuurlijke krachten vloeien. Geschiedde
(lit, die ingestcrte deugden zouden bovennatuurlijk zijn en dien
naam verdienen onder het opzicht der manier op dewell;.e zij
verl;.regen zijn.., maar zij zouden in den eigenen en vollen zin
des woords niet bovennatuurlijk zijn, daar zij i~1 zich zelven
met der daad natuurlijk zouden wezen.
Natuurlijke deugden l;.an men vinden in de Heidenen en in
de zotHlaars die van de heiligmalwnde gratie beroofd zijn. Dezen
lmnnen, met zicll op het een of under goed werk toe te leggen of
zelfs uit hoofde hunner naluurlijke begaafdheid, eene ware genegenheid hebben of aanwinnen om een zeker goed werk te doen,
· en zoo eene ware natuurlijl;.e deugd bezitten.
Men bemerke ten slotte dat, indien wij de bovennatuurlijke
deugden door onze natuurlijl;.e krachten niet kunnen verdienen,
wij n~gtans met Gods hulp ons tot het onLvangen derzelve kunnen bereiden, en zelfs, als wij de heiligmakende gratie bezitten,
door hct ontvangen der HH. Sacmmenten en door onze verdienstelijli.e werken hunne vem1eertleriug lmnnen verdienen.

2. V. lVellw !teet g(i goddel(jke dettgden?
A. Deze drij : Geloof, Hoop en Liefde; zoo genoemd,
omdat zij van God alleen ingestort en eigenlijk
aileen met God bezig zijn.
I. De Catechismus handelt hier van eene soort van deugden,

te weten, van de goddelijke deugden. ' De bovennatuut•lijke
deugden, waarvan er hier alleen spraak is, worden verdeeld in
goddelijke en in zedelijke deugden; en de Catechismus vraagt,

�1262

VIJFDE DEEL. -

39810 LES, 2de VR.

nu, wat de goddelijke deugden zijn. Wat !teet gij, zegt hij, goddelijke deugdm, 't is te zeggen, welke deugden worden goddelijke deugden genoemd ~
2. In zijn antwoord zegt hij ons : a) dat er d1·{j goddelijke
deugden zijn, te weten : het Geloof, de HOOJJ en de Liefde; en
b) waarom die drij deugden goddelijke deugden genoemd worden.
3. Waarin die drij deugden bestaan, hebben wij geleerd in de
3de, in de l6do en in de 20810 les.
4. Om well1.e reden worden die drij deugpen goddelijke
deugclen genoemd ~ Om twee red en en zegt de Catechismus :
a) omdat zij van God alleen ingestort zijn; en b) omdat zij

eigenlijk alleen met God bezig zijn.
Omdat zij van God alleen ingestort zijn, dat is, omdat zij
niet door geschapene krachten aanwinlijk zijn, maar door God
worden ingestort en alleen van Hem kunnen ingestort worden :
zij zijn immers bovennatuurlijlte deugclen, en diensvolgens
gaan zij noodzakelijk alle geschapene l1.rachten te hoven en kun-·
nen zij slechts van God voortkomen.
Omdat zij alleen met God bezig zi.jn,. dat is, omdat zij onmiddellijk op God, en op God alleen, betrekking hebben, of in
. andere woorden, omdat de werken, tot dewelke die deugden
ons genegen maken God, en God alleen, als voorwerp en als
beweegreden hebben : het Geloof beweegt ons om God, die ons
door Christus gesproken heeft, te gelooven, omdat Hij de opperste en onfaalbare wijsheid is; de Hoop beweegt ons om op God
als op onzen helper en looner te hopen, omdat Hij oneindig.
goed is, almachtig en getrouw in zijne beloften; en de Liefde
beweegt ons om God en den naaste, voor zooYeel deze het
schepsel en het kind van God is, te beminnen, omdat God de
opperste volmaaktheid is. Bijgevolg, de werken van deze
drij deugden·gaan onmiddellijk God aan, en zij geschieden rechtstreeks om red en der oneindige volmaaktheden van God ; en
zoo zijn de goddelijke deugden waarlijk alleen met God bezig.

�VIJFDE DEEL. -

398 1° LES, 2d0 VJ&gt;

1263

5. Zijn deze twee redenen even geldig om alleen aan het
Geloof, de Hoop en de Liefde den naam van goddelijlle deugden te geven 1 Neen; uit ho_ofde der eerste reden mogen die
drij deugden wel goddelijke deugden genoemd worden, maar
zij hebben daaruit het valle recht niet, om alleen dien naam te
dragen; want de zedelijke bovennatuurlijke deugden worden
ons ook van God rechtstreeks ingestort, en zoudcn bijgevolg
ook om die reden goddelijke deugden mogen genoemd worden
Uit hoofde dez~r reden nogtans hebben het Geloof, de Hoop en
de Liefde eenigszins een bijzonder recht· tot den naam van
gocldelijke deugden, aangezien zij in de natuurlijke orde niet
zouden bestaan, terwijl de andere deugden er in zouden te
vinden zijn. Door het Geloof, de Hoop en de Liefde gelooven
wij immers in God, hopen wij op Hem en beminnen wij Hem,
voor zooveel Hij, niet alleenlijk door de rede, maar op eene
bovennatuurlijke wijze door de Veropenbaring gekend is; en
cliensvolgens kunnen die deugden in de natuurlijke orde, waar
wij God slechts door de rede zouden kennen, niet aan i.e treffen
zijn. AI de andere deugden integeudeel hebben als voorwerp
goede werken, die, alhoewel de Veropenbaring ze ons nu voorhoudt, nogtans door onze rede ontdekt, begrepen en voorgesteld
,worden, en die slechts dan bovennatuurlijk zijn, als wij ze
uit geest van geloof en met Gods gratie doen; en bijgevolg
zouden die deugden ook in de natuurlijke orde bestaan hebben.
- De tweede reden geeft uitsluitelijk aan die drij deugden het
recht van goddelijke dcugden genoemd te worden, aangezien
de andere deugden niet met God aileen bezig zijn. De andere
hebben immers niet God zelven als voorwerp, maar een werk
clat deel maakt van den goddelijken dienst, en zij hebben als
rechtstreeksche beweegreden, ge~ne hoedanigheid van God,
maar de betrekkingen die tusschen God en de schepselen of
tusschen de verschillige schepselen bestaau, of in andere woorden, het onderhouden der orde of de regeleu der eerlijkheid.

�1204

VIJFDE DEEL. -

39 810 J.ES, 2~ 0 VR.

En dit is niet moeilijk om te begrijpen: wij gelooven in God, wij
lwpen op God en wij beminnen God, en dat Geloof, die Hoop
en die Liefde steunen rechtstreeks op de volmaaktheden van
God zelven; Lerwijl de andere deugden, zooals de YOOrzichtigheid, de rechtveerdigheid, de sterltte, de matigheid, tle ootmoedigheid enz., God niet rechtstreeks aangaan, ofwel gaan zij
Gotlrechtslreeks aim, gelijk bij voorbeeld, de godsdienstigheid,
nogtans God n"och als voorwerp noch als beweegreden hebben. De godsdienstigheid; die deel maakt van de deugtl van
•
rechtveerdigheid, hel':lft als voorwerp, niet God zelven, maar den
eeredienst dien wij Hem &gt;erschuldigfl zijn; eu de beweegreden
van deze deugd is niet de voh_naaktheitl van Gotl in l1aar zelve,
~aar de orde of de eerlijkheid die eischt, dat wij aan God de
eer geven, die Hem toekomt; gelijk de rechtYeerdigheid niet
den naaste zelven, maar hetgeue, waar·toe de naaste recht bezit,
als voorwerp heeft, en niet op de hoedanighetlen des naasten
steunt, maar op de orde of de eerlijkheitl die eischt dat wij
een'ieder het zijne geven.
6. Welke zijn de vier zedelijke deugtlen1 I-Iet zijn de vom·. zicltligheid, de ;·echtvee;·diglteid, de sle;·ktc en de matiglteid.
(Zie ~ver deze vier· deugden, hetgeen wij gezegd hebben, in
den Samenhang de1· Deugden, I Deel.) - "raarom worden
deze vier deugden zedelijke deugden genoemd? Het is, omdat
zij onze zeden, onze handelwijze in den dienst nm God regelen
en schikken.
En hoe zijn zij met de goddelijke deugden verbonden 1 Zij staan
in verband met de goddelijke deugden op de volgende wijze : door
de goddelijke deugden aanveerden wij den dienst van God en
blijven wij er in, en door de zedelijke &gt;olbrengen wij de plichten van dien dienst. (Zie Deel I, blad~. 390 en volgende.) Om
immers in den dienst van eencn meester te treden, moet men
hem als meester kennen en erkennen, op hem betrouwen hebben, en hem willen dienen of beminnen; en daarom om den

�YJJFDE DEEL.

-

3!)slo J.ES, 2dc VR.

1265

bovennatuurlijken dienst van God aan te nemen, moeten wij
in God gelooven (de Veropenbaring·, rlie door het Geloof aan te
nemen is, moet ons onze bovennatuurlijke bestemming doen
kennen), alsmede op Hem ltazJen en Hem bem.innen, volgens dat
wij Hem doot· het Geloof J;.ennen. Dam·na om eenen mrcster wezenlijk te dienen, moeten wij alle onze vermogen!&gt; rlaartoc wei
_gebruiken : namelijk ons verstand om te zoeken,
wat er ons
.
'te doen staat; onzen wil, om uit te voeren, ~vat wij weten te
moeten doen, ~n ons zinnelijk begeerensvermogen, om er niet
door misleid te worden, te wcten, om onze plichten uit vrees
van arbeid en lijden niet te verzuimen, en om de Iichamelijke
wellusten niet te veel te zoeken; en dam·uit vloeien de vom·.'dchtigheid, de 'i'echlvemyligheid, de ste1·kte en de matiglteid.
Om. ons tot het bereiken van ons. bovennatuurlijk einde len
voile bekwaam te maken, behoorde God ons zoowel de zedelijl;:e
als de goddelijke deugden in to storten; want gelijk wij hoven. natuurlijke krachten noodig hobl;en om in den bovennatuurlijken dienst van God te treden en er in te blijven, zoo hebben
. wij die ook noodig om de plicltten ·van dien rliem;t te kunne"i1
· vervullen.

.

7. De gothlolijke en de zedelijke btwennatuurlijke deugden,
daar zij ten innigste met de heiligmakende grati~ verbonden
zijn, worden te zamen met !war ingestort. en te zamen met haar
door het ontvangen der HH. Sacramenien en door de verdienstelijke werken ook vermeerdenl. Aangezien de hciligmakcnde
gratie in haar zolve nooit verminrlenl wordt, zoo worden die
deugden in hen zelvon ook nooit verminrlerd.- \Vat het verlies
dezerdeugdrm betreft: wanneer de heiligmakende gratie verloren
wordl door de dooflzonde, verliezen wij tevens de Lie~de, want
der.e deugd maakt ons vrienden nm God en rliensvolgens lmn
7.ij op geener wijze in iemand bestaan, die in •ijandschap is met
God; en door het verlies der Lieftle, verliezcn wij ook al de
zedelijke deugden, daar der.e dienen om hetgcne de Liefde ge-

�1266

YIJI'DE DEEL. -

39•tc I,ES, 2dc \'R.

biedt, uit te voeren, en zoo geheel van de Liefde afhankelijk 7.ijn.
Het Geloof en de Hoop, alhoewel zij alleenlijk met de heiligmakende gr·ati~ worden iugestort en vermee~derd. 'vorden nogtans
door alle verlies der heiligmakende gratie niet verloren, omdat
God het zoo geschikt heeft : het Geloof wordt slechts verloren
door ongeloovigheid, en de Hoop door het verlies van het
Geloof en door wanhoop.
s. Tegen het bestaan der ingestorte goddelijke en zedelijke
deugden zou men kunnen opwerpen, dat de ondrrvinding dit be~taan tegenspreekt en leugenstraft; men zou kunnen zeggen: de
deugd is eene genegenheid door dewelke de mensch weldoet, en
zie, een klein kind dat door het Doopsel de heiligmakende
gratie heeft ontvaugen, gevoelt, als het tot 't gebruik des verstands kom~. niet meer gemakkelijkheid en neiging tot het goed,
als een ander dat niet gedoopt is; en een mensch, die grammoedig was of overgegeven aan de overdaad en de onkuischheid
en die zich door eene goede Biecht bekeert en de heiligmakende
gratie ontvangt, heeft na zijne bekeering dezelfde moeilijkheden
om de zonde te vlieden en het goed te doen, als uoeger : zelfs
raadt men de godvreezende menschen aan, zich in de ooimoedigheid, de versterving, de matigheid, de gehoorzaamheid, enz.,
te oefenen, om de werken van die deugden te leeren gemakkelijk
verrichten.
Om deze opwerping ten volle op te lossen, moeten wij wei in
~ndacht nemen, dater in deze zaak eene dubbele gemakkelijkheid te onderscheiden is : eene die gelegen is in de bereidveerdigheid van de vermogens onzer ziel om het goed te doen, - en
eene andere die bestaat in vrij te zijn van alle iliwendige beletselen, die ons van het goed te doen wederhouden of ons terrenwero
ken als wij het Willen verrichten. Zull;:e beletselen zijn : de
onwetendheid, de onachtzaamheid en de verst~ooidheid voortkomende uit allerhande bezigheden of gewoonten of omstandigheden, de hevigheid der driften voorspruitende uit onze natuur

�VlJFDE DEEL. -

39sto I.ES, 2&lt;1° VR.

1267

of uit voorgaande zonden, de gesteltenis des lichaams die de
werken der ziel verbindert, de neiging der lichamelijke krachten om datgene te doen waaraan zij gewoon waren, enz. : dat
alles belet immers de behendigheid, de gemakl\elijkheid, de
vreugde in het verrichten van alden van deugd. - \"'i'elnu de
eerste gemakkelijkheid is eigen aan aile ingestorte deugd, daar
deze eene ware genegenheid is der ziel, door dewell\e de mensch
weldoet : al degenen, die de heiligmakende gratie bezitten,
hebben in hun~1e ziel eene bepaalde richting tot de bovennatuurlijke werken, hunne wil belt er naartoe over; en daarom
hebben zij, gelijk tle ondervindiug het ook bevestigt, veel meer
kracht in den \Vil om het kwaad te vluchlen en het goed te
doen dan de 1.ondaars die in vijandschap met God lev en. Een
bekeerde l1eeft immers meer kracht om te volherden, dan hij er
v66r zijne hel\eering had om de zomle te verlaten. -Maar die
tweetle gemaldwlijkheid is aan de ingestorte deugden niet eigen:
·God, als Hij de bovennatuurlijke deugden instort, neemt de
· beletselen gewoonlijk niet weg, die ons in het oefenen van die
deugtlen 7.Ullen verhinderen : Hij geeft kracht in het verstand en
in den wil en brengt ook teweeg dat ons zinnelijk begeerensvermogen aan den wil meer onderdanig we?.e; maar gewoonlijk laat
Hij de bovengenoemtle beletselen bestaan. En zoo gescli.iedt bet,
dat de ingestorte deugdeu in ons kunnen bestaan en dikwijls wezenlijk bestaan, ?.Onder dat wij eene voile gemakkelijldieid,
behendigheid en vreugde in het oefenen der deugd ondervinden.
- God wil bij het instorten der bovennatuurlijke deugden die
beletselen niet wegnemen, omdat dit een wam· mirakel zou
uitmaken en de werking zijner gratie ons zienlijk voor oogen zou
leggen; terwijl Hij, Yolgens zijn besluit, ons wil on1.e zaligbeid
doen bewerken, niet door zienlijke en tastbare dingen, maar wel
door het Geloof geleid.
Om die beletselen nit den weg te ruimen en zoo in 't oefeneu
der deugd volle gemakkelijkheid, behendigheid en vreugde te

�1268

YIJJ?DE DEEL. -

3() 810 LES, 3do YR.

ondervinden. moeten wij ons dikwijls enlangen tijd op de goede
werken toeleggen : dit leert de ondervinding en dit bevestigt de
rede. Door eene aanhoudende oefening in een werk begint ons
verstand er als van zelfs op te denken, alle onze vermogens
worden gewoon het te verrichten, en onze ledematen worden
gansch geschikt om het uit te voeren, zooals wij het dagelijl~s
zien geschieden met het aanleeren van kunsten ell ambachten.
- Daar deze gemakkelijkbeid, die uit de afwezigheid der beletselen voortkomt, aan de ingestol'te deug(I niet eigen
is, blijft zij, na
r
het verlies der ingestorte deugden, in den zondaar bestaan. Aan de natuurlijke aangewonnene deugden is deze gemakkelijkheid wezenlijk eigen, zoodanig dat die deugden nooit aangewonnen worden, zonder met die gemakkelijkbeid gepaard te gaan.
De reden daarvan is, dat die aangewonnene deugden bekomen
worden door aanhoudende oefeningen, en dat zull;.e oefeningen
noodzakelijk voor uitwerksel hebben, de beletselen weg te
nemen, well;:e ons in het oefenen der deugden kunnen hinderen.

3. V. 1¥at zijn evangelisclte 1·aden?
A. Deugden, die niemand schuldig is te aanveerden,
maa~· die nogtans van Christus aangeprezen zijn; te
weten : gewillige armoecle, eeuwige zuiverheid en
volkomene gehoorzaambeid.
· l. De Catechismus, na ons de deugden te hebben leeren J;:ennen, gaat nu over tot de wel'l;:en, tot dewelke de deugden ons
bereid of genegen maken; en hij spreekt eerst van de volmaak tste dier werken, te weten, van de evangelische raden. Hij begint
met te vragen, wat die raden ~iJn.
.
2. In zijn antwoord leert hij OilS : a) dat bet deugden zijn,
dat is, deugdelijke oefeningen; b) welke deugdelijke oefeningen
het zijn, of wat hun eigen is; c) en welke evangelische mden er
bestaan.
·

�VIJFDE DEEL.

-

3!J•to LES, 3do VR.

l2li!J

3. De evange\ische raden zijn dan deugden, gelij\{ de Catc. chismus zegt : dit woord moet hier noodzalwlijk verstaan worden in den zin van deugdel{ike, van goede oefeningen. gelijk
het klam· blijl{t uit de volgende woorden van den Catechismus.
4. Welke goede oefeningenzijn de evangeliscbe raden~ Het zijn
. goedeoefeningen, die niemand schuldig is teaanvee1·den, ?JWW'
die nogtans van Ch1·istus aangep1·czen ziJn; 't is te zeggen,
die niemand op zonde sclmldig is te onderhouden, gelijk men
schuldig is de geboden te volgen; maar die, alhoewel zij niet
op zonde zijn opgclegd, nogtans door Christus onzen Zaligmal\er
voorgesteld zijn als alle~·beste middelen om God volmaaklelijk te
dienen en tot eene gt'oote heiligheid te komen. Zij verschillen
dus van de geboden, omdat zij niet op zonde moeten onderhouden worden, en zij verschillen van .de andere \Tije goede werken,
omdat zij op eene bijzondere wijze door Christus aangeprezen
zijn. - Uit dit eigendom vloeit de naam : evangelische 1·aden.
· Deze werl;.en worden &gt;·aden genoemd, omdat. zij op zonde niet
geboclen zijn; en men noemt ze cvangclischc 1·aden, omdat zij
aangeraden zijn niet door eenen mensch of door eenen engel,
maar door Clu·istus zelven : Chl'istus' leel'ing draagt immers den
naam va.n Ecangelie (blijde lijding), en daarom worden die werken cvangelische 1.-aden genoemd.
5. ·welke evangelische raden bestaan er~ Er bestaan drij
ev~ngelische raden : gewillige w·moede, eeuwige zuivm·heicl
en vollwmene geh.om·zaamheid.
Gewillige m·moede : deze evangelische raad bestaat in zich
uit eeri vrij besluit het bezit, of ten minste het ,;rij gebruik
zijner tijdelijke goederen te ontzeggen. Hij is dan niet alleenlijk
gelegen in het vaarwel zeggen aan aile ongereg·elde aangekleefd-·
heid aan de tijdelijke goederen, maar ook in llet verlaten van
bet bezit of ten minste van bet vrij gebruik dier goederen. Het
woord gewillige m·moede geeft dat immers duidelijk te l;.ennen:
het betcekent zich vrijwillig arm maken, 'twelk geschiedt met

�12i0

YIJFDE DEEL. -

39ste LES, 3du VR.

zich bet bezit, of ten minste het gebruik der tijdelijke goederen
te ontzeggen. - Dezen raad gaf Christus aan eenen rijken jongeling en in diens persoon aan de Christenen aller eeuwen als Hij
zegde : .. Indien gij volmaakt wilt zijn, ga !wen, ve1·koop

.. wat gij hebt, en gee( het den armen, en gij zult eenen schat
.. hebben in den hem.el . .. (Matth. XIX, 21.)
Eeuwige zuiverheid : dat is, de vrijwillige, levenslange onthouding niet alieen van alle onkuische lusten, maar ook van het
Huwelijk (I).- Dezen raad heeft Christus gegevep.. wanneer Hij,
over de onthouding van bet Huwelijk sprekende, tot zijne leerlingen zegde : .. die het (die zaak) vatten kan, valle het; ., 't is
· te zeggen, " die zich zoo veel geweld· wil aandoen en die over" winning op·zich zelven behalen, dat hij het van zich verkrij" gen kan in de zuiverheid te willen leven, die doe dat. "
(Matth. XIX, 12.)
Volkomene gehoorzaamheicl : dat is, de verzaking aan zijnen
eigen wil, om onder eenen overste, die de pla.ats van God
bekleedt, den goddelijken wil te volbrengen. - Dezen raad heeft
Christus gegeven, wanneer Hij zegde : " indien iemancl mijn

" volgeling wil wezen, hi.f ve;·loochene zich zelven, en neme
" zijn kruis dagelijks op, en volge mij . ., (Luc. IX, 23.)
6. Hoe volmaakt zijn die werken, welke Christus ons aanraadt,
en waarom1 Zij zijn uit hunne natuur de volmaaktste werken
die de mensch hier op aarde kan verrichten; en de red en daarvan is: a) dat zij van den mensch al de beletselen wegnemen, die
hem tegenhouden van veel op God te denken, en veel met den
goddelijken dienst bezig te zijn; en b) dat zij eene offerande uitmaken, waarin de mensch zich zelven en al wat hij bezit, voor
zooveel hij kan, aan God opdraagt. - De volmaaktheid van den
(1) De huwelijke staat, alhoewel in zich zelven min ,.olmaakt dan de
eeuwige zuivei·h~id, is danrom niet slecht; hij is inlegendeel cene beilige
zaak. Het.gene immers min goed is dan eene andere zaalt, is daarom
geenszi ns slecht.

�VIJFDE DEEL. -

39sto LES, 3&lt;1° VR.

1271

mensch is immers gelegen in God te beminnen, dat is in Hem
goed te willen. De laagste graad dezer volmaaktheid bestaat in
God door geene doodzonde te vergrammen ; en haar hoogste in
gedurig niet God bezig te zijn, in gedurig' Hem te eeren en te
Ioven; doch dit kan de mensch op deze aarde niet doen, daar hij
door menigvuldige bezigheden belet wordt gedurig op God te
denken : die hoogste volmaaldheid is het lot der Heiligen in den
hemel. Bijgevolg zal de mensch hier op aarde meer en meer volmaakt zijn, naarmate hij meer en meer de beletselen van op God
te denken van'zich verwijdert en meer en meer al hetgene hij
heeft aan God toewijdt; en zoo blijkt het dat de evangelische
raden de volmaaktste werken zijn, daar zij al die beletselen wegnemen en geheel den mensch aan God toewijden.
De eerste rellen is gemald~elijk om bewijzen. Er zijn immers
drij hoofdbeletsels, die ons wederhouden van veel op God te
peinzen en ons ernstig met den goddelijken dienst bezig te houden; het zijn: 1" de begeerte der tijdelijke goederen, en de bezorgdheid, die er noodig is om deze aan te winnen, te bewaren
en wel te bestieren; 2" de zinnelijke lusten, en onder deze wel
bijzonderlijk de lus_ten van bet vleesch metal de bekommernissen
welke de huwelijke staat medebrengt; en 3" de ongeregeldheid
van den menschelijken wil, die, wanneer hij door het gebod van
oversten niet geleid wordt, dikwijls het Invade boven het goede,
of het min goede boven het betere verkiest; en de groote zorg
die er noodig is, om te weten water in ieder geval te doen staat,
om wel en heilig te handelen. Welnu, het eerste;beletsel wordt
ten volle weggenomen door de gewillige armoede; het tweede
door de eeuwige zuiverheid; en het derde door de volkomene
gehoorzaamheid.
De tweede reden Ievert ook geene moeilijkheid op. De mensch
bezit maar drij soqrten van goederen: 1" de tijdelijke goederen,
of de goederen der fortuin ; 2" de zinnelijke Ius ten van het
lichaam; en 3" het genot der ziel, ·'twelk in de ·ve.rhevenhei~ of

�1272

VIJFDE DEEL. -

39sto J,ES, 4de VR.

uitmuntendheid bestaat. Welnu, met de evangelische raden te
volgen, verzaakt hij aan deze drij goederen om God beter te
dienen, en draagt ze zoo aan God op. Door de gewillige armoecle
verzaakt hij aan de tijdelijke goedereu; door de eeuwige zuiverheid aan de zinnelijke wellusten van bet lichaam; en door de
volkomene gehoorzaamheid aan de verhevenheid, de uitmuntendheid, de onafhankelijkheid.

4. V. Is ltet goed ziclt zelven tot evangelisclte
mden
.

te verbinden dom· belo{ten?
A. Ret is zeer goed als bet met rijpen raad en voile

vrijheid geschiedt.
1. De Catechismus, na ons de evangelische raden te hebben
_leeren l;.ennen, vraagt thans, of het goe1l is zich zelven tot die
raden door beloften te verbinden, dat is, zich door beloften op
zonde te verplichten die raden te volgen. - Het is voor?.e);:er
goed, die raden te volgen, aangezien zij van Qhristus voortlwmen, en dat zij ons tot de grootste volmaaktheid leiden, gelijk
wij gezien hebben; maar is bet ook goed zich door bcl~u te
verplicbten tot bet volgen van die raden ~
2. In zijn antwoord leert de Catechismus ons : a) dat 1lit zee~·
. goed is; b) maar dat er nogtaus, opdat bet zeer goed zoude
wezen, twee voorwaarden vereischt zijn : bet moet geschieden
1° met ri,ipen ''aad en 2° met volle vrijlteid.
3. !let is zeer goed; dat is, niet alleenlijk eenigszins volmaakt
maar zeer volmaaJ;:t. - En waarom ~ In de 2a•to les hebben wij
geleerd dat ·bet goed is, zich door bel often te verbinden tot een
wer)(, dat met de geboden of met de raden Gods overeenst~mt:
we1nu, deze \verken zijn ons door Christus .zeer aangeprezen
en zijn in zich zelven zeer volmaakt; en zoo is bet noodzakelijk
zeer goed, zich tot die werken door beloften te verbinden

.

.

..

�YIJFDE DEEL. -

39ste LES; 5c1c YR.

1273

4. Deze belofte, om zeee goed te zijn, zegt de Catechismus,
moet geschieden met 1·(jpen 1·aad en 1:olle '1:1·ijheid, dat is te
zeggen, zij mag maar geschieden, nadat de 7.aak wel overdacht
en verslaan is geweest, en nadat men raad ontvangen heeft van
wijze en godYruchtige person en; en daarenboven zij mag niet
voortkomen uit dwang of uit vrees, maar zij moetgedaan worden
uit eigene beweging, alleenlijk omdat men het waarlijk wil. En welk is "de red en dam·van 1 De reden is, dat men om de voile
verdiensten van cen goed werk te hebben. we\ moel welen, wat
men doet, en n1en ook dat werk ";illens, dat is mel volle vrijheid,
moei verrichten; en ten tweede, dai men zich, met zulke gewichlige beloften 7.0nder rijpen raad en volle vrijheid te doen,
noodza\;:e\ijk in 'L gevaar slelt, van dikwijls die beloften te breken, en aldus in plaats van in die beloften een middel van zalighehl, er veeleer eene gelegenheid van zoude in te vinden.
5. Deze tlrij evangelische radmi lmnnen wel eenigszins in de
wereld gevolgd worden; maar het kloosterleven al\een is geheel
geschikt om ze teenemaal te volgen.
In het kloostel'leven volgt men niet al\een\ijk de evangelische
radet~~paar men verbind t er zich toe door bel often; en zoo is
de ldoosterlijke staat, in zich zelven beschouwd, de volmaaktste
slaat, die er op de wereld te vimlen is. De drij evangelische
raden, die in het kloosterleven gevolgd worden, leiden immers
rechtstreel;:s tot volle volmaakiheid; en de beloften komen de
klooswrlingen in het volgen van die raden berestigen, en hen
daartoe verplichten : waaruit klaarlijk blijkt, ~at er op de wereid hoegenaamd geen staat gevonden wordt, die uil zijne natuur
zoo volmaakt is als de kloosierlijke staat.

5. V. ·welke noemt rnen cle a_cllt zaliglteclen?
A. Eenige goede werken, voor dewelke Ohristus de
eeu wige zaligheid beloofd heeft..

.

�1274

VIJFDE DEEJ,. -

39sto LES, fide VR.

1. De Catechismus begint hier te sprell:en, van eene tweede·

soort van goede werken, te weten, van de aclzt zaliglteden, die
na de evangelische raden de eerste plaats onder de goede werken
bekleeden. - I-Iij vraagt hier : wat noemt men de acid zali"gheden, 'tis te zeggen, welke zaken komen onder den naam van

de acht zaligheden.
2. In zijn antwoord zegt hij ons : a) dat het eenige goede werken zi}n, die onder dien naam komen, en b) wellw goede werlwn
het zijn.
Vooreerst dan, de acht zaligheden zijn goede wtiJ·ken : het zijn
geene deugden in den eigen zin des woords, maar dengdelijke
werken, werken die uit de deugden voortsprniten. Nogtans de
deugden, die ons genegen maken omdie werken te verrichten,
worden soms ook onder den naam van de aclzt zaligheden verstaan.
En welke goede werken worden. zaligheden genoemd 1 Diegene, voor dewellte Clwistus de eeuwige zaligheid beloofd
heeft; 'tis te zeggen, die goede werken, van dewelke Christus
verklaard heeft, dat zij met eene bijzondere zekerheid den mensch
tot de zaligheid leiden, of welke eene bijzondere zekerheid van
zaligheid volgens Christus' belofte geven. - En worden zij om
die reden met recht zaligheden genoemd? Ja, ongetwijfeld;
.aangezien zij op eene bijzondere wijze de oorzaak onzer zaligheid
en onzer zekerheid van de zaligheid zijn, mogen zij met reden
zaUgheden genoemd worden, volgens die gewone spreeltwijze,
welke aan den ~orsprong eener zaak deri naam der zaak zelve
geeft. ·
Er zijn, gelijk het uit de vraag van den Catechismus blijl&lt;t,
acht goede werken, die den naam van zaligheden dragen.

6. V. Zeg de aclzt zali'gheden?
A. I. Zalig zijn zij, die arm van geest zijn; want het
rijk der hemelen behoort hun toe.

�VIJI~DE DEEL. -

39810 LES, 6d 0 VR.

1275

2. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen de
aarde bezitten.
3. Zalig zijn zij, die droevig zijn; want zij zullen getroost worden.
4. Zalig zijn zij, die honger en dorst hehben naar de
rechtveerdigheicl; want zij zullen verzaad worden.
5. Zalig zijn de bermhertigen; want zij zulle~1 hermhertighei-;:1 verwerven.
6. Zalig zij n zij, die zui ver van bert zij n; want zij zullen God zien.
7. Zalig zijn de vreedzamen ; want zij zullen kinderen
Gods genoemd worden.
8. Zalig zijn zij, die veJ'volging lijden om de rechtveerdigheid; want het rijk der hemelen behoort hun toe~
l: Zalig zijn zij, die arm van geest zijn; door iu·men van·
geest worden bier verstaan al degenen, die met den geest, dat

is, met den wil, met de begeerte aan de tijdelijke goederen niet
verkleefd zijn, die hun geluk in de rijkdommen niet zoeken.
Dusdanige zijn : a) degenen, die om zich op de volmaaktheid toe
te leggen, al hunne tijdelijke goederen of ten minste het vrij gebruik derzelve hebben afgestaan en belofle van armoede gedaan
hebben: b) degenen, die met der daad arm en behoeftig zijn, maar
bunne armoede en behoeftigheid met volle onderwerping jegens
God dragen; en c) degenen, rlie de wereldsche goederen wel
bezitten, maar er niet aan gehecht zijn, en ze alleenlijk als middelen tot bet goed gebruiken. - Want het 1·ijk der· hemelen
behom·t hun toe; voor hunne onthechting van de wereldsche
goederen, zullen zij de grootste goederen mogelijk, het hemelscll
koninkrijk, de rijkdommen van God zelven bekomen.

�1276

YIJFDE DEEL. -· 398 16 LES, 6do VR.

2. Zalig zijn de zachbnoedigen; door zachtmoedigen moeten
hier verstaan worden al degenen, die zich niet "Teken, geenen
haat of nijd in het hert dragen, die de anderen niet aanrauden,
maar integendeel zich aan de anderen onderwerpen en met
lieflle onderdauig zijn. - TVant zij zullen de aa;Yle bezilten;
dat is, tot loon van bunue nederigheid en zacbtmoedigheid,
waardoor zij hier niet zochten over de anderen te heerscben,
verheven te zijn en macht te hebben, zullen zij, na het laatste
oordeel, meester worden van geheel de vernieU\~de aarde, die
door hare glorierijke schoonheid zal dieuen om de Heiligen ook
volgens het lichaam gelul;.kig te maken. Onder het dee! der
hemelsche glorie, dat bier beloofd wordt, moet deze noodzakelijlt
in haar geheel verstaan worden. Christus sprak inuners dikwijls
slechts van een deel der hemelsche glorie, dat meet' dan bet aanschouwen van God onder de zinnen valt en vatbaar is, alhoewel
Hij geheel de hemelsche glorie bedoelde. HieJ' spreel;.t Hij van
het bezitten der verheerlijkte aarde om dit tegenover het bezit
te stellen der heerschappij op deze wereld.
3. Zalig zijn zij, die droevig zijn. D1·oevig zijn, dat betee-·
kent hier : de lichamelijke wellusten niet ?aloopen en zoo de
wereldsche blijdschap, die altijd op de lusten der gulzigheid en
der onlmischheid uitkomt, niet zoeken, maar integendeel
onze driften tot de lichamelijke lusten beteugelen, droevig zijn
om onze en eens anders zonden, deze trachten door leedwezen,
boetveerdigheid en verstervil1g uit te boeten, naar het bezit van
·den hemel verlangen, en eenen walg hebben van de wereld. lVant z'ij zullen get1·oost wo~·den; 't is te zeggen, zij zullen
voor hunne droefheid, voor hunne lichaamskastijdingen bier op
aarde, den eeuwigen troost ontvangen des hemels, waar noch
geschrei, noch geklag meer zal zijn.
4. Zalig zijn zij, die ltonge~· en do1·st hebben naar de recht-

vem·diglteid. Honger en dorst ltebben naar de reclttveerdigheid, dat is, grooten iever of eene vurig~ begeerte hebben, om

�VlJl'DE DEEL. -

39sto LES, firtO VR.

1277

Go~ volmaakt te dienen, want de rechtveerdigheid bestaat, in
het goed te doen en de ?.Onden te vlieden. - TVant zij zullen
ver·zaad wor·den i dat is, er zal aan al hunne begeerten teenemaal voldaan worden : gelijk degene, die hanger en dorst heeft
in het lichaam, voldaan wordt, wanneer hij eten en drinlwn
bekomt; zoo zullen degenen, die de rechtveerdigheid emstig
zoeken, in den heme! teenemaal voldaan worden door het vervullen van aile hunne begeerten.
5. Zalig zi.i,n de ber·mlw1'ligen; door be;·mhei'ligen moeten
bier verstaan worden, degenen die dee! nemen in het lijden, in
de geestelijke of tijdelijke noodwendigheid van anderen, en hun
trachten behulpzaam te \Vezen. - TI!'ant zij zullen berm/iert~gheid verwe;·ven; dat is, God zal ook deel nemen in hunne
ellenden, hun vergi!Tenis schenken van hunne zonden en schulden, en ze in den hemel ontvangen.
6. Zalig zi.Jn zij, die zuive1· van he1'l zijn. Door zuive1· ·van
her·t zijn moet er verstaan worden, inwendig zoo gesteld zijn
dat meu zonder zonde is, en dat men niets wil, noch uitwendig
iets doe, dat eenigszins met de wet en den wil Gods strijdig is.
- Want ziJ zullcn God zien; 't is te zeggen, tot loon hunner
zuiverheid van hert zullen zij God zien, dat is, den hemel
bezitt.en, die in het aanschouwen van God bestaat: daar het oog
hunner ziel door de zonde niet verduisterd of beneveld is, zal het
in den hemet de Godheid aanschijn aan aanschijn aanschouwen.
7. Zalig zijn de m'eedzamen. Dom· v1·eedzamen moe ten
bier verstaan worden degenen, die zich met de anderen, die hun
misdaan hebben, verzoenen; die de vijanden trachten eensgezind
te maken, en de zondaars, die de vijanden van God zijn, trachlen

te bekeeren. - lVant zij zullen llinde;·en Gods genoemd
WOIYlen; dat is, zij zullen genoemd worden en waarlijk zijn
kinderen Gods, en zoo de erfenis der kinderen Gods, te weten,
den heme!, bekomen : om hunne vreedzaamheid worden zij
met recht de kinderen Gods genoemd, daar God de God van

�1278

VIJFDE DEEL. -

39ste LES, 5c1e VR.

vrede is. Hij heeft immers zijnen eenigen Zoon op de wereld
gezonden om zich met het zondig menschdom te verzoenen.
s. Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de rechtvem·digheid. Die vervolging lijden om de rechtveerdigheid, zijn
degenen, die door de goddeloozen en de boozen om het Geloof,
om hu~ heilig Ieven, of om de eene of de andere bijzondere
deugd gehaat, gelasterd, beleed~gd, verdrukt of zelfs gedood
worden, en dat alles Diet verduldigheid dragen. - Want het
rijk der hemelen belwm·t hun toe; dat is, want,. zij zullen den
hamel als loon ontvangen : voor dien smaad, voor die verdrukking, voor die dood zullen zij in de hemelen als koningen zetelen
met de grootste eer en glorie bekleed. · - Men geve er aandacht
op, dat in de acht zaligheden de hemelsche loon op verschillige
·wijzen is voorgesteld, en ieder maal op die manier, well;:e met
het genoemde werk overeenstemt. Christus heeft dit z66 gedaan, om te toonen hoe de hemelsche loon teenemaal aan onze
verdiensten op aarde beantwoordt.
Is er in die acht zaligheden eenige orde te vinden ~ Ja; de
drij eerste zijn voorgesteld tegen de valsche meeningen der wereld nopens de middelen om tot het waar geluk te komen; en
de vijf laatste bevatten de vijf bijzonderste voorwaardeu, die er
vereischt zijn om wel en heilig te Ieven.
De wereld denkt dat het waar geluk tEl vinden is in de rijkdommen, in de uitmuntendheid of in de heerschappij die men
met geweld en macht over de anderen uitvoert, in de lichamelijke wellusten; en om deze valsche meening te bevechten
heeft Christus in de drij eerste zaligheden tegen de •rijkdommen
den geest van armoede, tegen de macht en de heerschatJpij
den geest van zaclumoedigheid, en tegen de liclzameli,jlte
wellusten den geest van leedwezen en boetveerdigheid gesteld.
Wat de bijzonderste voorwaarden van een heilig en volmaakt
leven betreft, de eerste is voorzeker eene vurige begeerte van God
volmaaktelijk te dienen; en daarom plaatst Christus haar v66r de

�VIJFDE DEEL. -

398 18 LES, 7de VR.

1279

andere voorwaarden in de vierde zaligheid.- Tot de rechtveerdigheid of tot de heiligheid in henzelven beschouwd, zijn er twee
dingen vereischt : het goed doen, en de zonde vluchten; en
onder het goed, dat moet gedaan worden, bekleeden de werken
van bermhertigheid eene zeer verhevene plaats, gelijk bet blijkt
uit het Evangelie : daarom stelt Christus na de begeerte der·
rechtveerdigheid, de werken van bermhertigheid, in de vijfde
zaligheid, en na deze werken, de zuiverheid des herten of het
vrij zijn van aile zonden, in de zesde zaligheid. - Eindelijk
om bermhertig te kunnen zijn jegens den evenmensch en om
zich zuiver te houden van de zonde. zijn er twee bijzondere
dingen noodig : de vreedzaamheid en de getrouwheid aan het
Geloof en aan de deugd in het midden der vervolgingen; en
daarom lleeft Christus beide deze goede werken na de bermhertigheid en de zuiverheid des herten in de zevende en in de
achtste zaligheid geplaatst.
De acht zaligheden, waarvan wij de uitlegging komen te
hooren, ?.ijn voorgesteld door Christus zelven in bet vermaard
sermoen, dat genoemd wordt : " het sermoen op den berg. "

7. V. lVat p1·o(ljt doen ons de goede werken?
A. Ten eerste, zij leggen de schulden of de penitentie af;
ten tweede, zij verwerven vet·giffenis van dagelijksche zonden; ten derde, zij verkrijgen de goddelijke
gratie; ten vim·de, zij verdienen den eeuwigen loon.
l. De Catechismus, na ons gesprol;:en te hebben van die goede
werken, welke zaligheden genoemd worden, omdat Christus er
op eene bijzondere manier de eeuwige zaligheid voor beloofd .
heeft, zal ons nu spreken, van hetgeen wij door de goede werken,
in 't algemeen genomen, verdienen. - Door goede we1·llen
worden hier verstaan aile woorden, werluin, of begeerten, die
overeenkolllsLig zijn met de wet en den wil Gods; bijgevolg,

�1280

VfJFDE DEEJ,. -

39sto f.ES, 7de VR.

onder dien naam lwmen : a) al hetgeen men doet om de gehoden
Gods te onderhouden; b) al de niet gebodene of vrije werl;:en,
die uit hunne natuur dienen om God te (\eren, zooals bidden,
vasten, aalmoer.en doen (l), buiten hetgene door dC' geboden voorgeschreven is; en c) ook riog al de werken die uit. hunne natuur
onverschillig zijn, zooals eten, drinken, eenig &gt;err.et nemen,
slapen gaan en aile andere dagelijl;:sche werken, mits r.ij gedaan
worden om God te vereeren en zijnen wil te volbrengen. Gelijk
de zonden daden zijn, welke met de wet en den 'Yil Gods strijden, zoo zijn de goede werken daden, well;:e dienen om God te
vereeren en r.iJnen wil te volbrengen. - "'at verk!'ijgen wij nu
door de goede werken o(wat p;·ofijt doen ons de goede wei· ken,
gelijk de Catechismus vraagt.
2. In zijn antwoord noemt hij vier profijten, die de goede werken ons doen: Ten eersle, zegt hij, zij leggen de sclwlden of de
2Jen£tentie a(, dat is, r.ij neme;1 weg of ten minste zij verkorten
of verminderen de tijdelijke pijnen, die na de vergilfenis onr.er
zonden dikwijls overblijven om bier in dit Ieven, of hiernamaals
in het vagevuur, uitgeboet te worden.
Ten tweede, zi,j ve;·wel·ven vergiffenis 'Mn dagelijkscltc zonden, dat is, zij bekomen van God de noodige hulp om een genoegzaam leedwezen over de dagelijksche z011den te hebben, en er zoo
vergitfenis van te verkrijgen; en zelfs, wanneer zij gcpaard gaan
met een ·uitdrukkelijk of ingesloten onvolmaakt leedwczen, dat
door zich zelf te klein is om de vergiffenis det· dagelijksche zonden te belwmen, verkrijgen zij zeer waarschijnlijk rechtstreeks

(1) Onde•· deze drij werl1en zijn nile goode werken mogelijk bcgrepen :
. onder het gebecl worden verstnnn nile wcrkcn Yan godsdienstigheid; onder
de aalmoes ·nile we•· ken vnn liefde jegens d.en even mensch; en onder bet
vasten aile werken 1•nn versterving, doo•· dewelkc wij onze kwnde drifton
beteugelen; - en a! hetgeen wij te doen hebben l1omt uit op Goclte clienen,
den naaste te beminnen en ons acm Gocl doo1· cle ve1·ster·ving geheel toe te
wijden.

�VIJFDE DEEL -

39sto LES, 7de VR.

1281

de vergiifenis dier zonden. Die goede werlwn, als zij met de
vereischte voorwaarden gedaan zijn, geven ons immers vermeer~
dering der heiligmakende gratie en vermeerderen derwijze onze
vriendschap met God; en het is allernatuurlijkst, dat God, als Hij
ons in in niger vriendschap ontvangt, die kleine zonden vergeeft,
waarover wij eenigszins leedwezen hebben (l).

Ten de1Yle, zij ve1·krijgen de goddelijke gmtie, dat is, als
zij van eenen zondaat· gedaan zijn, bewegen zij God om hem vele
graWin tot bekeering te vergunnen; als zij in eenen zondaar
gepaard gaan met een volrnaakt berouw of met eene Yoltnaakte
liefde tot God, vervullen zij door dat berouw of die liefde de
laatste vereischte conditie om van God vergiffenis del' zonde en
de heiligmakende graiie te bekomen; en als zij gedaan r.ijn van
eenen rechtYeerdige, verdienen zij hem vermeerdering der
beiligmakende gratie, alsook vermeerdering der dadelijke gra- •
tii:in, die dienen om de lteiligmakende gratie werkend te maken.
(Il In de 3d• '1"1". de I" l4d• les, hehhcn wij geleerd dat di&gt; dngelijl;sche zonden
vergeven worden door lccdtoe~en, gebedcn eu alle1·lei goe!lc tce1"1wn. \'i'ij
hebben daai" aangeteekend dat de gebeden en de gocde we1·hen, om dat uitwerksel te hebben, " moeteu gedaan ziju met het iuzicht van da:u·door die
vergilfenis te bekomen, en zoo met leerlwezen gepaard gaan;" en wij wilden
uitdniklten dat die gebeden en goedewerkon, om die vcrgitl'tmis rechtstreeks
tewecg to bi·eugen, van eeuig leedwezen moeten vergczeld zijn, zooals er
een te ''indcn is in het inzicht van dooi" cen gcbed of cen gocd werk
vergilfenis \'fill onze dagelijksche zondcn li&gt; belwmen. Dit inzicht of dat
Ieedwczen moct. nogtans niet uitdi·ukkelijk zijn; het is gcnoeg dat het ingesloten ligge iu het inzicht van God te Ioven, iuniger in zijne \"l"iondschap
to t1•eden, onze heiligheid to vormeerderen, cnz. - Hot leedwezen, dat de
geheden of de gocde werkon moet vergezellen, moe! \'OOI"zcker zoo groot
nict zijn dnt hot door zich zelf ric dagclijltsche zondeu vergcvo; want auders
zoudcn de gebede11 en de goede toc1·ken gcone bijzoude1·e middclen zijn om
die zonden te vei·gc,·cn.- Hct is zeci"W:t:U'8Chijnlijk, dat bij ietlcre instorting der heiligmak~ndc gratia iu het ontvangcn van al de SacramPnten
der Ievenden, de dagelijksch•' zonden, wauro,·CI' wij cenig lecdwezen hebben, uit hoofde onze1· ''ermoei·dm·de vriendschap met God, vergeven
worden.

�1282

VJJFDE DEEL. -

3!) 810 LES, 7dc VR.

Ten vim·de, zij verclienen den eeuwigen loon, dat is, zij verdienen het geluk des hemels. De mensch, die in staat van gratie
is. heeft, als kind van God, recht tot den heme!; en door .de
goede werken, in clien staat gedaan, verdient hij vermeerdering
van dien hemelschen loon. Oe loon des hemels h altijd in evenredigheid met den graad der heiligmakende gratie, die de mensch
bezit; en zoo verkrijgen wij noodzakelijk vermeerdering van den
eeuwigen loon, wanneer wij .vermeerdering bekomen van de
heiligmakende gratie : welnu de rechtveerdige :erdient door
zijne goede werken vermeerdering der heiligmakende gratie, en
bijgevolg verdient hij daardoor ook vermeerdering van den hemelschen loon.
3. Is er niets vereischt in de goede werken. om ons die profijten te bekomen; geven al de goede werken zonder u i tzondering
.die voordeelen ~ Er zijn zekere conditien vereischt opdat een
goed werk ons die profijten zou bekomen :ten eerste, het moet
geschieden in staat van g1·atie, (uitgenomen om gratie tot bekeering te belwmen en om de conditien te vervullen ten einde de
vergi!Tenis der doodzonde te verkrijgen), want het is onmogelijk
dat een mensch die in doodzonde is en diensvolgens de hel vel'dient, en die uit zijne natuur noch de goddelijke gaven der
gratie en der hemelsche glorie kan verdienen, noch voor zijne
zonde bij God luin voldoen, eenig recht verkrijge bij God tot die
andere goddelijke gunsten. Wie geheel van God is afgekeerd en
zijn vijand is, die kan voorzeker geen recht verkrijgeu noch tot
vergiffenis van tijdelijke pijnen of van dagelijl{sche zonden, (de
dagelijksche zonden worden immers nooit vergeven zonder de
doodzonden); noch tot vermeerdering der hciligmakende gratie,
daar deze gratie in hem niet bestaat; noch tot den hemelschen
loon, aangezien deze alleenlijk voor de rechtveerdigen bestemd
is.- 'fen tweede, het moet geschieden om ee11e reden, die uit de
leering des Geloofs geput is; want God geeft maar bovennatuurlijken loon voor bovennatuurlijke werken, en een werk kan niet

�VIJFDE IJEEL. -

39ste LES, jde VR.

1283

bovennaiuurlijk zijn, a\s llet uit het Geloof niet voortspruit.
Christus heeft in zijne leering daar gedurig op gesteund : Hij
vermaande I1iet alleenlijk om bet goed te doen, maar om het te
doen in zijnen naam, om zijnent wit o(uit lie(de tot Hem, dat
is, omdat Hij ons geleerd l1eeft dat goed te doen. En zelfs de rede
lwmt dit· ook bevestigen :·de natuur van onze werken hangt
immers hoofdzakelijk af van de kennis die wij er van hebben en
volgens dewelke wij ze verricbten : zij zullen goed of slecht Y.ijn,
volgens dat wij ze weten of meenen goed of slecht te :djn, en
bijgevolg is het onmogelijk dat zij ten volle bovennatuurlijk
wezen, indien wij ze niet aanscbouwen volgens hetgeen het Geloof ei' over leert. (Zie Deel II, blad7.. 816.) Daaruit volgt, dat
degenen die goede werken doen, alleenlijk om dam·door lof van
de menschen te ontvangen, om gezien te zijn, om zich zelven te
voldoen. om eenig tijdelijk goed te bekomen, door die werken
geene verdiensten verkrijgen. \Vat meer is, deed men een goed
werk, niet om eene reden uit het Geloof getrokken, maar
enkel omdat ons verstand dat werk goerlkeurt, men zou ook
geene verdiensten bekomen, dewijl dat werk uit bet Geloof niet
zou voortlwmen. Men merke nogtans op, dat die redeu bij de
ge\oovigen, wanneer zij een goed werk uit godsdieustigheid
doen, altijd of ten minste bUna altijd uit het Geloof is getrokken,
dewijl geheel hunne godsdienstige kennis aan den Catechismus,
die bet kort begrip is des Geloofs, is ontleeud. - Wij haudelen
voorzel\er om eene reden uit het Geloof getrokken, als wij bij
voorbeeld, een goed werk doen ?m aan God te bebagen, omdat
Christus bet geboden of aangeraden l1eeft, om den heme\ te verdienen, om onze zonden uit te boeten, om de Heiligen te vel'eeren,
om den naaste dien wij als kind van God aanschouwen bij te
staan, om aan de oversten die wij als Gods plaatsvervangers
aanzien te geboorzamen, enz.
,
4. Is er tusscben die vier profijten der goede werken eenig
verband 1 Ja; de heiligmakende gratie is het midden punt van

�1284

V!JFilE DEEL. -

39sto LES, 8 8 !0 VR.

al die profijten : uit de vermeerdering der heiligmakende gratie
vloeit noodzakelijk de vermeerdering van den hemelschen loon,
dewijl de graad dezes loons altijd beantwoordt aan den graad
(l'er heiligm.akende gratie. Uit die vermeerdering der heiligmakende gratie lwmt ook de vergiffenis der dagelijksche zonden voort; want wanneer de heiligm"n.l\ende gratie vermeerderd
wordt, ontvangen wij tevens vee! dadelljke graWiu, door dewelke
wij gemakkelijk vergiffenis der dagelijksche zonden verkrijgen,
en zelfs met door die vermeerdering van heiligmal~ende gratie in
innigervriendschap metGod te komen, verkrijgen wij waarschijnlijl;. ook vergiffenis onzer dagelijksche zopden, indien wij er ten
minste eenigszins leedwezen over hebben. Eindelijli, wanneer wij
eene vermeerderi·ng van heiligmakende gratie ontvangen, en zoo
in inniger vriendschap met God treden, worden noodzakelijk ook
.onze schulden of last van penitentie door God verminderd : eeu
overste ontvangt immers geenen onderdaau in inniger vriendschap, zonder hem iets van zijne schulden, indien hij er nog
heeft, kwijt te schelden.

8. V .Js God ons iets scltuldig voor on~e goede werken?
A. Volgens zijne belofte is I-Iij ons schuldig den eeuwigen loon en de glorie des hemels.
l. De Catechismus, na gezegd te hebben wat pt•ofijten de
goede werken ons doen, zal ons tbans leeren of God verplicht is
ons iets voor die goede werkeu te geven. Is God ons icts schuldig, vraagt hij, voor onze goede wm·lwn, dat is, is God gehouden ous uit re~hiYeerdigheid al die profijten of eenige er
van te geven voor onze goede werken, die de vereischte coudiWin vervullen om verdienstelijk te zijn, ofwel is Hij slechts
daartoe uit betamelijkheid gehouderi, of zelfs is Hij op geener
wijze tot iets verplicbt. - Men bemerke hier, dat de weerdigheid, die een goed werk, ter iemauds eer gedaan, bezit om

�\'IJI'DB DEEL. -

3()Shl LES, Sste YR.

1285

loon te ontvangen, ve1Ylienstelijkheirl genoemd wordi. en dat
een goed werk op twee manieren verdienstelijk lwn zijn, namelijk uit ?'echtvee;yligheid, of uit betamelijldwid, volgens dat
de rechtveerdigheid vereiscllt dat er loon voor gegeven worge,
of dai het slechts uetamelijk is dat dit geschietle.
2. In zijn antwoord leert ons de Catechismus : a) dat God ons
voor die werken we;wnl~jk iets schuldig is. iets uit rechtveerdigheid als loon moet geven, en wat het is; en b) waaruit Hij
rlaarioe verplicllt is .
•
3. Wat is God ons schuldig voor onze goede werken 1 Den
eeuwige1i loon en de glorie des lwmels, antwoonlt de Catechismus. Deze woorden drukken maar eene zaak uit, te weten
het geluk des hemels, 't welk l.Jestaat in God aanschijn aan
aanschijn te aanschouwen. De eeuwige loon, die God ons schuldig is, l.Jestaat immers in de hemelsche glorie. - En men
geve er achi op, dat et• hier niet alleenlijk van de hemelsche
· glorie zonder l.Jepaling spmak is, maar ook van de Vermeerdering derzelve, alsmede van de vermeerdering der heiligmakende gratie, want de vermeerdering der hemelsche glorie
is onafscheidl.Jaar van die der heiligmakende gmtie. Dit alles,
vermeerdering der heiligmakende gratie, de hemelsche glorie
en vermeerdering derzelve, moet God ons uit rechivcerdigheid
voor onze goede wcrken geven, of kunnen wij uit rechtveerdigllCid door onze goede werh:en van God verdienen. De andere
profij ten !tier boven gemeld en andere gecsielijke goederen
Imnnen wij slechis uit betamelijkheid verdieneu, of enkel door
smeekingen verl1.rijgen, of door voldoeningen bekomen. - :i\Ien
wezc hier indachtig hoe een verdienstig werk van eene smeeking en van eene voldoening verschilt : de verdienstelijkheid
rust op de weenligheid van het werk om loon te l.Jelwmen; de
smeeking op de onderwerping van dengene die vmagt en de
goedheid van den persoon van wien hij iets vraagt; en devoldoening op de vergoeding van het aangedaan ongelijk.

�1280 ·

VIJFDE DEF.:L. -

39sto LES, 9d~ -VR.

4. En hoe is God uit rechtveerdigheirl verplicht, ons den
eeuwigenloon en de glorie des hemels te geven1 Volgens zijne
belofle, 't is te zeggen, omdat Hij het ons beloofd heeft; en
belofte maakt schuld, gelijk het spreekwoord leert. Hoe Christus
ons den hemel voor onze goede werken beloofd heeft, blijkt heel
klaar uit de Acht Zaligheden en uit menigvuldige andere plaatsen
van het Nieuwe Testament, waar de hemel zeer duidelijk als
loon der goede werken is voorgesteld.
5. Maar indien God de bovennatuurlijke orde, niet ingesteld,
en bijgevolg ons den hemel als loon niet beloofd had, zoude
Hij niet gehouden geweest zijn, ons den hemel te geven 1 Hij
moest ons wei eenig geluk als loon geven, maar Hij :was op
geener wijze verplicht ons het overgroot geluk des hemels te
verleenen, daar dit geluk geheel bovennatuurlijk is, aan God
alleen uit natuurlijk recht toekomt, en zoo aan niet een schepsel uit natuurlijk recht eenigszins behoort.
6. Maar hoe l;:an God verplicht zijn ons volgens zijne belofte.
·den hemel als loon te geven; is Hij niet geheel en gansch onafhankelijk, en derhalve niet vrij van aile verplichting1 Hij is
voorzeker geheel onafhankelijk van aile andere wezens, en
daarom kunnen de engelen of de menschen Hem geene wetten
steilen; maar Hij is niet onafhankelijk van zijne volmaaktheid;
en gelijk zijne volmaaktheid Hem belet te zondigen, zoo belet
zij Hem ook den loon, dien Hij beloofd heeft, niet te geven.
I

9. V .. Waaruit ltebben onze werken de kracht om den
lzernel te verdienen?
A. Uit de verdiensten van Jezus Christus en de goddelijke beloften:
I. In de voorgaande vraag hebben wij geleerd, dat wij door

onze goed? werken waarlijk uit rechtveerdigheid vermeerdering der heiligmakende gratie, de hemelsche glorie en ver-

�VIJFDE DEEL. -

39stc LES, g~e VR.

1287

meerdering derzelve kunnen verdienen; nu zal de Catechismus
ons zeggen, hoe onze goede werl{en weerde of kracht hebben
om dat te verdienen. lT'aaruit, zegt hij, hebben onze goede
werlten de kracht om den hemel te verdienen; dat is,
hebben onze goede werken, die in staat van gratie gedaan
zijn en bovennatuurlijk zijn, de kracht van den hemel te verdienen uit zich zelven, dat is uit de weerdigheid en de vermogens der menschelijke natuur, ofwel uit eene andere oorzaak
en uit dewelke1
•
2. Hij antwoordt dat zij die kracht hebben uit de verdiensten
van Jezus Ch;·istus en de goddelijlw beloflen; bet is dan niet,
uit onze eigene weerdigheid of uit de vermogens onzer natuur,
maar uit twee andere oorzaken, te weten, uit de verdiensten
van Christus, en uit de goddelijke beloften, well;:e te zamen die
kracht aan onze werken geven.
3. Hoe ]{rijgen nu onze werken die kracht uit de verdiensten
van Christus; beteekent die uitdrukking, dat Christus' verdiensten ons toegeschreven worden, ofwel dat wij door Christus'
verdiensten iets verkrijgen, waardoor onze werken weerdig
worden tot den hemelschen loon~ Zij heeft de tweede beteekenis : zij druid uit dat wij door Christus' verdiensten (dat is
door hetgeen Hij in zijn lijden en zijne dood verdiend heeft)
bovennatuurlijke hoedanigheden en krachten bekomen, waardoor onze werken 'weerdig worden eenen bovennatuurlijken
loon, gelijk de hemel is, te ontvangen; en die bovennatuurlijke
krachten zijn de heiligmakende en de dadelijke gratii:in, door
dewelke wij de aangenome kinderen Gods zijn en als kinderen
Gods kunnen werken. Door dieweerdigheid en door die krachten
van aangenomene kinderen Gods kunnen ongetwijfeld onze
werken weerdig zijn de goddelijke erfenis te bekomen als loon.
4. Hebben onze goede werken, alleen uit de gratie ons door
Christus bekomen, de kracht om den heme! te verdienen'
Neen; daarenboven zijn er nog vereischt de goddelijke beloften;

�1288

VIJFDE DEE!,. -

39810 J.ES, gdc YR.

of in andere \VOorden. boven de weerdigheid. die. van de gratie
komt, zijn er, opdat wij den llemel zouden kunnen verdienen,
nog de goddelijli.e heloften noorlig. - En waarom hebben onze
werken alleen nit de gratie die l;:racllt niet~ Uit de gratie zijn
zij wel weerdig eenen howmnatuurlijken loon te belwm~n. maar
zij geven daarom geen recht op zull;:en of zulken bepaalden loon :
God J;:an ons immers op verscllillige wijzen loonen; en daaruit
blijkl bet klaar. rlat onze werken geene kracht lmnnen hebben
om den heme! te verdienen, zonder de belofLe door God gedaan
"
van ons den heme! als belooning voor die werken te geven.
5. 'Vanneer eene van doze twee vool'\\·aarden ontbreekt,
kan e1' geene verdienstelijl;:heid uit rechtveenligheid meer bestaan; maar er kan verdienstelijkheid uit IJelamelijkheid zijn,
en doze zal zelfs onfaalbaar wezen, indien er voor hot work
eene goddelijke belofte bestaat. Zoo, bij voorbeeld, kan niemand
de vergiffenis zijner doodzonden uit reclltveerdigheid verdiene.n,
aangezien de werken van eenen mensch, die de vijand van God
is, geen rech t kunnen geven om van God beloond te woruen;
maar a is men door Gods gratie zich van den staat van uoodzonde
bekeert en eon volmaakt berouw heeft, verdient men uit belamelijkheid, dat God voor zulke eene bekeering vergifl'enis geve,
en men zal- ze op eene onfaalbare wijze bekomen, daar God
belooftl heeft ze voor zulk eon IJerouw te geven.
G. l\ien be1nerke llier ten slotte, dat wij voor den naaste door
goode werken voor hem gedaan, lnmnen verdienen al hetgene
wij voor ons zelven verdienen kunnen, en zelfs nog iets moor,
namelijk de eerste gratie, die eon menscll voor zich zelven
geenszins kan verdienen, daar onze natuurlijke werken geenen
bove1matuurlijken loon kunnen bekomen. Edoch wij kunnen
voor hem Jlief; uit rechtveerdigheid maar slechts uit betamelijkheid iets verrlienen, namelijk uit hoofde onzer ''riendschap met
God; en zelfs wij lmnnen voor hem op geene onfaalbare wijze
uit betamelijkheid iets verdienen; en de reden van beide deze

�VIJFDE DEEI,, - · 39ste I,ES, JQdo \'R.

1289

stellingen is, dat God nooit beloofd heeft onze verdienstelijlw
\verken, ten profijte van den naasie gedaan, hem Yoorzeker toe
te passen of ze aan te nemen.

10. V. lVelke zijn de vrucllten des Ileiligen Geestes?
A. Deze twr.::tlf, die de H. Geest, in ons komeride,
uitwerkt; te weten : liefde, blijdschap, vrede, verdulcligheid, goedertierenheid, goedheid, lankmoedigheid, •zachtmoedigheid, getrouwigheid, zeegbaarheid, eerbaarheid,_ reinigheid. ·
l. De Catechismus zal ons bier van de d~1·de bijzondere 1\las

van goede werl;:en spreken, te weten, van de vruchten des
H. Geestes.
\Vat wordt er verst.:'lan door m·ucltlen -van den II. Geesl?
Het zijl_l_ goede werken, door den I-1. Geest in ons tewceg ge_bl'aclif. die eenige zoetigheid en aangenaamheid medebrengen,
en die den goeden geur der deugu rond zich verspreiden en een
bewijs zijn der inwemlige goddelijke werking. - Die de
II. Geesl, in ons komende, uilwe;·lll, dat is, die God de Yader,
God de Zoon en God de H. Geest do01· de heiligmakende en door
de dadelijke gmtie in ons lwmende en wonenrle, tewecg brengen; maar deze werking Gods word t aan den H. Geest toegeschreven, omdat zij uit de liefde Gods voorlkoml, en dat aile
liefllewerl.:en van God aan den H. Gcest toegeschrevcn worden.
- En van waar komt de naam van rnwhlen; waarom wonlen
die werli.en vl·uclzten geheelen? Zij worden zoo genocnul om
bunne gelijkenis met de natuurlijke vruchlen. Door ~:;ouchten
verstaan wij eigenlijk de laatste voorlbrengsels eener plant, tot
clewell.:e al de krachten der plant en al hare andere voort- brengsels, zooals bladeren en bloemen, geschikt zijn; en deze
laatste voortbrengsels bebben als eigendom dat zij, aangezien

�1290

VJJFDE DEEL. -

3981e LES, JQdO VR.

zij bet laatste of de voltrekl\ing van gebeel de werking der plant
zijn, zel\ere aangenaamheid, zel\ere zoetigheid, zekere blijdschap medebrengen, dat zij tot spijs en onderstand van anderen
dienen, en een bewijs zijn van het leven der plant. Welnu, die
werken, wellte Vl'twhten des Jl. Geestes genoemd ;worden, zijn
bet Iaatste voortbrengsel der wet•lting van den II. Geest in ons,
zij maken het leven aangenaam en zoet, zij dieuen tot stichting,
tot geestelijk voedsel van een' ieder, en zijn een bewijs dat wij
voor God leven en dat de H. Geest in ons werkt~ - en daarom
dragen zij den uaam van vruchten des H. Geestes. (Over de werking van den H·. Geest in ons, zie Udo les.)
2. Wellw zijn nu de vruchten des H. Geestes 1 De Catechismus noemt er twaalf- Zijn er alleenlijk twaalf? Er zijn buiten
deze twa:alf nog andere werken, die vruchten des H. Geestes
zouden mogen geuoemd worden; maar men stelt gewoonlijk
maar deze ~waalf vruchten voor, omdat zij aileen in de
H. Scl1riftuur genoemd worden, en dat zij verre uit cle bijzon- ·
derste zijn.
a: Is er eenige orde te vinden in de twaalf vruchten Yan den
H. Geest~ Ja; wij vinclen er zelfs eene volmaakte orcle in; want
door die twaalf werken gedragen wij ons volmaaktelijk jegens
God, die boven ons is, jegens den evennaaste, die aan OilS gelijk
is, en jegens ons eigen lichaam, dat onder OilS is. Jegens God
gedragen wij ons volmaaktelijk door de lie(de, de blijdschap,
den vrede, de vei·d~tldigheid en de lankmoedigheid; jegens den
evennaaste door de goedheid, de goedertie1·enlwid, de zachtmoecli'gheid, de gel1·ouwiglieicl; en jegens ons eigen lichaam
door de zeegbaadteid, de eerbaarheid en de reiniglteid.
Wat den dienst van God betreft, wij moeten Hem vooreerst
uit geheel ons hert beminnen, of in andere woorden, de liefde
Gods bekleedt in dien dienst de eerste plaats. Uit de liefde Gods
vloeit noodzakelijk de blijdscltap; want &lt;le blijdschap komt
voort uit bet bezitten van hetgene men begeert, en zoo brengt

�VIJFDE DEEL. -

1291

3!)St•l LES, JOdO VR.

de liefde altUd blijdschap mede, daar zij ons met een wezen, dat
wij als goed aanzien, vereenigt : die zich vereenigd vindt met
God, die het opperste goed is, moet noodzakelijk zeer gelukkig
zijn. Nu, opdat de liefde Gods en de blijdschap, die uit de liefde
vloeit, zouden volmaakt wezen. is de m·ede des herten (d. i. de
vergenoegdheid met hetgene men heeft) noodig. Men hezit dien
m·ecle, als men zich niet laat storen door de moeilijkheden die
ons omringen, en als men zich niet been en weer laat trekken
door allerhande lusten en begeerlen; welnu, men verstaat gemakkelijk dat Qe liefde Gods en de blijdschap, die uit deze liefde
moet vloeien, niet mogelijk zijn, indien wU den vrecle niet bezitten : de vereeniging- met bet opperste goed moet ons immers
alle uitwendige moeilijkheden doen verachten, en aile begeerten van goed, dat tot God niet leidt. doen verwerpen. Eindelijk,
om den vrede te bezitten, om namelijk niet gestoord te worden
door de moeilijkheden die ons omringen, moeten wij 1:ercluldig
zijn, dat is, met onderwerping al het ·kwaad lijden dat ons overkomt; alsook lankmoedig wezen, dat is, met onderwerping den
uitstel van de goddelijke hulp of belooning verdragen.
Om volmaaktelijk te handelen jegens den even mensch, is er
vooreerst de goedheid vereischt, 't is te zeggen, men moet eerst
en vooral hem goed willen. 'l'en tweede, men moet limn goed
doen,:of.het goed, dat men hem wil, uitvoeren; 'twelk de goede1·lie1·enheid uitmaakt. Ten derde, als hij ons kw~'td doet,
moeten wij zacht met hem t3 werk gaan, en ons wachten hem
onrcdelijk kwaad te willen of ons tegen hem onredelijk te
vergrammen; waarin de zachtmoedigheid bestaal. Ten vierde,
men mag hem nooit, zelfs als hij ons ongelijk aangedaan heeft,
noch door woorden noch door werken bedriegen; 'igeen gell·ouwiglwid genoemd wordt. De twee eerste werken bevatten
hetgene wij voor den naaste moe ten doen; en de twee laatste;
wat wU zonderling te zijnen opzichte moeten Iaten.
Om ons volmaaktelijk te gedragen ten opzichte van ons eigen
Ul

�)292

YIJFDE DEEL. -

39 51" LES, AANMERIL

lichaaru, moeten wij vooreerst in ge.heel onze levenswijze, in bet
versieren van ons lichaam en van onze woonst, in onze manier
van sprelien en werken zoo handelen, dat wij de maat, door de
deugd, door de rede, door onzen staat, door de omstandigheden
daarover voorgeschreven, niet te buiten gaan; en dit is de zeegbam·lzeid. Daarbij moeten wij aile wereldsche dingen, zooals
vermaken, vergaderingen, handelwijzen, gesprekken, enz., vermijden, welke ons tot de vleeschelijke wellusten, tot: die van het
eten en drinken en tot allerlei wereldsche geneugten, op eene
ongeregelde wijze aanlokken; 'en dit maakt de e~rbaarheid uit.
Eindelijk moeten wjj met de grootste zorg alle ongeoorloofde
vleescbelijlie wellusten vluchten om derwijze (door onze zuiverheid ;;tan de Engelen gelijk te worden; en dit wordt de ~·einigheid
genoemd.
4. Wat verschil is erdan tusschen de vruchten van:den H. Geest,
en de deugden, de evangelische raden en de acht zaligheden? Zij
verschillen hierin van de deugden, dat zij geene genegenheden
der ziel tot bet goed, maar goede werken~zijn; van de evange, lische raden en van de acht zaligheden, dat zij slechts als eigendom hebben eenige zoetigheid en stichting mede te brengen en
een bewijs te geven van bet inwendig geestelijk Ieven, terwijl de
evangelische · raden de hoogste volmaaktheid uitmaken, en de
acht zaligheden eene bijzondere belofte van zaligheid~ontvangen
hebben van Christus.
A~merkingcn. 1° In het oefenen der deugden zullen wij ons zonderling op de ootmoedigheid toeleggen, aangezien deze deugd den
weg baant aan al de andere, met het hoofdbeletsel van een heilig Ieven, namelijk de hooveerdigheid, te doen verdwijnen; en om ons
te beijveren tot het aanwinnen van die deugd, laat ons wei dele~­
ring overwegen die de H. Paulus in zijnen Brief tot de Philip..piers er over geeft. Zijt ootmoedig, schrijft hij hun, en acht u de
een den anderen voortreffelijker dan u zelven. En om hen daartoe op te wekken, stelt hij hun voor, hoe ootmoedig Jezus

�VIJFDE DEEL. -

39 516 LES, AAN~IERK.

1293

Christus, de Zoon Gods mensch geworden, geweest is en welken
overgrooten loon Hij voor zijne ootmoeuigheid heeft bekomen.
- Jezus Christus, zegt Paulus, was God en Hij wist bijgevolg dat
Hij, alhoewel de menschelijke naLuur aangenomen hebbende,
zich als God met wmtrheid mocht uitgeven, of in andere woorden, dat Hij zijne goddelijke weerdigheid door buitengewone
tee ken en gedurig mocht doen ui lschijnen, en zoo aan een'ieder
doen zie:n, dat Hij niet enkel tle menschelijke natuur bezat, maar
de Zoon Gods ~was. Euoch die eer en die glorie heefL Hij niet
gezocht : Hij heefL zijne goddelijke weerdigheid niet gedurig
doen uitschijnen; integemleel Hij heeft in geheel zijn uiterlijk
voorkomen altijd geleefd als ware Hij enkel een menscll geweest; en na uie gesladige overgrooie ootmoedigheid gr.dureude
zijn sterfelijk leven, heeft Hij zich in zijn lijden ten diepste vernederd, met vrijwillig uit gehoorzaamheid de uood, die zoo
beschamende straf der zonde, en zelfs de schandelijkste dood
mogelijk, de dood des kruises, die de slraf was der slaven en der
groolste misdadigers, aan te nemen. Maar om deze onmeetbare
ootmoedigheid lweft Hij eenen overgrooten loon ontvangen : die
goddelijke eer, die Hij zelf niet gezocht had op aarde, heeft God
Hem op de uitslekendste wijze gegeven : God heefl immers Jezus
na zijne dood uit zijn graf glorierijk doen opstaan, en Hem z66
eenen naam gegeven, die boven alle namen is, want Hij. heeft
dam·door ve•·klaard dat Jezus wezenlijk God is, gelijk Jezus het
in ·zijn lev en bevesligd had; Hij heeft Hem doen zetelen aau zijne
rechter hand in den hemel, en Hem derwijze als God doen aanbidden in den hemel, op de aarde en ontler de aarde. - Door
het voorstellen van dit voorbeeld, zegt Paulus stilzwijgenderwijze aan de Philippiers : wilt gij, gelijk Jezus, uwe eer op
aarde zonder reden niet zoeken, wilt gij ten volle ootmoedig
zijn, wilt gij tot in het aanveerden der uood toe aan God gehoor- ·
zaam zijn, gU zult deelachtig wot•oen in dien loon van Jezus.
God zal ook u eenen naam geven, die boven al de uamen der

�1294

VJJFDE DEE! .. -

39 8~; LES, AAN:UER!i.

geschapene weiens is, Hij zal namelijk in het laatste oordeel aan
al de Engelen en aan al &lt;~e menschen openbaren dat ~dj zijne
· aangenomene kinderen zijt, u aan zijne eigene glorie deelachtig
mal;:en, en u tot in der eeuwigheid door al de Heiligen en al de
Engelen als zijne aangenomene kinderen doen eeren en love11. Hieruit blijkt heel klaar dat, hoe ootmoediger wij zijn op am·de,
hoe hooger wij in glorie zullen verheven worden in den heme!;
dat hoe dieper wij ons bier door de ootmoedigheid Yernede~:en,
hoe hooge~ •vij in den heme! klimmen. WaL dwaasheid is het
dan niet de wereldsche eer,.die maar een schijn van cer is en
slechts een oogenblik duurt, nate loopen, en niet te trachten door
d~ ootmoedigheid, door de onderwerping en de gehoorzaamheid,
de hemelsche glorie, die eene deelneming is in de glorie van
God en eeuwig zal duren, dagelijks meer en meer te verdienen.
2° Alle goed werk, als het met de vereischLe voorwaarden
geschiedt, heeft kracht om eeue gunst afte smeeken, om te voldoen voor de straffen der zonde, en om loon te verdienen. Het
lleeft kracht om eene gunst af te smeeken, uit hoofde der onderwerping van dengene die het goed werk verricht; om te voldoen
voor de stralfen der zonde, om reden van den arbeid en den last,
die zulk ee"n werk natuurlijk medebrengt; en om te verdienen,
uit hoofde van de eer die er God door bewezen wordt. Al deze
vruchten van een goed we1·k, kunnen wij aan den 11aastc afstaan,
bij uitzondering van de vermeerdering der heiligmakende gra- ,
tie en der hemelsche glorie, die wij door ieder goed werk in
staat van gratie en met geest van Geloof gedaan uit rechtveerdigheid verdienen. Geheel de kracht dus welke een goed werk
heeft om iets van God af te smeeken, om te voldo~n, om iets ·
uit beLamelijkheid te verdienen, kunnen wij aan den naaste
toepassen en gebruiken om voor hem iels af te smeeken, om
voor hem te voldoen, om voor hem iets uit betamelijkheid te verdienen. En dit is zeer natuurlijk, aangezien wij hetzelfde onder
de menschen zien geschieden : dikwijls immers vereert men

�VIJFDI·: Dli:EI•• -

39ste I.ES, AANMERK.

1295

iemand om dam·door eene gunst ar te sll_leeken voor een' ander;
or om voor een' ander te voldoen, or om iets voor een' ander
eenigszins te verdienen. De vermeerdering van de heiligmakende
gratie en van de eeuwige glorie J;.an niet afgestaan worden, daar
God een' ieder juist volgens zijne verdiensten willoonen.- :Men
bemerl;.e dat men, als men bij voorbeeld de H. Communle voor
iemand opdraagt, de gratie, die de H. Comnmnie al~ Sacrament
door zich zelve geeft, geenszins J;.an afstaan : die gratie is gansch
persoonlijk en client slechts voor dengene die tot de H. Tafel
nadert, gelijk de lichamelijke spijs slechts dezen en dezen alleen,
die z~ mitten, voedt en versterkt. Maar de H. Communie ontvangen is ook een goed werl;., en als goerl werk heeft bet de
krachl om iets af te smeeken, om te voldoen voor de zonden en
om iet.s te verdienen. ·welnu, be halve de vermeerdering van heiligmakende gratie en van eeuwige glode, die dat werk uit
rechtveenligheid verdient, ltan al helgene wij er bij wijze van
smeeldng door kunnen bel;.omen, geheel de voldoening die het
bevat, en al hetgene wij er uit betamelijkheid kunnen door
verdienen, aan anderen toegepast worden.
3° Het profijt, dat ieder goed werk ons doet, is onmeetbaar
groot; bet gaat oneindig tc boven alle aardschc goede1·en, die de
mensch door welken arbeid ook, zoowel van ziel of vanlichaam
lmn verclienell; want wat grooter goed kunnen wij ons verwerven, dan de kwijtschelding der schril;.kelijli.e pijnen des vagevuw·s,
de vergiiTenis der dagelijksche zonden, die ons tot de pijnen des
vagevuurs verbinden, en de vermeerdering der heiligmal;.ende
gratie en der hemolsche glorie! Overdenken wij ernstig welke
wcerdeeen graatl glorie heert, die gedurende geheel de eeuwigheid ons geluk moeL vermem·tlercn. - Indien dus bet profijt der
goede werkeu zoo groot is, laat ·ous aile middelen gebruili.en, om
vele goede wm:ken te doen, en derwijzc gedurig aan die groote
voordeelen deelachtig te worden. Aanschouwen wij wat de menschell tler wereld doen, om een weinig geld dat. zoo veel kom-

�1296

VIJFDE DEEL. -

39stc LES, AANMERK.

mer bijbrengt en als een rook verdwijnt, te verdienen, en
leeren wij door hun voorbeeld, wat wij moeten doen om de hemelsche schatten, die wij door het Geloof weten oneindig aile
goederen dezer wereld te overtreffen en eeuwig te moeten duren, aan te winnen. - Dam·omleggen wij ons niel alleenlijk toe,
om goede werken te doen, die uit hunne natuur goetle werken
zijn, zooals : bidden, vasten, aalmoezen doen, leedwezen hebben;
maar zorgen wij ook om van al onze werken, die uit hunne
natuur onverschillig zijn, goetle werken te makef•, met ze namelijk te verrichten om eene reden die op !let Geloof gesteund
is, zooals om God te eeren, om den allerheiligsten en allervolmaaktsten wil Gods te volbrengen, om ~len heme! te verdienen,
om te voldoen voor onze zonden, om Gods hulp en bijsta.nd te
bekomen, om God in den persoon van den naaste, die Iiet aH.ngenomen kind Gods is of tenminste geroepen is om het te worden,
te dienen, enz. Dragen wij ten minste des morgens al onze werken aan God op; maar dat wij daarmetle niet vei'genoegd wezen :
vernieuwen wij dikwijls die opdracht gedurende den dag; zelfs
als het mogelijk is, doen wij die vemieuwing voor ieder groot
werk in 't bijzonder. Hoe dikwijler wij dat voornemen vernieuwen, hoe zekerder onze werl\en goed en verdienstelijk zijn.
Daarom is het zoo nuttig al onze bijzonderste werken, volgens
het gemeen gebruik der Christenen, met het gebed often minste
met het teeken des H. Kruis te beginnen.
4. Wat de ingestorte deugden beti·eft, het is waarschijnlijk
dat bij het ontvangen van ieder Sacrament die deugden zonderling vermeerderd worden welke met het einde, waartoe ieder
Sacrament bestemd is, meest overeenkomen. - Aangaande dit
punt moeten wij ons herinneren dat de H. Communie tot voedsel dient van het !even der gratie en bijgevolg ook van de ingestorte deugden, en dat zij in onze ziel overvloedige gratie do~r
haar zelve instort, op voorwaarde dat wij wel genoeg gesteld zijn om die gratii~n te bekomen. Hiet·om zouden wij behoo-

�VUFDE DEEL. -

40 810 LES, INHOUD.

1297

ren, ieder maal dat wij tot de H. Tafel naderen, het inzicht te
hebben, van door de H. Communie in die deugd, op dewelke wij
ons voor het oogenblik zonderling toeleggen, op eene bijzo~dere
wijze versterkt te worden. Legden wij ons gedurig op de eene
of de andere deugd toe, en deden wij ondertusschen onze Com;
munHin om in die bijzondere deugd versterl;;t te worden, ons
Ieven zoude welhaast geheel veranderd wezen. De gedurige beijvering om zich in eene bijzondere deugd te oefenen, is het zaad
der volmaaktheirl, en de H. Communie met het inzicht gedaan
van in die deu'gd versterkt te worden, geeft aan dit zaad eene
hemelsche vruchtbaarheid.

VEERTIGS'rE LES.
Van de werken van bermhertigheid.
Inliontl. ~ Dczc lcs is de uitlcgging ''an de \'ijfde dcr acht zalighcdcn, welkc
zoo luidt : « Zalig :.ijn de bcrmllcrtigcn, want zij zullen bermhertigheid verwerven. , - De Catechismus spreekt op eene bijzondcre wijze van deze werken, omtlat zij, gclijk Christus het ons geleerd heeft, zoo gewichti~ zijn voor
onzc zaligmaking, en zoo vcrdicnstelijk in de oogen van God.
Er zijn in deu: lcs drij hoofddeelen :
I. In het ecrsle dec!, 'twclk uit de ccrste vraag bestaat, lecrt de Catechismus ons, wat werken van bermhertigheid zijn, en in zijn antwoord op deze
vraag, seeft hij ons te kenncn, dat dczc wcrken in licllamelijkc en gccstelijkc
werken van bermhcrtigheid vcrdccld worden, volgcns dat zij dicnen om den
mensch in zijncn Iichamclijken of in zijncn geestclijken nood bij tc staan.
II. fn het twecde dee!, dat zich van de twccde tot de zesde vraag uilstrckt,
sprcekt hij van de lichamclijke werken vall bermhertigheid.
a) In de twecdc vraag nocmt hij die wcrkcn op.
b) In de dcrde vraag spreckt hij ons over de vcrplichting van die wcrkcn van
IJcrmherligheid; hij handclt over de verplichting der aalmocs, in welke al de
bijzomlerslc Iichamclijkc werken van bermhcrtighcid bcsloten liggen, vragende:
is men somtijds schuldig armc menschen aalmoe~en te geven.

�1298

VIJFDE DEEL. -

40sto LES, 1ste VR.

c) In de vicrde en in de vijfue vraag, onderwij~t hij on~ over de verdiensten
der werken van hermbertigbeid; in de vierde vraag zegt bij, u;aiwccr de WCI'kell van bermltel'liglieid a/lcrmcest verdienstig zijn; en in de ''ijf•le, wal loon
men mag VCTIIJaCIIICII VOOI' de werkcll der IJerrnfler/ig/tcid.
d) Nopens hcl laatste werk van hcrmhertigheid handelt bij over liel bcgraven
der licltamcn van de Christen ell in de kerken of op gcwijclc plaatscn; en bij
vr,mgl, iva arom dit gcscbicdt.
Ill. In bet derde dee!, 'twclk zicb uitstrckt van de zcvcnlic tot de ticnde
vraag, handel! hij van de geestelijkc 1verken van bermlierliglicid.
a) In de ze\'endc vraag noeml hij die werkcn op.
b) In de drij volgende vragen gcefl bij bijzondere uitlcggi.1g over bet eerste,
bet twcedc, bet d01·de en bet zcvende van die werken. In de acbtstc vraag,
zegt l1ij, wien ltet meest tocs/aat de ::ondaars tc s/raflim en lc onderwijzen,.
in de negende, voor wic wij zul/cn bidden; en in de ticnde, wat ougelijk wij
11it bcrmhcrtigheid moclc11 vergeven.

l. V. TYat zijn we1·ken van bermhe1·ti'glwid?

A. Deugden, door dewelke wij andere menschen m
hunnen lichamelijk.en of geestelijk.en nood uit hermhertigheid bijstaan.
l. De Catechismus, over de werken van bermhertigheid han-

delende, begint met te vragen, waarin die werken eigenlijk bestaan, of wat zij zijn.
2. In zijn antwoord leert hij ons : a) dat zij deugden, dat is,
deugdelijke werken zijn; b) uit welke daad die werken besta~n;
en c) om welke reden zij gedaan worden.
3. Uit welke daad bestaan die we;·ken? Door die werken,
zegt de Catechismus, staan wiJ andere menschen in hunnen
lichamelijken o(geestelijken noocl bij. Bijstaan, dat is, llelpen,
ondersteunen.- En wie staau wij door die werken bij? Andere
menschen; de werken van bermhertigheid geschiedeu dan niet
jegens ons zelve~, maar jegens anderen; niet jegens alle andere

�VJJFDE DEEL. -

4Qsta J,ES, JS!o VR.

1299

wezens, niet bij voorbeeld, jegens God, jegens de Engelen, jegens
de rede\ooze schepselen, maar jegens de andere menscben. Edocll
men merl&lt;e wel op, dat er hier geene menschen uitgezonderd
worden, en dat bijgevolg die uitdrukking" ande1·e mensclten, ··
al de menscllen insluit die onze naaste zijn, de Heiligen nogtans
uitgezonderd, daar deze geene hulp van ons kunnen ontvangen.
De zielen des vagevuurs zijn dus hierontler begrepen; daar zij
onze naasle zijn en door ons geholpen kunnen worden; maar
niet de verdoemden, aangezien deze onze naaste niet zijn. en
daarenboven van ons geene hulp kunnen ontvangen. - En
• waarin staan wij de andere menschen bij door die werken 1 In
hun.nen licltameliJ!wn of geesteliJken nood; 'tis te zeggen, als
zij in hun lichaam of in hunne ziel lijden of op het punt zijn van
te lijden, en door hen zelven zich van dal lijden of van dat gevaar volstrekt niel kunnen, of ten minste zonder groote moeite
niet kunnen verlossen. Konden zij door hen zelven zich van bet
kwaad gemakkelijk verlossen of het door hen 7.elven gemakkelijl;: ontgaan, 7.ij zouden voorzeke1· in geenen nood verkeeren.
Door den lichamelijlwn nood of ltet lijden in ltet lichaam verstaat men het lijden in de uitwendige goederen van den mensch,
te weteu, in zijn Ieven en in zijne ge7.ondheid, in zijne tijdelijke
goederen, in zijne eer en faam. Door den geestelijlwn nood of
het li.Jden in de ziel, verstaat men het lijden in de zaken, die de
heiligmaliing der ziel aangaan.
4. Eindelijk, uit welke ?'eden moeten de werken van ber·mhertigheid gedaan wo1·den? Uit be?·mhe1·tigheid, zegt de Catechismus, dat is, uit medelijden. uit meMoogende liefde, omdat wij
lijden door een anderen me1~sch te zien lijden, omdat wij zijn
lijden als het onze aanzien en hem daarom willen bijstaan. Bijgevolg, hielp men iemand die in nood is, alleenlijk omdat men om
de eene of de andere bijzondere reden van rechtveerdigheid verplicht is dien mensch behulpzaam te zijn, men zou geen werk
van bermhertigheid doen. Om een werk van bermhertigheid te

�1300

VIJFDE DEEL. -

40 510 LES, 2de YR.

hebben. moet de daad uit de gezegde reden voortspruiten. Dat
is echter niet te zeggen. dat die reden met geene andere, gelijk
bij voorbeeld, met die der recbtveerdigheld mag gepaard gaan,
maar wei dat zij altijd moet aanwezig zijn.

2: V. Hoeveel lichamelijke werken van be1"tnhertiglleid zij n er?
A. Zeven, te weten _: I. De hongerigen spijzen. 2. De
dorstigen Javen. 3. De naa~den kle~den. 4. De
vt'eemdelingen herbergen. 5. De zieken bezoeken.
6. De gevangenen verlossen. 7. De dooden begraven.
1. De Catecbismus begint bier te spreken van de lichamelijke
werken van bermhertigbeid. Hij zegt ons eerst en vooral, hoeveel er van die werken zijn.
2. In zijn antwoord leert bij ons, dat er zeven zijn, en hij
noemt ze ons op.
De hongerigen spijzen, dat is, degenen aan wie het voedsel
ontbreekt, voedsel verschatfen. - De dorstigen laven, dat is,
degenen die door den dorst gekwollen zijn, 't zij door gebrek aan
middelen om drank te bekomen, 't zij door ziekte of krankheid,
drank verscbatfen. - De naakten ldeeden, dat is, degenen die
zicb niet beboorlijk kunnen kleeden, of zich tegen de koude; de
warmte en de natbeid niet genoeg kunnen bevrijden, voldoende
kleederen, voldoende deksel en allerhande middelen van verwarming en bescbutting bezorgen.- De vreemdelingen herbergen,
dat is, degenen die op reis zijn en geene scbuilplaats hebben, een
verblijf verscbatfen, waar zij kunnen rusten en vernachten.
Nogtans, in bet oefenen van dit werk van bermhertigheid, is er
bescbeidenbeid en voorzichtigheid noodig, om geene kwaaddoeners als reizigers aan te nemen. Onder dit werk moet ook nog
verstaan worden, menschen die zonder plaats of ambt zijn aan-

�YI.JFDE DEEL. -

4.Qsto J.~S,

2&lt;1° YR.

1301

nemen, en hun eene phiats of ambt bezorgen. - De zieken bezoeken, dat is, arme of rijke zieken bijstaan, oppassen, hun
geven wat zij i10odig hebben, hen vertroosten en opwel&lt;ken; en.
oak nag blinden, Io·eupelen en stommen, enz., omlerstcuneu e~
helpen. -De gcrangencn vedossen, dat is, niet degenen die
door ecn rechtveerdig vonnis gevangen zitten of anders gestraft zijn, maar degenen die, 't zij om het Geloof, 't zij om
eene andere dengd, of om eene andere onrechtveerdige reden
gestraft of vervolgd of verdrul&lt;t worden, door voorspraak en
allerhande wdtige middelen trachten te verlossen, te verdedigen en te heschcrmen.- De dooden bcg1·aven; fleze woorden
druld&lt;en uit al de werken die van ee1.1e behoorlijke begraving
ileel maken; zooals, de lichamen der afgestorvenen gaan groeten
of bewaken. eene doodl\ist en al wat e~· tot de begrafenis vereischt wordL bezorgen, de dooden in de kist leggen, ze naar de
k;erk brengen of den lijkstoet vergezellen, de diensten die voor
de dooden gedaan wordeil bijwonen, enz.
3. Is er onder deze opgenoemde werken eenige orde~ Ja; de
vier eerste hebhen betrek op de vier algemeene behoeften, die
het menschelijk Ieven gedurig vergezellen, te weten : de behoefte
van eten, van ([i•inlwn, van kleeding en van waning. De drij
l&amp;atste integendeel, hebben betrekking op drij bijzondere noodwemligheclen, te weten : op de ziellte, op de gevangenschap, en
op de dood.
4. Het verdient onze aandacht dat de aalmoes onder de lichamelijke werken van bermlierLigheicl hier niet genoemd wordt;
en de reden hiervan is, dat de aalmoes altijd dient om den naaste
in de eene of de andere van de zeven gemelde noodwendigheden
bij te staan.- 1-Iet begraven der· dooden, alhoewel een dood
lichaam onze naaste niet is,- maakt nogtans ee~verk van bermhertigheid uit; en dit is hierop gesteund, dat de overledene
door zijne eer en faam op aarde nag leeft, en dat bijgevolg de
eer of de oneer zijn lichaam aangedaan, hem zelven aangaat; dit

�1302

VIJFDE DEEI•. -

40 810 LES, 3'18 YR.

lichaam immers, daar het deel gemaakt heeft van den overladen
persoon en door de verrijzenis opnieuw tot hem moet toebehooren, blijft, velgens het gedacht van allen, in de nauwste verbinteriis met hem.

3. V. Is nwn smnti)cls sckulcli'g a1·1ne menschen aalmoezen te geven?
A. Ja, als zij in den uitersten of in grooten noocl zijn,

en wij hen helpen kunnen.
l. De Catecbismus, na ons de licbamelijke werken van berm-

bertigheid te bebben leeren kennen, zal ons nu spreh:en over de
noodzakelijl;.heid van die· werken te doen. Hij naagt, of men
somti}ds schuldig is anne menschen aalmoezen te geven, dat
is, of men in sommige gev~llen op zonde verplicht is aan arme
menschen aalrpoezen te geven. Hij spreekt alleenlijk van de
aalmoes, omdat zij bet gemeenste der lichamelijl;.e werken van
bermbertigheid is, en datal die werken onder haren naam verstaan worden, daar zij altijd tot een van die werken dient.
2. In zijn antwoord leert bij ons twee dingen : a) dat wij
somtijds verplicht zijn aalmoezen te doen; en b) wanneer wij
daartoe verplicht zijn.
Wanneer zijn wij verplicht aalmoezen te geven aan de arme
menscben 1 Als deze twee. voorwaarden te zamen vervuld zijn,
te weten: a) als zij in den uitersten of in g,•ooten noocl zijn,
en b) wij hen helpen kunnen.
·

Als z(j in den uite1·sten of in grooten nood zi,jn. In clen
uitersten nood; dat is, als er, indien wij ze niet helpen, wezenlijk gevaar is dat zij van gebrek zouden sterven, of een verlies
zoqden onqergaan 'twelk met de dood werkelijk mag vergeleken
worden. -In grooten nood; dat is, als zij, indien wij ze niet
helpen, misscllien van gebrek zouden kunnen sterven, of ten minste zekerlijk veel zouden lijden in hunne gezondheid, in hunne eer

�VIJFDE DEEL. -

4Qstc LES, 3dc Vl~.

1303

en ·raam, of inllunne tijdelijke goederen, zooals indien zij daardoor in eene zware ziekte zouden kunnen vallen, of merkelijk
van staat Yerminderen, of hunnen goeden naam verliezen, enz.

En wiJ hen ltelpen kunnen; dat is, dat wij in bezit zijn van
goederen, met dewelke wij hen kunnen bel pen, en die wij moeten besteden om hen in den gemelden nood bij te staan.
3. \Velke goederen moeten wij gebruiken om den evennaaste
in den uitersten nood bij te staan1 Wij moeten daartoe gebruiken, niet alleenlijk de goederen die wij niet noodig hebben
om onzen staat te onderhouden, maar ook degene, well\e wij
niet noodig hebben tot onderstand van ons Ieven en van dit
onzer nabestaanden, aangezien hel lev_en ''an eenen mensch
hooger moet geschat worden dan onze staat. Edoch wij moeten
daartoe de goederen niet besleden, die wij zelven noodig hebben
om te Ieven, dewijl wij ons Ieven voor dat van den evenmensch
mogen stollen. Men merke nogtans op, dat men nooit, om iemand
in den uiLersten nood bij te staan, buitengewone middels moet
gebruiken, U.ewijl de wet der liefde, die de wet der orde is, ons
niet het buitenge\vone, maar alleenlijk het gewone voorschl'ijft.
Daaruit volgt dat men nooit, om iemand te redden, eene buitengewone groote som geld moet geven, noch zich aan buitengewone verliezen moet blootstellen, noch buitengewone werken of
lasten moet aannemen.
4. En welke goederen moeteil wij gebruiken om den naaste,
in grooten nood verkeerende, bij te staan 1 Wij moeten daartoe
voorzeker de goederen gebrui ken, die wij tot ondersland noch van
ons Ieven noch van onzen staat noodig hebben, en waarschijnlijl\ ook, ten ruinste in zekere maat, de goederen die tot het
onderhouden -\•an onzen staat dienen, maar toch daartoe niet volstrekt noodig zijn; en de reden daarvan is, dat de goederen,
welke de naaste, die zich in grooten ~ood bevindt, op het punt is
te verliezen, onzen overvloed of hetgene wi_i tot onzen staat niet'
volstrekt noodig · hebben, in weerde ove rtrefL Hier nogtans

�1304

VIJFDE DEEL. - · 4Qslo LES, gdo VR.

moet nog eens opgemerkt worden, dat men om den 'naaste, "die
zich in grooten nood bevindt, te helpen, geenszins verplicht is
buitengewone middels te gebnliken.
5. Blijfl. de verplichting van den naaste in den uitersten en in
grooten nood te helpen, voqr ons bestaan, wanneer anderen
bereid zijn lH~m te helpen1 Geenszins, want in dit geval is de
naaste te onzen opzichte in geenen uitersten of grooten nood
meer. "Waren anderen bereid den naaste in die omslandigheid
ten deale te helpen, wij zouden maar verplicht blijven hem het
overige te bezorgen, van hetgeen hij noodig heeft om uit dieu
nood getrokll:en te worden.
6. Buiten den uit_m·sten en den grooten nood bestaat er nog,
'tgeen men noemt de gewone noocl, dat is, die nood in denwelken de gewone armen zich gedurig bevinden. Is er geene
verpliehting voor de menschen, die goederen bezitten, aan
armen, zich in gewonen nood bevindende, aalmoezen te geven ~
Bet schijnt onbetwijfelbaar te zijn dater voor die menschen eene
ware verplichting bestaat; en de reden daat·van is, dat die
armen anders welhaast in grooten en zelfs in den uitersten nood
zouden vallen. - En van welke goederen moet men hun geven 1
Men moet hun alleenlijk geven van hetgeen men niet noodig
heeft tot onderstand van. ziju leven en van zijnen staat, dewijl
die gewone noorl op geener wijze hooger dan de onderstand van
ons Ieven en van onzen staat moet geacht worden. - Is men
verplicht aan al degenen, die in gewonen nood zijn, te geven 1
Neen; men is niet aan eenen arme in 't bijzonder verplicht; want
die nood, daar hij niet dringend is, verplicht niet voor ieder
geval. - Hoeveel men aan de armen, die in gewonen nood ?.ijn,
moet geven, kan moeilijk bepaald worden. Daarom mag men
daarin·het gebruik der goede et~ godvreezende menschen volgen;
maar men weze altijd indachtig, dat hoe_ meer wij geven, hoe
meer wij eeuwig zullen beloond worden : de Heer zal ons honderdmaal vergelden wat wij den arme geven.

�VIJFDE DEEL. -

4QStc LES, 4d0 YR.

1305

4. V. TiJ!anneer zijn de we~·ken van be~·mhertigheid
allermeest verdienstig?
A. Als zij geschieden aan arme menschen, alleenlijk
uit liefcle Gods of om Gods wil.
l. De Catechism us, na gezegd te hebben, wanneer wij verplicht
zijn werken van bermhertigheid te doen, zal ons nu leeren wanneer die we1·lu~:n allm·meest verdienstig zijn, dat is. God meest
behagen en zoo meest verdiensten bekomen.
2. In zijn antwoord leert hij ons, dat zij meest verdienstig zijn,
wanneer deze twee voorwaarden vervuld worden : a) als zij
geschieden aan arme menschmz, en b) als zij alleenlijk ge-

schieden uit lie(de Gods of om Gods wil.
Als zij gesch£eden aan m·me menschen; dat is, als zij
geschieden ten voordeele van menschen, die in de wereld verlaten zijn en de laagste plaats beli.leeden. - En hoe brengt
deze voorwaarde iets bij om de verdiensten onzer werken van
bermhertigheid te verm~erderen 1 De red en daarvan is de volgende : hoe verachtelijker, hoe verlatener, hoe lager d·e mensch
is, dien wij he! pen; hoe meer wij ons moeten vernederen om
tot hem te gaan, hoe moeilijl:;.er het wei.·k ons valt, hoe min wij
door wereldsche gevoelens aangeloli.t worden om hem te helpen,
en hoe zuiverder ons oogwit gewoonlijk zal zijn in hem bijstand
te bieden.

Als zij geschieden alleenlijk uit lie(de Gods of om Gods
wil; dat is, als zij eerst en vooral alleenlijk geschieden om God
onze liefde te bewijzen, met de menschen, die zijne geliefkoosde
schepselen en kinderen zijn, uit liefde tot Hem goed te cloeti; of
in andere woorden, als zij eerst en vooral alleenlijk geschieden
om God, of den naast'e om God te berninnen. Dewijl de Liefde
de verhevenste aller deugden is, :mllen de werken, die ~it
Liefde geschieden, ook de verdienstelijkste zijn. (Zie 20518 les.)

�130(}

VIJFDE DEEL. -

4Qsto J,ES, 5do VR.

Daarenboven een werk van bermhertigheid, om in zich zelf
geheel volmaakt te zijn, moet uit Liefde voortkomen. De bermhertigh~id is immers een natuurlijk uitwerl~:sel der Liefde, daar
zij bestaat in bet lijden van den naaste als het onze te aanzien,
en dat het de Liefde is, die ons bet ·lijden des naasten als het
onze doet aanschouwen. Door de Liefde zijn wij immers met
den naaste innig verbonden en aanzien \Vij zijn geluk en zijn
ongeluk als bet onze, en bijgevolg doet zij ons. als de naaste
lijdt, met hem meclelijdend of jegens hem be2·mhe1·tig zijn.
Hieruit blijkt bet, dat een werk van bermhertigheid, om volledig te zijn, de Liefde als beweegreden moet hebben. - Wij
kunnen vele andere goede beweegredenen hebben om werken
van bermhertigheid te doen, zooals, de begeerte van onze verdiensten te vermeerderen, onze schulden uit te boet&lt;'n, de
gratie Gods te bekomen of eene andere weldaad te ontvangen;
doch ·de volmaaktste beweegreden is altijd de liefde tot God,
of de liefde tot den evenmensch om God.

5. V. liVat loon mag men verwachten voor de we1·ken
de1· bermllertiglleid?

·A. Den eeuwigen loon, die Ohristus in de tegenwoordigheid van aile menschen in bet laatste oordeel _
zal geven.
I. De Catechismus spreekt ons hier van den loon, dien wij

voor de werken van bermhertigheid mogen verwachten, als zij,
wel te verstaan, geschieden met de noodige voorwaarden, om
verdienstelijk te zijn.
2. Hij leert ops dat wij voor die werken mogen verwachten

den eeuwzgen loon, clien Ckr£stus £n de tegenwoordigheid
v~n alle rnenschen £n !let laatste oordeel zal geven.- Den
eeuwigen loon, dat is, bet geluk des hemels. En waarom mo-

�VIJFDE DEEL. -

4QSte LES, 6de VR.

1307

gen wij dit geluk als loon voor die werken verwachten 1 Omdat
Christus dezen loon voor die werken beloofd heeft, gelijk het
blijkt uit de acht zaligheden, waarvan de vijfde is : z(llig zijn
de be1·mhertigen. - Waarom voegt de Catechismus hierbij :

" dien Clwistus in de tegenwoordigheid van alle menschen
in het laatste oonleel zal geven; " zullen aile goede mensch en
daar niet openbaarlijk den eeuwigen loon ontvangen1 Ja; alle
goe?e menschen zullen daar openbaarlijk den hemel ontvangen;
maar Christ~. van het laatste oordeel sprekende, heeft, om
zijne leerlingen zonderling tot de werken van bermhertigheid
op 'te wekken, hun op eene bijzondere wijze gezegd, hoe die
werl\en daar zouden beloond worden (Matth. XXV, 35-40).
3. Men merke wel op. dat de werken van bermhertigheid ons
niet alleenlijk den eeuwigen loon bekomen, maar ons ook al
die andere profijten verschaffen, welke uit de goede werl\en in
't algemeen voortspruiten. - .Men weze ook steeds indachtig,
dat niet het kleinste werk van bermhertigheid, in Christus'
naam gedaan, zonder loon zal blijven : " }Vie alleenlijk een
belte1' koud water, zeide Christus, aan een van deze geringsten (aan de verlatenste der menschen) zal te cl1·inken geven,

orndat kfj rnijn leerling is, voorwaar zeg ik u: hij zal zijnen
loon niet verliezen (Matth. X,,42).

6. V. Waarom worden de lichamen der Clwistenen
~·n de

kerken of op gewijde plaatsen begraven?
A. Ten eerste, omdat di.e plaatsen betere gelegenheid
aan de levenden geven om voor hen te bidden; ten
tweede, omdat zij deelachtig worden. van de gebeden en de Mi~sen die daar geschieden; ten derde,
omdat zij geholpen worden door de gebeden der
Heiligen die daar geeerd worden; ten vierde, om-

�1308

VIJFDE DEEJ,, -

40 818 I.ES, 648 VR.

dat ZlJ deelachtig worden van de zegening der
plaatsen.
I. .Aangaande het laatste der lichamelijlte werlten van bermbertigheid, te weten, het begraven der dooden, haudelt de
Catechismus over ·de plaats, waar men de lichamen der geloovigen begraaft. Eertijds, wauneer de geloovigen min menigvuldig waren, begroef men hunne lijl\.en in de kerlten; maar sedert
Iangen tijd bestelt men ze ter aarde, behalve eent'ge uitzonderingen, op gewijde plaatsen, die men kerkhoven noemt. De Catechismus zal ons nu de reden geven, waarom men de lichamen
der Christenen niet op gewone plaatsen, maar in de 1\.erken
of op gewijde plaatsen begraaft.
2. In zijn antwoord ieert hij ons, dat er voor dit gebruik
vier redenen bestaan :. 'fen eerste, zegt hij : omdat die plaat-

sen betere gelegenheid aan de levenden geven om voor /zen
te bidden. - En hoe geven zij daartoe betere gelegenheid!
Omdat de geloovigen dikwijls naar de kerk en naar de lterkhoven komen, en dat zij daar natuurlijk opgewekt worden om
.voor hunne overledene broeders te bidden en om dit gebed op
eene heilige wijze te doen. Naar de kerk komen zij ten minste
des Zondags, en zij bezoeken de kerkhoven ofwel ellten keer dat
ziJ naar de· kerk gaan, als het kerkhof rond· de kerk ligt, of
ten minste ieder maal dat zij eenen afgestorvene naar bet
kerli:hof vergezellen. Welnu, het geda.cht dat hunne broeders
in bet Geloof daar begraven liggen, zal hen natuurlijk opwekken
om voor dezen te bidden, en de heiligheid der plaats zal hen
met meer eerbied en godvruchtigheid hun gebed doen storten.
deelachtig worden van de gebeden
Ten tweede, omdat
en de Missen die daar geschieden. De gebeden, welli:e de
Kerk in de ceremonien die op de kerkhoven geschieden,
in de kerltelijl\.e diensten en in de H. Mis stort, bevatten
altijd eene bijzondere smeeking voor de overledenen; en gelijk

zv·

:a:

�VIJFDE DEEL. -

4Qsto LES, 7do VR.

1309

de oude ~ebruiken het bewijzen. moet men zekerlijk eerst en
vooral door die overledenen de geloovigen verstaan, welke in die
kerk of op bet lterkhof, dat aan die kerk toebehoort, begraven
liggen.
Ten derde, omdat zi.i gelwlpen worden door de gebeden
dar Ileiligen die daar geeerd worden; dat is, omdat de Heiligen, wier beelden of reliquieen in de kerken of op de kerkhoven geeerd worden, de afgestorvenen, die daar begraven
liggen, door hunne gebeden recl1tstreeks helpen; en ook gratie
verkrijgen voor de levenden, opdat zij voor die afgestorvene
broeders Yeel zouden bidden. Het is immers natuurlijk dat de
Heiligen voor die plaatsen meest zorgen, waar zij bijzonderlijk
geeerd worden, en dat zij daar hunne hulp verleenen, niet
aileen aaq de levenden, maar ook aan de afgestorvenen, die in
het vagevuur lijden.
Ten viet•de, omdat zij deelachtig wm·den van de zegening
der plaatsen; dat is, omdat die gebeden hun loegepast worden,
welke in de wijding der kerlten en kerkhoven voor hen door de
H. Kerlt gestort zijn geweest. De smeekingen der wijding in den
naam der H. Kerk gedaan. blijven als voor de oogen Gods opgeschreven; en zoo diltwijls iemand in die plaatsen wordt begraven, wordt hij aan die smeekgebeden (\eelachtig. (Zie Deal 1,

bladz. 317.)
Het is dan niet zonder gewichtige redenen, dat de H. Kerk
hare kinderen op gewijde plaatsen wil begraven.

7. V. Welke zijn de geestelijke werken der bermller-

tiglteid?
A. Deze zeven : I. De zondaars straffen. 2. De onwetenden leeren. 3. Voor de zaligheid des naasten
bidden. 4. De twijfelachtigen goeden raad geven:
5. De bedroefden vertroosten. 6. Het onrecht ver-

�1310

VIJFDE DEEL. -

40 810 LES, 7do VR.

duldig lijden. 7. Hetgeen tegen ons misdaan Is,
vergeven.
1. De Catechismus begint bier te handelen over de geestelijke
werken van bermhertigheid, welke ook zeven in getal zijn,
gelijk hij bet ons leert.
2. De zondam'S straffen; dat is, degenen die in zonde vall en
of in gevaar zijn van er in te ·vallen, over hunne gebreken en
zonden berispen en stratfen, opdat zij door de berisping en de
vrees der straf, zich van de zonde zouden onthouden of zich
bel{eeren. -De onwetenden lee?·en; dat is, degenen die in de
zaken cler zaligheid niet genoeg onderwezen zijn, onderrichten,
en hun aanleeren al wat zij moeten weten of doen om zalig te
worden. - Voor de zaligheid des naasten bidde.n; dat is,
van God voor den naaste allerhande gunsten vragen, die tot
zijne zaligheid dienstig zijn, namelijk vergiffenis zijner zonden,
gratie om wel te leven, vergiffenis der schulden die hem na de
vergiffenis zijner zonden nog overblijven, want deze drij dingen
leiden tot de eeuwige zaligheid. Tot dit werk behooren ook
al de toepassingen van goede werken en aflaten, die wij aan
den naaste doen. - De tw(jfelachtigen goeden raad geven;
of in andere woorden, aan degenen, aan wie om de zonde of
de gelegenheid der zonde te vluchten, om zich op bet goed
toe te leggen, of om eenen zaligen staat te verkiezen, goede
raad noodig of ten minste nuttig is, goeden raad geven.
- De bedroe{den vertroosten; dat is, degenen clie om eenig
ongeluk of om eenige moeilijkheid bedroefd zijn, tot moed opbeuren, hen helpen om al hun lijden uit liefde tot God en tot
uitboeting hunner zonden kloekmoedig te verdragen. - Het
on1·echt vercluldig liJden; dat is, hetgeen tegen ons misdaan is
zonder gramschap en zonder wraakzucht, maar integendeel met
verduldigheid en lijdzaamheid verdragen, z66 vrede stichten,
en den evenmensch, die ons onrecht ~ngedaan heeft, tot het

�Vl.lJo'DE llEEL. -

4Qste J,ES, Sste VR.

1311

goed brengen. - Ilelgeen tegen ons misdaan is, ve1·geven.
(Zie de uitlegging hiet·van, II Deel, bladz. 622-624.j
3. Is er wei eenige orde in die geestelijke werken van bermhertigheid? Ja; wij vinden er de volgende orde in : bet tweede
en het vierde werk komen den mensch helpen in de geestelijke
ellenden, die in het verstand zijn; het eerste, het vijfde, het
zesde en het zevende helpen hem in de ellenden, die tot den wil
behooren; en bet derde is een geneesmiddel zoowel voor de
ellenden des verstands als voor die van den wil. In het verstand
kunnen er tw~e ellenden bestaan, te weten : de onwetendheid
en de twijfelacbtigheid; en in deze twee ellen den wordt de
mensch geholpen door de twee volgende werl;.en van bermhertigbeid : cle onwetenden lee1·en, en de lwij(elachligen goeden
raacl geven. In den wil vinden wij de volgende ellenden.: de
boosheid of de geest van hooveerdigheid; de traagheid of de
kleinmoedigheid, die bet lijden en den arbeid vlucht, en de
grammoedigheid, die het ongelijk ons aangedaan niet lijdt gelijk bet behoort; welnu, de boosheid wordt bevochten door het
st1·atren elm· zonden, de kleinmoedigheid of traagheirl door het
troosten de;· beclroe(den, en de grammoedigheid doo1· het onrecltt vm·duldig te lijden en hetgeen tegen ons misdaan is te
vergeven. - Daarenboven, de ellenden des verstands zoowel
als die van den wil worden nog bijzonderlijk weggenomen door
de gratie Gods, die door het gebed verkregen wor(lt; en zoo is
vom· de zaligheid des naasten bidden ook een geestelijk werk
van berm hertigheid.
Al betgene wij voor de zaligheid des naasten kunnen doen, komt
noodzakelijl;. op eene der genoemde werken van bermhertigheid uit.

8. V. fVien staat ltet rneest toe de zondaa1·s te straffen
en te onderw~·izen?

A. Alle ouders, meesters en oversten, en degenen, die
den last der zielen dragen.

�1312

VIJFDE DEEL. -

4Qstc LES, gsto VR.

1. De cateclJismus zal ons thans eenigen uitleg geven over de
twee eerste geestelijke werken van bermhertigheid; hij "\•raagt,

wien staat het meest toe de zondam·s te sb·affen en te onderwij~en; 't is te zeggen, wie zijn eerst en vooral gehouden, en
strenger dan anderen verbonden, de zondaars te straffen en te

onderwijzen 1
. 2. Hij antwoordt dat dit meest toelwmt aan de ouders, de

meeste1·s en de ovet·sten, en aan degenen, die den last de1·
zielendmgen;- aan de oude1·s, ten opzichte van hunne kinderen; amz de meeste1·s en aan de ove1·sten, tm~ opzicllte van
hunne onderdanen; aan degenen die den last de1· zielen
dragen, dat is, aan degenen die in de H. Kerk aangesteld zijn
om voor de zaligheid onzer ziel te zorgen, te weten, aan den Paus,
de b\sschoppen, de pastoors en ook aan andere priesters. die van
den Bisschop gezonden zijn om de geloovigen de middelen van
zaligheid te verschaffen. - En hoe staat het dezen meer toe
dan anderen de zondaars te straffen en te onderwijzen1 Dit
staat hun meer toe, omdat zij tot dat werk uit hoofde van hun
ambt gehouden zijn; zoodanig dat zij, met dat werk te verzuimen, niet slechts tegen de Liefde, maar ook tegen de plichten
van llunnen staat zondigen.
3. Is er voor de andere menschen eenige verplichting van de
zondaars te straffen en te onderwijzen1 Ja; de Liefde tot den
naaste verplicht ons allen tot het berispen der zondaars. Nagtans wij zijn van dien plicht ten minste gemeenlijk verontschuldigd, a) indien het kwaad nopens hetwelk de berisping zou
moeten gebeuren, geene doodzonde uitmaakt, noch tot geene
doodzonde leidt 't zij met verergernis te geven, of met eene
naaste gelegenheid van doodelijk te zondigen aan te brengen,
noch geene zware gevolgen heeft; b) indien er geene waarschijnlijke hoop bestaat van den naastete kunnen tot beternis brengen; c) indien de berisping niet kan geschieden, zonder dat wij
ons groote schade toebrengen, of ons in gevaar van zulke schade

�V!JFDE DEEL. -

4QS!o LES, gdo VR.

1313

stollen; d) indian er iemand anders is, die de berisping waarschijnlijk zal doen; en e) indien het waarschijnlijk is dat de
zondaar zich zonder berisping zal bekeeren. - Degenen, die
eene nauwgezette conscientie hebben, moeten zich doorgaans
aanzien als verontschuldigd van de zondaars te berispen, want
ten gevolge hunner valsche oordeelen over hetgene zonde is,
zouden zij dikwijls ten onrechte of ten minste ten ontijde berispen en z66 veel kwaad teweeg brengen. - Iedereen, die berispt, moet alt~jd wel overdenken, of hij door de berisping den
toestand des zondaars niet zal verslechten.
'Vanneet· men den naaste berispt, moet men daarin de volgende regels volgen : men moet vooreerst den zondaar in het
bijzonder tot beternis opwekken; indien hij niet wil luisteren,
neme men de tweede maal een of twee getuigen met zich; en
indian hij dan nog niet tot betere gevoelens wil komen, moet
men de zaaJt aan de oversten bekend maken. Daarenboven, om
de berisping te doen, moet men de beste gelegenheid mogelijk
uitldezen, en in de berisping zelve met veal zachtmoedigheid en
liefde te werk gaan.

9. V. lToor wie z·ullen wij bidden?
A. Voor aile menschen, die tot de eeuwtge zaligheid
kunnen komen, hetzij dat ze nog Ieven, of dat ze
overleden zijn.
1. De Catechismus handelt bier over het derde geestelijk werk
van bermhertigheid, te weten, over het bidden voo1· de zaliglwid des naasten. Hij vraagt bier : voo1· wie zullen wij bid-

den : 't is te zeggen, voor wellte personen b_ehoort het dat wij
bidden, of welkc menschen behooren wij ter hulpe te komen
door het gebed Y
2. Hij antwoordt, dat wij behooren te bidden voor alle men-

�1314

VIJFDE DEEL. -

40 810 I.ES, gdo VR.

scben die tot de zaligheid lwnnen lwmen, hetzij dat ze nog
leven, of dat ze ovm·leden zijn.
3. Vom· alle menschen : bier is geen ::;praak van de Engelen.
dewijl deze alreede voor eeuwig gelukkig of voor eeuwig ongelukkig zijn, en dat er bijgevolg voor hunne zaligheid niet meer
te bidden is.
4. Behoort het dan dat wij bidden voor aile menschen zonder
uitzondering1 Neen; de Catechismus leert ons, dat er alleenlijk
zaligheid
te bidden is voor al de menschen, die tot 'de eeuwige
,..
kunnen komen, in andere woorden, die de eeuwige zaligheid,
of den heme! tot hiertoe noch bekomen, noch voor eeuwig verloren hebben, maar nog in staat of op weg zijn van hem te bekomen. Wij kunnen immers de zaligheid maar vragen voor degenen, die ze nog niet bezitten en ze nog kunnen bekomen.
Derhalve, hebben wij ze niet te vragen voor de gelukzaligen,
die ze reeds bezitten, noch voor de verdoemden die ze voor
eeuwig verloren hebben. -En beboort bet, dat men voor aile
men sci~ en bidde, die de eeuwige zaligbeid nog kunnen bekomen ¥
Ja; het behoort dat wij voor ben bidden, 't zij dat ze nog leven
of dat ze ove,·leden zijn, gelijk de Catecbismus zegt; dat is,
't zij ze bier op aarde nog Ieven, 't zij dat ze in het vagevuur
bunne schulden uitboeten. De reden daarvan is, dat al de menschen, die op de aarde Ieven, alsmede al de zielen des vagevuurs
door onze gebeden waarlijk kunnen geholpen worden.
5. Hoe bet Cbristus' begeerte is, dat wij voor alle menschen,
die tot de zaligheid kunnen komen, zouden bidden, blijkt heel
klaar uit het Onze Vader, dat Hij ons zelf geleerd· heeft. In dit
gebed vragen wij immers de goddelijke gunsten niet alleenlijk
voor ons, maar in 't algemeen voor allen, 'tis te zeggen. voor
al degenen, die ze kunnen ontvangen. De H. Kerk, het voorbeeld van Cbristus navolgende, bidt ook in de gebeden, die zij
ons oplegt of voorschrijft, voor al de geloovigen, 't zij Ieven den.
't zij overledenen, en ook nog voor al de menscben der wereld.

�YIJFDE DEEL. -

4Qste LES, )Qdo Vlt.

1315

'tIs immers Gods begeerte, dat deze allen de zaligheid bel;;.omen,
en daarom behooren wij, die te zamen met hen allen kinderen
Gods zijn en hen als dusdanige moeten beminnen, voor de zaligheid van hen allen te bidden.

10. V. Wat ongelijk rnoeten wU ttit berrnhertigheid

vergeven?
A. Alle ongelijk, hoe groot het ook moge wezen, en
hoe dik.,;ijls het zoude mogen geschied zijn.
l. De Ca.techismus spreekt hier van het laatste der werken

van bermhertigheid, te weten : lzetgeen tegen ons misdaan
is ve~·geven. Hij vraagt, wat ongelijk moeten wij uit
be;·mhei'ligheicl verg_even?- Ongeli.Jk ve1·geven, dat bestaat
niet in niet wetler te vragen hetgeen ons onrechtveerdig ontnomen is, of in geene rechtveerdige straf van de overheid voor
eene misdaad-&gt;1e verzoeken, maar wel daarin, dat wij uit ons
hert verbannen allen vrijwilligen afkeer, haat en wraakzucht
tegen degenen, die ons iets misdaan hebben, en zelfs dat wij
hun goed willen. Iedereen mag altijd schadeherstelling eischen,
en ook nog wenschen en verzoeken dat de wettige macht de
kwaa.ddoeners tot hun meerder geluk en tot nut der samenleving op eene rechtveerdige wijze zoude straiTen; maar men moet
zich wachten dit te doen uit haat ofuit geest van wraak, en den
vijand eenig kwaad tot zijn ongeluk te willen.
2. Welk ongelijk moeten wij vergeven? .Alle ongelijlt, antwoordt de Catechismus. -Maar is er bier geene uitzondering
te ma.ken uit hoofde der zwaarte van het ongelijk, dat ons aangedaa.n is, of uit hoofde der menigvuldigheid van de mistladen,
die tegen ons begaan zijn? Neen, wij moeten vergeven, zegt de
Catechismus, aile ongelijk hoe groot het ook moge wezen, en
hoe dikwijls ltet zoude mogen geschied zijn. Hadde ons dan ,

�1316

VIJFDE DEEL. -

40 510 LES, AANMERl{.

iemand Jlet grootste kwaad mogelijk. aangedaan of willen aandoen ;_ hadde ons iemand getergd gednrende jaren en jaren, wij
zouden hem nog dat ongelijk moeten vergeven.
3. De Catechism us vraagt, .. wat ongelijk moeten wij vergeven;"
bestaat er dan voor ons eene verplichting van bet ongelijk te
vergeven i Ja; wij zijn daartoe door bet gebod der liefde tot den
eveiimensch waarlijk verplicht, gelijk wij in de acto vraag der
25sto les geleerd bebben; want vrijwillige afgekeerdheid, haat
en wraakzucht zijn dingen die altijd uit hunne natum· tegen de
wet Gods en tegen de rede strijden; en daarom heeft Christus
ons leeren bidden : Vergeef' ons onze schulden, gelijk wiJ ver·geven onze schulclenm·en. (Zie 17cto les.) - En hoe moeten wij
bet ongelijk dat ons aangedaan is vergeven; moet dit alleenlijk
inwendig of ook uitwendig geschieden? Het moet zoowel uitwendig als inwendig geschieden, gelijk wij in de 25"1" les gezegd
hebben.
4. Wat nude geestelijke werken van bermhertigheid betreft, tot
dewelke er geene bijzondere verplichting besta&amp;t,;zijn wij nooit
gehouden die werl;;.en te doen ~ Ja; gelijk wij gehouden zijn aalmoezen te geven, als de naaste in den uitersten of in grooten
nood is en wij hem helpen kunnen, zoo zijn wij ook verplicht
den naaste, die zich voor de zaligheid zijner ziel in den uitersten
of in grooten nood bevindt, door de geestelijke werken van
bermhertigheid ter hulp te komen, als dit in onze mach tis. Indien
wij gehouden zijn hem in zijnen lichamelijken nood te helpen,
zijn wij nog veel meer verplicht hem in zijnen geestelijken nood
bij te staan, dewijl de zaligheid der ziel de goederen des lichaams
oneindig overtreft.
Annme~ldngen. 1° Laat ons diep in het bert prenten, wat wij
door de lichamelijke en geestelijlw werken. van bermhertigheid
winnen : voor eene geringe aalmoes, voor eene kleine hulp aan
den evenmensch gegeven, voor een klein gebed voor hem gedaan,-voor een kleine goedheid hem bewezen, ontvangen wij

�VIJFDE DEE!.. -

4QSle LES, AANMERK.

1317

den hemelscllen loon : want God aanziet de werken die wij voor
zijne gelieOwosde scliepselen en kinderen doen, als gedaan aan
Hem zelven, gelijk een vader aanziet als aan hem zelven gedaan,
'tgeen wij voor zijne kinderen doen. In het OOl'deel zal Christus
immers zeggen (MattlL XXV, 34-40) : " Komt, gij gezegenden
, mijns Vaders! neemt bezit van bet Koninkrijk dat voor u bereid
·· is van de grondvesting der wereldaf. Want il;. had hanger, en gij
" gaaft mij te eten; ik had dorst, en gij gaaft mij te drink en; ik
, was een vreemdeling, en gij naamt mij op; ik was naakt, en
, gij bedektet mij; krank, en gij bezocht mij; ik was in de gevan" genis, en gij kwaamt tot mij. Als dan zullen de rechtveerdi" gen Hem antwoorden, zeggende : Heere! wanneer zagen wij
, u hongel'ig, en spijsden u; dorstig, en laafden u 1 En wanneer
.. zagen wij u eenen vreemdeling, en namen u op; of naakt, en
·· bedekten u? Of wanneer zagen wij u krank of in de gevangenis,
.. en kwamen tot u? En de Koning antwoordende, zal' tot hen
.. zeggen : Voorwaar zeg ik u; voor zooYeel gij dit aan Mn van
, deze rnijue geringste broerlers gedaan hebt, deedt ge bet aan
, mij. ,, \Vat dwaasheid van ons zoo weinig op die werken toe
te leggenl De menschen werken en slaven om eenige tijdelijke goederen te verzamelen, en zie, die zoo gemakkelijke
werken van bermhertigheid, waardoor zij hei hemelsch geluk
· kunnen winnen, verzuimen zij zoo dikwijls.

zo

Als wij die werken doen, denken wij dat Jezus Christus
daar bij den mensch staat, dien wij helpen, en dat Hij zegt : dit
is mijn kind; 'tgeen gij aan· hem doet, doet gij aau mij : ofwel
denl\en wij, dat wij dat werk aan Jezus Christus zelf doen. Zoo
zullen wij ous vol ijver gevoelen om dat werk wei te verrichten;
wij zullen derwijze ook eene zeer zuivere intentie hebben en de
verdiensten van dat werk ten volle bekomen.
3° Ter gelegenheid van hetgene de Catechismus ons in deze
les zegt van de kerken en de gewijde plaatsen, behooren wij ons
wel te herinneren en steeds indachtig te blijven, well;:e groote

�1318

VIJFDE DEE!,. -

40 510 I,ES, AANMERIL

achting wij voor hen moeten hebben, en hoe wij zo moeten
grbruiken tot onze zaligheid. 'tIs ilnmers' in de kerken~ dat wij
tot bet Ieven der gr:atie door het Doopsel zijn geboren, door het
vormsel tot de vohvassenheid in dat Ieven zijn,gekomen, door de
H. Comniunie in dat Ieven gevoed en versterkt worden, door de
absolutie des priesters in de Biecht van de ziekte der zonde
worden genezen. 't Is daar rlat Jezus Christus zich dagelijks in
onze plaats aan God den Vader opoffert, en dat God dagelijks
zijne hemelsche maaltijd opricht en door de ha~d des priesters
het lichaam en het bloed van zijnen eenigen Zoon tot spij!; en
drank onzer zielen aanbiedt. 't Is daar dat wij door de stem des
priester·s onderwezen worden in het Geloof, en dat God de oogen
op ons gevestigd houdt, om de gebeden, die er gestort worden,
te aanhooren. 'tIs daar nog dat diezelfde Jezus, die te Bethlehem
in eenen stal is geboren, drij en dertig jaar op aarde !weft
geleefd, op het kruis is gestorven en nu ter rechter hand zijns
Vaders zit in de hemelen, in 't midden van ons verblijft. Waarlijk bij het intreden in eene kerk zouden wij ons moeten zeggen,
gelijk Jacob als hij de ladder zag die van de aarde tot den l!emel
ging : hoe ve;·schJ·ikkeml zs deze plaats niet; 't is hier

niets anders dan het huis van God en eene poorl des ltemels.
(Gen. XXVIII. 17.) Laat ons daat· veel op denken, bezoeken wij
. veel de kerk. zijn wij er zeer gestichtig, en bidden wij er vurlglijk voor ons zelven en voor den naaste.
'Wij rnoeten ook eenen grooten eerbled hebben voor de .kerkhoven. Deze zijn ilnmers de rustplaatsen der lichamen van onze
nabestaanden en vrienden. die daar den glorierijken dag der
verrijzenis afwachten; zij zijn als de akkers Gods. waar de
licbamen der gelul\zaligen in verderfelijkheid zijn gezaaid,
om op het. einde det' wereld in heerlijkheid to ontkiemcn.
Bezoeken wij dikwijls die plaatsen om zoo te begrijpen, welk
het einde is van bet m~nschelijk Ieven, wezen wij dan indachtig
de zielen onzer weldoeners en al de zielen des vagevuurs, en

�VIJFDE DEEL. --

41 510 LES, INHOUD.

1319

bidden wij op die plaatsen, door het gebed der H. l{erll. geheiligd, voor hunne eeuwige rust.

EEN EN VEERTIGSTE LES.
Van de vier uitersten .

•
Inhond.- De Catechismus, na onsdc Chrislclijkc Rcchtvcerdighcid uitgelegd tc
hcbbcn, zal ons nn in tlczc lcs, om zijnc leering lc sluiten, sprckcn over hct
cindc van ons aaruschc lllvcn, en ons zoo voorstcllcn hoc ons tlienaarschap
jcgcns God ccn cindc nrcmt, en wclk hct lot zal zijn van de gocdc en de slechto
dicnaars. Dezc lcs handel! immcrs over de vier uiterste11, 't is lc zcggcn, over
de zakcn, tlic den mensch ovr.rkomcn, als hij tlit aardschc Ieven vcrlaat.
Er zijn in dczc lcs lwcc hooftldcclcn, waarvan hel cerstc, 'twelk de drij
r.crstc vragen hcvat, over de vier uitcrstcn in hct algr.meen sprcckl; en hct
twecdc, 'twelk zich van de vierdc tot de laats!c vraag uitstrckt, over de ·uiterstcn in 't bijzontlcr handclt.
I. In hct cerstc dec!, waar de Catechismus over de uilcrstcn in 't algcmcen handel!, word! cr gclccrd : a) hoc Lclangrijk voor onzc zalighcid hct overden ken van die uilerstcn is; b) lweveel en wclke uiterslen des mensch en er zijn;
en c) wicn die uiterslen toel•omm.
II. In hct twccdc dec!, waar hij over de vier uitcrslcn in 't bijzondcr hand cit,
slclt hij ons de volgcndc leering voo~.
a) Over de Doocl, lcert hij in de vicr,lc \'faag, wal cr van de Doodle geloovcn is, of wat de gcloofslccr ons no pens de Dood \"oorstelt.
b) Over Ttet Oordeel, zcgt hij in de vijfde vraag, wat :.wariglteiclltet Oordcel
l1ee{t; 't is tc zcggcn, wat cr nopcns hcl Oordccl bijzontlcrlijk tc vrcczcn is.
c) Ove1· de llel, stclt hij voor in de zcsde vraag, wat de verdoemdc :.ielen
zullr.n lijdCil ill de llcl, of waarin de pijnen der Hel hcstaan.
d) Uver cle11 llemel, spreekt hij in de vier laalstc vragcn : hij zcgt voot·cerst,
welkc cle mceste blijdsclwp cles Ilemels is; ten twccdc, of al cle Jleiligen gelijk
zullen zijn in ylorie; ten tlcrdc, wat clc ZaligCII boven he/ oppers/e goccl, tc
wcten, het aanschouwcn van God, noy l1ebben; en ten :viertle, ·wr.lkc gavc11 de
/iclwme11 der Zaligen ;ullcn llehhe11.

�1320

YIJFDE DEEL

-

41 sto LES, 1sto EN 2do YR.

1. V. H'elk is het beste rniddel orn ons te ve1·wekken
tot ltaat de?· zonden en begee1·te der deugden?
A. Een aandachtig overdenken van de uitersten des
menschen.
l. De Catechismus, van de uitersten des menschen beginnende
te handelen, leert ons eerst en v&lt;;~oral, hoe belangrijk, hoe nuttig het overdenken van die uitersten is voor onze~ zaligheid, om
alzoo deze les met de vier voorgaande, waarii1 hij over· de
Christelijke Rechtveerdigheid, dat is, over bet vlieden der zonde
en het oefenen der deugd, gesproken heeft, te verbinden. Nadat
hij voorgesteld heeft, waarin het vlieden der zonde en bet
oefenen der deugd bestaat, vraagt hij, welk het beste middel

is om. ons te ve1·wekken tot haat de1· zonclen en begeerte der
deugden; 'tis te zeggen, well\. het krachtigste I:niddel is om ons
op te wekken tot bet vlieden der zonden en bet oefenen der
deugden1
2. Hij antwoordt dat het beste middel daartoe is, een aanclachtig overclenlwn van de uitersten des menschen. - Door
uitersten des menschen verstaat men· die zaken, welke den
mensch overkomen bij bet eindigen van zijn leven bier op aarde.
- Men bemerke bet woord aandachtig; niet alle ·Overdenken
der uitersten is het beste middel om wel te leven, maar een
aanclachtig overdenken, dat is, een zorgvuldig, een levendig,
een krachtig overdenken, dat niet alleenlijk een ooge~blik,
maar eenigen tijd duurt.

2. V. Iloeveel uite1·sten des mensclten zijn er?
A. Vier, te weten : de Dood, het Oordeel, de Hel en
de hemelscl~e Glorie.
l. De Catechismus, na gezegd te hebben dat het overdenken

van de uitersten des menschen het beste middel is, om wel te

�VIJFDE DEEL. -

4} 8 1° LES, 2do VR.

1321

leven, zal ons nu die uitersten voorstellen. Jloeveel uitm·sten
des mensch en zijn er; zoo luidt de vraag.
2. In zijn antwoord leert hij ons, a) dat er vier zijn ; en
b) welke zij zijn : het zijn de Dood, het Oordeel, de Helen de
hemelsclze Glm·ie.
Het eerste uiterste is de Dood: door de Dood verstaan wij de
scheiding der ziel van het lichaam, door welke scheidlng het
lichaam van het lev en beroofd wordt (1).
Het Oo;·deel bestaat in het onderzoek dat God zal doen over
al de goede en•kwade werken van gebeel ons leven, en in bet
vonnis dat Hij over ons zal uitspreken. - Er is hier ecn dubbel
oorrleel te ondeescheiden; bet bijzonder dat aanstonds na de
Dood plaats heeft. en het algemeen oordeel, dat op bet einde der
wereld zal geschieden. (Zie 10~ 0 les.)
De Hel: dit woord drukt hier de plaats uit waar de verdoemden
zullen gestraft worden. - In de Hel moeten wij bier de volgende
plaatsen onderscheiden : a) de Hel, in den eigenen zin des woords
genomen, waar de verdoemden door het derven van bet goddelijk aanschijn, alsmede door bet vuur gestraft woeden; b) het
voorgeborchte der Hel, waar de kinderen, die vMr de jaren van
verstand zonder Doopsel sterven, beroofd zijn van bet goddelijk
aanschijn, maar nogtans de pijn van het vuur niet lijden.
De Hemel is de plaats waar de gelukzaligen God aanscbouwen;
maar onder dit uiterste moet ook het Vagevutw verstaan w&lt;&gt;rden, dat als eene inleidingsplaats tot den Hemel is; want in bet
Vagevuur worden de zielen dergenen, die i~ Gods liefde sterven,
maae nogtans niet ontslagen zijn van alle dagelijksche zonden
of last van penitentie. ten volle gezuiverd om den bemel te
lmnnen ingaan. - VMr Christus' verlossing moest bieronder
(1) Do ziel is immers de zolfstandige vorm des lichaams, of in andere
woorden, 'tis de ziel die van het lichaam oen levond menschelijk lichaam
maaltt, die hot doot opgrooien en in stand houdt, on die het do kracht goeft
om door de zinnen'de uiterlijke zaken wnat• te nemen.

�1322

VIJFDE DEEL. -

41 sle LES, 248 VR.

ook nog ''erstaan worden het ooorgebm·chte dm·· oudvader·s,
waar de zielen dergenen, die gansch zuiver waren van zonden en
scbulden, de opening des Hemels door den Zaligmalter afwachtten.
3. En hoe is een aandachtig overdenken dezer uitersten het
beste middel om ons de zonde te doen vlieden en de deugd.
te doen oefenen ¥ De rede bewijst dit heel klaar. Het overdenken van het- eerste der uitersten, te weten, van de Dood,
leert ons volmaaktelijk de vergankelijkheid, de nietigheid der
goederen en wellusten dezer wereld kennen, en toont ons op de
klaarste wijze hoe dwaas het is voor. de goedereii en wellusten
dezer aarde, die maar een oogenblik duren, en ons door de
Dood welhaast zullen ontnomen worden, de eeuwige goederen te
verliezen of deze min vurig aan te winnen.
Het overdenken van het Oordeel Gods, die de alwetende,
de allerrechtveerdigste en de almogende rechter is, boezemt
ons noodzal1.elijk eenen grooten afschrik van de zonde in, en
eene groote bezorgdbeid om bet goed te doen : een dienaar .
gevoelt zicb natuurlijk bewogen om bet goed te doen en het
kwaad te vlucbten, wanneer bij denkt, dat bij door eenen
wijzen, strengen, recbtveerdigen en machtigen rechter moet
geoordeeld worden.
Ret gedacht van den Hemel, van dat oneindig geluk, dat God
voor zijne dienaren bestemd heeft, ·lokt ons voorzeker allen
zeer kracbtig aan, om wei te Ieven : de dienaar werkt gemakkelijk, en gevoelt zich tot zijn werk getrokken, als bij den
grooten loon, dien hij door zijne getrou.wheid zal belwmen,
voor oogen beeft.
Eindelijk, bet overwegen der Hel geeft den grootsten afscbuw
der zonde : bier op aarde vermijden wij met zorg bet minste
lijd~n; en als wij overtuigd zijn en aandachtig overdenken,
dat wij ons door de zonde blootstellen aan een zoo groot en aan
een ecuwig lijden, zullen wij natuurlijk verschrikt zijn en gemakkelijk de bekorlng overwinnen.
•

�VIJFDE DEE!,. -

41 sto LES, 3d• YR.

1323

Een mensch, die op het punt i::; van te sterven, en daar voor
de Dood, voor het Oordeel, voor de Hel, voot· den Heme! staat,
zal zich voorzeker genegen vinden om het kwaad te vlucllten en
het·goed te doen; wanL bij het klaar aanschouwen der uitersten
eindigen de betooveringen en de vel'leidingen der wereld, en
de waarheid blijkt.in gehecl ltar0. ldaarheid. Welnu, hetzclfde
gescltiedt in ons, als wij die uitersten in onze verbeelding
afschilderen, en met ons verstand aandachtig overwcgen : dan
verstaan wij. dat wij naar o11ze drifton en naar de vcrlcidcnde
taal der wereld niet mogcn luisteren, maar in al onze werken
het toekomende Ieven voor oogen moeten hebben ... Denk,
zegt de H. Sclll'ift (Eccl. VII, '10), in al wat gij doet op uw
uiterste, en gij zult in der eeuwigheid niet 'zondigen . .. En de
heidensche schrijver Plinius de Jongere zegde (Dr. VII, 26) :
•· BiJ het nade;·en de;· dood geloo(l men aan de godlteid en
.. wo1Ylt men indachtig dal men mensch is. "

.

3. V. lVien kornen de vier teitm·sten toe?
A. De Dood en het Oordeel aan aile menschen; de Hel
aan degenen die in doodzonde sterven; de hemelsche Glorie aan degenen die sterven in Gods gratie.
l. De Catechismus, na ons gezegd te hebben welke uiterslen
des menschen er bestaan, zal om; thans leet·en voor wie die vier
uitersten dicnen, namelijk of ieder van hen bestemd is voot· aile
menschen, of alleenlijk voor cene zekere klas van menschen.
lTTien, vraagt hij, komen de vie;· uitc1·sten toe; 'L is te zcggcn,
aan wclke menschcn komcn de vier uiterslcn ovcr1

2. In zijn anlwoonl lcerL hij ons t.laL de Dood en ltet Oo;·decl
niet alleenlij k aan eenige, maar a an alle mensch en overlwmen;
daar de Jlel integendeel en de Ilcmcl niet aan allen, maar aau
eene zekere klas van meuschen toegewezen worden : de llel
16

�1324

YI.JFDE DEEL. -

4!"'0 LES, 3do YR.

komt toe aan degenen die in doodzonde ste1·ven; en de
hemelsche Glo1·ie aa1~ degenen die in Gods gratie stm ..ven.
3. De Dood komt dan over-cum alle menschen; 'tis te zeggen,
alle menscben scheiden van deze aarde, niet door God tot eene
andere wereld opgenomen, maar door de Dood, door de scheiding
der ziel van bet licbaam, waarin het lichaam het Ieven verliest.
Deze waarheid wordt ons klaarlijk be\vezen door de dagelijksche
ondervi"nding en door de geschiedenis. Er bcstaat nogtans
eenige twijfel nopens de menschen die zuller~ Ieven op het
oogenblik, dat Christus zal komen oordeelen : er zijn I-II-I. Vaders
en godgeleerden die denken dat die menschen de dood niet
zullen ondergaan; doch het is waarschijnlijker dat ook deze
zullen sten"'en.
Ret Oorcleel komt ongetwijfeld aan alle menschen zonder uitzondering over. Een ieder, die geleefd heeft, moet door God
gevonnisd worden, zoowel aanstonds na zijne dood, als op het
einde der wereld.
,
De Jiel is voor clegenen die in doodzonde ste1·ven; 't is· te
zeggen, degenen die eene doodzonde, door hunne eigene daad
bedreven, op hunn~ conscientie hebbende Yan deze wereld
scheiden, worden veroordeeld tot de Hel, waar de pijn des vuurs
geleden wordt; maar de kinderen, die sterven alleenlijk met de
erfzonde besmet, gaan tot het Voorgeborchte der He!, het Voorgeborchte der J;.inderen genoemd. Na het laatste oordeel zullen
deze kinderen een deel dezer am·de, van de verheerlijl;.te aardc
der gelukzal!gen afgezonderd, of eenc andere diergelijke plaats
bewonen.
De hemelsche Glo1·ie is voor degenen die in Gods gr-atie
ste1·ven; 't is te zeggen, degenen die in Gods gratie sterven
(dat is, vrij van de erfzonde en van alle dadelijke doodzonde) en
te zamen zuiver zijn van alle dagelijksche zonde of last van penitentie, gaan rechtstreeks den Heme! binnen; terwijl degenen die
wel in Gods gratic slerven, maar nog niet ten volle gezuiverd

�VIJFDE DEEL. -

4JSlc LES, 4de VR.

1325

zijn van alle zonden en schulden, naar het Vagevuur gaan, om
daar gezuiverd te worden.
4. Wat den tijd l.Jeireft, op denwell\en deze uitersten ons overkomen, bemerke men het volgende : op hei oogenl.Jlik dat de ziel
van het lichaam scheidt, heeft het bijzondet• Oordeel plaats, dat op
min dan eenen oogwenk voltrokken wordi (l); daarna, volgens
het vonnis van God gegeven, daaH de ziel aanstonds in de Hel of
in hei Yagevuur neder, of klimt zij ten Hemel op; zoodanig dat
de ziel, op het oogenblik zelf, dat zij het lichaam verlaat, in den
" of in het Vagevuur door de hand Gods geplaatst
Heme!, in de He!
wordt. Het laatste Oot•deel zal plaais grijpen op ltet einde der
wereld, hoewel dat ons de dag onl.Jekend is.

4. V. lVat is e~· van de Dood te gelooven?
A. Dat niemand, die geboren is, haar kan ontgaan,
en daarenboven, dat zij ons kan overkomen, als
wij het minst vreezen.
l. De Catechismus geeft ons in deze vraag eene bijzondere uitlegging nopens het eerste der vier uitersten, te weten, nopens
de Dood. Hij vraagt, wat e;· van de Dood te gelooven £s, dat is,
wat leert de goddelijl\e veropenl.Jaring ons van de Dood, en bijgevolg wat moeten wij van de Dood gelooven ~
2. In zijn antwoord leert hij ons dater van de dood twee punten te gelooven zijn : a) dat uiemand, die gebo1·en is, haa:r
lwn ontyaan, en b) dat zij ons kan ove;·komen, als wij ltet

minst w·eezen.
(1) Hicrmede is die beschrijving van het bijzonder Oordeel niet strijdig,
volgons dowelko er daa•· eene bepleiting doo•· den duivel en dom· den Engclbcwam·dc•· zou geschieden; want dit wordt slechls gezegd om hot Oordcel, dat op ccnen oogwenk gceindig&lt;l wordt, ons op cene zinncbeel&lt;lige
wijze voor te stellen, en hot ons 1.00 gcmakkolijker to leeren kennen. Zulk
"eene beschrijving vindon wij zolfs in de HH. Vadors.

�1326

V!JFDE DEEL. -

4) sto LES, 4de YR.

Dat niemand, die gebo1•en is, ham· lum ontgaa.n; 't is te
.1.eggen, dat ~lie menschen de Dood moeten lijden, or dat rle Dood.
algem~en is. Er rnoet echter aangestipt worden, dat de Veropenbaring ous niet klaar Jeert of de menschen .. die op het oogenblik
van !Jet einde der wereld zullen lev en, de Dood zu lien ondergaan : er bestaat over dit punt eenige twij fel, gelijk wij reeds
ge.1.egd hebbeu. - Deze algcmeeuheid der Dond vloeit uit de
algemeenh'eid der erfzonde, waarvan zij een gevolg is (zie
bladz. 1185), gelijk de H. Paulus het ons l\laar en uitdruklielijk
voorstelt in zijnen brief tot de Romeinen, Jloo(dst. V.
Dat z{j ons llan overkomen, als wij !tel minsl m·eezen; dat
is, dat de tijd onze.r docd onzeker of ons onbekend is, en bijgevolg, dat wij niet weten, noch wannee1·, noch wa(W, noch !toe
wij zullen sterven. - Er ?.ijn weinig waarheden, die in het
Evangelie zoo dikwijls voorgesteld zijn, als die der onzekerheid
van het oogenblik onzer Dood : menige plaatsen van het Evangelic verhalen, hoe Christus zijne discipelen gewaarschuwd heeft,
dat de Dood mu gekomen zij_n als een dief in den nacht.
Daarenboven, de ondervinding leert ons dagelijks, hoeveel
menschen schielijk sterven, en hoe de auderen, die ten gevolge
, van ziekte tot de Dood 'komen, dikwijls zich r.elven be1lriegen
of bedrogen worden over het gevaar van hunnen staat, en r.oo
de laatste HH. Sacramenten ontvangen, ?.Onder te denken dat het
de laatste maal is, en sten·en, ?.Ondet' de rlood te Yerwachten.
3. i\Iaar waarom heeft God gewild dat het uur rler Dood om;
oubekend weze; zou het met r.ijne wijsheid en r.ijne goedheid
niet overeenkomen, dat Hij het uur onzer Dood ons kenbaar
maakte, om ons zoo voile gelegenheirl te geven van wei te sterven 1De wijsheid, de heiligheid en rle goetlheid van God Ye1·eischen
volsirekt dat het uur onzer Dood ons onbel\OJHl wer.e. Vooreerst, wisten de menschen wanneet· ziJ zouden sterven, zij zouden onbevreesd de deugd kunnen vet•laten en zich aan allerhande
zonden en buitensporigheden overleveren, verzekerd r.ijnde Ia-

�1327

ter den tijd·te hebben om boetveerdigheid te doen. Ten tweede,
de orde in de samen\eving zou daaedoor teenemaal gestoord
woeden : degenen, die den tijd hunner Dood zouden zien naderen, zouden neerslachtig en muedeloos zijn, ja zelfs dikwijls
in w~1.nhoop vallen; zij zouden hun werk veezuimen, en zich
ze\ ven en anderen tot last dienen; en zij zouden zich tevens
dikwijls in de onmogelijkheid bevinden hunuen haillle\ voort .te
zeHen, of menige contmcten aan te gaan. tlie tot hun eigen bestaail en tot het Ieven dee maatschappij noodzakelijk zijn. - In
0
een woord, indien het uur dee Dood aan de menschen moest
hekend zUn, de deug(l zou uit de wereld verbannen worden, de
ondeugd zou er als meesteres heerschen, en de samenleving zou
onmogelijk zijn. Daaeentegen de onzekerheid der Dood doet de
zonde neezen, maakt ons vlijtig om de deugd te oefenen, en
sticht de orde in de samenleving. Hierui~ blijkt dat de onzekerheid der Dood, ver van tegen de volmaaktheid Gods te strijden,
een klaar bewijs is van zijne oneindige wijsheid, heiligheid en
goedheid.

5. V. 1Vat :;wan"gheid hee{l lwt OOi·deel?

A. Ten eerste, dat een iegelijk daar zal moeten te
vool'schij_n komen; ten tweede, dat de rechter onbeweeglijk zal wezen; ten derde, het vonnis onwe-·
derroepel ij k.
l. De Catechismus spreekt ons in deze n·aag van het tweede

der vier uitersten, te weten, van het Oordeel; en hij vraagt er
over, wal zwcwiglteid het heefl, 't is te. zeggen, waarin het
Oordeel te vreezen of ve1·vaarlijk is.
2. In zijn antwoonl geeft hij drij punten, wam·in bet Oordeel
te vr•eezen _is. Ten eerste, dal een iegelijk daar zal moelen te
voo;·sckijn komen; 't is te zeggen, dat het oordeel gansch
zeker is, of dat nicmanu het l\an ontgaan. Zoowel aan· het bij-

•

�1328

VlJFDE DEEL. -

4] 510 LES, 5dc YR.

zonder als aan bet algemeen o01·deel zal nieL een mensch ontsnappen; Pausen en llisschoppen, priesters en wereldlijken, _
koningen en onderdanen, rijken en armen, rechtveerdigen en
zoJidaars, allen zonder onderscheid van rang, staat of weerdigheid, moeten voor het Oorrleel Gods !;:omen. - En waarover
zullen zij geoordeeld worden 1 Zij zullen geoordeeld worden niet
alleenlijk over eenige g1·oote daden, maar over al de gepeinzen,
de woorden ·en de werken van geheel hun Ieven, 't zij goede of
kwade. Denken wij eens na hoeveel werken wij niet doen,
hoeveel gepeinzen en begeerten wij niet hebben o"p ccnen dag,
op Mn uur; hewel! al onze werken. al onze gepcinzen en begeerLen van het oogenblik dat wij tot het gebruik cler rcrlc zijn
gekomen tot bet uur der Dood, moe!en daar, voor zoovecl zij
goed of kwaad zijn, geoordeeld worden.
Ten tweede, cl"at de 1'echte1· onbeweeglijk zal we zen; rlat
wil zeggen, dat het Oordeel Gods zal geschieden volgen:; de
regels der stl'engste rechtveerdigheid en dat God juist aan een'
iegelijk volgens verdiensten zal geven. Hier op aarde kan men
door bidden, smeeken en zuchten dikwijls een gunstiger vonnis
verkrijgen, dan men verdiend had; maar bij God lwn zulks niet
geschieden : Hij laat zich door niets bewegen. Zoolang wij hier
op aarde zijn, is Hij vol bermhertigheid voor ons, maar zoohaast wij voor zijnen _rechterstoel verschijnen, begint zijne
strenge rechtveerdigheid.
Ten derde, het vonnis onwedel'i'Oepelijk; dat is, dat bet
vonnis eens door God uitgesproken, voor altijd, tot in der
eeuwigbeid, onveranderlijk, onverbrekelijk is, of nooit zal ingetrokken noch veranderd worden. - Deze waarheid is voorzeker ten hoogste schrikwekkend : wat is verschrikkelijker
voor den mensch, tlan een vonnis te moeten ontvangen, waardoor zijn lot voor geheel de eeuwigheld bepaald w&lt;;mlt? Men
siddert en men beeft, als men llier op aarde een vonnis ruoet
ontvangen, waarvan ons lot gedurende gelu3el ons leven of ten

�VIJFDE DEEL. -

41 stc LES, 6dc VR.

1329

minste gedurende een zel;;eren Iangen tijd afhangt; maar wat
is dat in vergelijking met een vonnis dat ons lot voor eeuwig
bepaalt!

6. V. lVat zullen de verdoemde zielen lijden in de
Ilel?
A. Ten eerste, de onbegrijpelijke zware ber?oving van
het goddelijk aanschijn; ten tweede, de Imaging
van de" conscientie; ten derde, het derven van al
wat ze eenigszins zou mogen troosten; ten vierde,
den ht·and van het smertend en onblusschelijk vuur;
ten vijfcle en bovenal, de ellendige eeuwigheid.
l. Tot uitlcg van het derde uitersie, te weten. vari U.e Hel,

vraagt de Catechismus, wat zullen de 1.:erdoemde zielen lijden
in de Ilcl, of welke zijn de pijnen van de Hel der verdoemden,
dat is, van rlegenen die met ecne dadelijl;:e rloodzonde op bunne
conscientic van deze wereld gescheiden zijn. Hier is dan geene
:&gt;pmak van de kinderen, die YtH)r het gcbruik des verstands
zonder Doopsel gestorven zijn.
2. Hij noemt er vijf in zijn antwoord; de eerste is : de onbegrijpelijke zwm·c beroot,ing ·ran hqt goddclijk aanschijn;
't is te zeggen, de berooving van God aanschijn aan aanschijn
te mogcn aanschouwen, welke eene zoo groote pijn uitmaakt,
dat hare zwaarte ons verstand te hoven gaat. - Maar bier op
aarde zijn wij ool;; beroofd van het aanschijn Gods; nogtans wij
lijden er niet door : hoe zullen dan de verdoemden in de hel
door die berooving zooveel lijden? De reden hiervan vinden
wij in het volgende. Bier op aarde kunnen wij geene ecbte en
redelijke bcgcerte hebben van God getlurende dit Ieven aanschijn aan aanschijn te aanschouwen, en zoo lmn de berooving
van dat aanschouwen ons nu niet doen lijden; want het ontberen

�1330

VIJFill&gt; DEI&gt;L. -

41 ste LES, ()dO VR.

van een goed, tot lletwelk wij gecne echte en redclijl;,e bcgcm·to
llebben, kan ons niet ongelukkig maken. Tot hot aanscllouwen
van God kum;en wij hier op aarde geene ware en re(lelijke be"eerle llebben, daar 'noch de redo noch het Geloof ons dat ge"' . '
lui\ llier doet begeeren. De rede, ver van hot ons to cloen
. begt•ei'Cil, hegrijpt zelfs niet. hoe het mogelijk is, clat een geschapen wezen God aanschouwe, en zij J;,an zieh van dat aanschouwen geen klaar gedaeht maken. En wat heL Geloof bet.reft,
dit verklaart ons wel, dat het geluk van God to. aanschouwen
ons door. Gods goedheid is bestellld en (loor zijnc bovcnnatuurlijke working vergund wordt, doch niet hier op aanle maar
slechts in het ander Ieven; en het gecft ons Levens goon klaal·
gedacht van de a'angenaamheid en !Jet geluk die or ia hot aanschou\ven van God te vinden zijn : 'twelk teweeg brengt dat
het. ons geenszins O}lWekt om het aan~dlou\ven van God hier op
aarde te begeeren. - De verdoemden integendeel, door cone
verlichting hun door God gegeven, verslaan heel tluillelijk hot
oneindig geluk, dat in het aanschouwen van God to vinden is;
zij begrijpen dat dit geluk het hunne nu zou moeten zijn, rlat zij
het z51o gemakkelijk hebben lmnnen winnen, maar het door
hunne sclluld voor eeuwig hebben verloren : zij begeeren het
ten uiterste! en zij zijn et· voor ceuwig van beroofd. - llieruit
volgt natuurlijk., dat .wij bier op aaz·de niet lijden kunuen
uit hoofde uat wij God nieL zion, lerwijl de VCl'lloemden
'
.
schriklielijk door de berooving \an hot goddelijk aanscltijn
moeten gepijnigd worden. ·willen wij de zaak nog klaarder
hebbei1, wij moe ten maar op doze vergelij kiug let len ': eon zoon
des konings, die recht hebbende tot den tt:oon zijns vader:&gt;, uit
zijn rijk verbannen wordt, zal voorzcker tlaanloor zeer veel
lijden; maar een andere .zoon des konings, die 11og gecn recht
bezit om uen troon te ucklimmen, en zclfs nog geen gcdacht
heeft van de koninklijke macht en glorie, zal nict U.e minste pijn
gevoeMn, uit hoofde dat hij het rijk nog uiet bezit. Wclnu, de

�VIJFDE DEE! .. --

4JS!e J.ES, 6do ''H.

1331

verdoemden zijn in het geval van llien verbannen koningszoon,
tenYijl rlaarentegen de menscllen hier op aarde in het geval zi_in
van llien anderen zoon.
Ten tweed e. de 1m aging van de consdentie; dat is. de
inwendige zelfveroordeeling en zelfvenvijting, die in het herL der
verdoemden plaats grijpen, bij het aandenl\en dat zij hun eeuwig
geluk voor een rhvaas en nietig venuaak ve1·beurd hebben, dat
7.ij zoo gcmakkelijk konden zalig worden, en dat zij door hunne
schuld voor eeuwig verloren zijn. Die zelfveroordeeling en zelfverwijting worden Imaging van de conscicutie genoemd, omdat
zij van de conscicntie, van het geweten voortkomen, en gelijk
een wQrm hun hert getlui·ig knagen. - De7.e lu1aging der conscientie is 7.ekcr eene allergrootsle pijn; want rle ondervinding
getuigt om,, hoe wij lijden, als wij in on,; ongeluk moeten'
bel\cnnen : .. 't is door mijne schuld dat ik ongelulddg ben, ik
heh mij zelven dal kwaad aangerlaan, ik kon het zoo gemakkelijl\ onlgaan. ik heb mij uijwillig in hot ongelul\ geworpen. ··1\Ien verlie7.e hiPrbij ui t het oog niet., dat die Imaging der consci en tie veel ~chrikl\elijker is, dan wij het nu kunnen verstaan,
dewijl God het verstand der verdoemden verlicht, om hun beter
te doen zien hoe dwaas, hoe uitzinnig zij gehandeld hebben.
Ten denle, het den~en t'W1 al wal zc eenigszins zou mogen
l'i·oostcn; anderi' gezegd : de berooving van allen troost. De verdoemden ontvangen nir.t den ri1inst.en !.roost noch van God. noch
van rle Engelen en de Heiligen, noch van de duivels en de
andere verdoemden; want Gorl heeft hen tot in der eeuwigheid vervloekt en straft ze gedurig met de groot.ste pijnen;
de Engelen en de Heiligen, die den wil Gods in alles volgen,
vervloeken en verwerpen hen, gelijk God hen vervloekt en verwerpt; en de duivels en de verdoemden, gedurig opgehitst tot
haat en met de slechtste gevoelens bezield, belachen, bespotten
en vervloell.en ell\ander. - Bier op de wereld zoekt de mensch
troost in bet gezelschap van deftige, voorzichtige en wijze men-

�1332

VIJFDE DEEL. -

41 stc LES, 6&lt;1° YR.

schen; maa.r in de Hel is er geen ander gezelschap dan dat van
het verachtelijkste des menschdoms, van personen door God vervloekt, van vijanden, van al wat boos is. - Daarenboven, al hetgeen de verdoemden begeeren, wordt hun geweigerd, en wat zij
niet willen, wonH hun aandeel. In hun hert haten zij God, de
Engelen en de Heiligen, en wenschen hun allerhande li. waad,
maar zij zijn onmachtig tegen den Almogende en hun verlangen
wordt niet vervuld. Na het laatste oordeel zullen zij voor hunne
zinnen gedurig eenig vermaak zoel~en, maar in ploats van zich
in hunne zinnen te kunnen vermali:en, zullen zij er ten uilerste
in gestrafl worden : hunne oogen zullen gepijnigd worden door
de duistemissen, welke hen zullen beletten iets aangenaams te
zien, en hun alleenlijk de afschuwelijkheid der verdoemden en
der Hellaten aanschouwen; hunne ooren, door 't schromelijl;: gehuil, geween en tandengeknars der verdoemden: hun reuk, door
de walgachtigste uitwasemingen; hun smaak, door razenden
honger en dorst; hun gevoelen, door allerhande pijnigingen des
vuurs en door de berooviug van alle rust. - Eindelijl;:, de verdoemden zullen zonder eenige hoop zijn hun ongeluk ooit te zien
eindigen, gelijk wij aanstonds zullen hooren.
Ten vim·de, den b1·and van het smertencl en onblusschelijk
vuu1·; dat is, de pijn des Yuurs, dat smei'lend genoemrl wordt,
omdat het zoo hevig pijnigt, en onblusschelijh, omdat het
eeuwig zal duren.- En van welk vuur is er hiet• spraak? IIier
is spmak van een waarachtig en sloifelijk vuur; want alhoewel
de H. Kerk ons deze leering niet voorstelt als eeu punt van ons
Geloof, moeten wij ze nogtans aanzien als eene onbetwbtbare
waarheid, dewijl zij in de H. Kerk algemecn aangenomen\vorclt.
- Dit vuur dan der Hel is gelijk aan het vuur dozer aarde; maar
het heeft eenige bijzondere hoedanigheden door God gegcven, die
vereischt zijn tot het einde waat·toe het beslemd is; zooals, van
de verdoemden te verbranden, zonder ze te vernietigen; van zelfs
de zielen, hoewel zij geesten ziju, v66r het laatste oordeel recht-

�VIJFDE DEEL. -

4Jsto I,ES, 6d0 VR.

1333

streeks zonder tusschenkomst des lichaams te prJmgen; van
onblusschelijk te zijn. -Hoe zullen dan de verdoemden door het
vum· gepijnigtl worden; is het alleenlijk in hun lichaam na bet
laatste oordeel, of.wel reeds v66r· bet laatste oor·deel in hunne
ziel1 Zij zullen reeds in bunne ziel door het vuur gepijnigd
worden v66r het laatste oordcel. - En hoe kan dit geschieden;
hoe kan het stoffelijk vuur rechtstreeks eene ziel pijnigen, die
een gee:;t is? Dit laat ;.:ich gemakkelijk verstaan : de ziel kan
zeker door l~t vuur gepijnigd worden, wanneer zij met het ·.
lichaam vereenigtl is; want wanneer ons lichaam verbrand
wonlt, lijdL niet het lichaam alleen, maar Levens de ziel door het
lichaam. \Velnu, indien de ziel door het vuur lmn Hjden bij
iniddcl van haar lichaam, zoo kan God zekerlijk teweeg brengel}
dat zij door het vuur lijde zonder haar lichaam; want de medewerl;.ing die haar lichaam daar·in heeft, !;.an God, die almachtig
is, gemakkelijk door iets anders vervangen.
Ten vijfde en bovenal, de ellendigc ccuwigheicl; 't is Le zeggen, de vijfde pijn, en de meeste, is dat de straiTen der Hel
ee.uwig zijn, of nooit zullen eindigen. - Aan de pijnen der Hel
komt er dan geen einde; na duizend, na bonderd duizend. na
millioenen, na duizend millioenen jaren, zal de tijd va"n het
lijden niet mee!· afgekorl zijn dan de eersle dag. - En waarom
is die eeuwigheid der stratfen de grootste pijn? Dit vloeit hieruit,
dat zoolang m· hoop van verlossing bestaat, het geluk niet volkomen ui lgesloten is, terwijl hel onder alle betrekkingen is verloren, als die hoop niel bestaal. Eenieder zou liever de grootste
pijnen gedurende eenen bepaalden tijd lijden, dan rnindere pijnen
te moeten eeuwig uitstaan. Daarenboven, de hoop &gt;an verlossing
verzacht alle pijn, hoe groot zij ook moge wezen, terwijl de verzeker·ing van eeuwig te moeten lijden, de bitterste wanhoop
veroorzaakt en alle geluk uit het hert verbant. Hadden de verdoemden de verzekering, dat zij na milljoenen jaren zouden
verlost, of ten minste vernietigd worden, de natuur hunner

�1:334

VrJfo'llE DE!&gt; I.. -

41 810 LES, 6&lt;1° YR.

stmf zou gansch veranderd zijn, en het geluk zou in hun hert
wederkeeren.
Maar is bet redelijk dat de doodzonde door eeuwige pijnen
gestraft worde; strijdt het met de rede niet dat er tegen eene
zonde, die maar een oogenblil;. duurt. eene eeuwige straf gesteld is? Geen:szins; de redo vraagt i ntegendeel dat de doodmnde
door eene eeuwige pijn gestraft worde. Inderdaad, de pijn moet
vooree1·st in evenredigheid zijn met de zonde, of hoe grooter de
zonde is, hoe grooter de pijn moet zijn. Welnu, dll&gt; zwaarte van
bet kwaad, dat tegen God geschiedt, is oneindig groot uit hoofde
der oneindige majesteit, die beleedigd wordt. Hoe ve1'11evener
do persoon is, tegen deuwelken wij zondigen, hoe groolcr ook
onze zonde is : zoo is eene beleetliging llie legen cenen lwning
geschieut, ongetwij.feld veel grooter dan die, wellw tegen eenen
geringen ambtenaar gedaan wordt: Maar God gaal oneindig
alle weerdigheid der schepselen te hoven, en zoo is hijgevolg
de beleediging, die tegcn Hem geschiedl, oneindig g1·oot. nit
hoofde zijner oneindige weerdigheid. Indien nu. de zwaarie
der pijn aan de zwaade tler zonde moet beantwoonlen, moet
God de doodzonde met eene oneindige pijn straiTen. ~Iaar de .
mensch, wiebs lnachten niet oneindig zijn, kan bij gehrek aan
krachten, geene slraf dmgen die uit hare nat.uur oneiwlig is;
doch dewijl hij eeuwig lwn bestaan, kan hij eene straf ontlergaan, die oneindig is onder lwt opzicht van deu tijd. En daarom
l1eeft God, wilde Hij de doodzonde len volle sl.raffen, tcgeu haar
die oneindige straf moeten slellen, welke de mem;ch kan liragen. te weten, eene oneindige sl.raf onder belrek van lijd, or
eene eeuwige straf. - Ten tweede, waren de straiTen der Hel
niet eeuwig; God zoude zijne wet niei genoeg bekrachiigd
hebben, of in andere woorden, de stmf tegen de zonde doo1· God
gesteld zou niet voldoende zijn om de menschen eene zalige nees
der zonde in te boezemen en om hen van de zonde te wederhouden. De langdurigste straf immers, die wij ons kunnen

•

�VIJI&lt;'DE DEE! •• -

41 ste Ll•:S, Qde Vlt.

1335

inbeelden, is wezenlijk een niet in vergelijking met de eeuwigheid, en uerwijze zou de zondaar de straifen der Hel met reden
kunnen Yerachten ~n liever zich door .de zonde voldoen, uan die
tijdelijke straiTen vluchten : hij zou ;.:icll met recht li.Unnen
zeggen : .. ik zal wel moeten lijden; maar et' zal aan dit lijde~l
" een einde komen, en na dat einde, zal ik hetzelfde lot genieten
" als degenen die niet ge;.:ondigd hel.Jben, en oat voor eeuwig, voor
·· altijd. "Welnu, de oneindige heiligheid en wijsheid &gt;au God laat
ons niet Loe L~ veronderstellen, dat er geene genoeg;zame straf
tegen de zonde zou gesteld zijn om ue orde te slaven en de deugd
te doen l.Jloeien.-'fen derde, de eeuwigheid de1· He! is nog noodzakelijk opdat er tusschen den loon der goeden en de straf der
kwaden tlie afslaud zou zijn, welke er tusschen de deugd en de
ondcugd beslaaL God moet immers om rechl Yeerdig en heilig te
wel'l;. le gaan, dien afstand lusschen den loon der deugd en de
straf der ondeugd stollen, die er tusschen de deugd en de ondeugd
te vinden is. \Velnu, de afstand der ondeugd van de deugd is
oneindig, aangezien de zonde een oneindig lnvaad is onder bet
opzichL Yan God, die IJeleedigd wordt; en ·bijgeYolg moet er zoo- ·
veel mogelijk, een oneindig verschil zijn tusschen den loon der
goeden en de straf der kwatlen. Doell er zou daar tusschen geen
oneindig verscml bestaan, indien de I-Ielniet eeuwig ware, want
in dat geYal, zoudeu 11a eenigcn tijd, de deugd en de ondeugd op
denzelfden voet ;.:ijn, en dat voor aile eeuwigheid : de zontlaars
en de Heiligen zouden dan gedurende geheel de eeuwigheid hetzelfde lot genieten; en zou dit met de heiligheid en de wijsheid
Gods samengesteld kunnen worden? De H. Hieronymus zegt ons
hierovm· (Op Joan. Ill) : .. Indien na vele eeuwen en lange
.. tijtlen alles moest hersteld worden, en aile strijders (alle men" :;chen die op aarde geleefd heuben) dan hetzelfde lot moesten
, belwmen, welk verschil zou et· nog bestaan tusschen eene zui" vere maagd en eene slordige zondares~ \Velk verschil zal er
,, nog zijn tusschen de heilige Moeder Gods en de slachto:trers der

�1336

YJJFDE DEEJ,, -

41 810 I,ES, 6do YR.

., onkuische wulpschheid? Zult gij dan den engel Gabriel aan
, Satan, de Apostelen aan de duivels, de ware profetim aan de
., valsche, de martelaars aan de vervolgers gelijk mal\ en~ Beeldt
., u zoovecljaren in als gU wilt, en vermenigvul&lt;1igt de tijdslip" pen; indien het einde van allen (van goeden en kwaden) het, zelfde moet wezen, hetgeen voorbij i:-: (het lijden dat reeds is on, derstaan) wordt niet meer gerekenrl, want wij zien niet na, wat
, wij geweest ?.ijn, maar wat wij eeuwig 1.ijn ?.Uilen. " - En men
brenge hiertegen niet in, dat, indien God in de He\ Yergifl'enis na
uitboeting sehoul\, de ondeugd geene ondeugd meer zou wezen;
want wij hebben juist bewezen dater, na den proeftijd door God
gestclrl (en deze proeftijrl is, gelijk bet Geloof ons leerl, door God
bepaald tot dit aardsche Ieven), geene plaats voor uitboeting en
vergifl'enis meer lmn zijn, zonder dat de ondeugd en de deugd op
denzelfden voet gesleld worden : }Ja den proeftijd door God
gesteld moet het lot dergenen die beproefd geweest ?.ijn, om~er­
anderlijk wezen, want anders, gelijk wij gezegd hebben. zou er
tusschen den loon der deugd en de stra( der 1.0nde rlie afstand
niet meer bestaan, welke er tusschen de deugd en de ondeugd is.
Moest ooit, na den proeftijd door God bepaald, de onkuischheid
en de zuiverheid, de rechtveerdigheid en de onrechlveerdigheid,
de haat en de liefde, de hooveerdigheid en ddil ootmoedigheid
hand aan hand gaan en op denzelfden troon zetelen, de proeftijd
zou van geener weerde meer zijn, en de deugd zou misacht
worden.
Nopens de pijnen det· He! is er nog op te· merken, dal &lt;fe berooving van het goddelijk aan~chijn pijn van schade (verlies)
genoemd wordt, omdat ?.ij in een waar verlies bestaat; terwijl
de straf van het vuur den naam draagt van pijn van gevoel,
(dat is, pijn die onder de zinnen valt).- De HH. Vaders leeren
ons dat de pijn van schade in zwaarte de pijn van gevoel ver
overtreft; en dit is niet moeilijk om verstaan, als men overweegt dat het gelul\ Yan God te aanschouwen, welks verlies

�YIJFDE DEEL. -

4\Stc LES, 7dc VR.

1337

de pijn van schade uitmaakt, bovenmate alle andere goederen
.en genoegten overtreft.

7. V. Welk is de rneeste blijdscltap des Ilernels?
A. Het goclclelijk aanschijn te aanschouwen, en m
God alle goecl te genieten.
l. De Catechismus begint den uHleg van het laaiste der vier

uiter:-;len, te weten,
van den Heme\, die de plaats van belooning
.,
is. met te nagen welke de meesle bl!)"dschap is des Jfemcls; 'tis
te zeggen, waarin het meeste geluk of bet meeste goed des Hemels heslaat; want men is blijde, als men gelukkig is, en men
is gc\uk\;;ig a\s men beL goed bezit, dat men begeert : hoe meer
men bezit hetgene men hegeert, hoe gelukkiger men is; hoe min
men het bezit, hoe min gelukkig men is.
2. Hij autwoonli, dat de meeste blijdschap des Hemels is, het

goddelijk aansch{jn te aanschouwen, en in Gael alle goed te
genielen. Zij bestaat dan in doze twee dingen : a) het goddelijk
aanschijn te aanschouwen, en b) in God, aanschijn aan aanschijn aanschouwd, alle goed te genielen. Doch deze twee dingen zijn innig verbonden, dewijl het tweede, te weten, in God
atle goed geniolen, uit heL eerste, uit bet aanschouwen van het
goddelijk aanschijn, noodzakelijk vloeit.
3. Ifet goddelijk aanschijn aansclzouwcn; dat is, God zien,
gelijk Hij is, God zien aanschijn aan aanschijn, gelijk wij aanschijn aan aanschijn de menschen zion, die Lij ons zijn. - Zien
wij God op aarde niei? Neen; hie~· op aarde zien wij de werken
van God, le weten, ons zelven, de andere menschen, de dieren,
de planten, de aarde, de zon, de maan en de sterren, en uit die

..

werken Lesluilen wij wel dat m· een Opperwezen, 'twelk alles
.
gemaakt !weft, een God bestaat; doch wij zion Hem in zich zelven niet.
Maar J;;unnen wij iemand zoowel uit zijne werl;;en niet ken-

�1338

VIJFDE lJEEf,. -

41 810 I.I~S, 7do VR.

nen, als met he~ rechtstreel\s te aanschouwen ~ Dit kan geschieden wann.eer die ~ve1·J;.en zoo volmaakt zijn, als degene, die ze
gemaald heeft; maar de werken van God hehben op geener
wijze de volmaaldheitl van God zelven, en 7.00 is bet volstrekt
onmogelijk. dat ?.ij ons God docn l\ennen gelijk Hij is.
Zullen wij in den Heme! God kunnen aanschouwen door onze
eigene kmchten 1 Geens?.ins; God aileen is door zijne natuur
machtig genoeg om ?.ich zelven rechtstreeks te kunnen zien; en
de gelul\zaligen kunnen Hem alleenlijk aanschouwen, bij midrlel
' 'twelk het
van eeu bovennatuurlijk licht hun van God gegm·en.
licht de1· glorie genoemd wor1H, omdat het de oorsprong is van
de hemelsche Glorie of van het hemelsch geluk.
En hoe ?.ullen de gelukzaligen God zien, is bet door hui1 verstand aileen ofwel ook door hunne lichamelijke oogen?- Het is
alleenlijj;;. door hun verstand; want dewijl God een zuivere geest
is, kan Hij door geene lichamelijke ?.intuigen gezi~n worden.
Geli.ik on?.e lichamelijke oogen eene ?.iel of de Engelen nict kunnen zien, zoo lmnnen zij ook niet dienen om God te aanschouwen. Men denke daarom tach niet, dat onze lichamelijlie oogen
in den hemel werkeloos zullen zijn : want zij zullen het glorieus
lichaam van Christus, de glorieuse lichamen der Heiligen, 1\ie
allerschoonst zullen zijn, en tevens de vemieuwde aanle. die ook
met allen luister zal versierd wezen, gedurig aanschouwcn.
In God alle goed genielen; dat is, in God, aanschijn aan
aanschijn aanschouw(l, alles vinden en bezitten, wat ons hert
kan begeeren, en zoo door die aanschouwing ten uiterste gelukkig zijn. ·-Hoe vinden de gelul,zaligen alle goed in God aanschijn aan aanschijn aanschouwrH Al de volmaalitherlen, al de
schoonheid, al de aangenaamheid van alle schepselen. zijn op
.eene uitmuntende wij?.e in God te vinden : geen goed, geene
sci1oonheid kunnen wij uitdenken, die in God niet op eene oneindig volmaaktere wijze beslaan. Bijgevolg moe ten de gelukzaligen
in God, dien zij rech tstreeks aanschouwen en zoo bezitten, nood-

�''IJ.Io'DE DEE! .. -

41 516 J,ES, 8810 V!t.

1339

zali:elijk aile goed genieten : Hij is immers het · opperstl'l en het
volmaaktste goed mogelijk; en daarom die Hem zien, gelijk Hij
is, moeten in Hem alle goed genieten.
Kunnen wij hir.r op aarde verstaan, hoe groat het goerl is, dat
de gelukr.aligen in God genieten? Neen, daar wij nu op der.e
aarde Gocl niet l:.:ennen gelijk Hij is, r.oo kunnen wij ooli: niet
verstaan, hoe groat het goed is, dat de gelukzaligen in Hem
vinden: "geen oog ltcefl gezien, r.egt de H. Paulus (I Cor. II, 9),

" en gcen oo;· heefl gelwo;·d, en in gecn menschenhei"l is opge" komen, W(tl" God be;·eid heefi, t:oo;· die Hem lief7wbben, ., dat
is, de mensch !:.:an noch door r.ijne zinnen, noch door zijn verstand lot de hnnis lwmen van het oneindig goed, flat. God voor
zijne dienaars bereid IJeeft, of in andere woorclen, deze !:.:ennis
gaat aile menschelijl:.:e wijsheid te ho•en. - Neem al de genaegens cler werelcl le zamen, al het gelul;. dat er in de grootsle
koninldijli:~ eer en majesteit !:.:an te vinden zijn, al het vermaak
dat er in cle uitgestrektste rijl:.:clommen en in de schoonst.e, de
aangenaamste, rle liefelijk!&gt;.te l.Jezittiugen kan ger.ocht worden,
al de neugde die de wereldsche •ermaken kunnen geven, al
het aangename dat wij ons hier kunnen inheelden;- vermeerder die genoegens nog duizend en duizend maal : dit alles kan
l)oegenaamd niet in Yergelijking !:;omen met bet "geluk rles
Heme Is .. Gelijk God a! het geschapene oneinrlig oYertrefl, zoo
gaat het geluk van God aanschijn aan aansehijn te zien, al het
geluk, dat de aat·de kan geven, oneindig te hoven.

8.

y. Z.ullen alle Ileiligen gell)k z(jn 1·n glm·ie?

A. Ncen; maar elk zal hehben naar zijne verdiensten.
l. De Catechismus, na gezegd te hel.Jben, dat cle meeste

blijtbchap, de meeste glorie des Hemels bestaat in G~d te aanschouwen en in Hem aile goed te genielen, vraagt nu of. die
blijdschap, die glorie in aile gelukzaligen even groat zal zijn.

�1340

VfJJo'DH DEEL. -

41 ste LES, 8810 VH.

2. In zijn antwoord leert hij ous : a) dat zij in allen niet even
groot zal zijn; en b) hoe groot zij in eenieder zal wezen.
3. · Zij zal dan niei even grooi zijn in ail en : waarin zal het
verschil bestaan 1 Het zal hierin bestaan, dat de eenen klaarder
en duidelijker God zullen aanschouwen, en zoo ook meer alle
goed in God zullen genieten, dan d~ andet·en. AI de Heiligen
zullen God in Hem zelveu zien, maar de eene volmaakter dan de
andere; volgens dat de graad ,van hei Iicht der glorie, dat zij van
God zullen ontvangen hebbeu, meer of min groot z~l wezen; en
volgens de min of meer groote volmaaktheid hunner aanschouwing van het goddelijk aanschijn, zullen zij in God meer of min
aile goed genieten : hoe beter men immers eene goede zaak kent,
hoe meer men het goed kan genieten, dai er in beslolen ligt.
4. Hoe grooi zalnu de glorie van eenieder zijn! Elll, zegt de
Catechismus. zal ltebben naar zijne ve1Yliensten; dat is, elk
zal onn·angen volgens de hoeveelheid en de weerde der goede
:werken, die hij in zijn Ieven zal gedaan hebben, of volgens den
graad van heiligmakende gratie, die hij bezit in het uur zijner
dood; want de graad der lteiligrnakende gratie, die in ons is,
beantwoordt altijd aan onze verdiensten. Hoe meer verdieusten
de mensch. hier op aarde verzamelt, hoe meerdere graad van
glorle hij in den Hemet ;:al bek~nnen. - Maar stemt ltet met de
· rede overeen, dater tusschen de gloria dm· Heiligen verschil bestaat; ware het niet beter, dat iedereen dezelfde glorie ontvinge~
De rechtveerdigheid en de wijsheid Gods eischen voorzeker, dat
eenieder in den Hemet loon ontvange naar werl\en. \Velnu,
indlen de loon in eve1iredigheid der werken is, zoo moeten ongetwijfeld degenen, die meest gewerkt hebben, ook meest beloond
worden. Daarenboven, hadde God denzelfden loon voor aile verdiensten gesteld, Hij zoude de ledigheid, de verwaarloozing der
godvruchtigheid aangernoedigd hehben : de loon des Hemels
had de de meuschen niet meer opgewekt om meer. te doen, dan
hetgeen volstrekt noodig is om de zaligheid te bekomen.

�VJJFDE DEEL. -

41 ste LES, gdo VR.

1341

Maar indien de Heiligen niet gelijk zullen zijn in glorie,
zullen degenen, die eenen minderen graad van glorie ontvangen, daarover niet bedroe!'d zijn, en derhalve geen volle geluk
meer genie ten 1 Daarover zullen zij niet bedroefd zijn, want door
het aanschouwen van God, zullen zij verslaan hoe rechtveerdig
God in zijn oordeel is geweest, en hoe eenieder met zijn lot moet
vergenoegd zijn; zij zullen zich aan dat goddelijk oordeel alleszins
onderwerpen, en zoo niet de minste dr·oenwid gevoelen noch
eenigszins on$elukl\ig zijn. Zij zouden uit die ongelijkheid der
hemelsche belooning alleenlijk kunnen bedroefd zijn, indien zij
konden begeeren meer geluk te hebben, dan hetgeen God hun
verleend heeft, of de anderen, die meer hebben ontvangen, van
hun grooter geluk te zien berooven. Maar zij kunnen noch bet
een noch bet antler· begeeren, dewijl zij, door bet aanschouwen
der goddelijke rechtveerdigheid en wijsheid, zich geheel aan
den godclelijken wil onderwerpen.

9. V. Wat zullen de Zaligen behalve het oppet·ste goed
nog hebben?
A. Het schoon gezelschap der Engelen, de gemeenschap
van alle Heiligen, eet~e blijde gedachtenis van de

altijddurende zalige eeuwigheid.
l. Het eerste en bijzonderste goed, dat de Heiligen of de Zali-

gen in den hemet zullen genieten. is het aanschouwen van God;
maar buiten dit goett zullen zij nog andere goederen hebben,
die de Catechismus ons hier zal leeren kennen : wat zullen,
vraagt hij, de Zaligen behat·ve het O]J]Je;·ste goed nog hebben;
't is te zeggen, welke goederen zullen zij, boven bet opperste
goed, 'twelk in het aanschouwen van God bestaat, nog genieten Y
2. In zijn antwoord noemt hij er drij : a) het schoon gezel-

schap det• Engelen, b) de gemeenschap van alle Heil£gen,

�'1342

VJJI•'DE DEE!,

-

41 816 I.ES, gdo VR.

c) eene blijde gedaehtenis van de altijddlwende zalige eeuwigheid.
Het sdwon gezelschap del' Engelen; dat is, de eerlijke en
aangename sameuleving met de Engelen, die aile andere schepselen door hunne 1olmaaktheid, schoonheid en weerdigheid
overtreifen. vVij aanzien het hier op aarde als eene ware eer,
met groote, machtige en eerlijke personen te mogen handelen;
wat geluk dan moet het voor de Heiligen niet zijn de Engelen
als gezellen te hebben, die ver overtreffen al wat ilJ deze wereld
groot, machtig en weerdig is.

De gemeenschap van alle Jleiligen; dat is, de vereenigiug
en de innige vriendschap met a! de Heiligen des Hemels : met
de H. l\Iaagd l\Jaria, met lien H. Joseph, met de heilige patronen, die zij op aarde gevierd hebben, met hunne ouders, broeders, zusters en nabestaanden, Vl'ienden en kennissen, die
reeds in den heme! zijn, met geheel de ontelbare menigte van
Heiligen; die het geluk des Hemels genieten. Hier op aanle zijn
wij gelukkig eenige weerdige en deugdzame nabestaanden en
.vrienden te hebben, en met hen te mogen omgaan; maar wat
is dit geluk in vergelijldug met ltetgene, 'twelk uit de vriendschap vloeit, die ieder geluh:zalige met al de Heiligen !weft!
Daar hebben zij niet alleenlijk. eenige, maar millioenen nabestaanden en vrienden; daar hebben zij tot nabestaanuen en
vrien.den geene personen aan vele gebreken en krankheden
ondet·worpen, maar Heiligen, vrienden · Gous, die niets anders
denken, willen ofdoen, dan 'tgeen heilig en volmaakt is; daar
zijn hunne nabestaanden en vrienden geene personen van
geringen of lagen stand, maar de H. l\Iaagd Maria, die de Iwningin is van heme! en aat·de, de HH. Aposielen, en a! de andere
Heiligen, die allen tot de gmoiste eer en glorie zijn verheven.

Eene l:Jlijde gedaclttenis van de altijddunnde zalige
eeuwiglteid; 't is te zeggen, de gelul\1\ige en bijblijvende zel;.et·heid, dat zij het geluk, 'twelk zij liezitten, in zijne geheele

�V!Jlo'OE OJmi.. -

41 slo J,ES, 9d 0 \'It

1343

volbeid eeuwig zullen genieten. - Dit gedacbt der eeuwigheid
is voor hen ongetwijfeld de bron van eeue allergrootste blijdschap. Wbten de Heiligen, dat zij bet geluk, 'twelk zij genieten,
eens zouden verliezen, of vreesden zij alleenlijk dit eeus te kunnen verliezen, de Ilemel ware voor hen geen ware Heme I meer;
want het gedacht van het goed te verliezen dat men be?.it, is
zooveel te vreeselijker en te smartelijker, als dit goed grooter is.
Daarom zeggen de I-JH. Vaders, rlat de ?.ekel'lwid van eeuwig den
Hemel te blij~·en bezitten, bet toppunt is van bet geluk der
Heiligen.
De Catechismus noemt hier de goedet·en op, die de Jleiligen
in den Ilemel genieten; maar zijn e1· in den Hemel in bet midden
van die goederen geene kwalen te vinden? Geeuszins; in den
Hemcl, gelijk de 1-I. Schriftuur bet ons leerl, zal er noch ~·ouw,
noch gesclwei, noch s1!iei'l mee;· zijn, dat is, dam· zal niet de
minste li. waal, niet het minstc ongeluk meer te vinden zijn, of
er zal hoegcnaamd geene oorzaak meer zijn van eenige droefheid.
(Yei"OJie1lb. XXI, '1.)
Bijgcvolg, bet geluk des Hemels bestaat dan in verlosi te zijn
van aile ongelukken, en in de grootste goederen te genieten, te
weten, eer;;t en vooral bet aanschouwen van God, 't.welk hei
bijzondet·ste en het opperste goed is, en ook nog bet schoon ge?.elschap der Engelen, de gemeenschap van aile Heiligen en de
blijde gedachtenis de1· aliijddurende zalige ecuwigbeid; en geheel
dai geluk is zoo gwot en zoo verheven, dai ltet ons verstand
gansch te boven gaat.
:1. Hierbij is er Jto;; op te mel'l\en, dai er it1 den Hemelnog een
bijwnderc loon ?.al gegeven worden aan de mai'lelaw-s, de lee~·am·s en de maagden, omtl.at deze drij klassen Yan Hei_ligen eene
bijzondere zegepraal over het k waad behaa!tl hebben; de marlelam·s, over lle wereld, aangezien zij liever ·a! de goederen der
wcreld, zelfs het Ieven, vel'laien hell ben, dan het Geloof le verzaken; de leeraars, over den duivel die de vader is U.er leugen-

�1344

VIJFDE DEEL. -

4.1" 10 LES, lQdo YR.

taal en des bedrogs, aangezien zij de waarlleid voorgestaan en
de onwetenden geleerd hebben; en de maagden, over de begeerlijkheid des vleesclles, daar zij niet alleenlijk de ongeoorloofde
vleeschelijke wellusten maar zelfs het Huwelijk geYlucllt hebben.
4. \Vat de kennis betreft der gelul;:zalige zielen no pens de wereid v66r llet laatste om·deel, is het buiten twijfel, dat zij alles
zullen l;:ennen wat tot hen eenig betrek heeft, en dat zij ook
zeer veel zullen weten van al de aardsche schepselen. (Zie
II Deel, bladz. 506.)- Zij zullen vooreerst een ~ldaar gedacllt
hebben van geheel bet samenstel der geschapene krachten, van
de zon, de maan, de sterren, de aarde : duizend maal beter dan
al de geleerden dezer wereld zullen zij begrijpen hoc al de
geschapene krachten te zamen verbonden zijn en te zarnen werken. - Zij zullen ook al de soorten van wezens dezer aarde
kerinen; al de soorten van dieren, planten, metalen en levenlooze
stoffen, van de eerste tot de laatste; en zoo zullen zij eene allergrootste l;:ennis van de natuurlijke zaken hebben : llet bijzonderste der wetenschap is immers in de kennis der geslachten en
soorten van zaken gelegen. - Eindelijk zij zullen nog eene duidelijke kennis hebben van al de personen. zaken en daden in
't bijzonder, die tot hen eenige bijzondere betrekldng llebben,
zooals van hunne familie, van hunne vrienden, van de vruchten
die hunne goede werken op de aarde dragen. enz. Dit alles
zullen zij in 't klaarste Iicht gedurig aanschouwen.

10. V. Til'elkt gaven zullen de lichamen det· Zaligen
lzebben?
A. Ten eerste, zij zullen blink en hoven aile klaarheid;
ten tweede, vlijtig zijn en snel hoven al wat licht
en snel is; ten derde, subtiel, zoodat hen niets zal
kunnen bel etten; ten vierde en ten Iaatste, ~nster­
felijk en heel onlijdelijk.

�VIJFDE DEE!,. -

4}•lo LES, }Qde YR.

1345

L De Catechismus, om zijne leering over den Heme! te voltrekken, vraagt nu nog, welke gaven de gelukzaligen in bunne
licllamen na de verrij;r.enis zullen ontvangen. Deze vraag en bet
volgende antwoord is eene herhaling der 8510 vraag van de
l4do les.
2. In ;r.ijn ant woord leert hij ons, dat de lichamen cler Heiligen
de volgende gavcn zullen hebben :
Ten eerste, zij zullen blinllen boven alle lllam·heid; dat is,
zU zullen met lien grootsten glans versierd ;r.ijn, met luister en
schoonheid bekleed, uiLwendig en inwendig omgeven van het
schoonste en klaarste Iicht, en ook gansch doorschijnend, zoodanig dat al de uitwendige. en inwendige volmaaktheden huns
licllaams, geheel de samenstelling en al de inwendige werkingen
van hetzelve door eeniedJr op de volmaaktste wijze zullen kunnen gezien en bewonderd worden.
Ten lweede, 1:lijtig zijn en snel boven al wat licht en snel
is; 'tis te zeggen, dat hunne lichamen zonder moeite of arbeid,
zich van de eene plaats tot de andere zul1en bewegen op den
kortsten tijd, al ware de afstand ook zeer groot. Sneller dan de
bliksem zullen zij zich verplaatsen van den eenen kant des Hemels to.t den anderen, van den Heme! tot op de vernieuwde
aarde, wier schoonheid zij zullen komen bewonderen, en van de
eene plaats der aarde tot de andere.
Ten derde, zij zullen subtiel ziJn, zoodat hen nicts zallmnnen belettcn; 't is te zeggen, a) dat hunne lie ham en ?.Ullen l9ven
gelijk zuivere geesten zonder eten, drinken of slapen. (welke
werkingen ons met de redelooze dieren gemeen zijn), en zoo een
volmaakt werktuig in de handen der ziel wezen zonder ooit door
honger, dorst of slaperigheid beJel te worden van uit te voeren lletgene de ziel gebiedt; - en b) dat zij, als bet noo~ig of
betamelijk zal wezen, door een mirakel Gods de andere stotfelijke schepselen zullen kunnen doordringen, zonder gehinderd te
worden of zonder iets te hinderen, alsof zij geesten waren; en

�1346

VI.IFDE DEEI•. -- -!Isle l.ES. JQdo VR-

zoo door den tegenstand der stolfelijkc wezens niet bclet zullen
worden van ;dch te wenden en door te dringen, waar &lt;lc zicl het
wil. Derwijze is Christus bij zijne Verrijzenis met zijn subtiel
lichaam den steen, die het graf gesloten hield, doorge&lt;lrongen,
en nadien bij 1.ijne discipelen, niettegenstaanrle tbt de deuren
gesloten waren, binnengegaan.
Ten vierde en ten laatste, onsle;·(elijk en lu:cl onlijdelijk;
't is te zeggen, dat 1.ij niet alleenlijk zullen bevrijd zijn van de
dood en aile lijden, maar zelfs niet meer 7.Uilen k~mtwn ~terven
oflijtlen. Zij wllen nooit de tlood meet· ondergaan, 110ch ooit iets
lijden door 1.iekt:e, hitte, lwude, hpnger of dorst; ?.elf:&gt; zullen zij
in de onmogelijkheitl 1.ijn nog te sterYen of nog iets te lijrlen.
3. !\'len merke hiet' op, dat het lichaam door die Yier gaYen Yan
alle ongemak en gebrek zal verlost zijn, en al de hoedanighedcn
zal bezitlen die tot een vollwmen geluk kunnen gewenscht worden. Buiten die gaven zullen de lichamen der gelu !;.?.a ligen in
hunne 1.intuigen nog allerhande voldoeningen genieten : hunne
oogen 7.Ullen het allerschoonste lichaam van Christus, de glorieuse lichamen det· Heiligen, den Heme! en de Yemieuwde
aar&lt;le aanscllou\ven; hum1e ooren wllen gestreeld worden door
de \Velluidende lofzangen die de Heiligen tot God en tot hunne
gezellen zullen toesluren; een heilvol genoegen zal hun gevoel
overstroomen door de zachte en aangename voorwerpen die zij
zullen aanraken, al~ook door het_yolmaaktste wel1.ijn van al de
organen des lichaams; in hunnen mond zullen 1.ij gedurig den
zoetsten en li.eurigsten smaak hebben; en hun reuk 1.al belmgen vinden in den besten geur die niet alleen door gansch den
Hemel maar tevens op geheel de vernieuwde aarde 1.al verspreid zijn.
4. Bij de verheerlijking van de lichamen der gelul\zaligen is
nog die der aarde na het laatste oordeel te voegen, daar deze de
voltrekking is der eerste. God heeft immers gewild dat de aarde,
die de woonplaats is van den mensch, bij de verheerlijking van

�\'IJ!o'DE DEE! .. -

41 510 LES,

IQ~e YR.

• 1::!47

haren bewoner, ook verheerlijkt zou worden; en dat die stof,
waaruit de lichamen der Heiligen alsrnede dat van den Godmensch genomen zijn, aan de heerlijkheid dier lichamen deelachtig zou wezen.- Wat de schoonheid cler vemieuwde am·de
beLreft, deze zal voorzel;,er gelieel den luistei'. den glans en de
heerlijkheid Yan het aardsch paradijs beg1·ijpen, doch dit niet
aileen; in de vernieuwde am·de zullen die luister, die glans, die
hecrlijkhei(l van het aardsch paradijs hunnen hoogsten g1·aad van
volmaakthcid .beziHen en onverganl;,eiijk wezen; want het
aanlgch paradUs was maar een staat van bep1·oeving, terwijl de
vemieuwde aardc deel maakt van den onvergankelijken loon der
gelukzaligcn, en derhalve zoo volmaakt en zoo onvergankelijk
ab hct lot der gelukzaligen behoort t~ zijn. De H. Paulus stelt
om; &lt;laL heel klaar voor, als hij in bet gste hooftlstuk van zijnen
brief tot de Romeinen in eenen overdrachtelijken zin zegt, dat
geheellle scliepping, namelijk het diei·en- en plantenrijk alsmede
· al de levenlooze stoffen, zuchten en kermen omdat zij door
Adam's zonde hunne eerste heerlijkheid, door God in het aardsch
paradijs hun geschonken, hebben verloren, en hoe zij tevens
met smert naar bet tijdstip, waarop de lichamen der kinderen
Gods zullen verheerlijkt worden, verlangen, aangezien zij alsdan,
naar hunnen aard, aan die verheerlijking zullen deel hebben.
ne hovennatuurlijke en onuitsprekelijke schoonheid der vernienwde aarde is ons heel duideJijk afgeschilderd in het Boek der
Yc;·opcnbm·ing van den H. Joannes, HoofdsL. XXI,. God heeft
immers, tot troost der eerste Christenen die geweldige vervolgiJJgeu te lijden ha~den, aan den H. Joannes de heerlijkheid en
de pracht der toekomende vernieuwde aarde ill een visioen
getoond; en dit visioen wordt ous in het Veropenbarillgsboek
van den H. Joannes verhaald. - Nadat Joanne8 in een voorgaande vbioen het ei[\de der wereld en het vergaan van dezelve
gezicn had, zag hij, gelijk hij verhaalt, een nieuwen hemel (firmament) en eene nieuwe aarde; en dit geschiedde op de volgende

�1348

''IJfo'DE DEEL. -

41 sto I.ES, 10'1° VR.

wijze : Ilt zag, zegt hij, de heilige stad, ltet nie.uwe Jel·uzale-m.
uit den llemel van God nede;•dalen (d. i. ik zag uit den· hemet
van vu6r den troon Gods eene heilige sLad, eenejstad waarvan het
Jeruzalem der Joden bet afbeeldsel was, nederdalen op de am·de)

toelJe;·eicl als eene bruid die opgetooicl is ,vom· har·en man
(d. i. ten schoonste mogelijk versierd, !gelijk eene bruill die ten
besLe uitgedost is voor !mar lluwel~jl;:). En ik hoot·de eene u~·oote

stem. uit den t1·oon zcggen : zie de woonplaats Gods bij de
mensch en en Ili,j zal bij hen wonen; en zij, zij zullen
zijn volk
.
zi,jn, en God zelf zal biJ hen zijn als hun God. B:n God z-al allen
traan van hwmc oogen a{wisschen, en de dood zal niet nwe;·
zijn; noclz ''ouw, noclz gesclwei, noch smert zal e1· niet meer
zijn: want de eerste dingen zijn voo~·bij gegaan (d. i. bij het
zien van de nederdalende stad ho01·de ik tevens eenen Engel die
bij den tt·oon Gods was, en die met luider stem zegde: die stad,
welJ;:e gij daar ziet, is het afbeeldsel der woonplaats waar God te
zamen met de verrezene gelulizaligen zal verblijven en waar Hij ·
met hen zal wezen als een lwning met zijn volk, als een vader
met zijne kindet·en; en in die woonphiats zal God aan de geluk. zaligen alle vorig leed van dit aardsch Ieven doen vergeten; en
alle ongeluk, aile droefheid van daar verwijdet·en en er niets
Iaten bestaan van aile de kwalen, die ons hier op deze aarde
doen lijden). - Nadat Joannes van den eugel gehoord had, wat
die uit den hemel nederdalende stad beteekende, werd hem hetzelfde door God zelven bevestigd. En Ilij, die 01) den b·oon zat,
zoo verhaalt Joannes, zeide tot m:{j: zie, il' maak alles nieuw ...

Ik, Ik zal den dorstige uit de bt·on van ltet wale~· des levens
geven, om niet. Wie ovet·wonnen hee{l, zal dit beerven, en ik
zal zijn God, en hiJ zal ;nfin zoon zijn (d. i. God die op
den troon zat, zegde tot mij : hetgene gij daar ziet, is het
afbeeldsel der toekomende vernieuwde. aarde; degenen, die in
staat van gratie sterven, zal Ik van alle kwaad verlossen, al
hunne begeerten voldoen en met hen Ieven als een koning met

�VIJFDE DEEL. -

41 ste LES, JQdo VR.

1349

zijne onderdanen, als een vader met zijne kinderen). - Eindelijk
11a van eenen Engel en van God gehoord te hebben, wat die uit
den heme! nederdalende stad beteekende, werd Joannes in dat
zelfde visioen door·een engel op eenen ~rooten en hoogen berg
gevoerd om van daar die stad te aanschouwen; en hij beschrijft
ons wat hij er van zag. Zif had, zegt hij, de heerlijklteid Gods,

en haw· licht was gelzjk aan het kostelijk gesteente, als aan
Jaspis-steen, als kristaal (d. i. God zelve woonde in !war, en
haar onbescln~flijke lichtglans kan eenigenuate vergeleken
worden met !len glans van den Jaspis en van het J;,ristaal :
een zinnebeeld van hare glorie en van hare pracht). En ziJ

had een g~·ooten en hoogen muzw met twaalf pom·ten, en
twaalj' Engelen aan .die poo~·ten, en namen daa;·op gesclu·even, t~ellw de namen zijn van de twaalj stammen
de;· kinde;·e1~ Jsraels : (.;en zinnebeeld harer onoverwinnelijkheid, baret· volmaakte vei\igheid en barer algemeenhehl; zij be·vatte immers inwoners van geheel bet Israel Gods, van geheel
het Christen voll;,) ... En de stad lag in 't vie1·/wnt (een zinnebeeld barer volmaaktheid)... En ham· muw·we;·k was van
Jaspis-steei~. en de stacl

zelve was van goucl, aan zuive1·
glas gelijk. En de f'ondamenten van der~o. mww de1· stad
wa;·en met allerlei edelgesteenten ve1·sierd .... En de twaalf
poorten wa;·en twaal( ?Jeel'len; en ellle pom·t was eene ?Je;"el.
En de st;·aat was zuive;· goud, als do01·sc!tijnend glas (een
zinnebeeld harer eindelooze schoonheid en kostelijkheid). En
een tempel zag ik 1:n haa;· niet, toant ham· tempel is de Hem·,
de almaclttige God en het Lam; (d. i. in die sta.d zag ik geenen
tempe!, geene bijzondere plaats ~an den dienst van God toegewijd, -aangezien God en het Lam (Jezus .Chrisius God en
mensch) aanschijn aan aanschijn doot· al de gelukzaligen gezien
worden, en derwijze gedurig 6p iedere plaats der stad aanbidding, eer en lof ontvangen, en dat zoo geheel de stad een tempe!
is). En de stad heeft geene behoefte aan zon of maan om haa'·

�1350

VIJFilE llllllJ •. -

41' 10 u:s, 10~ 0 VR.

te beschijnen, want de hee;·l{jkheid Gods hee(t ham· De;·lt'cht,
en ham· lamp is het Lam (d. i. die sta~l kan zon en maan ontberen, aangezien de gelukzaligen ten 1\.laar.ste mogelijk alles
zien met God en het Lam aanschijn aan · aanschijn te aanschouwen). En hare pom·len zullen des daags niet geslolen
wol·den, want nacht zal dam· niel zijn (d. i. des daags zullen
hare pom·ten nooit gesloten worden, daar de stall allerveiligst
is; en des nachts zullen zij ooli open blijven, aangezien !let daar
altijd dag en nooit nacht zal zijn).
Joannes verklaart daarna, voor wie die vemieuwde aardo
is bestemd : niels mweins, zegt hij, zal daw· binnen gaan,

noch wie gruweldaacl en leugen doet, maw· zij alleen die
opgescln-even staan in het levensboek des Lams (d. i. niemand, die met zonde bevlekt is kan in die stad komen; zij
aileen zullen er hinnentreden, die door God en door Jezus
Christus gekeud zijn als zullende bij hun afsterven zuiver zijn
van zonde). - Geheel die st.ad dus, welke Joannes uit den
heme! heeft zien nederdalen, is, volgens de verklaring van den
Engel en van God zelven, !let zinnebeeld van de toekomende
vernieuwde aarde; en hare pracht, schoonheid en glans leggen
ons voor oogen, hoe die vernieuwde aarde uitermate prachtig,
schoon en glansrijk zal wezen. Overdenken wij dikwijls hot
geluk dat wij na de verrijzenis in ons lichaam op de vernieuwde am·de zullen genieten; dit zal ons van de zondc verwijderen en tot de deugd opwekken : het is zeker nict mogelijk, dat iemand, die aandac.htig op dat overgroot 'gcluk denkt,
het verachte en de zonde verkieze, en zich ievens uie(, emstig
op de deugd toelegge. Die toekomende gloric roepl ons immers
toe : vemcht de wereld en al wat in de wereld is, en zoekt de
toekomende goederen; daat• zult gij honderdmaal wederkt•ijgen
wat gij verlaten hebt, en dat voor eeuwig. Daarom zegdc ook
de Engel aan Joannes na llet gemelde visioen : Zalig hij die de
woorden de;· p1•o(etie van clit bock bewaart; d. i. zalig hij

�VI.IFDE DEEL. -

4JS!o J,ES, AANMERI\.

1351

die deze visioenen en leeringen indachtig is, en zijn gedrag er
naar schikt. 't Is immers op het Geloof in de leeringen en in de
beloften Gods dat geheel onze heiligmaldng moet steunen : dit
is de O'Ve1·winning, zegt de H. Joannes, I Br. V. 4, die de
wereld at•erwint, ons Geloo(; 't is te zeggen de overwinnende
kracht, die al de bekoringen en al ue machten van bet rijk der
we reid of des duive\s overwint, is ons Geloof en bet gedurig denken op de waarheden des Geloofs.
Het is nuttig hier eens op te merken, dat Christus, en
de H. Schri(l" in 't algemeen, wanneer zij van het toekomende Ieven spreken, meermaals slechts de verrijzenis der
lichamen en de glorie en het geluk der Heiligen volgens
het lichaam vernoemen. De reden hien·an is, dat de glorie
.vo\gens het ·lichaam onder de zinnen valt en derwijze tastbaarder en gemakkelijker is om te bcgrijpen, dan bet geluk
'twelk in 't aanschouwen van God bestaat.
Anumcrkingeu. 1° De dood is als straf van Adam's zonde in de
wereld gekomen, \vant God had hem gezegd (Gen. II, 17) : op
wat dag gij dam·van (van de verboden vrucht) eet, zult gij de
dood sle;·ven; en nadat Christus, in onze plaats de dood op bet
kruis \weft geleden en zoo voor de zonde heeft &gt;oldaan. is zij
op de wereld blijven beslaan, ten eintle ons te dienen tot mirldel
om ons de toepassing van Christus' voldoeningen en verdienstcn
te bckomen. Al110ewel immers Christus voor ons voldnau l1eeft,
moeten wij nog lij(\en, om aan die verdiensten deelachtig te worden; en hoe meet· wij lijden, hoe meet· Go~l ons die verdieusten
toepast. Welnu er bestaat op de wereld niet een lijden, dat zoo
hevig, zoo zw.aar en zoo groat is als de dood, want door haar verliezen wij volstrekt alles wat wij op am·de bezitten, en wij
hebben ook van niet eene andere kwaal eenen 1.00 grooteu
afschril\. naarom is de dood, als zij door den stervende met
volle ondenverping aan den goddelijken wil en met eene ware
·liefde tol God aangenomen wordt, eene allei·volmaaktste uit-

�1352

VIJFDE DEEI,. -

41 810 LES, AANMERK.

boeting zijner zonden en de oorsprong van de groolste verdiensten; en diensvolgens behoort het, dat wij de stervenden
opwekken om teenernaal aan Gods wil onderdanig· te zijn en
met voile onderwerping de clood te aanveerden, en dat wij
zelven, gevaarlijk ziek wordende, die oiferande des Ievens uit
der llerte aan God opdragen. Edoch die buitengewoon groote
verdiensten, die door de onderwerping aan bet lijden der dood
te winnen zijn, kunnen _wij bekomen niet alleen als wij de
dood wer.enlijk ondergaan, maar zelfs dagelijks ~edurende ons
leven met onze toelwmende dood uit ganscher herte, uit volle
liefde tot God i.e aanveerden, en met Hem te zeggen : " Beer, tot
, uitboeting mijner zonden en om uwe opperste majesteit te
, erkennen, aanveerd ik uit uwe hand de dood, op die wijr.e, op
, die plaats, op dien tijd dat het uwe opperste majesteit en wijs" heid zal believen. " De verdiensten vloeien irnmers uit onze
goede werl\en voor r.ooveel zij uit den wil voortkomen, en derwijze bekomen wij alreede de verdiensten van een goed -werk
met, als wij het met der daad niet kunnen verrichten, den wil te
hebben van het uit te voeren als de gelegenheid zich zal aanbieden; alhoewel wij nogtans door het uitvoeren zelfieis meer kunnen verdienen uit hoofde van den bijzonderen last dien bet werk
medebrengt. Hierom zouden wij dagelijks die oiferande van ons
leven behooren te doen, bijzonderlijk in de H. Mis, waar Christus
zich zelven voor ons slachtoifert. Deden wij dit dagelijks uit der
herte, wij zouden zoo gemakkelijk kunnen voldoen voor al onze
voorgaande zonden, gedurig· onze hemelsche kroon met nieuwe
peerlen versieren, en daarenboven in eenen zoo grooten graad de
kalmte, de gerustheid van geweten, de zachtmoedigheid en devet·duldigheid aanwinnen: want iemand die alle dagen uit ganscher
.harte aan God zegt, dat hij alle stonden gereed is om de dood
tot uitboeting zijner zonden en erkenning der goddelijke majesteit te aanveerden, zal zich voorzel\er door eenig ongelijk dat
de naaste hem aandoet, door eenigen tegenspoed of moeilijkheid

�VIJFDE: DEEL. -

41 810 LF.S, AANME:RJ{.

1353

niet Iaten storen : die wezenlijk bereid is om de dood te aanveerden, l\an ongetwijfeld geene ·moeite hebben om ue ee1ie of de
andere kwaal, veel minder dan de dood, verduldig te lijden en
met kalmte te onderstaan. :Maar, om al die groote voordeelen
daaruit te bekomen, moeten wij die aanveerding der dood met
veel aandachtigheid doen : wij moeten ons eens in onze inbeelding op ons sterfbed leggen, de dood aanschouwen en ze dan
met voile onderwerping aannemen. ·wilden wij deze oefening
getrouwelijk onderhouden, wij zouden op korten tijd tot de
•
grootsle lJeiligheid lwmen. - Daarenboven wij moeten- wel
indachtig zijn, daL, indien wij gedurende ons Ieven niet leeren
de dood met onflerwerping aannemen, wij ze ook op ons sterfbed allerwaarschijnlijkst met geene volmaakte gesteltenis
zullen kunnen aanveerden. Onze uatuur lweft te grooten afschrik van de dood, om ze in eens met volle ondenverping
aan te nemen, en bijzonderlijk nog kan men dit van onze
natuur niet verwachlen, als zij door de ziel;:te afgemat en verzwakt is. Daarom willen wij op het uur der dood ons leven
gelijk Christus uit der herte aan God l;:~nnen opdragen, wij
moeten die opdracht alle dagen leeren doen : een leergang,
die geheel onzen levenstijd duurt, is niet te veel om ons het
allerbelangrijkste werk aau te leeren van wel en lleilig te
sterven.
Uit deze leering nogtans, men stlppe bet wel aan, vloeit niet
dat de nees der dood, die aan ons zinnelijk begeerensvermogen
eigen is, slecht is of te kennen geeft dat wij aan Gods wil niet
onderworpen zijn. Neen; die vrees is ons zeer naLuurlijk, zij zal
ons steeds bijblijven en zij is geenszins slecht; maar onze wil
mag die vrees tegen Gods wil niet involgen; hij moet r,ich aan
Gocl onderwerpen en de dood nit Gods handen met liefde aannemen. Die vrees der dood treiTen wij zelfs in Christus aan; Hij
zeide immers volgens zijn zinnelijk begeerensvermogen : Mijn
Vade1·, indien lwt mogelijk is, laat deze kelk (clit lijden) 'Mij

�1354

VJJllDJ~ DEEL. -

:JI sto I.ES, :U:SMEIU{.

voo;·bijgaan; maar Hij druliJe tlaarbij aaustonds rle vohnaali.tste
onderwerping van zijuen wil uit, zeggende : noglans niel geli.Jk
Jk (volgens mijn zinnelijk begeerensve!•mogen) wil, mcuw gelijk
G(j. (i\Iatth. XXYI, 39.) En zoo moeteu wij ool\ gesteld zijn; wij
. mogen de ziekteu en de dood wei vreezen en God bidden om ze
van ons te verwijderen, maar wij moeten teven:;; met l;.almte en
ondP.rwerpiug aan God zeggen : •· Heer, niet gelijk ik wil, mam·
, gelij.k Gij. » Onllerwerpen wij ons zoo gedurig -aan God, en op
bet uurderdood,zal God ons omhelzen en ons bert met de heme!•
sche rijkdommeu verzadigen. -Ten einde de dood gemali.lielijk
te lwnnen aannemen, is het ook nu ttig op rle geschiedenis Vl!-11
Abraham te denken : OlJ Gods woord verliet lleze heilige man
zijn vaderland om in bet land te gaan dat God hem zou aanwijzen, en YOOI' die gehoorzaamheill ontving hij allerhande zegeningen. T:Iierbij moet nog gevoegd worden, dat volgens de leering van
den H. Paulus (Brief tot de Pliilippiers. II), Christus zich meest
verootmoedigd en meest verdiend heeft door het aanveerden der
dood, en dat het zonderling is voor zijne verootmoediging in de
dood des kruises, d3;t Hij dien naam heeft ontvangen boven alle
namen, en dat alle knieen voor Hem buigen, in den heme!, op de
aarde en onder de aarde. En bijgevolg met hoe grooter oullerwerping wij lle dood aannemen, hoe meer ook wij in Christus'
eer en glorie zullen deel hebben, en hoe meer wij eeuwig lof
van pod en van a! de Engelen en de H~iligen zullen onb·angen.
2° Waarom tie goellen en de kwaden op aarde gewoonlijk aan
'hetzelflle lot onderworpen zijn, en de goeden niet min dan de
kwaden veel ellenden bier te ondergaan hebiJeu, wordt ons allerli.lam·st voorgesteld in het gulden boek, De slacl Gods, van
den H ..Augustinus ..~ De lankmoedigheid Gods, zegt hij, noodigt
., de lJoozon tot boeLveerdigheid uit, en. de roede Gods daareo., tegen omlerwijst den rechtveerdige tot lijdzaamheid. Insgelijks
·• de go'etlertierenheill Gods omhelst de goeden om dezelven gena., delijk te Jwesteren; gelijk ook daarentegen de strengbeid, Gods

�V!JFDE llEEL. -

•.ll 8 to LES, A,\NMERK.

1355

" de kwaden aantast om dezelve te str,atfen. "\Vant het heeft de
., goddelijke Voorzienigheid goed geschenen in het toekomende
·· voor de rechtveerdigen zulke goeueren te bereiden, welke
·· de boozen niet zullen genieten, en van den anderen lmnL zulke
·• kwalen gereed te maken voor de goddelooz~n. door dewelke
" de goeden geenszins zullen gekwehl of gepijnigd worden. Maar
.. in deze wereld !weft Zij gewild dat het tijdelijk goed en kwaad
., beiden gemeen zouden zijn, opdaL de menschen van den eenen
" kant het tij~lijk goed niet al le begeerig zouden naslreven,
., aangezien de boozen het ook bezitten; en dat van den anderen
·· kal!t het tijdelijk kwaad op geene onbehoorlijke manier ge.. vluchi zou wor·den, daar men ziet dat zoowel de goeden als de
·· kwaden hei te lijden hebben ..... In vele dingen nogtans toont
·· God dikwijls heel klaar zijne zonuerlinge tus:-chenkomst. Want
" van den eenen kant, indien in deze wereld aile zonden open" baarlijk gesiraft werden, dan zoude men lichtelijk meenen dat
, er niets overblijft voor bet laaiste oordeel. En van den anderen
" kant, indien God nooit eenige zonden openbaarlijk strafte, dan
" zoude men gemakkelijk den ken, dat er geene goddelijke Voor" zienigheid bestaat. Insgelijks, indien God door eene openbare
,, mildheid aan sommigen die Hem om tijdelijke goederen bidden,
·• nooit iets vergunde, zoo zouden wij lichtelijl\ zeggen, dat de
" voorspoedige dingen Hem Riet aangaan; en indien Hij allen,
" die Hem om voorspoed bidden, dezen verleende, zoo zouden wij
, bij ons zelven denken, dat wij Hem aileen om dusdanige beloo" ningen behooren te dienen; en zulke manier van dienst zoude
., ons niet godvruclliig maken, maar veeleer ons hert met be, geerlijkheid en gierigheid vervullen. Daar dit z66 is, moeten
" wij derhalve, wanneer de goeden en de kwaden dezelfde straf
, ondergaan, wei indachtig wezen, hoe zij uii dien hoofde niet als
" gelijk te houden zijn,.hoewel hetgene zij beiden te lijden hebben
, niet onderscheiden is. Want daar blijft verse hi! bestaan t~sschen
., de personen die lijden, alhoewel zij nogtans gelijk staan in hetn

�1356

VI.IFDE DEE{,, -

41 810 I,ES, AANMERK.

., gene zij lijden : de deugd Em de ondeugd worden niet dam·om
., onder ellmnder zonder onrlerscheid vermengd. hoewel ?.ij de., zelfde pijn ondergaan. \Vant gelijk onder Mm :·um· het goud
., blinkend wordt en het lmf rookt; gelijk onder eenen dorschvle., gel de stoppelen verbroken worden en de lmornllareu gezui.., verd; en gclijk de onzuivm·e droesem dam·om met de olie niet
., vermengd wordt, omdat hij meL cle olie door 't gewicht van
., dezelrde pers uitgedruld wordt; alzoo beproeft, ?.uivert en hei., li~&lt;t
., Mne en dezelrde kwaal de goerlen, terwijl
. ?.ij de kwaden
., veroordeelt, verwoest e1i vernielt. In demlfde. verdrukking
., vervloeken de kwaden God en lastereu Hem, terwijl (le goeden
, Hem bidden en prijzen. Het belang Yan het lijden is dan· niet
., gelegen in hetgene geleden wordt, maar in de hoedanigheid
., yan den lijdende. Droesem en kostelijke zalf kunnen op ge.. lijl;.er wijze bewogen \VOrden; maar het een geeft eenen af., schu\velijli.en stank, en het ander eenen liefelijken reuk .,
(Boeli. I, Hoordst. VIII).

.

3. Niet zelden !wort men zeggen : indien cle straiTen der hel
eeuwig duren en zoo schrikweldi.end zijn, hoe heert God, die
van in der eeuwigheid weet, welke menschen zullen verrloemd
zijn, tlezen tot het Ieven willen roepen : hoe h; het Ieven voor
dezen nog eene gunst, nog eene weldaad der go•lclelijke gocdheid. - Om deze moeilijkheid op te lossen, behoert men slechts
te vragen, wiens ~chuld het is, dater menschen eeuwi~ verloren
gaan en verdoemd worden; is het die van God ofwel de hunne~
Het is zeker die van God niet, daar God zoo weinig: van den
mensch ei':&gt;cht om hem zalig Le maken, en tevcns zijn jitk ?.Oet
en aangenaam maalit door de menigvuldige middelen van zaligheicl die hij aan een'ieder schenkt. Gcheel de schuld moet er
van gegeven worden aan den zondaar zelven, die de zaligheid
en de middelen hem claarLoe door God aangeboclen vrijwillig
verstoot God versmaadt, en in weerwil van Gods bedt•eigingen,
de voldoening van zijnen hoogmoed en Yan zijne driften ann het

�VIJFOE OEEL. -

41 Slc LEt;, ,\A::OmRh:.

1357

eeuwig geluk tics llerneb vet·kiesL 'Velnu, maakt dit misl.Jrnik
van ltet h~ven, 't welk geheel van den wil des begunsligden afbangt. 1lal dit Ieven gcene gave mecr is! Wie zal ooit beweren,
dat een gcscltenk gecn gescbenk meer kan zijn, als de begnnsligde et• mbbruik van maakl!
De tegenstrevct·s Llringen aan en :wggen : het strijdt tegen de
liefde eene gmd aan iemand te ,·..:ricenen, als men vuurziel. dat
de begunstigLie er misbruik zal van maken en er zoo 6ngelukkig
door wonlen. Doch oak hieruit kan men niets tegen Gods goed•
!wiLl hcsluiten. lJit aangebrachtc grondstclsel ge!Llt immers alleenlijk wanneer er geene genoegzame reden beslaat om in
weerwil van tlit voorzien misl.Jruik de gunst toch te schenkeu,
dat is, wannecr cr uit lwt ge\·en van die gunst geen goed voortspruit, 't welk tcgen het kwaad opweegt. Dal God nu zulk eene
reden gchatl heefL. om alhoewcl Hij de eeuwige verdoemenis
van velen voorzag, hun nogtans het leven te schenken, is zoo
klaar dat bet schier geen bewijs vraagt. I-Iij wilde immet·s dat'
de menschen, behalve eenige uitzomleringen, om den hemel te
bekomen, zich van dien overgrooien loon weerdig zou makeu,
met lnmnen Schepper en hunnen Heer vrijwillig te erkennen en
te dienen. alhoewel zij het kunnen niet doen; met niet te zoudigeu, alhoowel zij kunnen zondigen; en deze vrijheid l.Jrengt
uoodzakelijk melle, dat de mensch zijne ziel door de zonde
eeuwig kan verliezen. Om dit besluit van den mensch door de
vrije Yerkiezing tusschen goerl en kwaad den hemel te doen
verdicnen, ui t te voeren, moest God noodzakelijk den mensch
in do mogelijkheid stellen van te zondigen.
'Vederom dringen onze vijanden aan : God, zeggeu zij, had
geene reden om den mensch in de mogelijkheid te stellen van
zich te Yerdoemen, want Hij bad geene reden, om ons den hernel
in eenen staat, die de mogelijkheid van zonden te l.Jedrijven
medebrengt, te doen &gt;erdienen, daa.r Hij ons in bet goM lwn
bevestigen en ons in dien staat den eeuwigen loon kon doen

�1358

VIJFDE DEEr•. -

4) 810 J,ES, ,AANMERI{.

verdienen; - ofwel. wilde Hij ons in de mogelijldwid stellen van
te zondigen, Hij kontoch slechts diegenen tot bet hestaan roepen,
die hunne ziel zouden zalig maken, en al de anderen. die zich
zouden verdoemen, beletten tot het bestaan te lwmen. - Doch,
zoowel het een als het ander voorstel is teenemaal ongegrond. Vooreerst, God moest geenszins ons in 't goed bevestigen. zoo dat
wij niet konnen zondigen; 'Yant zulk eene bevestiging is eene
gansch bovennatuurlijke gave, eene gave bijgevolg die God aan
den mensch op geener wijze schuldig is; want God, om wijs en
beilig te handelen, moet ongetwijfeld aan ieder ~vezen slechts
datgene geven, wat de n_atuur van betzelfde vereischt. En die
bevestiging is eene bovennatuurlijke ga"\•e, daar aile geschapene
• wezens met re~e en vers!and begaafd uit hunne natuur in demogelijkbeid zijn van te zondigen : zij kennen immers door bunne
natuur God niet gelijk Hij in zich zelven is, maar slechts voor
zoo&gt;eel zijne volmaaktheden in de schepping uitschijnen; 'vaaruit vloeit dat zij zoowel bet geschapene als God kunnen beminnen, bet geschapene aan God verkiezen en zoo zondigen. \Vie
God aanschijn aan aanschijn aanschouwt, die kanniel zondigen,
daar bij in God aile goed vindt en zoo het geschapene aan God
niet kan verli.iezen; maar niet een schepsel kan uit zijne eigene
· kracht God zien gelijk Hij is, en zoo is niet e~n schepsel uit zijne
natuur in 't goed bevestigd. - Het tweede voo1·stel is geheel
onredelijk. Moest God ilnmers slechts diegenen tot h~t Ieven
roepen, die zullen volherden, dan zoude ieder mensch, die bier
op aarrle leeft, zich zonder vrees aan de zondc mogen overleveren, verzekerd zijnde, toch wei te zullen sterven en de zaligbeid
te bekomen : 'twelk gebeel de zedelijke en werelcllijke ordc zou
storen en zelfs onmogelijk maken.
Hieruit verstaan wij gernakkelijl(, hoe klaar de goddelijke
wijsheid, rechtveerdigheid en goedheid uitschijnt zelfs in de
mogelijkheid, waarin de mensch zich bevindt, van te zondigen
en zoo in de eeuwige pijnen der he! te vallen. Dan zou onze staat

�VIJFIJE DEEL. -

4Jstc u;s, AANMSRI&lt;.

1359

met Gods goedheid, wijsheid en rechtveerdigheid niet overeenstemmen. imlien degenen. dje verloren gaan. noodzal\elijk, of
anders gezegd, zonder zich vrijwillig plichtig te .maken, in de
eeuwige verdoemenis vielen, want in daL ge';,al zoude God e~nige
menschen rechtstreeks tot het ongeluk geschapen hebben :
'Lwelk onmiddellijk met zijne oneindige volmaaldheid strijdt .
.Maar verre van iemand zonder zijne schuld tot de bel te bestemmen. geeft Hij aan allen overvloedige middelen van zaligheid :
wilden de menschen naar· de stem Gods luisteren en de zoo
gemakl;.elijl&amp; middelen van zaligheid gebruiken, die God hun
gedurig aanbiedt, niernand zou verloren gaan. Hoe bewonderensweerrlig is onder andere de goedheid Gods tot de zondaren niet,
welke ons in de parabel van den verloren zoon op eene zoo treffende wijze voor oogen is gelegd. De vader van de genoemde
parabel, die zijnen zoon, (welke een ongebonden Ieven verre van
het vaderlijk huis leitlende al zijn goed verkwist had en nu door
hongersnood en ellende tot leedwezen be\vogen naar zijnen vader
terug kwam), van verre zag, en door medelijden bewogen hem
toeliep, hem omhelsde, hem den kus van vrede gaf en hem
wederom met liefde en blijdschap als ;.:ijnen ;.:oon aannam. -die
vader is God ;.:elf, die derwijze iederen wndaar afwacht, tot hem
met zijne gmtie gaat als hij nog verre is, hem toeloopt zoohaast
deze zich wil bel\eeren, hem den kus van vrede geeft en hem
wederom als zijn kind ·aanneemt. En God doet dit nieL slecllts
inwendig, maar ook uitwendig, namelijk door de priesters, die
zijne afgezanten en zijne vertegenwoordigers zijn, om in zijnen
naam de zondaren toe te loopen, hun vergiifenis door de absolutie in de Biecht te schenken, en wederom hun het kleed. der
kinderen Gods, het li.leed der heilign;ml\ende gratie te vergunnen. Aanschouwt al de katholieke priesters geheel de wereld
door verspreid; het zijn zpovele vertegenwoordigers van God
op alle de tleelen der aarde geplaatst, om in zijnen naam, .
?.ijne verlorene zonen af te wachten, en om hi.m, als zij door

�\"!Jl'DE DEHJ,, -

4JS!c LES, A.A~IMERK.

berouw bewogen llunne zonden komen belijden, vergiifenis Le
schenken en ze wederom in ltet Yaderlijk iluis te ontyaugeu.
\Vie lwn zulk eene goedlleid, zulk ·eene bermhertiglleid begrijpen ~ Zoo YUl'ig bege&lt;ft·t God de zaliglleid der menschen, daL Hij
geheel de wereld door duizenden en duizenden gezanten, die met
goddelijke macht bekleed zijn, overal en altijd de zowlaars zit
~f le wacLten, en zoohaast zij tot inkeet· Iwmen, hun den Ims
van vrede en vergiffenis geeft. Verre dan, dat God nieL good
genoeg wezejegens de zondaars. zijne bermhertiglteidjegens hen
is yerbazend groot, zelfs zoo gToot, dat niemand hot ;~on l;;unnen
aannemen, ware de zaak ons.door de goddelijke veropenbariug
zelve niet bevestigd geweesi.
4. \Villen wij wijs te werk gaan, wij moeten iedereu dag
doorbrengen alsof hij de laaLsLe ware Yan ons leYen; want elke
dag kan de laatste zijn, en een dag zal de laatste wezen, zoncler
dat wij het zul\en denli.en, &lt;l.:'l.ngezien de dood lwmt als een dief
in den nacht. Daareuboven elke dag l10eft onder het opzicht
onzer zaligmaking zooYeel weerde als de laatste, en zelf:; nog
meer, want als men door de dood OYenallen wordt, ontbrekeu
de krachten om nog Yeel Yoor God te doen : wil men wezenlijk
veel verdienen Yoor den hemel, 't is nu, terwij l men gezond is,
dat men zich op de deugd moet toeleggen. Om elkeu dag ab den
laatsten onzes Ievens door te brengen. behooren wij alle dagen
ons de vier uitersten voor to stellen, gelijk wij ze op ous slerfbed in 't ldaarste Iicht zullen beschouwen. Gaan wij eerst tot de
dood, en vragen wij llaar wat er te denken is ''an het aardsche Ieven, van de glorie, eer en fortuin dezer wereld en Yan
al de wereldsche vermaken. Gaan wij daarna tot het oordeel,
~n stellen wij daar deze vraag : indien ik heden moest sterven,
wat ~ou ik nu van mijnen staat denken, wat zou ik vo6r mijne
dood willen- veranderen. Laat ons van het oordeel tot den
.~oord der hel gaan; aanschouwen wij het vuur in lletwelk de
- verdoemden branden, en vragen wij daar, wat or van de dood-

�VIJl•'DE DEE!-. - · 41 510 LES, SLOT.

1361

zonrle te denll:en is .. Gaan wij ook eens tot den IJool'd van het
vagevuur, en vragen wij aan dat vuur, hoe wij over de dagelijksche zonde moeten oordeelen, en voor onr.e schulden voldoen.
Eindelijk verlleffen wij de oogen ten hemel; aanschouwen wij
beL oneindig geluk dat de gelukzaligen daar genieten, en de verscbillige plaatsen die daar bereid zijn vom· de versrhillige graden van verdiensten; en vragen wij, hoe wij moeten zorgen om
door de zonde dien schoonen hemel niet te verliezen, en om gedurig door ~ocde werkeu eenen hoogeren en hoogeren graad
van gloric te bekomen. Deden wij dagelijl;:s dat bezoek aan de
vier uitersten, en \'l'aagden wij dagelijks hunnen raad; wij zouden ongetwijfeld een onbevlckL lm·en leiden, eeHe heilige dood
sterven, en cene allel'schoonste kroon in den hemel ontvangen.
·· Gedenk aan uw uile~·ste, zegt de H. Schrift (.Heel. Jloofdst .
., XXVIII, G-0}, .... denk op hel bede1'!' en de clood, en blijf' de

·· geboden ·volgen; denk aan de Vl'ee::c Gods ... denk aan hel
.. 1'e1·btmd des ;tlle1·hoogsten . .,
SLOT.

Geheel de CaLechismus, tlien wij komen uit te leggeu, is het
kort begrip van de goddelijke Veropenbaring, van de leering
dcr goddelijke \Vijsheid, die van haar zelve in de H. Schrift
(Eccl. XXIV, 2·1 en volg.), zegt : Ik ben de moede;· de;· edele

liefde, en de;· godvi·cezenlteid, en de1· kennis en de1· heilige
hoop. Bij mij is alle genade-ltulp lot den weg de;· waa;·lteid;
bij mij is alle hoop op_ leven en deugd. Komt tot mij gij
allen, die 1Uteu· 1nij ·ve;·langt, en ·ve1·zailigt u aan mijne
vr·uchlen; want mijn geest is zoele;· dan hom{; en mijn
bedt gaat lwnigzeem te boven .... Die mij elen ::ullen nog
lwngeren, en die mij cb·inken zullen nog do;·slen. Die naw·
m.ij luiste1·l, ::al niet beschaamd wm·den, en die mij in
oefcning br·engen, ;;ullen niet zondigen. Die mij VCi'li,lcwen,

·.

�1362

VIJI'DE DEEL. -

SLOT.

zullen het eeuwige leven ve1we1·ven. Dit alles is het boek
des levens en lzet verbond des Allerlwogsten en de kennis
der waarheid.
WIE DEN BEER VREEST, NEEI\1T ZIJNE LEERING AAN, EN DIE HEM
NEERST!li DIENEN, ZULLEN GEZEGEND ·woRDEN (1!/ccl. XXXII, 18).
-

EEN VERSTANDIG l\IAN HAAT DE WETTEN EN DE GEBODEN

NIET; ••. HIJ GELOOFT AAN GODS WET (Eccl. XXXIII, 2, 3). DES HEEREN OOGEN ZIJN GERICHT OP DIE HEll! VRli)EZEN ; HIJ IS
BUN EEN"MACHTIG VERDEDIGER, EEN STERiill STEUN; .... HIJ VER-

HEFT DEZIEL EN VERLICHT DE OOGEN; HIJ GEEFT GENEZING, EN
LEVEN, EN ZEGEN (Eccl. XXXIV, 19, 20).
DIT IS DE LIEFDE TOT GOD, DAT WIJ ZIJNE GEBODEN ONDERHOUDEN.

EN ZIJNE GEBODEN ZIJN NIET ZWAAR.••. DIT IS DE OVER WINNING,
DIE DE WERELD OVERWINT : ONS GELOOF (I Joan. V, 3, 4).

�HET ROOMSCH-KATHOLIEK GELOOF
in 't l~ort bewezen .

•

Inlci&lt;ling.

l. Gelooven is iets voor waar aannemen op iemands getuigenis. Zoo gelooft men ~enen mensch, als men, om reden zijner
kennis en zijner waarachtigheid, voor waar aanneemt hetgene
hij verhaalt. (Zie l'm·klw·ing, I Deel, 3dc lcs, bl. 45).

2. Om iemands g:etuigenis redeli.fk te gelooven, moeten wij
weten:
a) dat hij wezenlijk bestaat, tot ons kan spreken, en geloot'
weerd.ig is, als hij tot ons spreckt:
b) dat hij wezenlijk tot ons gesproken heeft;
e) welke juist zijne getnigenis is.
Ontbrak eene van deze voorwaarden, ons geloof 1.ou ongegrond
of onredelijk zijn.
:3. Nu. wij Katholieken, wij nomen aan of gelooven, als het
woord Gods en op Gods getuigenis, de veropenbaring -- die
Christus, 0111.0 Zaligmaker ons gedaan heeft, - die in de
H. Schrift en in de Overlevering besloten ligt, - en ons door
de Roomsch-Katholieke Kerk, op eene onfaalbare wij?.e, wordt
voorgehouden.

4. De waarheid dus van bet Katholiek Geloof bei·ust op doze
vier punten :
a) dat God bestaat, dat Hij ons eene veropenbaring kan doen,
en ten ~oogste geloofweerd.ig is, als Hij tot ons spreekt;

�13G4

HET ROmiSCII-KATIIOL!EK GEI.OOF

b) dat Hij ons door Christus wezenlijk eene veropenbaring

gedaan heeft; .
c) dat de leering van Christus, volgens zijne instelling, in de
H. Schrift en in de Overlevering werli.elijli. besloten ligt;
.d) dat Christus eene Kerk !weft ingesteld, om ons zijne leering op eene onfaalbare wijze voor te houden; en dat die Kerk
de Rooms~h-Katholieke Kerk is. - Door de twee schatten,
waarin Christus' leering besloten ligt, en door de voorhouding
der n.· I~erk weten wij welke juist de veropen~aring is ons
door Christus gedaan.
5 . .Ieder geloovige beli.omt zonder moeite de overtuiging van
de waarheid dezer vier punten en bijgevolg van de waarheid
zijns Geloofs.
Dat er een opperwez~n, een God bestaat die alles gemaakt
heeft, dat deze God OilS eene veropenbaring kan doen, en dat
Hij, tot ons sprekeude, ten hoogste geloofweerdig is, dat begrijpen allen die tot de jaren van verstand gekomen zijn. 1mmer::: bij het aanschouwen der wereld, ve.rklaart ons de rede
heel duidelijk. dat er eene eerste oorzaak bestaat waar de
wereld geheel van afhangt, en ~at die eerste oorzaak aller dingen. op eene onmeetbare wijze, al de volmaaktheden der wereld
te boven gaat, aile macltt bezit om ons eene veropenbaring te
doen, en. dit doende, ten hoogste geloofweerdig moet zijn.
Verder, dat God ons door Christus heeft gesprol\en, dat
Christus'leering in de H. Schrift en in de Overlevering is bevat,
dat Christus eene Kerk heeft ingesteld om ons zijne leering op
eene onfaalbare wijze voor te houden, en dat die Kerk de
Roomsch-I\atholieke Kerk is, dat kan eenieder, ten minste in
de Ianden waar bet Geloof heerscht, zoo gemakl\elijk weten
als welke de !eden zijn en de geschiedenis zijner familie,
welke de oorsprong· is, de uitgestl'ektheid en het bestier van
zijn land. wat in de voorgaande eeuwen is voorgevallen. Eenieder l;:an immers over de getuigenissen, die hem nopens Cliris-

�tu~, nopcn::; d1~ geloofsbronnen en de I-I. Kerk rloor anderen
gcgcYcn worden, alsmede over de H. Kerk in haar zelve heschouwd r.oo gemakkelijk oonleelen als over de getuigenissen.
die Item nopens tijdelijke r.aken worden gedaan, eit over de
dcug1l en geloofweerdighei1l van andere personen of vergatleriugcn. - De kcnnis dus van de growlstdscls omes Geloofs is
geenszins hot uilsluitelijk eigendom der gdeerden : r.ij staal integendeel in het bcreik va11 allen die ltet gcbruik liuns -.-erslands
gekregcn helTben.
.
.
G. Doell rlcze kcnnis. die iC{ler geloovige vail rle waarheid 1le:-:
Katlwliekcll Gr•loof,; heeft, kan in hem min of meer ontwikkeltl
en uilg·elJreill zijn. le!ler mensch i:; immers ten vollc o,·crtuig1l
van hot bestaan dcr wereld, der zon en tler maan, die hij vuur
r.ijnc oogen tlag·elij ks r.ict; de gcleerdsle mensch is daarvan niet
zekenler dan een ongeleerdc; maar de geleenle lteeft eene
hrec1h"oeriget· kennis van de rctlenen, waaro[l r.ijne overtuiging rost. En ltclr.clfcle gelrlt voot· de kennis van dr waar-

heid 1les I\atholieken Gcloofs : ietler geloovig:e zict er klaarbl ijkenrl de waarheirl van, en is er ten volle van overtuigd;
maar hoc moor wij in hot. Gcloof onderwezcn r.ijn, hoe uitgehrcidet· en volmaakter onzc !;.ennis daanan zal wezen.
Der.c uitgcbreidcr kennis Yan de waarhcid des Kalholieken Geloofs. volstrekt Yercischt bij al degenen die voor amht hcbben de
andcrcn in hot Geloof to mulerwijzen en het Geloof iegen de
aanvallen det· tegenstre,·crs to venledigen. is teYens zcer nutlig YOOI' aile Christencn, om hen ltuunen godsdienst meer en
mcer to leeren hcminnen en er hen Yeel op te doen denken;·ook
nog om hen in slaat te stellen de O)l\Vcrpingen legen hun Geloo(
te wcclerleggen, en, bij gepasle gelegenhchl, de onverschillige of
ongeloovige menschen tot de waarheid te bekceren. 't Is om reden van dil algemcen nut dat w1j hier op het cinde onzer llel·-

klm·ing van den Mecltelsclwn Cateddsmus een lwrt be\vijs
stellen van de waarheid des Katholieken Geloofs. Dit bewijs ech-

�1366

HE;!' ROOAISCJH\ATHOLIEK GELOOL•'

ter, men weze het wel indachtig, dient niet om ons. van de
waarheid van het Katholiek Geloof, eene overtuiging te geven
die wij nog niet hebben; de waarheid immers van ons Geloof is
voor ons zoo klaar als de zon; maar het dient om onze lwnnis
daarvan te ontwikkelen, uit te breiden en z66 te volmaken. dat
wij in staat worden gesteld van ons Geloof te verdedigen en er
de waarheid van voor oogen te leggen.
7. Eertijds randden de bestrijders va~1 bet Katholiek Geloof
alleen de geloofsbronnen aan, of de Roomsch-Katholieke Kerk,
of bet een of het 3;ndet· punt der Katholiel;:e Leel'ing in 't bijzon·
der; maar nu bevechten zij het Geloof onder aile opzichten :
de goddeloozen immers gaan hedendaags zooverre, dat zij het
bestaan van God, of ten minste de mogelijkheid eener veropenbaring durven loochenen .. Qm ons tegen de aanvallen dezer
ongelukkigen wel te wapenen, zullen wij in 01is Bewijs die orde
Tolgen, welke hooger reeds in vier punten is aangeduid. Zijn
. deze eenen ongeloovige bewezen, dan moe1. hij noodzakelijk. wil
hij zijne rede niet verstooten, den weg des ongeloofs verlaten
en de leering van Christus door de H. Kerk voorgehouden met
volle onderwerping als het woqrd Gods aannemen.

I.

Van het bestaa.n van God, - van de mogelijkheid eener
goddeli,ike veropenba.ring en - van Gods geloofweerdigbeid.
§ 1. Van bet bestaan van God.

Als er gevraagd \y01·dt, of et· een God bestaat, verstaan aile
menschen, zelfs de goddeloozen; door het woord God een opperwezen, van wien geheel de wereld an1angi, ter zijde gesield
latende of die God Mn is in natuur en oneindig volmaakt is of

�IN ''l' 1\0R'l' llEWEZI!:N.

1367

niet : de oplossing dezer \aatste vragen behoort immers tot eene
verdere kennis der goddelijke natuur. Daarom zullen wij hier
eerst bewijzen, dat er een God is, een opperwezen van wien
geheel de wereld afhangt; en daarna, slechts in zeer weinige
woorden, dat die God Mn is in natuur en oneindig in volmaaktheid.

V. l. Hoe \VOrdt het bestaan van God door de rede
bewezen?

•

A. Dat er' wezenlijk een God IJeslaat, een opper\Vezen van
wien geheel de wereld afhaugt, bewijst ons de rede,a) uit de
natuur der werehl, b) uit de orde der wereld, en c) uit de algemeene getuigenis van het menschdom nopens het bestaan van
God.

V. 2. Bewijs het bestaan van God a) teit de natuu1·
de?' wereld.
AI de bestaande zaken die niet noodzakelijk zijn, d. i. die
niet door hunne natuur zelve bestaan, in andere wo01·den, die
zouden kunnen nict bcslaan, vragen eene oorzaak die ze tot
het bestaan geroepen heeft. Welnu de wereld met al wat zij
bevat, is niet noodzakelijk : zij zou zoowel lwnnen niet bestaan
als beslaan. Bijgevolg v~·aagt zij eene eerste oorzaak van we\ke
al de wereldsche wezens afhangeu, en die noodzakelijk bestaat;
want,IJestond deze uiet noodzakelijk, zij zoude op hare beurt van
eene andere oot·zaak afhangen en geene eer:;te oorzaak meer
zijn : deze eet;ste oorzaak noemt men God; en zoo bewijst de
natuur der wereld ten klaarste mogelijk het bestaan van God.
Er is niemand, tlie niet overtuigd is, dat al de zaken die
bestaan, waar die niet noodzakelijl;: bestaan, eene om·zaak
veronde1·stellen die hun het bestaan gegeven heeft. Eeniede1·
begrijpt immers allerbest, dat een huh;, eene vrucht, een Idee-

�1368

111;;1' !WQ)!SCH·Ii:ATIIO!.IEK GE!.OOI'

dingstul\, een brand, een moord, cen boek, en7.., daar 7.ij 7.0Uden
Inmnen niet bestaan, ongetwijfeld eene oor7.aal\ hebben, van
welke zij yoortkomen : een lwis veronderstelt eenen metser;
eene vrucht, eenen boom o!" eene plant die z.; voorlgelJracht
heeft; een kleedingstul:;, eenen kleermaker; een brand, eene
oorzaak die het 1uur !wert aangestol\en; een moord, eenen
moordenaar; een boeli:, eenen schrijver; en niemand 7.al ooit
aannemen dat een lmi:;, een moon!, een brand, een bock vanzelf, zmider oorzaak begonnen hehben te bestaan.
Dat de wereld met al de menschen, dieren, plnnten. lm·enloom wezens, zon, mmm, sterren, zee, enz. niet nooclzakelijk
bestaatof zon l\unnen niet bestaan, springt in 't oog. Elk wezen
der werelrl in 't bijzondee, elke mensch, ell;. clier, elke plant,
enz. is vooezel\er niet noodzakelijk; want wij 7.ien ze vMn· onze
oogen beginnen en eindigen; en bijgevolg Jnmnen zij niel noodzaltelijk zijn, daar het noodzal\elijke omeranderlijk moet wezen, altijd hetzelfde moet geweest: .zijn en altijfl hetzelfde moet
b!ij1en. Zoo blijft, bij voorbeeld. het Yoorslel : t1oee en lwee is
vie•·, onveranderlijk waar, omdat het noorl7.akelijk is of niet
anders .zijn kan. 'Velnu, indien elk deel der wereld nielnoodzalwlijk is, dan is ook de geheele wereld met al wat er in is niet
noodzalwlijk; want, geeft eene ver.zameling van rleelen aan het
geheel eenige hoedanigheden, die de deelen niet hebben, nooit
toch kan .zij aan !let geheel eene hoedanigheid mededeelen, die
op geener wijze in !le deelen te vinden is. Breng, bij voorbeeld,
zooveel gij wilt stolfen bijeen die geene elementen van goud
bevatten : die stolfen te zamen genomen zullen nooit cen goudstuk kunnen uitmaken. Evenmin kunnen al de deelen der wereld, die alle niet noodzakelijk bestaan, te zamen genomen een
wezen uitmal\:en dat noodzakelijk is, aange.zien zij in ?.ich niets
bevatten van hetgene tot een wezen, dat noodr.akelijk bestaat,
vereischt is.
Nog eens, de wereld,_- wij hebben het nu bewezen,- bestaat

�IN ''!' 1\0RT BEWEZEN.

1369

11iet noodzakelijk : al wat niet noodzakelijk bestaat, vraagt eene
·oorzaak; en zoo eischt geheel de werel&lt;l eene eerste oorzaak,
eenen Schepper, eenen Heer, eenen Regeerder, van wien zij
geheel afhangt, en die niet van eene andere oorzaak voortkomt;
·maar noodzakelijk hestaat. En dat de goddeloozen hier hum1e
toevlucht ·niet nemen tot eene eindelooze reeks oorzaken die van
elkander afllangen, want hoeverre men ook deze reeks uiLstrekke, toch blijft het altijd \Vaar dat geheel die reeks, zoowel
als de wereld, eene eerste oorzaak vraagt die noodzakelijk
bestaat en Y&lt;~,J welke zij afhangt.

V. 3. \Velke opwerpingen mn.ken gewoonlijk de goddeloozen tegen het voorgaande bewijs en hoe zijn
die te weclerleggen?
OpweJ·piny L. De menschen in 'l algemeen en zel(s de geleeNlen hebben e1· geen lllaar gedachl um; want, wannee1·
men !ten 'Vi"aagl dil bew.ijs voo1· te slellen, zijn bi.Jna allen in
de onmogeli,jkheid helle doen.
Oplossiny. Deze opwerping is van geener weerde; er zijn
irnmers hondenlen zaken, die wij allen allerbest kennen, maar
die wij slechts na lange sttulie en veel arbeid met woorden
kunnen beschrijven en bepalen. Diensvolgens mag men, uit de
moeite, die de menschen hellben om heL gegeven bewijs van
llet bestaan van God voor te stellen, geenszins llesluiten. dat zij
dit bewijs niet begrijpen. Zoo weet eenieller allerllcsl, wat een
persoon is, eene natuur, het llestaan, het ware, hct goede, het
schoone, de deugd, tle kunst, enz.; want, .zoowel de ongeleerden als de geleerden, gebruiken al deze zoo ,·erhevene woorden
op eene zeer juiste en gepaste wijze; maar, ais men vraagt wat
die zaken zijn, kunnen de geleerden aileen er wel op mltwoorden. De reden hiervan is, dat ons verstand met het grootste
. gemak en met de ''olkomenste zel;.erheid werli.l, wauneer 11et.

�1370

HET ROOMSCII-l{ATHOI.IEK GEI.OOl'

. door zijne natuur gedreven, de zaken beschouwt die wij door
onze zinnen opvatten : dan verstaat bet al die dingen zoo gemakkelijk en zoo ..zelier, als de oogen de kleur en _de ooren den
klank wanrnemen. Moet echter die bekomene kennis uiteengedaan .en beschreven worden, dan begint de moeilijkheid : ·
daartoe is er groote aandachtigheid des geestes en lange oefening Itoodig, en slechts diegenen, die :dell veel met studie be7.ighouden, geluklien dam·in.
Dat ellwen wel weet en overLuigd is dat, hetgene niet noodzakelijk is, eene oorzaak vraagt, en dat de wereld :n'iet noodzakeIijk is; blijli.t heel klaar uit het.gene de menschen dagelijks doen :
zij zoeken gedurig de oorzaak van alles water op aarde geschiedt
of bestaat: zij zoeken den dader van eene diefte, eenen moord of
eenig auder kwaad; de ~·eden van den"goeden of slecl1ten uitslag
van hunnen handel, van hun werl1., van den gelukkigen or
ongelukkigen toestand der staatszalien : in Mn woord, van
's morgens tot's avonds passen 1.ij in hunne woorden en werken
het princiep toe, dat alles wat niet noodzakelijk is, eene oorzaak
veronderstelt, en dat de wereldsche dingen niet noodzakelijk
zijn : niet een princiep wordt, zooveel als dit, van geleerden en
ougeleerden gebruikt. - Men· begrijpt dus Iicht hoe de menschen, zonder bette willen, enkel door hunne natuur gedreven,
zich afvragen, van waar geheel deze wereld lwmt, en dat zij
derwijze noodzakelijk God vinden en liennen. Daarom zeggen
wij, dat al degenen, die het gebruik huns versiands hebben.
zonder studie het bestaan van God kennen. Eenieder is van het
bestaan van. God z66 overtuigd, dat de goddeloozen in Imnne
manier van spreken, zelfs tegen hunnen wil, het bestaan van
een opperwezen erkennen.
Opwetping :J.:J.. De menschen kunnen gewoonlijk m~et anttooorden op de opwm·pingen die tegen het gegeven bewijs
gedaan WO'rden.
OpZossing• .Om volkomene zekerheid van iets te llebben, moet

�IN 'T KORT fiEWEZEN.

1371

men niet in staat zijn, at de opwerpingen te wederleggen die
er kunnen tegen gedaan worden. Zoo, bij voorbeeld, wie zou
c:lurven beweren dat de menschen in 't algemeen niet overtuigd zijn van het bestaan der zon, der maan en der wereld,
omdat zij de opwerpingen niet kunnen wederleggen die men
tegen deze waarheid kan mal;: en 1 De red en hiervan is dat de
oplossing van opwerpingen de ontleding veronderstelt onzer
k.ennissen en dat alleen geleerde en welgeoefende menschen in
staat zijn hnnne kenrussen te ontleden.

V. 4. Bewijs het bestaan van God b) uit de orde die
wij in de \verelcl aantreffen.
A. Waar orde en bijzondel'lijk standvastige en uitgestrekte
orde is, daar moe~ eene verstandige oorzaak verondersteld worden, die deze onle heeft leweeggebracht. Welnu, op de wereld bestaat, zoowel in den samenhang der wezens als in' ieder wezen
afzonderlijk, de schoonsle orde. Bijgevolg moet· men veronder.stellen dat deze orde van een Yersta.ndelijk wezen voortkol!lt.
Zulk een verstandig wezen, dat de oOt·sprong )\an zijn dezer onle,
is op deze wereld niet te vinden, en daarom moelen wij besluiten dat er eon opperwezen, een God beslaat, van wien geheel
deze wereld afhangt.
Ordc, ?.egden wij, en bijzonderlijk standvastige en uitgestrekte
orde vei'OIHlei'Stelt eene verstandelijke oorzaak : dat is klaarblijkcnd. I-Ielloeval kan wet iets Yeroorzaken; maar, gelijk \Vij,
bij ondervinrling, met zekerheid welen, dat de zon dagelijks
in het Oosten op~taat en in bet Westen ondergaat, 7.00 weten
wij door haar ook, op'-eene onbetwijfelhare wijze, dat het toeval noch een huis, noch een slot, noch cen nurwerl;: kan rnaken. 'l'reft iel!land in eene onbewoonde streek een huis, een
uurwerk, een standbeeld, eene schilderij aan, hij zal vast en zeker niet denken dat bet tof!val .dit heeft te\veeggebracht, maa1·

�1372

HE'!' ROO~ISCil·liA'l'J-IOJ,IEK GELOOF

wel, dat er daar menschen zijn geweest of llebben gewoond.
Door dagelijksche en algemeene ondervinding weten wij heel
wei, dat bet toeval geenszins in staat is om eene ware orde in de
wereld te veroorzah:en, en wij hebben daar dezelfde zeket·heid
van als van de ontoereikendheid van de krachten der natuur om
eenen doode te doen verrijzen. Te recht dus besluiten wij tot bet
bestaan eener verstandige oorzaal&gt;, overal waar wij orde en
bijzonderlijl~ bestendige en uitgebreide orde vinden.
D~t er in de wereld, zoowel ondet' bet opzicht van den samenhang der wezens als van ieder wezen in 't bijzond'~r, eene zeer
~ volmaakte orde bestaat, l&gt;an niemand betwisten. Vooreerst, wat
den samenhaug der wezens betreft : de levenlooze wezens, zooals de aarde, de Iucht, bet Iicht, de warmte, dienen tot nut der
plan ten; de levenlooze wezens en de plan ten, tot nut ~er &lt;lieren,
en de levenlooze wezens, de planten en de di~ren, tot nut van
den mensch, zoodanig dat alle wezens ten volmaali.tste aaneengeschakeld zijn. Zelfs de wilde dieren zijn den mensch nuttig, daar zij bestemd zijn om de vermenigvuldiging van nndet·e
dieren in evenwicht te houden of om bedorvene lichamen uit
den' weg te ruimen. - Wat nu de onle aangaat in ieder wezen
in 't bijzonder, deze treft terstond al deg~nen die er eenigszins
hunne aandacht op vestigen : hoe bewonderensweerdig toch zijn
de krachten en de eigendommen der vaste, rlet• vloeibare en
der luchtvormige stolfen! Hoe vernuftig zijn onder elkander verbonden de wetten de~ zwaarte, der warmte, des licllts, der
mekaniek! Hoe volmaakt is iedere plant, van den reu:;achtigen
eik tot het kleiuste grasje; ieder dier, van den slerken leeuw tot
het zwakste wormpje; hoe volmaakt ook en vooral is het menschelijk lichaam ingericht om zich te ontwikkelen en volgens
zijne bestemming te Ieven! Wat is het kunstigste uurwerli. in vergelijking met die bewonderi.Jare aaneenschakeling der organen
van de planten, van de dieren en van bet menschelijk lichaam!
En kan een ltuis, ee11 uurwerk, een boek, om de orde llie er

�IN 'T KOrt1' BEWF.ZEN.

1373

in hecrscht, geenszins aan het toeval, maar slech ts aan eene
verstandige oorzaak t.oegeschrcYen worden; rluizenrlmaal, oneindig min kan gcheel de verbazcnde orrle der werclrl het uitwerksc\ des toeva\s z:.)n. Te reeht. naagt de Heidenschc schrij&gt;er
Cicero aan de godrleloozen : " Indien het toeva\ gehee\ de \vereld
" hceft kunnen vm·men, hoe heefl hel noch eenen tempe\, noc\1
" ecne poort, noch ecn hub gcmaal\t. ncze wel'lwn zijn loch
·• Yce\ gemakl\elijker rlan het vorme11 van het heelal. ··
T&gt;e onle ric~ weeeld rloet ons clan tnt ccne Ycestanrlige oorzaak
bc~luitcn; welnu er beslaat op rle werehl. gclijk de goddcloozen
zeiYen hel. bekennen, niet Mn wezen dat mach!: en verstmal genocg lteeft 0111 het heelal t.e vor1nen gelijl\ het. is; en bijgevolg
doet r\e orde riCJ' wereld ons tot: hel bestaan eene1· eersle oorzaak
va11 welke geheel de wereld afhangt, tot het heslaan dee godheid
hesluilcn.

V. 5. \Vu.t brengen de goddcloozcn tegcn clit bcwijs in?
A. Oplt-'(!i'piny. l/etr;een de onde;Tindhl,q, :;eggen de goddeloo:;en, ons r;etuigl um de uilwe;·ksels ?t;elke hcl toeval
lwn ltcbbcn, gcefl ons geenc rol!WiiiCW' :;ekahcid nopens
dr..zes machl. TVaar dit nn niet toe bcli1caam is, daw· kan
hel ccdijds toe bekwaa;n gewcest :;t}'n ; de naluw·tcellen
£mme;·s z1jn niet om:er·audc;·li,jl~.
Optossiny. De natuurwetten, wel is wa~u', zijn niet onveranderlijk, gelijk hij voorbeeld de waarhr.id tu:ee en twee is ·de;·

onveranderlijk is, want doo;· een mz&gt;akel Gods J;.an er wel iets
tegen gcschieden. Zoo, hij voorbeeld, :-taat de zon volgens denatuurweltcn rlie wij door de ondel'\·inrling kennen, dagelijks op;
maar floor een miral\el Gorls zou het we\ eens kunnen gebeuren,
· dat zij niet opstaat. De goddeloozen echter, men begl'ijpt heL.Jicht,
lnmnen nit eene dusdanige veranrlerlijklleid tier nat.uurwetten die
alleen door de tusschenkomst van God mog;elijk is, geen het minsle voordeel trekken voOJ' hun slelscl en heweren dat het. toe&gt;al

�1374

HET ROOMSCII·KATIIOLIEK GE!.OOF

eertijds dingen beeft ·kunnen veroorzaken, waar het nu niet
meer toe in staat is; want God, volgens hen, bestaat niet en aileen de blinde natuur, die zich zelve niet veranderen kan, is de
oorsprong alter dingen.

V. 6. Bewijs het bestaan van God c) 'uit de algemeene
getuigenis van het rnensclulom.
A. Al de menscben van alle tijden en van aile Jlalii:in erkenneu bet bestaan van God. \Velnu deze algemeene getuigenis kan
op niets anders gesteund zijn dan op de klaarblijkelijkheid en
de volkomene zekerheid dezer waarheid; en zoo dient zij rechtstreeks om het bestaan van God te bewijzen.
Dat al de menschen van alle naWin en van alle tijden het
bestaan van God erkennen, is buiten twijfel; want overal, zelfs
bij de wildste volkeren, aanroept men een opperwczen in den
tegenspoed en bidt men het.om gunsten. Dit bekenden reeds de
Heidensche schrijvers en onze goddeloozen durven bet niei betwisten. Er zijn, wei is waar, menschen gevowlen geworden, die
bet bestaan van God volstrekt loochenen; doch zij zijn in zoo
klein getal dat zij, met degenen die God erkennen vergeleken,
. geene aandacbt verdienen; daarenboven, gelijk geleerde Heidenen en ongeloovige geleerden bet bekennen, zij loochenen God
enkel met den mond, en niet met het hert.
Hoe die algemeene getuigenis des menschdoms op niets anders
dan op de volkomene zekerbeid van bet bestaan van God l1.an
gesteund zijn, blijkt uit den schrikkelijken strijd llien zij te allen
tijde te onderstaan gebad lleeft van wege onze driften, die niets
anders zoeken dan door Gods wet en stratfenden arm niet
beteu~eld te worden, alsook vanwege de goddeloozen die aile
pogingen hebben aangewend om de godsdienstige gevoelens uit
de herten der menschen te rukken. Indien nu de overtuiging
nopens bet bestaan van God, in weel'\vil van dezen dubbelen

�IN ''I' KORT BEWEZEN.

1375

strijd, noch uiigedoofd. noel! zelfs verftauwd is geweest, maar
overal onwankelbaat· is blijven bestaan, zoo kan er van hare
.wo groote kracht geene andere reden gegeven worden, dan de
klaarblijkelijkheid der 7.aak. en zoo, wij zeggen het nog eens,
dient zij t•echtstreeks tot bewijs dat et· een God bestaat.

V. 7. ·welke opwerpingen doen de goddeloozen tegen
dit Bewijs?
Opwe1•pino I. llet gedacht 1'an het bestaan van God is alge-

meen geworden dom· de bcdt·iegeri.J de1· priesters en der wetgevet·s.
Oplos.•ring. De opwerping is ongerijmd; want eenieder verstaat hoe onmogelijk het is, een gedacht dat zoo hevig met de
menschelijke driften strijdt, overal en in alle tijden door bedriegerij ie doen aannemen. Eenigen, maar niet allen, Iaten zich
hedriegen, en de bedriegerij duurt nooit eeuwen en eeuwen.
Opwm·pi.ng II. De geluigmiis van het menscltdom aangaande ltet bestaan ·1xm God is van geene;· weerde : eertijds
immers e~·kenden meesl al de ·volke1·en mcnig·vuldige en verschilligc godeu.
Oplossiny. Of God bestaat, en wat Hij is, ziedaar twee verschillige vmagstuldten. De Heidenen dwaalden betrekkelijk
het iwee1le, maar niet aangaande het eerste; en het is niet
moeilijk om vatten, hoe zij allen het bestaan der godheid
erkend hebhen en Levens in zoo groote dwalingen zijn gevallen
nopens de goddelijke natuur : door het aanschouwen der wereld
wet.en wij ?.onder stu~ie of arbeid dat er een God is; maar om
van zijnc natuur iets duidelijl\s te kennen, is er veel aandachtigheid vereischt.
Uit de groote uitgestreldheid der afgoderij voor Christus'
geboorte kan. men niets te haren voordeele. besluiten; dan
alleen kan uit rlc algemcene' getuigenis iets worden bewezen,

�13i6

JIET ROOMSCI!-I&lt;:ATI!OLIEK GELOOF

als zij eene en dezelfde leering inhoudt. Welnn in bet IIcidcnclom
is niet de minste eenheid te vinden, gelijk eenieder hct bekent.

V. 8. Hoe volmaakt is God?
De rede bewijst ons heel klaar dat God oneindig volmaakt i3.
- Vooreerst is het voor elkeen klaarblijkeud, dat God op
eene uitmuntende wijze al de volmaak!heden van allc de schepselen bezit; want, gelijk de mensch. als koning dcr aanlsclw
schepselen,. al de volmaaktheden der levenlooz&amp; wezcns. der
dieren en der planten. enz., op eene uitmuntende wijze in zich
bevat, zoo bezit ook God, als oorsprong en gever van alle goed,
op eene uitmuntende wijze al de volmaaktheden -.an alle de
geschapene wezens. Dat Hij daarenboven oneindig volmaakt is,
is niet min duidelijk: want God bestaat UOf!dzakelijk, en wat
noodzakelijk be~taat, moet bestaan zooveC'l mogelUk en kan
geene Jialen hebben. Zoo, bij voorbeeld, is het overal, op alle
plaatsen mogelijk waar, dat twee en twee viei' is, dat hel geheel
meeiYler· is dan een deel ·van ltetzelve, omdat deze waarl!Cden
noorlzakelijk zijn. - Nopens tleze voorbeelden nochtans is cr
zorgvuldig op te merken, dat het bestaan van die waarheden
en datgene van Gorl oneindig verschillen : rlie waarheden hestaan niet wezenlijk, maar slechts in ·lwt verstand. tenvijl Ood
het volmaaktste wezenlijk bestaan bezit.

V. 9. 1-Ioeveel Goden zijn er?
A. Er is maar Mn God, of de goddelijke natuur ])estaat maar
eens, gelijk de rede het ons l~laar getuigt. - Indercland warcn
er verscheidene goden, zij zouden 6f ondeescheiden zijn door
hunne llqedanigheden. Of al dezelfde hoedanig·heden hebben en
slechLs naar 't getal verschillen : doch beide deze onrlersiellingen zijn onaanneemlijk. Vooreerst _is het onmogelijli: dat er twee
of meer gorlen best'lan, die onder opzicht der hoedanigheden verschillen, want als het zoo was, dan zoude de eene hoedanigh~den

�IN 'T KOR'l' BEWEZEN.

13i7

hebben, welke de andere niet zou bezitten, en z66 zouden zij
beiden niet meer oneinrlig volmaal;.t kunnen wezen. De andere
onderstelling is niet min ongegrond dan de eerste : bij wezens
die vermenigvuluigd zijn of vermenigvuldigd kunnen worden,
· moet mennoodzakelijk eene hun gemeenschappelijke natuur veronderstellen, die, door haar zelve, onverschillig is om te bestaan
of om niet te bestaan, en die, als zij begint te bestaan, door
eigenaardige hoedanigheden voltrokken wordt. Zoo, bij voorbeeld, onder de meuschen, die zeer menigvuldig zijn in getal, is
•
er eene gemeene naluur, bestaande uit ziel en lichaam, die door
zich zelve onverschillig is om te bestaan of om niet te bestaan,
en die, l.Jij iederen mensch door eigenaardige bijzonderheden
van ziel en lichaam, wam·door deze mensch van al de andere
onderscheiden is, voltrokken wordt. Welnu, de goddelijke natuur
is geenszins onverschillig om te bestaan of niet te bestaan, maar
bestaat integendeel teenemaal noodzakelijl\, en zij l;.an ook doot·
geene eigenaardige hoedauigheden voltrokken worden, daar zij
alle volmaal\lheden bezit; en bijgeYolg l;.an zij geenszins vermenigvuldigu zijn noch vermenigvultligd worden.
§ II. Van de mogelijkheid eener goddelijke veropenbaring.

Om te toonen dat God ons eene veropenbaring kan doen. zijn
er vier dingen te bewijzen :
a) Dat wij verplicht zijn God volgeus zijne oneindige weerdigheid te el'i;,ennen en te dienen, want, ware bet anders, wij zouden op ric veropenbaring geene aandacht moeten geven, en deze
zou bijgevolg gansch nutteloos zijn;
b) dat God de macht heeft van tot ons te spreken ;
c) dat de mensch de veropenbaring Gods als zullw l;.an erl;.ennen;
d) dat m· geene reden bestaat d.ie God eenigszins belet eene
veropenbaring le doen.

�1378

HET ROOMSCH·J(ATHOLIF.K GJ&gt;I.OOJ&lt;'

A.

V. Hoe bewijst ons de rede dat wij vet;plicht zijn God
z66 te eekennen en te dienen, gelijk zijne oneindige
volmaaktheid dat vereischt?
A. Deze verplichting vloeit rechtstreeks voort uit onze betrek. kingen met God. Immers, in&lt;lien God onze Schepper is, onze Heer
en Regeerder, de fontein onzer :..aligheid en ons opperste goed,.
dan moeten wij Hem eet·en met die volmaaktheden~in Hem leerkennen en met ons geheel aan Hem te onderweqien; want de
rede verplicht ons eenieders. weerdigheid ie erkennen gelijk zij
is, ons aan elken overste te onderwerpen en zijne gehoden te
-volgen, zooals zijne weer11igheid !let vereischt.
Opwe1•plng • .Alle godsdiensten, zeggen de om:e;·sc!tilhgen,

:.ijn even goed en het is gelijk welke ee;· e~l welken dicnst
men God bewi,jst, aangezien de godsdienst nicts andcr·s is dan
eene zaak van gevoel.
Oplossing. Om de onverschilligen te doen zien hoe ongerijmd
dit voorstel is, hoeft lnen hen slechts te vragen of het gelijk is
zijne ouders als zijne ouders of s\echls als vreemdelingen te
erl1.ennen; zijnen koning, zijnen meester, als zijnen lwning,
zijnen meester, ofwel als een enh:elen medel.Jurger le aanzieu en
te eeren; - of bel gelijk is de geboden der wettig-e overs ten te
volbrengen of niet te volbrengen. Ongetwijfeld vereischen 1\ie
ouverschilligen van hunne 1\inderen en onderdanen, dal deze
hun die eer geven welke hunne weerdigheid toelwmt, en humte
geboden stiptelijk onderhouden, en toch vreezen zij niet te
bevestige~ dat men God, den Vadet· der vadcren, den Koning
der koningen, den Meester der meesters mag eeren zooals men
het begeert, en met zijne geboden mag doen wat men wil. Onze plichten jegens God, zoowel a\s onze plichtenjegens onze
ouders en al onze wettige oversten, zijn, niet op het gevoel,
maar heel en gansch op de rede gesteund.

�IN 'T IWR'l' UEWEZEN.

13711

B.

V. l. Vi' aaruit volgt dat God de macht heeft eene veropenb:::wing te doen?
A. Dat volgt rechtstt·eeks uit zijne oneindige volmaalhheid,
door dewelke Hij al de goede hoedanigheden der schepselen en
al de goede hoedanigheden mogelijk in een eindeloozen graad
bezit. lndien dos de mensch bekwaam is aan elkeen zijne gedachte-n en gevoelens kenbaar te maken, dan ook is God, die 'den
mensch in vcilmaaktheid oneindig ov.ertreft, daar oneindig meer
toe bekwaam.

V. 2. V\7elke waarheden kan God ons veropenbaren ~
A. Hij kan ons niet alleenlijk natuurlijlte w~tarheden ver·openbaren, maar ook bovennatmti•lijke, dat is, zulke waarheden welke dool' een geschapen verstand noch ontdekL, noch
zelfs, na hunne vet•openbaring, begrepen kunnen worden, en
welke dam·om den naam van m.ysterien (verholene zaken) dragen. Zulke waarheid is, bij voorbeeld, de H. Drijvuldigheid, drij
personen en Mn God.
Dater voor den mensch mysterien bestaan. lm.n niet betwijfeld
worden; want het menschelijk verstand is eindig en begrensd,
terwijl God, die het voorwerp is van de kennis onzes verstands,
oneindig is en derhalve door een begrensd verstand niet kan
begrepen worden.
Hoe nu God ons die waarheden lwnbaar kan maken, zonder
ze ons ten volle te doen verstaan, is geenszins moeilijk om uitleggen : Hij kan dat allerbest met ons de mysterieuze voorwerpen, waar Hij van spreekt, voor te stellen bij middel van
Tergeiijkenissen met zaken die wij ltennen, met namelijk te
Terklaren, hoe zij aan gekende voorwerpen gelijk zijn en hoe zij

�1380

IIET ROO~ISCH·l\ATHOLIEK GELOOF

er van verschillen. 'tIs immers ook op die wijze dat de menschen
alt.yd te werk gaan, wanneer zij een ander iets moeten vom·stellen, waar deze geen geuacht van !Jeeft : zij toonen hoe die onbe!;:ende zaak gelijkt aan eene bekende, en hoe zij er tevens van
verschilt. Zoo, wanneer zij eene onbekende plant, een onbekend
gebouw van vreemde Ianden willen doen kennen, vergelijl,:en zij
deze met bekende plan ten en gebouwen, en toonen waarin zij er
mede overeenstemmen en waarin zij er van verschillen.

c.
V. l. Zijn Cl' teekenen door dew·elke wij met zekerheid
kunnen weten, dat eene leering, die ons als van God
voortkomende voorgestelcl worclt, wezenlijk van
God is veropenbaarcl?
A. Er zijn van de goddelijke veropenbaring onbetwijfelbare
teekencn, zoowel inwendige als uilwendige.

• A.) De inwendige teekenen worden vcrdeeltl in negatieve of
zulke uie door zich zelven niet stellig bewijzen, dat ee11e leering
als veropenbaard. voorgesteld, waarlijk van God komt, maar die
moeten aanwezig zijn, opdat die leering· als goddelijk zou lmnnen aanzien worden, - en in stellige, die stellig bewijzen, dat
clie leering waarlijk een goddelijken oorsprong heeft.
Tot de eerste · soort behooren de volgende teel,:enen : a) d.c
voorgestelde leering mag niets inhouden dat, wij zeggen nict
schi.jnbaw', maar - wezenli,jk in tegenspraak is 6f met de
rede 6f met onbetwijfelbare natuurlijke leerstelsels 6f met haar
eigen zelve; want Goo, die de waarheid zelve is, kan geene
valschheid veropenbaren. -b) Zij mag in haar zelve, noch in
de manier waarop zij door God veropenbaard wordL, niets bevatten dat met de heiligheid strijdt; want Gou, de opperste hei-

�1381

IN 'T KORT DEWEZEN-

ligheid, li:an niets Yoorstaan, noch iets doen, dat niet met de
g·oede zeden overeenstemt.
Tot tle tweede soort behooren de verhevenheid, de lllaw·-

lwill, de volmaaktlwid der leering, alsmede de schoone ovel"eenslemming van al hare deelon. Daar immers de Heidensche
wij:;geet·cn, na eeuwen en eeuwen arbeid, uiet eene godsdienstleor hebben voorgostohlllio niet vol is van recht:streeks met de
redo en met de goede zeden strijdewlo dwalingen, mogen wij
eeuo als veropenbaard voorgestelde leering uie onder alle opzichlon heilig, \~rheven en volmaakt is, als wezenlijk Yan God
veropeubaanl a~;I1Zion : kan zij onmogelijk van menschen li.omen,
dan moot zij nootlzalwlijk in God l~aren oor:;prong hebben.

JJ) no uitwcndige leekenen zijn de miiYtkclen en lie vo01'zeggi11gen. l3eide zijn ntn zull;.en aard, dat zij de waarheid
eener leering als veropenbaard voorgesteld. stellig bewijzen, eli
llat zij van aile monschen gomakl\olijk li.unncn gevat worden.

V. 2. \Vat zijn mirakelun?
A. lVondc,·lijlw leclwncn, !lie al de k;·achten de;· schcpsclen
le botcn grum, en dam· de zonde;·linge lwl]J Gods gedaan
wo;·rlcn.
Drij tlingen dus zijn lot een mirakel voreischL : a) or moet

een uilwc1~clig on buitengcwoon teekcn of work zijn; b) dat
work moet al lie macht der redelooze natuur, der menschen en
der Engelen le boven gaan, bijgcvolg door God alleen kunnen
godaan worden; c) hot moet geschieden, niet door eene gewone
working Gods, die tot de naluurlijke orde behoort; maar door
eenc builengcwone, die geenszins van de natuurlijke orde deel
maakL. (Zie 12" los, 12" \T.)
Voorbeeldcu van mirakelen zijn de verrijzenis van eenen
doode, do vermenign1lliiging van broodcn, gelijk Chrisius die
gedaan hecft, de gcnezing van allerlei ziekleu door

ccn woord :

dat immers ziju uitwcndige en, buitengewone werkeu die door

�1382

HE1' ROOM SCI! ·J{ATI!OJ,JEii GEI.OOI'

geen schepsel kunnen teweeggebracht worden, en die God verrieht, niet door eene ge,~one werking, gelijk. bij voorbeeld, het.
bestier en de bewar.ing der wereld, maar door eene buitengewone werking', die de natuurlijke orde te. boven gaat.

V. 3. Hoe zijn de mirakelen onweerlegb'are teekens
van de waarheid der veropenbaring voor dewelke
zij gedaan zijn?
A. Dat vloeit uit bunne natuur voort : wann~er een leeraar,
die zegt van God gezonden te zijn, van God een ~irakel vraagt
ter bevestiging van de waadteid zijne?·leei·ing, dan heeft dat
mirakel. indien het geschiedt. door de bepaling van den leeraar,
dey{ zin van eene bevestiging door God zelven ten voordeele dier
leering gegeven, dan heeft bet wezenlijk de kracht eener Godsspraak die ons verklaart : •· die leering is inder~laad goddelijk. "
God.echter ltan niet liegen, noch bedriegen, noch bedrogen worden; dus is een mirakel ter bevestiging eener veropenbaring
gedaan een onweerlegbaar bewijs van de waarheid dier veropenbaring.

V. 4. Welke opwerpingen doen de goddeloozen tegen
de mirakelen tot bewijs eener veropenbaring aangewend, en hoe zij n die opwerpingen te wederleggen?
.A. Opwm'Pinu I. Een mirallel,. :::egg en zij, is geens.zins eene

Godsspraak ter bevestiging van de lee1·ing ·voorwellw ltet gedaan wordt; want God, die ona(lumkelijk is, moet op den
zin, dien de ·vrager van het mi1·alwl Ci' aan hecht, geenszins
letten.
Oplossing. God, hoewel onafhankelijk van aile andere wezens,
is echter uoor zijne oneindige volmaaktheid afllankelijl,; van zijne
eigene wijsheid en heiligheid, en zoo kan·Hij noch bedriegen, noch
zondigen. \Velnu, wanneer flij tot de menschen spreekt, of iets

�IN 'T KOilT DllWEZEN.

1383

Toor hen doet, moet Hij, om niet te becb·iegen, zijne woorden en
werli.en in den zin aanwenden, welken zij bij de menschen hobben. De woorden en teekenen hebben immers hunne beteel&lt;enis uit
het gemeen gebruik, uit den zin rlien de mensch en er aan geven;
en daarom moeL eenieder, die ze gebruikt, indien hij niet wil bedriegen, dat is, niets tegen zijn gedacht te kennen geven, ze
aannemen in dien zin, welken zij bij de. menschen in 't algemeen hebben. Derhalve zijn de mirakelen, tot dewelke een leeraar zich ter hevestiging zijner leering beroept, ongetwijfeld een
bewijs van dc~waarlteid dier leering.
Opwet•pi11fl II. De mit·akelen lwnnen onmogelijk tot eene

goddelijke bevestiging eene1· vei·openbaring dienen, want de
menschen hennen geenszins de g1·enzen de;· nattturwetten,
en kwmen de1·halve nooit met zekerheicl oor·deelen of' iets
wezenl!)"k de lwachten van al de schcpselen overt1·e{l en door
zonde·i'linge hul.p Gods gedaan lcOi·dt.
Oplossiny. Er zijn, wel is waar, natuurwetten die wij of

volstrekt niet, of slechts onvolmaakt kennen, maar met de volkomenste zekerheid kennen wij menige uitworkscls die ongetwijfeld aile krachten der schepselen te hoven gaan en doot•
zonderlinge hul p Gods gedaan worden, en di t is voldoende om in
menige gevallen zondet· den minsien twijfel te beslui ten, dat iets
een waar m irali:el is.
Zoo, bij voorbeeld, zijn wij ten volle overtuigd dat een mensch
met zijne natuurlijke krachten geen gewicht vau tien duizend
kilogmmmen kan dragon; dat de heelkunst eenen doode uH het
graf niet lmn doen opstaan, noch allerhande ziekten met Mm
woord genezen; dat geeue menschelijke kunst met vijf brooden
vijf duizend menschen kan spijzen en dan nog twa~lf Iiorven
broldwlingen over hebben, gelijk Christus dat gedaan lleeft; en
nochtans zijn wij buiten staat de grenzen der menschelijke
krachl, de uitwerksels van de heelkunst en van al de andere
kunsten wei te bepalen. -- Tevet~eefs zou men hiertegen inbren-

�1384

!lET ROOMSCII-KA'l'IIOLIEK GF.LOOF

gen dat de natuurwetien vem::,lerlijk zijn, en nu uitwerksels
kunnen hebben, welke zij certijds niet hadden; want dit :&gt;trijdt
met de ondeninding die ons ten klaarste de standvastigheill tler
natuurwetteu •getuigt. Ook de rede zelve bewijst dat Go!l, om
wijs te handelen .en de wereld te schikken, de natuurwetten
OJri•eranderlijk lteeft moeten maken; waren immers·die wetten
verandel'lijl\, kon de natuurlijke l\racl1t of kulJ:--t soms de dooden
doen verrijzen, de visschen lmitell hct water docn ]C\·en, het
brood en de eet\varen vermenigvuhligen, aile ziekten genezen,
de geheele samenleving ware omvergeworpen, al $:lc we Lien en
gebruilten moeslen verandenl \Vorden, en de menschen genoten
in het dagelijksch Ieven niet de minste zekerheid meer.
OJJWC1'1Jing I.I.I.. Kunnen wij weten dat ecn uitwe;·llscl

de
knteht de;· acwclsche scltepselen ovc;·t;·cfl, wij zijn loch
nooit zehc;· dat het de lu·acht de;· Engelen. en de,· duicclcn
te boven gaal; (lerhalve kunne,! wij nooit de orc,·luiging
hebben, dat een woncle;·lijk uilwe,·ksel een mii·akeluit,;wakl.
OlJlossiug. Het is waar, de Engelen en de duivelen kunnen
werken verrlchten die de l\racht der aardsche schepselen le
boven gaan; doch zij zijn niet almachtig. Zij kuHHen nieb van
niet mal\en, noel! de schepselen nleuwe krachten gewn, en tlus
niets teweegl.Jrengen waar in de natuur geene kracltt toe be~laat.
Hierdoor aileen overtretren zij ons, dat zij meer macllt en sehranderheid hebben om de geschapene krachten toe ie passon. Yan
menige uitwerksels IJijgevolg kmmen wij alleriJest weten tlaL zij
buiten de lu·acht der Engelen en der duivelen staan. Zoo dikwijls immers er in een uitwerksel iets is, waartoe er in de
natuur geene J~orachten zijn, gelijk bij voorbeeld in hct YCITijzen
van eenen doode, in het herstellen van ledematen die ecn lichaam
ontbraken, in het genezen, bij middel van eon woord, van allerhande ziekten, moe len wij bcsluiten dat dit ui Lwerksel de krachL
derEngelen en der duivelen te boven gaat en derhalve van God·
aileen ];:an voortkomen.
•

�IN 'T KO!tT DEWEZEN.

1385

Nooit hebben wij zeherheicl nopens het
wezenlijk bestaan van een mi1·alwl dat wij met onze zinnen
waw·nemen; het kan im.me1·s gebetwen dat onze oogen. onze
oor·en door Engelen ofduivelen berom·cl en begoocheld Zt1·n, en
ons de;·halve schi.jn vom· waw·heid doen aannemen.
0JJWC1'1J·lno. ITr,

Oplossiny. De Engelen kunnen onmogelijk derwijze onze

zinnen beroeren, omdat zij in de heiligheid bevestigd zijn. \Vat
de duivelen betreft, dikwijls zouden zij dat wil\en; doch God,
die de orde ir~ de wereld aliijd handhaaft., laat hun niet toe de
menschelijke ~inuen z66 te bet·oc.ren dat men de bedriegerij niet
kan ontdekken. Van tij1l tot tijd, om de menschen schl'ik voor
den duivel in te boezemen· of om hen te st.rall'en, lmn Hij wel iets
dergelij ks Iaten gebeuren; maar nooi t kan hij gedoogen dat de bedriegerij Iangen tijd dure of van zulke natuur zij, dat het onmogelijk is ze te erkennh. \Vij zouden, ten andere, met reden aan onze
tegenstrevers kunnen vragen of zij die begoocheling vreezen in
hunnen dagelijl\schen handel, of zij twijfelen aan het bestaan van
hunne \Tienden, vftn hnnne woningen, van hunne fortuin, van
het eten dat voor hen op tafel staat.
Opwerpiny v. De mii·al.:elen, om geloo(bam· te wezen,

zouden moeten gebew·en ·v661· cen gczelsclwp ·tan natum·lmndigcn; ~vaut min gclce;·dc of ongclee;·de mensch en zijn
niet in staat te oo;·deelen of ecn wonde1·bam· w'twci·ksel tcezenlijk is geschied, gelijk zij het ve;·/wlen.
Oplossiny. Om met zekerheitl te weteu dat een mensch gestorven is of dat hij leeft. dat een zieke door cen woord werd genezen, dat een blinde plotseling het gezi~ht, een doove het gehoor,
een Iamme het gebruik zijner !eden !weft bekomen; dat ergens
vijf fluizentl menschen met vijf brooden werden gespijsd, dam·toe
flus zou het oot·deel v~n een geleerd gezelschap noodig zijn! Hoe
lum iemand zulke ongerijmdheid houden staan! Wie verstaat
niet datal degenen die het gebrnik huns verstands hehben, door-'
gaans dit alles door zich zelven allerbest 1\unnen 'veten, en

�1386

HET

ROO~ISCil·I\ATHOI.IEK

GEJ,OOF

slechts in eenige bijzondeee dui:;tere gevallen tot gelee1·de mannan hunne toevlucht moeten nemen? "'elnu, om zeker le zijn
van een mirakel, moet men s\echts deegelijke feiten kunnen
bestatigen, in staat zijn te weten dai een peesoon dood was, en
dat diezelfde persoon nu levend is geworden; dat een ander ziek
was en IIU, door een enkel WOOrd, gezond is f.!emaaJd; dai daar
aanstonds slechts zooveel brooden waren en dat er nu zooveel
zijn, enz. Moesten onze tegenstrevers lmnne leering op hun dagelijksch Ieven toepassen, zij hadden gedurig te _twijfelen aan al
wat zij v66r hmme oogen zien, ofwel gedurig geleerde gezelschappen te raadplegen; zij mocllten niet eenen doode begraven,
niemand als gezond,. of ziek, of genezen aanzien, zonder vooreerst
de uitspraak van geleeeden gehoord te hebben.
Opwmping VI. Indien God mh·akelen doet, dan ve~·andel't
Hij zijne madsbesluiten, de lcetten welke Hij vastgesteld
heefi; maar· God is gansclt 01zve,·anderlijk," en diens,volgens
kan Hij geene mi~·akelen doen.
Oplossing. Als God een mirakel doet. verandert I-Iij geenszins

zijne raadsbesluiten; want, toen Hij zijne wetten vaststelde,
heeft Hij tevens de uitzonderingen voorzien en bepaald, welke
Hij er door de mirakelen aan brengt.
Opwe1·ping VII. De mirallelen b~·eken de standvastiglteid

der natuurwetten; die standvastiglteid nochtans is volstrekl
vereischt om het menschelijk leven m.ogeliJk te malwn.
Oplosstng. Deze opwerping zou geldig kunnen zijn, indien de
mirakelen zeer menigvuldig waren, dagelijks geschiedden, en
.zonder bescheidenheid en voorzienigheid van God gedaan werden; maar niet zoo is het met de mirakelen gelegen. Zij gebeuren maar zelden en, als zij gebeuren, dienen zij, dank aan de
goddelijke voorzienigheid, niet om de orde te storen, maar
integendeel ~m ze te verhetfen e11, den mensch eene bovennatuurlijke hulp te verschatfen.

�1387

IN 'T KORT IlEWEZEN.

V. 5. ·vermogen w·ij de vvondedijke werken die wel de
krachten der aardsche schepselen, mu.ar niet die
der Engelen of der duivelen overtreffen, te herkennen als van de Engelen en niet van de duivelen
voortkomende, en kunnen die werken dan eenige
kracht hel.Jben om de wu.arheid eener veropenl&gt;aring te l&gt;evestigen?
•.
A. In menige gevallen is het ons zeer wei mogelijk met valle
zekerheid de wonderbare werken der Engelen van die der duivelen te onderscheiden. Zoo- wij veronderslellen dat de wonderlijl'e werken al de krachten de1· am·dsche schepselen ongetwijfeld
te boven gaan - als zij gedaan worden door eenen persoon die
l1eilig is en in al'zijne '''erken heilige inzichten aan den dag
legt; als zij geschieden ter bevestiging eener leering of eener
zaak die geenszins niet de rede strijdt, maar er integendeel
allerbest mede overeenstemt; als zij op eene belamelijke en
zedige wijze teweeggebracht wonlen ; als zij niet aanstonds
verdwijnen, maar eenigen tijd vool'tduren; als zij gebeuren
onder bet sturen ,van gebeden tot God, tot de Erigelen of tot de
Heiligen : in deze omstandigheden is het zel,er dat zij geenszins
van den duivel voortkomen; wanhle duivel, die gedurig zoekt
ons te bedl'iegen, zal ongetwijfeld niet op zulk eene wijze een
wonderwerl' verrichten; noch God, die de beste is aller Vaders
en de werelu met de grootste wijsheiu bestiert, zal het hem in
zulke omstandigheden toelalen.
De wonderwerken der Engelen, ter bevestiging eener veropenbaring gedaan, hebbeJi daartoe wezenlijk kracht. Inderdaad, de Engelen zijn God geheel onderworpen en kunncn
zonder zijne toelating niets doen; dus kunnen zij niets als waar
bevcstigen dat valsch zou wezen; dus ook in de bevesliging
eener veropenbaring nimmer falen.
,

0

18

�1388

IIET ROOMSCII-1\ATJIOI.IEK lml.OOF

De wonderwerken der Engelcn zijn geene ware mi!'akelcn,
dewijl zij niet al de krachten der schepselen te hoven gaan;
nochtans, omdat zij ook bekwaam zijn om iets op eene onfaalbare wijze te uevestigen, afhanl.:elijk van God geschieden en
de kmchten der aardsche schepselen overtreffen, liaarom ontvangen;dj "dikwijls den naam van mil'(t/wlen de;· tweede m·de
of van mwolmaakle mh·akeleu.

V. 6. 'Vat is eene voorzeg8'ing?

•

A. Het is eene uepaalde aankonrliging eeneP tockomende
;mal.:, die in hare oorr.aak nog geenszins beslaat, en zoo daaruit niet !.:an gel.:end worden.
Tot eene ware Yoorzegging is &lt;ian vei'eischt : a) eene aaukondiging eener toekomemle r.aak; b) die aankondiging mag niet
onbepaal&lt;l, onzeker en aan allerhantle dingen toepasselijk zijn,
maar moet duidelijk een feit Yoorstellen dat ten minste ondet'
het ee1i of llet ander opzicht bepaald is; c) de r.aak, die aangekondigtl worllt, mag in ha!'e oorzaak nog niet bestaan, en moet
er zoouitonkenbaarzijn.llaarom zijn de aankondigingen Yan toekomemle eclipsen, Yan toekomende aardbcYingen, Yan hct goed
of sJecht einde eenel' ziekte, CIIZ., geene ware YOOrzegg·illgen,
omdat zij in hunne oorzaak reeds beslaan en er ui t ken baa:· zijn.
Wij hebben een duidelijk vooi'beeld eenet' ware Yoorr.egging
in de aankondiging die Christus, als mensch, Yan zijne toelwmende YCI'l'ijzenis gedaan heeft. Hij koiHligtle imme!'s eene
toekomende zaak aan; - die aanlwndiging was uepaal&lt;l : Hij
zegde heel klaar dal I-Iij zou opstaan uit hel graf; - die v~r­
rijzenis bestond nog niet in hare oorzaal.:, en was er bijgevolg
nog njet k(mbam· uit, 'daar zij, niet. van natuurlijke krachtcn,
maar geheel van den wil Gods afhing,

V. 7. Heeft eene voorzegging de kracht om eene veropenb::wing te bevestigen?

�IN 'T KORT llEWEZEN.

1'389

;\, .Ja; zij lweft deze kracht van het oogenblik dat hare waarheid doot· hat·e verntlling bewezen is; want clan blijkt hei dat
zij van Go1l lwmt, aangezien Gorl aileen het i.oekomemle, dat in
zijne oorzaak nog nieL beslaat, kan l;.ennen : Hij alleep, door
zijue eeuwigheid, is legenwoordig bij hei toekomende dat nog
geenszins beslaal. Bijgevolg· als cene Yoorzegging gedaan wordt ·
om eene vet·opetdmt·ing te bevesiigen, :1een zij daartoe dezelfde
kr.acht als een mimkel; zij is immers een werk der alwetendlwid vau Gol'l, gelijk een mirakel een werk is van zijne almacht, en zoo is zij wezenlijk, gelijl;. een miral;.el, eene ware
Godsspraal;. ten voonleele van helgene waanoor zij gesci1iedt.

V. 8. \Vat brengeu de gocldeloozen in tegen de kracht
der voorzeqging om Je waadwicl cener veropenbaring te hcvestigen?
:\. Opwe1·piny. De roo;·zegging, zeggen zij, kan bij toeval
·ve;·vuld wo;·dcn, en de;·ftalve welen wij nooil met valle zekerlwid of' ::Jj van eenen bed;·iege;·, o(wel vcm God voo1·lkomt:
tcam·uil volgl dal ,:;ij nooil de waa;·heid eene;· ve;·openbar·ing
mel :::cke;·/tcid kan bewij:,en.
Oplossiny. Hetgene voorzegd wordt zijn ofwel werken, die
rechtstreeks van God gerlaan \Vorden, ofwel werken Yan menschen, van Engelen, of van duivelen, of van andere wezens.
- Wai de werken betreft die rechtstreeks Yan God afhangen,
bet
is onmogelijk uai deze,
.
.., wanneer zij voorzegd g:eweest zijn,
bi,j toe val door God gedaan worden; want God, die alles weet
en allerheiligst is, kan eene voorzegging, door eenen bedrieg·er
gedaan, op geener wijze vervulle~1 : deed I-Iij dat, Hij zou \Tijwillig de valschheid voorslaau en bevestigen. - Hetzelfde geldt
voor de wcrken der Eugelen; want de •Engel!'ln h&lt;~ngen in
hunne wel'l;;en geheel van den wil Gods af, en doen op deze
wereld niets zonder Gods tusschenkomst. EYemnin del'lw.lve

�1390

IIET ROOllSCH·K.\ THOJ.IEI\ GELOOI•'

lian het gebenren dat zij bij toeval eene voorr:egging van eenen
bedriegei· vervullen. - Dat de andere voorr:r.ggiugen cens bij
toeval vervuld worden, is moeilijk, maar toch niet vo\strekt
onmogelijli; doch dat rnenigvuldige voorzeggingen, well;:e klaar
en duidelijk v~le bepaalde omstandighetlen bevatten, inuner en
volkomen vervuld worden, dat kan, volgens hetgene de ondervinding ons hierover leert, geenszins a\s het uitwerksel des
toevals aanzien worden. zooals eenieder Iicht begrijpt.
Deze opwerping dus is van geener weerde.
•

D.

V. I. Is het betamelij k of zelfs noodig dat God ons
eene ~reropenbaring doe?
A. Vooreerst, opd~t ieder mensch God en de natuurwet gemaklwlijk, met volle zekerheid en zonder dwaling zou kenneu,
is eene .veropenbaring, of cene dergelijke bovennatuurlijke of
natuurlijke hulp noodig, zoo niet volstrekt, dan toch volgens de
regels van het menschclijk Ieven : zoo leert de owlcrvinding;
want, waar de menschen zonder veropenbal'ing zijn geweest e~1
zelven de godsdienstleer had den· op te zoeken, daar zijn zij. in
de grootste dwalingen gevallen.
Maar willie God ons tot een eeuwig geluk roepen, dat onze
Iu·achten te hoven gaat en aan onze natuur niet loekomt (gelijk
. de hemel waar God aanschijn aan aanschijn aansehouwd wordt),
en ons dat geluk door onze werken uoen verclienen, dan was Hij
volstrekt verplicht ons eene veropenbai!lng te doen; want antlers
hacl de mensch noch zijne nieuwe bestemming knnnen J;.enncn,
nocli. hetgene er hem te uoen stond om ze le bereiken. Inderdaad, wanneereen koning zijnen dienaar eene bijzondere bestemming wil geven, en ze..hem doen verdienen, moet hij noodzakelijk
ze.hem eerst doen kennen, en tevens verklar_!3n welke plichten er
hem te vervullen staan. - God heeft ons, gelijk wij allen geloo-

�IN ·'T 1\0RT BEWEZF.N.

1391

ven, uit vrijen wil en uit loutere goedheid, t.ot den heme! geroepen, tot het bovennatuurlijk geluk van Hem in der eeuwigheid t~
aanschouwen, en besloten dat wij dien bovennatuurlijl;:en loon
door onze werken ~ouden verdienen, en daarom- is Hij genoodzaakt geweest ons eene ve1·openbaring te doen.

V. 2. Steijdt het ~net de wijsheid Gods niet, dat I-I ij, na
ons de rede gegeven te hebben, nog nadien op eene
andeee ~wijze t"ot ons spreekt? Is dit niet te werk
gaan als een onvolmaakte kunstenaar die, na zijn
week voleindigd tc hebben, er de gebreken van
begint te kennen en het verbetert ?
A. Geenszins, "want die veropenbaring dient niet om de menschelijke ·uatuur in haar zelYe, d. i. in de naluurlijke hoedanigheden der ziel en des lichaams, te verbeteren, maar wei om ze
tot eene boYennaluurlijke bestemming te geleiden, en zoo bewijst
zij geenszins dat God, na de scheppiug van den mensch, de
gebreken Yan dit schepsellweft bemerl;:t en 1.e heeft Yerbeterd,
maar slechts dat Hij, uil eene bijzondere goedheid zijn schepsel
tot eeno bovennatuurlijke gi·ootheid !weft willen verheffen. Zelfs
mag de veropenbaring, voor zooveel zij aan eenieder de uoodige
·hulp geeft, om gemakkelijk, met volle zekerheid en zonder
dwaling God en de zedelijl;:e natuurwet te l;:ennen, nog geene
· verbetering onzer natuur genoemd worden; want, onder dit
opzichl, Yervangt zij, om red en der i!1gestelde boveunatuurlijke
orde, eene natuurlijke hulp die God nan onze uatuur tot dat
eiude sclmldig was. - Dit alles kunnen wij, bij middel van een
voorbeeld gemakkelijk verslaan : wanneer een beeldhouwer een
houten standbeeld verguldt dat geheel volt.rokken en wezenlijk
volmaakt is, dan bekent hij voorzel&gt;.er niet dat zijn standbeeld,
als houten stamlbeeld, ouvolmaakt is en verbeterd moet worden,

�Hl!:'l' lWU)!SCli-KA THOLl!"' GELOUI'

maar verheft zijn slandbeehl . tot eene hoogere soort van
beell!en en geefl het eenen g-lans en weerde die het uil zijne
naluur niet kan hebbcn : hout kan immers uit zich zelf den
glaus en ue schoonheid van goudniet bezitten. Zelfs voor zooveel
zij tlit glanzig maakl, is de vergulding geene rerbelcriug des
:::tand bee his; want, onder ll it opzicht, vervaugt zij ~lccltb het
gewuon glauzig r~utken of pulijsten van hot boold, tlat de beeldhouwet' aan zijn werk niet. zou Iaten onlbreken hebbcn. \\'elnu
onze verheffiug tot de bovennatuurlijl;;.e onle is iets•Jorgelijks :
de vet·openharing en al de a!lllcre bovennatuurlijke gin·en rlienen
niet tot &gt;erbcteriug onzet· natum· in haar zelve, maar zij gcven
haar eene nieuwe, ecne hoogero weerrligheid, clio zij u i L !mar
zelve geenszins lwn hebben. Ook betrekkelijk lteigeuo zij bijbrcugen om ons in ouze natuur ltnlp te geven, maken zij geeuo verhetet·ing der natnur uit : zij zijn vom· haar jui~t \vat de vorgulrling is YOOl' hct houten stawlbeeld : zij vermngen tle natuurlijke
gaven juist gelijl; ole vet·gulding tie tw.lnurlijkc glanzigmaking
vet·vangt..

V. 3. Indien God ons ecne veropenhftt•ing wildc docn,
betaamcle het dan niet dat Hij de kennis, die de
veropenbaring ons gceft, iu onze natLHJl' nccdcgde
en er eene natundijkc ga.af vu,n maakte?
A. Dit IJetaamde niet, nangezien llet omnogelijk is. God kan
immers door niet Cell natuurJijk mitJdel, zooals IJ. V. lllcL OilS
meer en meer verstand te geYcn, tle veropenbaring vor-vang-en;
want uiet l~Cn geschapen vm·stand kan het raadsbesluit Gods van
ons tot den heme! te leiucn en om; den heme! als loon le docn
verdienen, door zich zelf, zonder dat God tot Oils spreekt, ken nell,
noch die mysteriell ontllekken, wam·van ons nu door de veropenbaring het uestaan bekend is gemaakt. Een houtenbeeld kau uit
zicb zelf, zomler dat het vergultl is geworden, onmogelijk yer-

�1:&gt;1 'T li:ORT BF.WF.ZEN.

1393

guld zijn. gelijk het uit zich zelf de kleur van hout lweft; evenmin kan de mensch, zonder eene rechtstreeksche -veropenbaring
Gods, dezes geheimen kennen, of, zonde1· Gods rechtstreeksche
tusschen koms t, bovenn a tuurl ij ke hoedan igheden bezi lten.

V. 4. Is het redelijk dat God ons tot het bovennatuurlijk geluk des hcmels wil roepen?
:\ . .Ja; tlil.is ten uite1·ste redelijl;; en maakt het grootste blijk
van liefde u1t dat Gorl ons lwn g·even. Daar God oneindig goed
is, verstaat men Iicht, hoe het met zijne goedheid allerbest
o-vercenlwmt zijne schepselen, elk -volgens zijne natuur, aan de
g:orldelijl\e glorie op ecne boYennatuurlijke wijze deelachtig te
mal;;en : 't i:; immers. natuurlijl;;, rlat een goedhertige persoon,
die zeer vee! rijk"rlommen bezit en, zonder zich ze)Yen of de zijnen
uarleel le rloen, anderen aan zijne eigene goederen en aan zijn
eigen geluk kan deelachlig maken, 'tis natuurlijk dat hij niet
slechts aa.n iedereen geve wat de reclltn.:-erdigheid en de Iiefde
eischen, maar ook a! degenen, die hij lmn, tot de zijnen, tot zijne
1\intlercn aanncme en hun zijne eigene g&lt;?etlei'en mededeele. Ret
is het eigendom der volmaakte lielile zich uit te br.eiden door
mcdedeeling van haar eigen goed.
§ III. Van de geloofweerdigheid Gods.

V. I. Is God, als I-Iij tot ons spreekt, geloofweerdig?
A..Ja; Hij is dit ten hoog:ste. De geloofweerdigheid immers
van eenen persoon hangt af en van de kennis die hij heeft Yan
hetgene hij g:eiuigi, en yan zijne \VaarachLigheid; welnu God
i:;, uii hoofde zijner oneindige volmaal;;theid, alwetend en tevens
onuekwaam om t~ liegen, en zoo bezit het woord Gods de
grootste geloofweerdigheid die er lmn bestaan.

�HET ROOMSCH·KATIIOI,IEK GELOOF

v. 2. Zijn wij verplicht de goclclelijke veropenbaring
aan te nemen, ofwel mogen wij er ons onvm·schillig·
aan houden?
A. Ongetwijfeld heeft Got!, wanneer Hij ons eene veropenbaring doet, ons tot eene bovennatuurlijli.e bestemming roept en
den weg om deze te bereiken voorstelt, tevens den wil ons
o-rootelijks te verplichten die veropenbaring door het Geloof
~
~
aan te nemen en naar die besternming te strev~n; want de
veropenbarin'g zelYe leert ons duidelijli. dat degenen, die niet
gelooven, eeU\vig verloren gaan. :Maar daarenboven spreekt
!let nog vanzelf dat, zich aan de veropenbaring Gods onYerschillig !louden en ze verwaarloozen, uit ;;ijne natuw· niets
auders is dan God versmadeu; bijgevolg, zelf~ zonder dat God
ons uitdrul:;kelijli. gebiede zijne veropenbaring aan te nemen,
zouden. wij ongetwijfeld, gelijk het uit de natuur der zaak blijkt,
grootelijli.s te kort blijYen aan de eer die wij Got!, om~en oppersten Heer on tle opperste Wijsheid schuldig zijn, indien wij ons
aan zijue Yeropenbaring onverschillig hielden.

V. 3. "'Welke opwet·pingen doen de godcleloozen tcgcn
deze waarheid, en hoe zijn die te wederleggen?
OpweJ'11iny 1. Hel Geloo(is om·edelijk, ::..eggen de goddc-

loozen, dam· wij de 1·ede en de zinnen be::..itten om de toam·heid le kennen, en het bijgcvolg onge1·i,jmd is iets aan te nemen, zonde;· hel dom· onze 1·ede o( doo1· onze zinnen te zien.
Oplossing. Als de goddeloozen ons dit opwerpen, wetcn zij

niet wat zij zeggen; want er zijn rluizenden zaken die zij, enkel
op de getuigenis der menschen, aanveerden. Evenzeer als wij,
zijn zij overtuigd dat, indien wij niets als zeli.er aannamen dan
hetgene wij door ons zelveu zien, ons Ieven .gansch onmogelijk
zou wezen. Is het immers niet met de getuigenis der menschen

�1305

aan te nemen, dat zij weten wie hun vader en hun moeder is,
welk de oorsprong en de geschiedenis is hunner familie? Hoe,
anders dan door het geloof aan de getuigenis van anderen, k.ennen zij menigvuldige gebeurtenissen van hunne gebuurte, van
hunne gemeente, van hun land~ Hoe ·anders leeren zij de aardrijkskunde en de geschiedenis ~ Hoe nemen zij de feiten aan die
zij in hunne dagbladen lezen? Gaan zij die aile met hunn~ oogen
beschou wen, eer zij er de waarheid van aanveerden? Hoe wetim
zij dat het geneesmiddel hun door den beelmeester voorgeschre•
.
ven nutlig en goefl is~ \Veten zij dit iedermaal door eigene onderviuding?- Indien de menschen .elkander niet gel'?ofden, zou
de samenleving, men ziet het ldaar, volstrekt onmogelijk \VOr-.
den. Maar, indien wij de menschen gelooven, waarom zou bet
onredelijk zijn God te gelooven 1 Zou bet misschien zijn, omdat
Hij oneindig wi.izet· en waaraclrtiger is da~· 'de wijste en de
waaracbtigste der menscilen 1
Opwc1ping II. !let is dwingelanclij op eens anders getuige-

nis iets te moeten gelooven dat men niet vm·staat.
Oplossing. Indien dit dwingelandij ware, zou eenieder ten

uitet·ste le beklagen zijn; want, gelijk wij gezien llebben, alle
menscben moeten duizei1den dingen op de getuigenis van anderen
aannemen. Is bet dwingelandij op de getuigenis van onze zinnen
aan te nemen dat een machien zulke of zulke dingen kan leweegbrengen, alhoewel wij niet verstaan !toe dit l;.an gescl~ieden 1
Welnu, iudien dit geene dwingelandij is, omdat wij door onze
zinnen lie uitwerksels van bet machien l;.unnen bestatigen; hoe
kan bet dwingelandij zijn het \voord Gods te gelooven, als wij
weten dat Gods getuigenis niet kan falen1
Het ware dwingelandij iemands getuigenis te moeten aannemen zonder te weten dat zij geloofweerdig is; doch zoo is het
geenszins gelegen met. het Geloof, door hetwelk wij het woord
aannemen van God, die niet kan liegen, noch bedriegen, noch
bedrogen \vordeu.

�1396

tiEl' ROO~ISCI!-1\..\TIIOI,IEK COEI,OOI•'

Oz&gt;wm·ping III. Net Oeloof' is blind, en de;·halre is het

ow·eclelijk: inde;Ylaarl, iets zondc;· ;•eden als wam· aannemen, is eene dwaasheid.
Oplossing. Het Geloof is blind voor woveel wij er eene
waarheid door aannemen, niel omdat wij ze door om; versland
of onze zinnen recllislreeks zien, maar omdal een geloofweer-

dige persoon ze ons geiuigt; doch hel is geenszins blind in rlezen
zin, als deed het ons zonde;· ;·eden iemands getuigenis aannernen. \Vij nemen immers iemamls geluigenis aan, omdat wij Yall
•
zijne geloofweerdigheid overt.uigd zijn: en dal toch .moei, geenszins als eene dwaasheid, maar we\ als een recht verstandig
werl,;. aanzien worden. Een enlwl voorbeeld doel de zaak goed
begrijpen : wie zou durven zeggen dat een kind rlwaas le werk
gaat, als het gel~ofl wat zijne ouders hem leeren? \Vie zou beweren dat wij dwaas handelen, als wij aannemen hetgeen de
geschiedenis ons verhaalt?
Oznverping IT". De ·cCi'jjlichting van Gods woo;'ll aan te

1iem.en be;·oofi ons -van onze natuw-lijke 1.T{jlteid en geefl
den doodsleek aan rle welensclwp.
Oplossing. Om dm~e opwe1·ping· staande te houden, moelen de
tegenstrevers beweren, dat de nijheid beslaat in geene verplichting te heiJben of in le mogen doen wat men wil, 't zij het tegen

de rede en tegen God stt·ijde of niet, en dat de wetenschap eenen
steun in de onwelendheid vindt : !wide zalwn die voorzeker
ten hoogste ongerijmd zijn. De zoo J;.Jaarhlijl;.eiHle verplichling
van Gods woord Le ·gelooYen zou onze vrijheid hiuderen! i\faar
dan ook ei:;chl de nijheid dat wij nieL de min:;te verplichting
hebbeu; dan doet hel gelJotl van te I!:Choorzamcu aan onze oYersten, van nieL le steleu, nm geenc valschc geiuigeuis te geYen, enz., onze vrijheid te nieL; dau ht~hoordcn wij te mogen
leven als om·edelijke rlicren! En het Geloof zou den dootlsleek
toebrengen aan de wetenschap : rloeL rlus ook "de welenschap
meei' voor~itgau~ met in dwalingen en iu Yalsche leeringen te

�IN 'T KO!l'l' HBWEZEN.

vallen dan met eenen onfaalbaren meester, met God tot geleiclr.r·
te hebben1 Zal dus ook een leerling door zich zelven betel' de
waarhcid vinden, dan met de hulp van eenen kundigen en wijzen
leeraaJ'? Zal men m1 in rle 1lu istemissen beter iets ::oeken zonder dan met Iicht in 1Ie· hand, en op een onbeke!Hlen weg zel;:eJ·der rei zen zonrler dan met een goeden leid;:man 1
Opwerping v. Tach hct ,r;eloo( ran rlc mystm~ien, clie in
de re;·openbm·ing roo;·geslelrl wat·den, is mwedelijh. dam·
onzc ;·ede de myslc;·i~n niet beg;·{jpt en zc bijgc·volg als
mel ham· te~ensl,·ijdig ve;·om·deelt.

Geheel deze opwe1;ping- 1'n~t op eene verwaning
t.u~~eltrn hr!gene lcgen. en helgene bo-ren rle 1wle is. Om:e
!egenstrevers aanzien a! hetgene hoven de 1·ede is, als noodzal;:elijk leg-en de rede strij,Jende; maar zij mal;:en zich dam·door aan
eene onvergectlijke
llwaling schuldig. Tegcn flct 'l.'e;·stancl i;;
'
hctg:ccn iel:&lt; onmog·elijks of ongerijmds bevat. zooals bi.i voorOplos.&lt;&lt;i'II(J•

'

..

beeJ,J l1ct ronr~tcl : lzcee en twee is 1:{j(; cen deel is m.eei·dei'
dcm !tel geheel; maar bO'I;en ons re;·stond is hetgeen zoo verhercll is, ,Jal ons bekrompen Yerstand niet in staat. is er het
wezen of den grond Yan le begrijpen. En men !;:an niet beweren
dat, hctgene hoven ous Ycrstand is, er ook noodzakelijk tegen
is, zomlcr aan te nemeu liat eJ' niet eene waarheirl hestaat. die
niet door hct verstand van eenieder begrepen wordt. en dit is
voorzeker tc vee! onredclijk! Daarenboven, mpest de leei·ing der
tegenstrevers waar zijn. dan zou eene jonge leerling, in 't begin
zijnm~ slurlien, menige waarl.Jeden, die hij voor llet oogenblik
nog niet verstaat. maar later zal begrijpen, als YalschJleden
nweten aanzien en ze als zulke verwerpen en Yerfoeien. om ze
nadien als waarheden aan te nemen en te verdedigen.
SLOT.

Er bestaaL dus een God, rlien wij allen uit gel.Jeel ons hert moeten dieuen. God !;:an ons eene veropenbaring doen. en Hij is ten

�1398

HET HOOMSCH·I\ATIIOI.IEK GELOOF

hoogste geloot\veerdig, en bijgevolg blijkt het, dat al degenen,
die bet Christelijk Geloof bestrijden uit hoofde dat er geene
veropenbaring l\an bestaan, van den weg der waarheid afgedwaald zijn. Nu moeten wij onrlerzoe::ken of de leering van
Christus, die wij allen als het woord God_s aannemen, wezenlijk
eene_goddelUke veropenbaring is.

II.

Van de waarllehl der Christelijke Yeropenbaring.

V. Vinden wij in Christus' veropenbaring die bewijs-

teekenen welke in eene goddelijke veropenbaring
vereischt zijn?
A. Ja, menigvuldige rom·zeggingen en mh·allClen te haren
voordeele gedaan, alsmede hare zonderlinge ved1evenheid bewijzen stellig dat zij Yan God komt, en onmogelijk kan tegen haar
worden ingebracht dat haar iets mist om goddelijk te r.ijn.
§ I. Bewijs door de voorzeggingen.

V. I. Hoe kunnen cleze voorzeggingen allernuttigst verdeeld worden?
A. In twee soorten : 1° in voorzeggingen. uie v66r Christus,
nopens den toekomenden Godsgezant en Zaligmaker gedaan
werden, en 2° in voorzeggingen die Christus zelf gerlaan heeft.

V. 2. ·welke zijn de bijzonderste voorzeggingen die
v66r Christus gedaan en in Hem vervulcl werden ~

�1::'\ '1• IWRT BEWEZEN.

139!)

A. De volgende: 1° aan Adam. Van h1 het Aarrlsch Paradijs
l1eeft God den gevallen mensch eenen 'Verlosse1• beloofd en
dezes hoof(lwm·k bepaald : Hij zou namelijk den kop van het
serpent Yerpletten, dat is, de menschen van de slavernij der
zonde verlossen, met een eincle le steilen aan het meesterschap
dat de duivel, door de zonrle onzer eerste ouders, op deze en
hum1e nakomelingen had bekomen (1).
2° .Aan Ab,·ahwn, Isaak en Jakob. Twee duizend jaar later
heeft God dezelfde belofte gedaan, achtereenvolgens aan Abraham, Isaak ~n Jakob, en daar bijgevoegd dat de Verlosser uiL
hun geslachl zou geboren worden en de verlossing zjch over
geheel de acwde uitstrekken (2).
3° Van Jakob, die reeds den tijd begint te voorspellen waarop
de Zaligmaker ging verschijnen : de stam van zijnen zoon Judas
zou zijne eigene. wetten behouden tot aan de komst van den
''redestichter, vau den Zaligmaker (3).
4° Van 1lfozes. Tweehonderd jaar na .Jai\Ob bepaalde Mozes
geheel het ambt van den toekomenden Verlosser : een profeet
aan hem gelijk, dat is, evenals hij, leeraar, verlosser en wetgever, zou uit het midden van het Joodsche volk opstaan (4).
5° Van David. Vierhonderd jaar nadien beschrijft koning
David in zijne psalmen geheel het leven des Zaligmal;:ers : dezes
geboorle, aanbidding door de Wijzen uit bet Oosten, heiligheid, wijsheid, leerambt, priesterdom, wetgevende macht, bitter lijden, glorierijke verrijzenis, hemelvaart, glorie in den heme!,
alsook de stichting zijner Kerl;:, en dit alles zoo duidelijk, zoo
·omstandig en trelfend als een geschiedschrijver de gebeurtenissen kan afschilderen waar hij ooggetuige van is geweest.
6° Van de late1··e Jli'O(eten : In de duizend laatste jaren
vMr Christus' geboorte zijn de voorzeggingen nopens den toeko(ll Gen. Ill, 15. - {~) Gen. XII, XVlli, XXII. XXXI, XXVIll. ·(3) Gen. XLIX, 10.- {4) Deut. XVILI. 15, lR.

�llllT 'ROO)ISCII·IC\TIIOUEK Gin.OOI•'

1400

menden Zaligmal\er vee! talrijl\ct' : bijna gedurig tren men dan
heilige mannen aan, die de komsl van den ;\Jessias voorspellen,
zijn nml.Jt en Ieven, zijn vedossingswerk beschrijven. Onder
anderen Joel (850 y(,or Cht·isbs) kondigt de nedrrdaling van den
H. Geest aan (I); Isaias (800 Y. Chr.) voorzegt dat de ~Icssias zal
gel.Joren worden uit eene maagd, en beschrijft Christus' Ieven,
werken en dood zoo omslamlig, 1lat hi.i de profect-evangclist
·genoemd wordt: J1iclieas (7:50 v. Chr.) wij:'l Bethlei'm als de geboorleplaats van den Zaligmal\Ct' aan (:?): Dauiiil hepaalt nauwkeurig 1len tijd waarop de Yedosser zal 1\omen en :gedoml wol'den: na~uelijk zcventigjaarweken (·lfiOjaren) na 1\e toelat.ing om
.Jerusalem te herhouwe11 (:J); Jialachias, weinigen tijtl uadien.
Yoor:&lt;pelt de instelling tloor den Zaligmal\er van een nienw
onbloedig sacrificie dat God altijtl aa_np:enaam zou wezen. e11 bij
aBe volkercn van lwt Oosten tot het \Vesten opgc,\ragen
worden (-l).
'

.

\Velnu al dexe zoo menigvuldige voorzep:gingen zijn in Chri~Lus
op de volledigste wijze vernlirl p:ewonlen : tlit getuigt ons de
H. Schrift die, zelfs hare goddelijke ingevin:z ter zijde gesteld,
en aileen aan:&lt;chouwd a!::; cen gewoon. hloot menseltelijk hoek,
ten voile geloofweenlig is. f'lwistn:&lt; imnwrs is te Belltleiimuit tie
H. :i\laagd ~!aria geboren;- llij is geknmen en gcstot'Yen op cleu
tijd dom· Danid bepaalli, en liertig jam· na zijne rlootl, waunecr
de Kerk zich alom begon te ver;;preiclen, is de slam Yan .Jutla,
volgens .Jakob's ,-oorze:Iging, doot• ric Yerwoesting Yan .Teruzah~m
ontbonden eu Yan zijue eigeuc wctien hei·oofl] gewonlen; -

Ilij

lleefl hetamht uitgeoefend Yan lee;·orl,·, met rle ,·olmaaktsle gotlsdiensUeer tc Yerkonrligen; um u:etgere1·, met de H. 1\erk to
stichten en geheel hare ituicltting en hare wetten va:&lt;t tc stelle11;

t:an ·vei'losser, met voor het zonrlig menschtlom de clnorl des
(1) .Joel II, 2i:, 2!1.
(~)

:\latachias I, II.

(t) l\Iicheus. \". 2. -

(3) Daniel,

1~,

2:;. -

�1:\: ''I' 1\0R'r IIEWEZEi'i.

1401

• kruizes te lijtlen, ook met allerhande kwalen en ziel;.ten te
genezen, '''ant hierdoor maakte Hij zijn vel'lossersambt r.ichtbaar. - Hij heeft al lle bijr.ondet·heden die no pens het le,;en en
de dootl van den Zaligmaliet· voorr.eid wat·en, stiptelijk vervuld,
en, na r.ijne hemelvaart, is de H. Geest over de Apostelen nedergedaald.
Dus, hunne vervulling bewijst het heel klaar, al de hierboven
verme\(le vooneggingen uit het Oud Testament komen van God,
en Christw;' ger.antschap, dat r.i,i voorstaan en bevestigen, is
ongetwijfelrl.goddelijli..

.

V. 3. Duid de hijzo!Hlerste voorzeggingen aan die door
Cht·istus zelven gedaan weeden.
A. De bijr.ondm·ste voorr.eggingen van Christus kunnen in drij
!;.lassen verdeelcl worden : de eerste hebben betrekking op
Christus r.elven; de tweecle, op het lot r.ijnet· leet•ing en zijnet'
H. Kerl;.; de derde, op tle verwoe~ting van J eruzalem en va.n
geheel hot Joodsche rijl;..
l o No pens ziclt :,elven heeft Christus &gt;oorzeid. dat Hij door
Judas verra1len, door r.ijne discipelen vet•laten, door Petrus
geloochend, door 1le .Joden en de Heidenen gegeeseld, begekt,
bespot en gekruist 1.ou worden, en dat hij den derden rlag na
zijne dootl mu ven·ijzen. AI cleze voorr.eggingen. gelijk wij
woten, zijn volkomen ven-uhl geworden (1).
2° Nopcns hct lot :,ijnc;· lec;·iny en zijne;· H. J{c;·k heeft Hij
voorspeld, dat de H. Geest over de Apostelen zou nellerclalen en
hen ondcrwijzan, 1\at de Apostclen en bunne opvolgers veel
tegenspoerl muden \ijden, maar desniettegenstaande het Geloof
aan alle natii~n aankondigen; dal zij mirakelen zouden doen, ·dat
de H. Kerk onwrikl.laar tot het einde der werelrl zou bestaan;
(tl i\latth. XXYI. 25 en 31:- i\lat·c. XI\', 30;- l\1latth. XX, IS, Hl.

�1402

HF.T HOOMSCH·I\ATIIOJ.IF.K GF.l.OOI~

en ook deze voorzeggingen zijn of worden J)Og dagelijks v66r .
onze oogen stiptelijk volbracht (l).
3o Nopens het lot va.n de stacl JCI'ttza.lem heeft Christus
duidelijk aangelwndigd, dat zij ten gronde zou vernield worden
~n. nopens het .Joodsche volk, dat het onder alle natii:in zou
worden verspreid (2). Ierlereen weet ·dat de Roomsche 1\eizer
Titus bet werkt~ig is geweest waar God zich van bediend Iweft,
om deze voorzegging te volhrengen.

V. 4. Hoe bewijst men dat de H. Schriftuur, hare
goddelijke ingeving, die wij doot· het Geloof kennen, ter zijde gesteld, .volstl'ekt geloofweerdig blijft
en bijgevolg client om de feiten, waal'op de waarheid de.r veropenbaring steunt, tegen de ongeloovigen te betoogen?
A. Vooreerst, wat de boeken van het Oud Testament betreft,
het is volstrekt ?Hmogelijl;, dat zij niet van die sclirijvers en van
die tijden zijn aan welke zij toegeeigenrl wonlen, dat de schrijvers dam·van de waarheid niet zoi1den getuigd hehben, of dat die
boeken doot· eene vreemrle hand zourlen vervalscht geweest zijn.
Inderdaad, geheel de geschiedenis van het Oud Testanient is
eene aaneenschakeling van wonderbare en mirakuleuze gebeurtenissen, die gediend hebben om de mo zware Wet van l\·Iozes
tot stand en invoege te brengen, en do .Joden als het volk Gods
in te richten en hen r.oo hunne be8temmiug te rloen vervullen;
en van aldie gebeurtenissen zijn ~ij zelven ooggetuigen geweest
hebben er ten.minsl.e, door eene onbetwijfelbare overlevering,
het bestaan van gekend; want van Adam tot l\Iozes zijn er enkel

or

(1) Joan. XIV, 26. - Hand. dor Apost. I, :l. - Matth. X.. 17, 22. 1\fnrc. XVI. 17. - Mnttll. XVI, 18. - (2) I.uc. XIX en XXI; - Matth.
XXIV.

�IN 'T KORT BEWEZEN.

1403

vier menschengeslachten geweest : Adam heeft geleef(l tot
126 jaar v66r de geboorte van Noe; Sem, de zoon van Noe, heeft
geleefd met Abraham; Abraham u-iet .Jaliob. den vader van Levi,
die de overgrootvader van :Mo7.es was. Welnu, lian men begrijpen
dat geheel heL .Joodsche volk gedurende 1500 jaren, te beginnen
met den uittocht uit Egypte tot aan Christus, valsche boeli:en
zou aangenomen hebben, die het tegensLI·ijrlige verhaalden van
hetgeen zij v66r hunue oogen zagen of van hunne oudet·s geleerd
hadden, en die hun daarenboven uog zullie zware plichten oplegden1 Voorz~·ker. wie de geloofweercligheirl der boeken van he~
Oud Testament in twijfel trelit. moet a! de geschiedboeken, niet
allcen van de Lijden v06r,- maar q,ok van de tijden na Christus,
als twijfclachtig beschouwen; want hunne geloofweerdigheid is
homlerdmaal min gestaafd dan die der boeken van het Oud
Testament.
Verrier, 6ok de vervulling der voorzeggingen welke zij bevatten, komt de geloofweerdigheid van de hoeken det· Oude Wet
bevestigen, verl;.laren dat zij van God komen en dat de scbrijvers
er van de wam·hei&lt;l getuigd hebben.
De geloofweerdigheid der boeken van het Nieu\v Testament
steunt ook op de zekerste gronden. Vooreerst, die boelien lwmen
ongetwijfeld voort van die Apostelen en heilige mannen aan wie
zij toegeschreven worden; want, gelijk de onge\oovigen bet moeten bekennen, de Ketters en Heidenen die het Geloof bestreden,.
hebben dat nooit geloochend. Dan, zij zijn geenszins vervalscht;
want de overzettingen en teksten van a\ de eeuwen des Christendams stemmen met elkander overeen. Eindelijk, zij bevatten
geene valschheden; want de Apostelen en de Evangeiisten, als
ooggeluigen, of door het verhaal &lt;ler ooggetuigen, kenden allerbest wat zij leerden, en zij hadden uiL bedrog geene andere ~vinst
te trek ken dan gedurige vervolgingen hier, en de scllrildielijkste
straffen Gods hierna. Wat meer is, zij konden niet bedriegen,
aangezien het de Joden te gemakkelijli was hen te logenstraffen.

�IIF.T HOO~ISCII-IU'I'IIOLIF.K GEI.OOF

1404

Ten andere, de H. Kel'l;. heeft aHijrl vele hcilige en geleerrle
mann en in hm·en schoot getelcl : hoe dus ui tgelegd dat zij sedert
.
\

bijna I1egentien eeuwen boeken, waarop haar Geloof en hare
Godsdienst steunt, als echt en waar zou aanzien, die nochtans
het werk van bedriegers zouden wezen?
§ II. Bewijs door de mirakelen.

V. l. Hoe zal men de mimkelen, ten voonlcclc
van
,..
Christus' leel'ing gcdaan, best verdeelen '?.
A. Op de Yolgende wijze: !O-de verrijzenis van Chrbtus, welke
door den Zaligmaker zelren als een zonderling en schitLcrend
bewijs van de godclelijkheid zijner leering is voorzegd geweest;
2° de anrlere miral;.elen rechtslreeks door God gcclaan; :3o de
mirakelen die Chrislus zelf YCITicht heefL; ,to clc "'mirakelen
van de Aposlelen en ::&gt; 0 de miral;.elen die in IH~L Ieven der H. 1\:erk
uitschijnen.

V. 2. Is de vei'l'ij.zenis va.u Christus een zonderliug bewijs van de goddelijkheid zijnci' leering, en is clat
mirakel waarlijk geschied?
A. Ja, het is daar een zonderling bcwijs Yan: Christus
immers, Loen de .Joclen Hem ccu teel;.en van de waarheicl zijner
zemling vroegen, he eft hen naar zijne veiTijzen is Yerwezen
(Maitll. XII, 39); enclaarom zegt de I-I. Paulus rlat ons Geloof zonder gnmd wezen r.ou, ware Chrislus niet verre:wn (l Cor. XV, 17).
De waarheid van Chril&gt;Lm;" verrijzenis veronderslelt die van
zijne dood en van zijne opslanding uit het gmf.
Vooi·~erst, dat Chl'istus op het kruis gestorven is, !;.an gecnszins in twijfel getrokken worden : _de getuigenis van de vier
Evangelisten, de getuigenis van Pilatus die ..Jezus' doorl Yet·no-

�IX 'T KORT IlEWEZEN.

1405

men hebbende, aan .Jor.ef van Arimathea de toelating geeft om
dicn te begTaYen; die van de soldaten, wejke in plaats van-Jezus
beenen te breli.en om zoo zijne dood te Yerhaasten, integendeel
zijne borst door,;teli.en, omclat Hij reeds gestorven wa~; het
water en bloed daL nit .Je7.Us' cloors!okene borst loopi, en r.ijne
begraving door Ni_codemns en Jozef van ,\rimathea r.ijn aile
o"nwederleg-bare ,Jewijzen van Jezus' dood.
Ooli. r.ijne opstanding nit het grar is eenc ontegensprekelijke
wanrheid. De ,\postelen en clc Evang-elisten die et' voor g·etuigen,
hehla~n cle :nml'ltei&lt;l der vetTijr.enis allerbest kunnen waarnemen; want Christ.ns IJCeft r.ich vertoond niet Mn- maar menigmaal ~ nict aan ecnen, maar aan a\ de Aposte\en, aan vele
discipelen en zelf" eens aan meet; dan vijfhonclerd diseipelen te
zamcn; ll iet geclurende een enli.elen oogen bl ik, maar tel kens een
r.ekeren lijtl Jan~, de wer.enlijkheicl van zijn lichaam hevesUgende
op allerha.le wijr.en, zooals met te eten, met zieh te laten aanrali.en, met: Thomas toe !e staan deu vinger in zijne wonden te
steken. - Overigens, cle ,\poslelen en cle discipelen, de gewichtigheitl cler znak begrijpende, waren et· geensr.ins toe gesteld om
zich tc Iaten bcdriegen; getu ige claat·van de ongelooYiglieid
waarmecle zij het vet'haal aanhoonlen van de godvruchtige nonwen die clen· vmTezen .Jezus hadden gezien; getuige tlaarvan ook
de Yerklaring vau Thomas die de veLTijzenb niet zou aannemen,
zoo llij zijnen Yinger niet in Jezus· wonden mocht steken.
Dat tle Apostelen en de dbcipclen in hct verhalen van Jezus'
vet·rijzenis gren betlrog hebben gebruikL blijk!. uilllunne vreesachtigheid en uit hunne nat.uurlijke onbekwaamheid om zulks
te doen, - ui~ de zel\erheid die zij hebllen moesten, dai · zij
daaruit geen voordeel te verhopen haddon; want zij zagcn voor
hunne oogen hoe Christus' leering vet·volging zon lijden, en
wisten hoe God zull\e bedriegerij zon ::;traffen. Dat blijl\t nog uit
rle handelwijze der Joden die, om de ve1·spreiding van Christns'
leering te ueletten, de· Apostelen verboden zijnen naam te ver-

�1406

JU:T ROO~ISCII-KATHOI.IEK Glli.OOF

lwndigen, maal' hen nooit van bedl'iegel'ij uopeus zijne verrijzenis beschuldigd hebben, hoewel dit nochtans het kortste
midd{ll was om hun einde te bereil(en, hoewel zelfs de Apostelen
hen beschuldigflen van geld gegeven te hebben aan de wacht van
't heilig g1·af, om deze te doen getuigen dat .Jezus' discipelen zijn
lichaam gestolen had1len. Wie dus· niet aile feilen loochenen wil,
noch aile zeli:erheid venverpen, moet aannemen flat .Je~us waarlijk van de dood is verrezen.

V. 3. ·welke zUn de andere bijzondere mimkelen die
God rechtstreeks voor Ohristus gedaan heeft?
A. 1° Bet mimkuleus Iicht en de stem des Engels waardoor de
herdel's van Bet.hleem. alsook de mirakuleuze ster waardoor
de 'Vijzen uit het Oosten uitgenoodigd wenlen om den geboren
Messias te gaan aanbidden (l); - zo de verheerl1jki1J van .Jezus
door de stemme Gods, bij zijn doopsel te Bethania, bij zijne
gedaante&gt;erandering op den Thabor, en bij eene ziji1er verschijningen te Jeruzalem (2); - :3" de bovennatuurlijke wonderen die
bij'Jezus' dood plaats g1·epen (3).

V. 4. \Velke zijn de bijzonclerste mirakelen door Jezus
zelven geclaan?
A. ChriRtus heeft, om zijne goddelijke zenrling te bevestigen,
mi.-akelen gedaan op allerhande wezens.
l o Op ~wlelooze wezens : Hij lweft het water in wijn ve.-ande.-d op de bruiloft van Cana, door een gebofl den wind stil
gelegd, zelf op het water gewandelrl, Pet.-us op Iwt wate1· doen
wanrlelen, met vijf brooden en twee vi:"schen vijf duizend menschen gespijscl (-1).
(I) Luc. II, 10, ll. - Matth. II, 2. - (2) Mntth. III, li; XVII. !i. -Joan.
XII, 28. '- (3) Lnc. XXIII. 44-4i.- i\lntth. XXVII, 51-5·1.- (·•) Jonn.ll, I.
-Matti!. VIII, 23-2i.- Marc. XIV, 26-31.- Mntth. XIV, 15.- XV. 32.

�IN 'T KORT JIEWF.ZEN.

1407

2o Op levende menschen : allerlei ongeneesuare en ingewortelde ziekten heeft Hij op een oogenblilt, door een woord, door
eene aanraking, do01· zijnen enltelen wil genezen; de blind en
gaf Hij bet· gezicht; de dooven, het gehoor; de stommen, de
spraak: een man die
jaar, eene vrouw die 18 jaar, eene
andere die 12 jaar ziek was. schonk Hij in eens de gezondheid
terug: zondet· er bij tegenwoordig te zijn, genas H.ij op dezelfde
wijze den zoon van eenen hofbeambte, den dienaar van eenen
hoofdman, cle dochter van de Chananeesche vrouw. (1)

as

3° Op de cfooden : Hij heeft den zoon der weduwe van Nairn,
de dochter van Ja'ir, en Lazarus, die reeds sedert vier dagen i.n
bet gt'af lag, tot het Ieven teruggeroepen. (2)
4° Op de duivcls : meermaals heeft Hij bezetenen verlost,
zijne vollwmene macht over de helsche geesten duidelijl\o beweze~ : •·
~Jom·d, zegt de H ~ Schrift, dt·eef Jlij de geesten

m.e-en

ttl[ . ., (3).

V. 5. ·welke zijn de bijzondel'ste mil'akelen door de
Apostelen gedaan?
A. Door de handen der Apostelen, zegt het boel&gt;. vau de Handelingen det~ Apostelen, (lloo{dst. V) geschieddeu vele teekeuen
en wonderen (mirakelen) onder het volk; men droeg de kranken
uit op de straten en men legde ze op bedden en matt·assen,
opdat, wanneer Petrus kwam, ten minste zijne schaduw iemand
mocht bedekken, en zij van hunne krankheden bevrijd zouden
worden. Ook kwam de volksmenigle te Jeruzalem toe, l&gt;.ranken
medebrengende en die van onreine geesten gekweld waren, en
allen werden zij genezen.
(I) Matt h. X.X..- Ma•·c. V, VII. - Mntlh. Vlll. - Luc. XIIL- l\latth.
IX.- .loan. IV.- .Matth. XV.- (t) Luc. VII, 13-17. -1\latth. IX.- Joan. ·

XI, 43.- (a) l\latth. VIII. 15. - i\Iatth. X.ll. - J.uc. VI. IS.

�1408

IIET

ROO~!SCII·l\.\TIIOI,IEh:

GELOOF

V. G. \Velke mirakelen schijnen uit in het leven Jet·
H. Kerk?
A. Vooral dt·ij, tc wet.en. 1° de ~melle en wijllc uit.breiding, en
llet gedurig en onwrikbaar bestaan van het Christen Gcloof;
2° het groot getal, de ~ia!llh-astigheirl en ric hciligheid rler martelat•en, en 3" de wonder heilzame invloerl van Christm;' leering
op de zeden det• menschen.
1°Om ons van den miralwleuzen aanl der ui!.bt'Ciding en rlet·
bewaring van· het. Christen Geloof I.e t)Yerhligen. moetcn wij
enkel met aandacht overwegen, hoe gering cle natuul'lijli:e middelen waren die de geloofspredikers ien rlienste ~tonden, en
well\e schl'ikwekkende beletselen zij te overwimwn hatltlen. Tot
het acu]vangen van rlit groot werl\ waren et' enkel t\vaalf .\poslelen, allen zonder geleerdheid, zonder rijkrlomm~n • •Hler macht
noch JJaam : humte eepig:sle kunst was de eenvotHI ige voordracht
van Christus' leering; lmnne eenigste verwering. de verdul&lt;lighei&lt;l; in plaats \·an rijkrlommen en tijdelijk geluk. moe;;ten zij
de menschen allerhamle vervolgingen a an kond igen.
En hoe gToot wa1·en niel de beletselen die hun in •len weg
~tonden? Vooreerst, welk moeilijker werk uilrlenken dan r'~r)ne
en dezelfde godsdienstleet' doo1· al de volkeren te doen aanneme11,
godsdie~1slleer &lt;lie r.ooveel m,rstel'iiin bentt! Voeg daa.rltij de zoo
i ngeworielde I-Ieidensche lceri ngen &lt;lie al de mem;chcl ij ke uri [[en
streelden; ook nog, rlen hoogmoerl en de llebzucht ocr Hcidcnf;che
priesters en de aanmndingen der Ketters en ller S(:hismatiekcn.
En, in weerwil van al die zoo groote helcLselcn en van de
nietigheid der rniddelen die men ltarl, om ze te overwinnen, is het
Christen Geloof zoo ras en zoo wijd vc•·spreirl gewonlen, &lt;lat
reeds Tertullianus (·r 2·!5) schreef : .. Wij zijn maar van gif;tcren
"en wij vel'vullen al wat gij (I-Ieidenen) hebt : uwe sterlen, uwe
., eilanden, uwe liampen. uwe paleizen, nwe open bare plaatscn;

�IN ''!' KORT nEWEZEN.

140!1

·• uwe Lerupels aileen Iaten wij u over (1) •· De H.•Tustinus (t 163)
zegt dat er reeds te zijnen tijde geene gekende natie was waar
het Clwisten Geloof nog niet bestond (2). Zelfs Seneca, een Heidensche sch rij ve1· \an de eerste eeu w, getuigt u i tdi'l.t kkelij k dat Chrisius' leering toen al onder alle natien verspreid was en heerschte. ·
En van de eerste eeuwen af tot nu toe heeft het Christianismus
zich gesta!lig in aile hekende Ianden uitgebreid en de H. Kerl;:
telt heden ten dage omtrenl 200,500,000 geloovigen (3).
Hoe nu ka~ iemand zulk een feit uitleggen. zonder zijne toevlucht te nemen tot ee1ie rechtsti·eel;:sche tusschenlwmst Gods, of
zonde1· ten minste te erkennen dat het Geloof op onwederlegbare
goddelijke bewijzen steunt?
2° Ook de mirakuleuze nard van de marteldood van zoovele
heilige geloovigen springt in de oogen. Bet getal immers der
martelaren is onr.eggelUk gl'Oot, als blijl\t uit de getuigenis niet
aileen der rfi-1. Vade1·s, maar ook der Heidensche schrijvers; de
pijuen, wna1· zij mede gefolterd werden, \Yaren allerwreedst :
de Heiden~che g-eschiedschi'ijver Tacitus is daar om het te 6evestigen; in 't midden van "t bitlerste li.iden gaven zij de stichtench;te voorbeelden Yan kalmte, van liefde, van verduldigheid,
van ootmoedigheid, van onderwerping: en, nog eens, van dit
alles kan hij aileen voldoende reden geven, die aailYeerdt dat God
rechtstreeks de herlen lteeft versterl;:t en bewogen, of len minste.
dat cle geloofslecr, voor welke de martelaren stiel'Yen, door
(lntwijfelbare g:otltlelijl;:e teel~enen beYcstigd 'vertl. Eenige personeu l~Ullltel), wel is waar, zoo oYei·tuigd zijn van de waarheid
eeuer valse he leering, dat zij er de dood willen voor lijden; maar
eeue groote menigte, geduremle Iangen tijd. 7.•)6 bedrogen worden,
neen, dat is onmogelijk. En onderging cene groote menigte de
marteldootl uit drift. en niet nit oYertuiging, dan zou men ook,
in hct lijclen der doorl, de dl'ift en niet de deugd zien uitschijnen.
(1) Apo1og. H. 31. - (2) Samensprnal\ met T1·ypho. u. 117. -

J•'•·agmcnta.

(:1) Seneca,

�1410

HET

ROO~ISCII·l{ATHOLIEK

GELOOF

3o \Vat nu de wonderbaar heilzame invloed van het Christianismus op de zeden der menschen betreft, wederom de Heideuen
zoowel als de HH. Vaders getuigen, hoe het Christen Geloof de
menschen van hooveerdig ootmoedig, van gierig milddadig, van
.onzuiver zuiver, van gulzig matig, van nijdig liefdadig, van
grammoedig verduldig, van traag werkzaam gemaakt heeft.
Welnu, iedereen weet wat moeite het lwst om eenen versteenden zondaar tot bekeering te brengen. Hoe dus uitgelegd dat
eenige ongeletterde predil;:ers zonder godtlelijke tusschenkomst,
of ten minste zonder ontegensprcl\elijke goddelij};:e bcwijzen
niet cnl\el eenen mensch, niet homlerd, maar geheele naWin,
geheel de wereld uit den afgrond der ondeugd getrokl;:en en op
den weg der heiligheid gebracht hebbeu?
§ III. Bewijs uit de verhevenheid van Chri!i_tus· leering .

....

V. Is Christus'leering wezenlijk verheven, en zelfs zoo
· volmaakt dat zij alle menschelijke kracht te bov'en
gaat?
A. Ja, want in haar is niets te vinden dat eenigszins met de
rede of de goede zeden sil'ijdt, en daarenboven is zij wo volmaakt
dat de geleerdste wijsgeeren, noch zelfs de vermaardste scholen
eene leering hebben 1\.unnen ui tdenken die eenigszins met die van
Christus te vergelijl;:en is.
Dat zij geenszins in strijd is met de rede of met rle goede
zeden, kan niemand loochenen, tenzij degenen die onredelijk
genoeg zijn om te houden staan, dat de mysterien teg.en het ver. stand strijden, omdat zij er boven zijn; bet is immers al te klaar
dat de orde op de wereld volmaakt zou wezen, werd Christus'
leering stiptelijk onderhouden.
De verhevenheid van lleze leering blijkt duidelijk uit hare
zoo zuivere en zoo edele taal nopens God, de schepping, den

�IN 'T KORT .DEWEZEN.

1411

mens~h en zijn einde, uit hare zoo volmaakte geboden, alsmede uit hare bewonderensweerdige instellingen, namelijk de,
H. Kerk, bet H. Sacrificie der Mis, rle HH. Sacramenten die
zoo schoon aaneengeschakeld zijn, en met de natuur van den
mensch zoo volkomen overeenstemmen.

SLOT.

:Moeslen wy er een onderzoek over doen, op geheel de aarde,
onder al de leeringen die zich voor veropenbaard uitgeven, zou.:
den wij er geene enkele aantreifen die het duizendste dee!, wat
zeg ik, die iets te haren voordeele kan bijbrengen Yan de goddelijke bewijzeu die wij in 't kort komen voor te stellen. Hieruit
blijkt uat God de Christelijke veropenbaring wezenlijk als een
groot licht in 't 1nidden der duisternissen heeft doen schitteren,
en dat rne1.1 bijgevolg wijwillig de oogen voor hct Iicht moet
sluiten, om de waarheid dezer veropenbaring niet te begrijpen.
III.

De schatteu waarin Christus' veropeubal'ing llesloten ligt.

V. \Vaar is Christus' leering, die wij weten de ware
veropenbaring Gods te zijn, in te vinclen : worclt
zij slechts door menschelUke midclelen, te weten,
door de getuigenis der geschiedschrijvers en cler
oucle oorkonclen bewaard, ofwelligt zij beslo~en in
bovennatuurlijke schatten ons door God zelven
geschonken?
A. Christus' leering Is geheel bo·vennatutwlijk en moet, valgens Gods beschikking, zonder nieuwe veropenbaring, tot bet

�!lET IHlO~ISCII-KATIIOI,Ilm: GELOOF

eintle rler eeuwen b\ijven bestaau; daarom !Jeeft God ze niet
.wil\en oYerlalen aan die bcwaringsmiddelen, doOJ' dewelke ons
de \eeringen overgeleverd worden van rle ouden, als van Plato
en Cicero en van al de wijsgeeren die v66r ons geleefd hebben;
maar I-Iij !1eeft ze bes\oten in twee schatlen rlic bovennatuul'lijk
zijn, r\it is, die eene bon'!'nnatuurlijlw, eene gorh\elijke kmcht
hebben om Christ.us' leet·ing ongeschonden to bewaren, to weten,
de H. Suhn"fluw· en de Ovel'le1;e;·ing.
§ I. Van de H. Schriftuur.

V. l. \Vat is de H. Schriftum en hoc is zij een bovennatuudijk bewaringsmiddel van Ohristus' vcropenbaring?
:\.. Zij beslaal, zegt de Catechismus, in boeken die, zoowel
in hel Oud als in !tel Nieuw Tesla1ilenl, ·~:an heilige mannen,
'doo;· lzet inge~:en en den zonde;·lingcn bijslan(l van den
H. Geest, gcsch;·eten ziju.
Dus moet een boel;:, om H. Schriftuur te wezen, a) ingegcvcn
::,ijn dom· den Ji. Gcest, dat is, door Goll, zoowel outlet· opzicht
van de gedachten, als van den wi\ om die gt~dachlen te schrijven; b) na deze ingeving, gesclt;·cvcn ::,ijn doo;· dcil :;ondc;·lin-

gen bijsland t:an den /l. Gecsl, dat is, door cone zondcrlinge
hu\p Gods die den schrij\'el' bclet iu 't uildrukken dcr ge1lachtcn
te falcn (zie Catechismus ,Jdc les, 2' 1" vmag). -

Immers, om een

bock te schrijven, moel men gedachten hebben, doze rloor zich
zelven of door een' ander willcn sclwijven en ze uauwlwurig
uitdrukken. 'Velnu, de H. Schriftuur is ecn hock dat, hoewel
door andcren geschreven, toch God zelven voor opstcller hecft,
en dcrhalve zijn de drij gemelde vcrcischten volstrekt noodig,
opdat ecn boel;: H. Schriftuur zou wezen.'

�IN 'T IWRT mnYEZEN.

1413

Uit hoofde harer uatuur, omdat zij van God voortkomt en
otmlat de lteilige manuen, die ze geschreven hebben, enkel werl\"
tuigen zijn geweest in zijne handen, of secretarissen te zijnen
dieu:;le. moet de H. Schriftuur aanzien worden, niet als e~n
natuul'lijk, een menschelijk, maar als een bovennaluurlijlL een
goddelijk. een onlltalbaat· mirldel om de veropenbaring tot het
eindc rler· ecu\YCn te ·bewm·en. - Gelijk de leeringen door r:nensclten uitgerlacht bewaard worden bij middel van boeken die
door die men~rlten zelven xijn opgesteld, zoo wordl de leering
van Chri:&gt;tu:;. ·die hot woord Gods is, bewaard bij middel van
boekcn t!ie door God zelven opge:;teld zijn.

V. 2. Heeft Christus de H. Schriftulll' als eenen hoven-·
natumlijken schat der veropenbaring et·kend '?
A. Cltr·istus heeft meermaals getuigrl, dat Hij de Sehriftuurboeken Yall het (Jll(] Testament el'kende als zijnde geschreven
door het ingeven en den zontlerlingen hij~lanrl van rlcn H. Geest,
als zijntle eon bovennatuurlijkc schat rler veropenbaring door God
tot rlau toe gedaan. Zoo noeg Chr·istus aan de Pltarizeers antwoonlendc : ·· Jloe noe;nt David doo;· den Ocest (clit is, oncler
ltet ingcven en den zondel'lingen bijsland van Gocl schrijvende)
Jfc;n (Christu:-;) !fcc;·, als hij ::.egt (in zijnen 10051011 psalm) : de

Jlce;· hcefl ge:,e,r;d tot mijnen JleCi' : :,it aan mijne i'Cchtcrltand, lotdat ik uwc -rijanden ::.ctte tot ~·ustbank ·coo;· uwe voeten? (Mattl1. XXII, •13, 4-l.) ·• De woorden dooi' den Gcest geven
klaar te kennen, dat Christus de psahnen van David als een
goddelijk bock aanzag. Dikwijls ook verwees Hij de Joden naar
de getuigenis der H. Schrift als naar eene goddelijke, ee11e onfaalbare getuigenis; dikwijls ilnmers zegde Hij : de &amp;lv·iflen
(de ,:oorzeggingen die in de H. Schrift te lezen zijn) moctcn
VCi'l.mld WOIYlen, dit is, hot l;:an niet gebeuren dat zij falen,
dat zij niet volbracht worden. De Joden zelven, de geschiedenis
lee 1·t hGl ons, waren ten volle overtuigd van 't beslaan der

�1414

111&gt;1' HOO~ISCII-Ii:A TIIOLIEK GELOOI'

H. Schrift,_ en Christus, verre van die meening le bestrijt!en,
!weft ze iutegendeel steeds bevestigd.
Van de Schiftuurboeken des Nieuwen Testaments !weft Christus niet uitdruldwlijk gesproken, omdat zij, te zijnen tijde, nog
niet geschreven waren; maar, met de H. Schrift van het Oud
Testament zoo &lt;luitlelijk a\s eene bovennatuurlijke bron tier
goddelijke veropenlJaring te et'l;.ennen, en· ook, met te verklaren dat, na de hemelvaart, de I-L Geest zijne leering zou
komen indachtig maken en gansch voleindigen, ,!weft I-Iij genoegzaam uitgedmkt, dat zijne geloovigen t!e Schriftuurboeken
van het Nieuwe Testament, die zijne Apostelen of andere heilige
mannen zouden schrijven, als eenen boYemmtuurlijken schat
zijner leering moesten aaunemen. Ovet'igens hebben eenige Apostelen en de HI-I. Marcus en Lucas Schriftuurboelwn ge:;chreven,
waarvan de goddelijke ingeving te zamen met l:le geheele leering
des Geloofs doormenigvuldige mirakelen is bev~stigd geworden.
Volgens Christus' leering dus is de I-I. Schriftuur, die van het
Nieuwe zoo we! a is die van het Oude Testament, een bovennatuurlijke schat waarin de godtlelijl;.e veropenbaring besloten ligt.

V. 3. 'Vaa11.1it weten wij welke boeken st.ukken van
de H. Schriftuur zijn?
A. De Protestanten, die de I-I. Schriftuur als den eenigen schat
en zelfs als den eenigen regel der veropenbaring aanzien, beweren dat wij a\ de Scbriftuurboeken, door de getuigenis die zij
zelven, als H. Scllriftuur, van hunuen goddelijken oorsprong
geven, met zekerheid kennen. Doch dit is onmogelijk : een deel
der I-I. Schriftuur, dat reeds als dusdanig is m·kend, !;:an, wol is
waar, als H. Scllriftuur, den goddelijken oorsprong der andm·e
deelen getuigen; maar het eerste dee\ 'yaat· een onderzoek over
gedaan wordt, kan onmogelijk, als I-I. Schriftuur, van zijn eigenen
goddelijken oorsprong getuigenis geven, tenware -men aannam

�IN 'T IWR'f DEWF.ZEN.

1415

dat hetgeen nog moet bewezen worden, al.tot zijn eigen bewijs
kan dienen. Immers niet reeds daardoor is iemand geloofweerdig, om!lat hij .zijne geloofweerdiglleid met woo1·den bevestigt; want, eeJ' men aan zijne woorden geloof kan schenken,
moet men al van zijne waarachtigheid overtuigd zijn; en zoo
kan ons de H. Schriftuur, als H. Schrifluur, onmogelijk haren
godde\ijken oorsprong getuigen, eer dat wij uit eene andere bron
hare goddelijl\e ingeving kennen.
I-let ware ~1iddel o~ te weten, welke boeken I-I. Schriftuur
zijn, is de getuigenis van God die ze ingegeven heeft. Deze getuigenis komt tot o11s, gelijk die van al de andere feiten die Hoeger
geschied zijn, namelijk doo1· de overlevering. Hier echter geldt
niet enl\r.l de ovel'levering der geschrevene en ongeschrevene
gesehiedenis : &gt;oor al de punten des Geloofs bestaat, gelijk wij
gaan Ieeren, eell'e bo,·ennatuurlijlw Overlevering, die geschiedt
onder den bijsla~Hl en hel geleide van den I-I. Geest; en daarenboven nog eene Kerl\, die van Christus de zenrling heeft ontvangen,
om &lt;leze Overlevering op eene onfaalbare wijze voor te houden.
§ II. Van de Overlevering.

V. l. \Vat is de Overlevering, en hoe is zij een bovennatuurlijke schat der goddelijke veropenbaring?
A. Zij is de geloofslee,·, volgens Christus' instelling:, onder
lien bijstand en het geleide van den H. Geest, door de wettige
opvolgers &lt;leL' Apostelen voortdurend aan de \Vereld gep1·eclillt.
De Overlevering dan, waar wij bier van sprel;.en, is \Vel te
onderscheiden van de geschiedkundige overlevering, die dient
om ons allerhande feiten uit vroegere tijden of andere plaalsen
kenbaar le maken. Immers zij geschiedt, a) niet door schriften
en woorden van eenieder, maar .alleen door de predildng van de
wellige opvolge;·s dCI' 1lpostelen; b) niet door meuschelijke en

�1416

HET ROmlSCII-I·:ATIIOJ.IEI\ GEI,OOI"

natuurlij\;.e Jmwhten, maar on,; )L' den bijsland en !tel rJeleide
van den II. Geesl, (Joor mitlllelen die aile geschapene krachlen
te boven gaan.
.
Wif r.egden : onde;· den bijsland en hel geleide ran den

H. Geesl, en niet : onde1· de iugcvin,q van den II. Gcesl : bierdoor is de Overlevering ontler~clleiden van de H. Schiftuur.
Overigem; doet llelnieb ler r.ake, of de pretlikiug Yan de \Vetlige
opvolget·s dol' Apostelen geschiecH door sclli·ifl of door WOOI'-

den; want, om tot de OverleYering te behoot·en, is 11-iet veroischt
dfl,t de leering niet gesclH'CYen r.ij, maar wel clat'7.i,j n'iet onder de
ingeving van den H. Geest geschreven r.ij; wat immer:&gt; onder cle
ingeving en den zonderlingen bijslawl van clen H. Geest is geschreYen, dat is de H. Schriftuur.
De OverleYering, he!Jben wij gezien, geschie,Jt door michlelen
die aile geschapene 1\rachlen to boven gaan. Zij" moot clus nooclzal;.elijk ah cen boYenuatnurli,il&lt;.e :'.:!tat der vm·openbaring aangenomei1 worden.

V. · 2. Hceft Ohristus de Overlcvet·ing als eencn hoven, uatunrlijken schat dct· veropenbaring ingesteld?
A..Ja, Hij lleeft dit gedaan, toon Hij ?.ijne Apostelen gebood,
zijne leel'ing Lot het einde det· eeuwon aau aile volket·cn te prediken, hun Levens beloventle altij1l met heu te blijYen 1Iom· zijnen
bovenna.luur\ijken bijstantl, door den H. Geest die Ilij hun zon
zenden. Dij mitldel dier prediking moest Christus' veropenharing
overge\evertl worden, en cloor den mnderlingen bijsland van
den H. Geest is die O&gt;el'leYering eon J,ovennatuurlijk bewa.ringsmiddel van Chrislus' Yeropenbal'ing.

V: S. \Vaar is de schat der Overlcvering te vinden?
A. Der.e schat of, hetgeen het?.elfde is, de leering van de
wettige opvolger:; tler Apo:;telcu, Ual is, van de Pausen en bis-

�IN ''I' 1\0R'l' JJEWEZ!&gt;N.

1417

schoppen met tlen Pans vereenigd, is te vintlen in rle geloofsverklaringen rler Pausen en der Concilien. in de brieven der
Pauson en der bisschoppen, in de schriften der 1-II-I. Vaders,
in de Catechismussen door de bisschoppen nan cle geloovigen
voorgehouden, in de kerl;.gebt·uiken, alsmede in het godsdienstig
ondet·t·icht dat, onder het geleille !let· hisschoppen, in de seminarien, in rle katholieke hoogescholcn, in de schriften der godgeleenlen en in de sermoenen en leeringen der geesielijkheid
gegeven wonlt.
·~

V. 4. "\Vaimeer were! Cht·istus' veropenbaring volteokken en waat· dns begint de Ovel'levcring?
A. De veropenbal'ing wen! voltrokken bij de rlood van den
laatslen det· Apostelen; want de H. Schl'iftuut' leert ons lleel
klaar, dat Christus' veropenbaring geheel op de Apostelen rust,
en dat de leering der Apostelen zonder de minste verandering
tot het einde dm· eeuwen moet gepredikt worden.
SLOT.

\Vilde Go1l, zonder nieuwe veropenbal'iugeu, 1le Christelijke
veropenbm·ing lot het einrlc tier eeuwen ongcsc!toJHlen bewaren,
en aan tleze haat· karaktcr van god1lelijkhei&lt;l en onfaalbaarhcid
behourlcn, dan ook moest Hij schatten instellen, die rlaat'toe
eene bovetmatuurlijke, eene gotldelijke, eene onfaa\bare l;;racht
hebben, daat' geene natuurlijke bewaringsmi,hle\cu bekwaam
r.ijn eene leering yan aile betlerf te llevrijden.
Daarom lteeft Hij ons de H. Schri ft en de 0\'CI'level'ing geschonken. - Gelijk de leeri_ng der oudcn gcwoonlijk in twee naluurlijke schatten ligt beslolen, te welen, in hunne eigene :;chriflen
en in de overlevering van anderen, r.oo is ons Chl'istus' Yeropenbaring, volgens Gods wil, ook in twee lJovennatuurlijke
schatten achtergelaten, die beanLwoorden aan de natuurlijke

�1418

IIET ROOMSCII-1\ATI!OI.IEK GEI.OOF

schatten, door de menschen gel&gt;ruikt : De H. Sclwiftuur
immers, is wezenlijl;: een hoek door God zelven opgesteld, en de
Overlevering is de overhanding van Christus' leering door de
getuigenis van anderen, namelijk· van de wettige opvolgers der
Apostelen.- Daarenl&gt;oven, de H. Schriftuur en de Ove~·levering
ondersteunen ell;:aiHlei' : door bet l&gt;estaan der I-I. Schriftuur, is
de taak· der Overlevering veel vergemakkelijkt, want zij vindt
in die heilige boel;:en een onfaall&gt;aren grond van leering; en de
Overlevering op hare l&gt;eurt helpt de H. Schrift"ur met het
bestaan der schriftuurl&gt;oeken te doen l\ennen, met te getuigen
welke boeken H. Schriftuur zijn, met deze ongeschonden te
beware11 en meter de ware uitlegging van te geYen.
IV.

Van (le Roomsclt-Katltolieke l{erk.

'Vi.i weten nu dat geheel Christus' veropen baring in twee
bovem~atnurlijke schatten, te weten, in de H. Schriftunr en in

de Overlevering, besloten ligL 'fhaus is bet de vraag. hoe wij uit
die schatten Christus' leering moeten putten : 6( namelijk
eenieder door zich zelven daarin moet gaan zoeken wat hij te
gelooven h~eft, en dbOr zijn eigen oordeel beslissen of iets als
geloofspunt in de Schriftuur of de Overlevering is voorgesteld,
dan 6( er eene hevoegde macht, eene door Christus ingestelde
Kerk bestaat, gelast om ons zijne leering, in de twee gemelde
scbatten besloten, voor te houden, en over de twijfels en twisten
nopens die leering eene beslissende uitspraak te doen.
Wij zullen bier in 't kort bewijzen, dat de geloovigen geenszins door zich zelven de geloofspunten uit de schatten der Veropenbaring moet!3n putten; dat Christus eene bevoegde en
onfaalbare macht beeft ingesteld, om op eene levendige, beslissende en ve1·plichtende wijze en met een goddeltjk .geza'g te

�1419

IN 'T IWRT DEWEZEN.

bepalen en voor te houden ~at er te gelooven valt, en om de
geloovigen op den weg der zaligheid te geleiden; dat Hij, door
de instelling dier bevoegde macht, al de Christenen in eene vergadering, in eene Kerk heeft vereenigd, en dat die Kerk de
Roomsch-Katholieke is.
§ I. Van de instelling eener Kerk door Christus.

V. 1. Hee~t Christ us eene bevoegde macht ingesteld
over zijne geloovigen, en deze zoo in eene vergadering, in eene Kerk vereenigd?
A. Hij heeft eene dubbele rangorde van macht ingesteld,
namelijk de ~·mtgo1·de de1· p1·iestel'lijkc machl, rechtstreek~
bestemd tot het opdragen van het H. Sacrificie e:u het bedienen
der HH. Sacramenten; en de 1'ango1Yle van bestier-- of ,-·echtsmacht, gelast met het voorhouden des Geloofs en bet bestier der
geloovigen. Om tot zijn bovennatuurlijk einde te komen heeft de
mensch behoefte vooreerst aan een inwendig middel, namelijl\
de inwendige gratie, die zonderling door de H. l\Iis en de HH. Sacramenten gegeven wordt; en ten tweede, aan een uitwendig
rnidclel, te weten, aan de prediking des Geloofs en een door
wetten geregeld bestier; en zoo behoorde Christus eene dubbele
rangorde van macht in zijne Kerk in te stellen, eene voor het
ofi'eren der H. :Mis en het bedienen der HH. Sacramenten, en
eene andere voor het prediken des Geloofs en bet bestieren der
geloovigen.
,
De rangorde der priesterlijke macht heeft Christus ingesteld_ in
het Laatste Avonumaal, als Hij, van het H. :Misoffer sprekende,
tot zijne Aposteleil zegde : .. doet dit tot mijne gedachtenis. ,
(Luc. XXII, 19.)
De instelling van de rangorde der bestier- of rechtsmacht
i9

�1420

HET ROOMSCH·KATHOI.IEK GELOOF

werd niet in eens voltrokken. Eerst komt, tijdens Christus' openbaar !even, de belofle van de Pauselijlte oppermacht. Petrus
had beleden dat zijn Meester de Zoon Gods was, en Jezus, tot
hem aileen sprekende, antwoordde hem, dat hij de stcem·ots was
waarop de H. Kerk moest gebouwd worden, en dat hij de sleutels van het rijk der hemelen (d. i. van de H. Kerk} zou ontvangen (MaUll. XVI, 18, 19}_: twee zinnebeelden din heel duidelijk
de oppermacht uitdrukten.
Late1·, na zijne verrijzenis, vervult de Zaligmaker zijne betofte, en- verleent wezenlijk de Pauselijke oppermacht aan den
H. Petrus, met tot dezen, wederom met uitsluiting van de
andere Apostelen, te zeggen : Weid mijne lamme1·en, weid
miJne scltapen :· (Joan. XXI, 15-17}, dat is, ?estier mijne kudde,
gebeel mijne kerk, al mijne geloovigen zonder uitzondering,
overs ten en 'onderdanen; want door lamme:··en en schapen
wordt hier duidelijk geheel Jezus' kudde beteel;:end.
De bisschoppelijke bestier- of rechtsmacht lweft Christus
ingesteld, wanneer Hij aan Petrus en aan al de Apostelen te
zamen gezegd heeft : " al wat U!l" zult gebonden hebben op

aarde, zal.ook gebonden zijn in den hemel; en al wat gij ontbonden zult hebben ozJ am·cle, zal ook ontbonden zijn in den
hemel, dat is, al wat gij op geheel de aarde (voor al de geloovigen} zult voorgeschreven, bepaald of beslist hebben, zal ook
als zoodanig gelden bij God in den bemel (Matth. XVIII, 18).
De instelling nu van deze bevoegde macht over de geloovigen
is ook de stichting der H. Kerk; want, waar oversten zijn die
gebierlen, en onderdanen die moeten gehoorzamen om gezamenlijk een en lletzelfde einde - hier de zaligheid - te bereiken,
daar bestaat eene vergadering, eene Kerk.

V. 2. Hoelang- moet, volgens Christus' instelling, die
Ker k bestaan ?

�IN 'T I\:ORT BEWEZEN.

1421

A. Zij moet tot bet einde der eeuwen bestaan; Cbristus heeft
dit klaar uitgedrukt, als Hij, v66r zijne hemelvaart, aan de door
Hem ingesielde overbeid (aan de Apostelen, waar·onder Petrus ,
die hun hoofd was) bevolen heeft, r.ijn Geloof te prediken
en zijne geloovigen te bestieren tot het einde de1· eeuwen,
belovende tot lzct einde de1· wereld altijd met ham· te blijven (Matth. XXVIII, 20). Inderdaad, zal de overheid tot bet
einde det· wereld het Geloof prediken en de geloovigen bestiereu,
en gedurende alle die eeuwen de goddelijke ibulp genieten, dan
moet zij tot•de voleinding der wereld blijven bestaan.

V. 3. Zijn de geloovigen vrij van zich aan de Kerk te
onclerwerpen of niet?
A. Geenszins, ieder geloovige is grootelijks verplicht zicb aan
de H. Kerk te &lt;&gt;nderwerpe.n; want, toen Christus haar v66r zijne
hemelvaart de zending gaf om in de geheele wm·eld het Evangelic te zn·ediken, danlteeft Hij daar bijgevoegd: Die geloo{d zal

· hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; 1nam· die niet
geloo{cl zal hebben zal vei'OO'Nleelcl wm·den (Marc. XVI, 16).
De veroordeeling, die Christus bier uitspreekt tegen degenen, die
de prediking der H. Kerk niet aannemen en hare wetten niet
willen volgen, bewijst zeer duidelijk, dat ieder geloovige verplicht is zich aan de H. Kerk te 'onderwerpen.

V. 4. \Vat heeft Christus aan zijne I-1. Kerk gegeven
om haar in staat te stellen, de haar opgeclragene
zending volmaaktelijk te vervullen?
A. Hij heeft haar de gave van on{cwlbaw·heicl geschonken
in zalwn van Geloof en van zeden, dit is, in hetgeen enkel te
gelooven, en in helgeen tevens ie gelooveu en te doen is. De
H. Kerk bijgevolg kan niet falen in bet voorhouden des Geloofs,
noch in hare algemeene wetten iets voorschrijven dat met de

�1422

HET ROOMSCH·KATHOLIEK GELOOF

goede zeden strijdt. Toen immers Christ us, v66r zijne hemelvaart,
aan de overheid zijner H. Kerk beloofde, dat Hij haar in het
. prediken des Geloofs en in het bestieren der geloovigen tot de
voleinding der eeuwen zou bijstaan (.Matth. XXVIII, 20), dan had
Hij haar reeds, na het Laatste Avondmaal namelijk, verklaard,
dat zljn bijstand zou gelegen zijn in het zen den van den H. Geest,
die haar aile waarheid zou leeren (Joan. XVI, 13), en ook, dat
bet Geloof van het opperhoofd der H. Kerk nooit zou bezwijken
(Luc. XXII, 32). De beloofde bijstand is dus zel\er z66 krachtdadig, dat de H. Kerk er onfaalbaar door is in zaketr van Geloof
en van zeden.
De onfaalbaarheid behoort in de H. Kerk toe : 1° aan den
Paus sprekende ex cathedra, dit is, sprekende als opperhoofd
der H. Kerk over zaken van Geloof of zeden, met het inzicht
van al de. geloovigen te verplichten, 2° aan den Paus te zamen
met de ·bisschoppen in een algemeen Concilie vergaderd, en
3° aan den Paus te zamen met de bisschoppen die, de wereld
door verspreid, met hem hetzelfde Geloof voorhouden. De
onfaalbaarheid van den Paus vloeit klaarlijk uit de woorden
van Christus, belovende aan den H. Petrus, dat diens Geloof
nooit zou bezwijken, maar tot steun van het Geloof der anderen
zou dienen. Ten andere, de Paus is de steenrots waarop Christus zijne Kerk, die gansch op bet Geloof.rust, gebouwd heeft :
ware de Paus faalbaar, dan zou hij geene steenrots, dit is, geene
onwrikbare grondvest van bet Geloof der H. Kerk meer wezen.
De Paus, gezamenlijk met de bisschoppen het Geloof of de
zedenleer voorhoudende, is onfaalbaar, krachtens de belofte
welke Christus, v66r zijne hemelvaart, aan de kerkelijke overheid gedaan heeft.
Men merke bier op, hoe de onfaalbaarheid der H. Kerk
allerscboonst overeenstemt met gebeel de inricbting der goddelijke veropenbaring. Da!!-r Christus' leering het onfaalbaar
woord Gods is, en daar de schatten, waarin deze leering besloten

�IN 'T 1\0RT DEWEZEN.

1423

ligt, ook on(aalbaar zijn, zoo behoorde bet, dat oolt de ove~·heid
&gt;
die ze uit die schatten moet putten en ze op eene levendige, beslissende en verplichtende wijze voorstellen, onfaalbaar was,
opdat zoo die leering, die onfaalbaar is in haren oorsprong en in
hare bewaringsmiddalen, bet ook in hare voorstelling zou wezen.
En zie, hoe deze drij dingen allerschoonst aaneengeschakeld zijn
en elkander ondersteunen : zonder die goddelijke bewaringsmiddelen zou de H. Kerk nieuwe Yeropenbaringen noodig beb-.
ben, om de Christelijke Yeropenbaring met onfaalbaarheid te
kunnen ken~en, daar de menschelijke overlevering faalbaar is;
en zonder de onfaalbare, beslissende en verplichtende voorstelling der H. Kerk zou de Christelijke Yeropenbaring, door allerhande slechte uitleggingen oYer de H. Schriftuur en de leering
der Overlevering, welllaast verbasterd, gescbonden en bedorven
•worden. Neem qf de bovennatuurlijke bewaringsmiddelen, 6f de
onfaalbaarheid der H. Kerk weg, en de Christelijke veropenbaring verliest aanstonds haar karakter van onfaalbaarheid. Men merke bier ook op, hoe de levende leering der H. Kerk van
de Overlevering verschilt : de levende leering of voorhouding
der H. Kerk is hetgene de Paus en de bisschoppen, die nu Ieven,
ons voorhouden; en de Overlevering bestaat uit al de stukken
die de leering der H. Kerk van vroegeren tijd bevatten : over
die leering van vroegeren tijd, zoowel als over de H. Scbriftuur,
kan er twist bestaan en slechte uitlegging gegeven worden;·en
daarom moet er te allen tijde eene levende macht zijn, om zOowei de vroegere leering der H. Kerk als de H. Schriftuur te
verldaren. - Deze voorhou~ing der H. Kerk geschiedt soms op
.eene plechtige wi,jze, te weten, wanneer de Paus, als Paus, de
leering verldaart die aile geloo'Vigen moeten houden, of wanneer
een algemeen Concilie eene geloofsverklaring doet; maar zij
geschiedt onophoudelijk op eene gewone en dagelijllsclte wijze
door de brieven der Pausen en bisschoppen, door de catechismussen die de bisschoppen voorschrijven, alsmede door bet

�1424

HET ROOMSCH-KA'l'HOLIEK GELOOl&gt;

geestelijk onderricht, dat onder bet gel!3ide der bisscl10ppen in
de seminarien, in de lmtholieke hoogescholen, in de schl'iften
der godgeleerden en in de sermoenen en onderrichtingeii der
geest~lijkheid gegeven wordt. - Uit dit alles blijkt, dat de
H. Schriftuur en de Overlevering een doode ~·egel de1: GeloolsleerLJg zijn, aangezien zij geene beslissing kunnen geven over
de twisten of twijfels, en geene verklaring over hunne duistere
plaatsen; terwijl de H. Kerk, die op eene levendige en beslissende wijze de Geloofsleering voorhoudt, wezenlijk e~n levenden
regel des Geloofs uitmaakt.

V. 5. Bezit Christus' Kerk eigendommen die uitwen.dige kenteekenen zijn harer waarheid?
A. Ja, onder ande1·e deze vie1• : ten eerste, .dat zij een is;
ten tweede, dat zij heilig is; ten dercle, clat zij katholiek en
apostelijk is; ten vie1·cle, dat zij wam·achtige mh·akelen heefl.
De ware kerl~ van Christus is l o een, dat wil zeggen, dat al
hare !eden, gel.teel de wereld door, a) onder Mn opperhoofd staan,
en b) in aile tijden en in aile Ianden eene en dezelfde leering volgen, namelijk die eene en dezelfde leering, welke door den Paus
en de bisschoppen is voorgesteld.
Zij moet geheel onder een lwo(d staan: Christus heeft duidelijk uitgedrukt dat aileen Petrus en zijne opvolgers de oppermacht over zijne geloovigen zouden hebben. Zij rnoet ove1·al en
altijd eene en dezelfile leering volgen : er bestaat maar eene
van God veropenbaarde leering, en Mme bevoegde macht om ze
voor te houden, te weten, de Paus en de bisschoppen.
.
· Christus' Ker~ is 2° heilig, heilig in haar opp~1·hoo{cl : Hij
zelf immers moet er het opperhoofd van wezen;. l1eilig in hare
middelen van zaligheid, want zij moet het gebruik hebben van
de HH. Sacramenten die Christus heeft ingesteld; heilig in haar
beste cleel, dat is, in een groot deel, bestaande uit de ware ge-

�IN 'T KORT llEWEZEN.

1425

loovigen, die naar de stem der H. Kerk wei \uisteren, .- in
hare lee1ing en in haren i'OCJJ, aangezien Christus' leering en
roep voorzeker heilig zijn en de geloovigen rechtstreeks tot de
heiligheid geleitleu, en het onmogelijk is, indien de leering en de
roep eener kerk heilig zijn, dat geene of slechts een klein getal
geloovigen we\ Ieven.
De ware kerk is 3° katholiek of algemeen, dat is, zij moet
zich uitstrekli.Cn: a) lot alle liJden, te beginnen van Christus tot
het einde der wereld, en daarom alle geloovigen besluiten die
• af geweest zijn en zijn zullen; b) lot alle landen, dat
van Christus
wil zeggeu~ gedurig aile middolen gebruiJ;.en om zich geheel ~e
wereld door te verspreiden, en, in ioder tijdstip zooveel mogelijk
onder alle Ianden en natien verspreid zijn. Deze dubbele algemeenheid moet noodzakelijl:; in de waarachtige Kerk gevonden
worden, dewijl Christus, •66r zijne hemelvaart, aan de Apostelen opgelegd l10eft, zijne leering aan alle 1:oll;.c;·en tot het einde
der eeuwen te gaan prediken, hun daarbij belovende, dat Hij
altijd door zijne goddelijke gratie bij hen zou blijven.
Christus' Kerk is ook Apostelijk, dat wil zeggen, dat zij, van
Hem ingesteld zijnde, Yan de Apostelen af met ongebrokene
achtervolging altijd moet bestaan hebben, en zoo wezenlijk van
de Apostelen en niet van anderen, als van herstichters, tot ons
moet komen. Inderdaad, Christus heeft verklaard dat zijne Kerk,
onwrikbaar op Petrus gevestigd, nooit overweldigd noch overwonnen, tot het einde der eeuwen zou duren.
Zij !10eft 4° waarachtige mirakelen. Dit blijkt uit de
woorden van Christus, v66r zijne hemelvaart, aan de Apostelen
voorzeggende, dat hunne prediking van allerhande mirakelen
zou vergezeld zijn : " En deze teekenen (de bier opgenoemde en
" andere dusdanige mirakelen) zullen hen volgen (vergezellen)
, die geloofd zullen hebben : in mijnen naam zullen zij booze
, geesten uitwerpen, nieuwe talen spreken, serpenten opnemen;
" en hebben zij iets doodelijks gedronken, het zal hun niet

�1426

HET ROO~ISCH-KATHOLIEK GELOOF

., schaden; aan kranken zullen zij de handen opleggen en die
, zullen genezen worden,. (Marc. XVI, 17, 18).

v. 6. Zijn al deze kenteekenen stellige bewijzen van de
waarheid eener Kerk, zoodanig dat de Kerk die ze
bezit ongetwijfeld als de ware Kerk van Christus
moet aanzien worden?
A. De rnirakelen, gelijk wij hooger reeds bewezen,hebben, zijn
daar een stellig en onwederlegbaar bewijs van. Wat·de ccnheid,
de heiligheid, de katholiciteit en apostoliciteil betreft, deze zijn,
afzonderlijk genomen, kenteekenen die moeten aanwezig zijn,
opdat eene Kerk als de ware Kerk :van Christus zou kunuen
aanzien worden; maar, te zamen g!lnomen, maken zij een stellig bewijs nit van de waarheid eener Kerk; de ondervinding
immers getuigt, dat eene op bedrog en valschheid gesteunde
Kerk onmogelijk de eigendommen van eenheid, Yan heiligheid,
van katholiciteit en apostoliciteit kan bezitten. Waar bedrog en
valschheid bestaat, daar is geene eenheid, maar verdeeldheid;
geene heiligheid, maar oudeugd en boosheid; en, waar eeuheid
ontbreekt, kan noch algemeeuheid uoch apostoliciteit geYonden
worden.
§ II. Van de waarheid der Roomsch··Katholieke Kerk.

V. l. Hoe kunnen wij de waarheid der Roomsch-Katholieke Kerk onweerlegbaar bewijzen?
A. Wij l~mmen dat op twee manieren : 1° met te toonen dat
in haa.r allMm te vinden zijn de wettige opvolgers van den
H. Petrus, het zienlijlt opperhoofd van Christus' Kerk. Waar de
wettige Pausen zijn, of waar Petrus is, daar ook is de ware
Kerk, vermits al de geloovigen aan den w~ttigen Pans moeten

�IN 'T KORT llEWEZEN.

1427

onderworpen zijn. 2° Met v66r oogen te leggen hoe zij, en r.ij
allMm, de vier hierbovengenoemde kenteekenen bezit.

V. 2. Bewijs dat in de Roomsch-Katholieke Kerk
aileen de ware opvolgers van den H. Petrus te
vinden zijn.
A. Volgens Christus' onfaalbare belofte, moet Pett·us, door
Hem tot opperhoofd der II. Kerk aangesteld, tot het einde der
..
eeuwen in zijne opvolgers leven. \Velnu, buiten de bisschoppen
van Rome, kan niemand als opvolger van Petrus in het pausschap aan?.ien worden, daar, buiten hen, niemand zich als Paus
uitgegeven heefL, of als Paus is aangenomen geweest: Zelfs de
tegenpausen scheidden het pausschap van bet bisschopschap
van Rome niet ,.'lf; want, om als Paus te gelden, trachtten zij
zich als bisschop van Rome te doen erkennen. De bisschop van
Rome bijgevolg moet de ware Paus, de ware opvolger van
Petrus zijn; anders zou Petrus in zijne oppermacht geene opvolgers meer hebben, wat rechtstreeks met Christus' onfaalbare
belofte strijdt.
Daarenboven leeren ons de oudste getuigenissen der kerkelijke geschiedenis, hoe, van in het begin, de bisschoppen van
Rome de opperste macht over al de geloovigen uitgeoefend hebben, zich de wettige opvolgers van Petrus noemende; hoe al de
geloovigen, de priesters en de bisschoppen hen, van de eerste
eeuwen af, als wettige opvolgers van Petrus en bijgevolg als de
ware opperhoofden der Kerk door woorden en door werken
erkend hebben. Zoo, bij voorbeeld, toen er in de eerste eeuw een
twist on tstond onder de geloovigen der Grieksche stad Corinthe,
wendden zich deze, niet tot Qen Apostel Joannes, die in de stad
Ephese verbleef, maar ondernamen de reis naar de verder afgelegene stad Rome, om daar den Paus Clemens te gaan raadplegen.- In de tweede eeuw kwamen Hegesippus en Polycarpus

�1428

Ut;'l' ROO.MSCI!·I\ATHOJ,IEK GELOOF

uit Azie 11aar Rome, om met den Paus Anicetus te handelen
over bet vieren van het Paaschfeest en over andere vraagstukken. In dezelfde eeuw schreef de H. Irem-eus, Bisschop van Lyon
in Frankrijk, dat al de geloovigen van alle landen en plaalsen
zich aan de Kerk van Rome moeten onderwerpen, uit hoofde
van haren machtigen voorrang; dat die Kerk van Rome de
Apostolische Overlevering ongeschonden bewaarde, dat zij gesticht was door de Apostelen Petrus en Paulus, en dat, sedert
Petrus' dood, reeds twaalf Pausen hem zonder onderbreking in
het opperbestier der "geloovigen hadden opgevolgd. - In de
derde eeuw zond Dionysius, Bisschop van Alexandrie in Egyple,
die van ketterij beschuldigd werd, aan den Paus van Rome een
bewijs van de echtheid zijns Geloofs, .oyertuigd dat niemand als
ketter kan aanzien worden, zoo hij met den Paus in gemeenschap van Geloofsleering is.

V. 3. Bewijs dat de Roomsch-Katholieke Kerk de
kenteekenen der ware Kerk van Christus bezit, en
dat de andere Kerken, die den naam van Christene
Kerken dragen, deze kenteei\.enen missen.
A. De Roomsch-Katholieke Kerk is l\laarblijkend 1° Mn;
want a) zij staat oncle;· een hoo(cl: wij zien en weten, datal de
Katholiel1.en van geheel de wereld zich aan den Paus van Rome
onderwerpen. Zij zijn niet verdeeld in verscheidene onafhankelijke bisdommen, of Ianden, of werelddeelen : al de bisdommen,
al de landen der aarde, de vijf werelddeelen slaan onder een
hoofd, den Paus van Rome, en, heeft deze gesprokcn, al de geloovigen moeten zich onderwerpen. Wie diens oppermacht weigert
te erkennen, is daardoqr buiten de H. Kerk. Et· zijn, wel is waar,
tegenpausen geweest en de geloovigen heblJen, in zeldzame
gevallen, getwijfeld wie, van twee of drie personen die zich
voor Paus uitgaven, de·ware Paus was; doch hierdoo~eeft de

~

�IN 'T 1\0RT BEWEZEN.

1429

H. Kerk niet opgehouden onder Mn hoofd te staan; want, van de
twee of drij ?.OOgezegde Pausen, was toch maar Mn de ware
Pans. Ook dachten de geloovigen loeil niet, dat er in de l{erk
tegelijk twee of drij Pausen knnnen zijn; zij twijfelden wie de
Mne ware Pans was, en zoo erkenden de eenen dezen, de
anderen genen als !let eenig opperhoofd der H. Kerk; maar allen
wilden enkel aan Mnen gehoorzamen, en zochten den Mnen
waren Pans te erliennen.

b) Zij volgt in al de stukken des Geloo{s maw· eene lem·ing.

Onderzoekt ~de gelocifsleering van al de parochien. rle Catechismnssen van al de bisdommen, van al de Ianden, van al de·
werelddeelen; gaaL tot de afgelegen~te plaatsen der aarde, en
hoort wat de Katholieken daar leeren : overal vindt gij dezelfrle
Geloofsbelijdenis, dezelfde Geloofsleering. De leering van onzen
Calechi~mn~. mogelijk in andere woorden of in andere orde,
wordt voorgehourlen in geheel Europa, Azie, Afrika, .Amerika
en Oceanie. Doorblarlert rle geschiedenis en ziet wat de Apastelen, wat de oversten der I-I. Kerli in de eerste eeuwen geloofden en leerden : nog eens treft gij dezelfrle leering aan die wij
nu gelooYen. Hetgeen de Paus, de bisschoppen en, onder hun gezag, de pastoors en priesters nu prediken. dat predikten ook de
Apostelen, dat prerlikten hunne opvolgers tot op onze dagen toe.
Ecnige goddeloozen brengen hier tcgen in, dat er, onder de
Katholielien, nopens vele pu_nten twist bestaat.
Deze opwerping is zonder · grond. 'Vij beweren niet rlat de
ware Kcrk van Chrislus de cenheid moet hebben in al de leerstukken; aileen in de stukken die het Geloof aangaan, of, die
de geloovigen, Yolgens de beslissing der H. Kerk, moeten houden en volgen, is eenheid vcreischt. 'Velnu rle twist, wel11:e onder de Katholieken bestaat nopens sommige pun len. betreft nooit
de geloofssLuld~:en die rloor de overs ten der H. Kerli als 7.t!lke
worden voorgehouden. Getuige hiervan hetgeen voorgevallen is
na bet algemeen Concilie van l8i0 : zoohaast de plechtige Kerk-

�1430

HET ROO~fSCH·KATHOLIEK GELOOF

vergadering de onfaalbaarheid had afgekondigd van den Paus
sprekende ex cathedra, hebben de geloovigen, geheel de wereld
door, dat Ieerstuk als bet woord Gods aangenomen, en de weinigen, die geweigerd hebben zich te onderwerpen, zijn algemeen
als Ketters aanzien geworden.
In het Katholiek Geloof, zegt men nog, is geene eenheid, want
het blijft niet altijd hetzelfde; van tijd tot tijd komen nieuwe
geloofsverklaringen er verandering. in brengen.
Deze opwerping is even· ongegrond als de voq,rgaande. De
nieuwe geloofsverli.laringen spreken de voorgaande geloofslee. ring geenszins tegen, noch brengen nieuwe veropenbaarde
geloofswaarheden in; maar zij hou.den enkel op eene beslissende
en verplichtende wijze voor, als wezenlijk tot de veropenbaarde
leering behoorende, een of ander punt waaromtrent eenige
twijfel bestond, of het wel in de H. Schriftuur of in de Overlevering besloten lag. Verandert een leermeester de leering van een
hoek, of brengt hij eene nieuwe leering in, als hij klaar uitlegt
en voorstelt wat in dit hoek geschre•en staat? De H. Kerk is
eene van God ingestelde leermeesteres om de veropenbaring, in
de H. Schriftuur en de Overlevering .besloten, aan de wereld voor
te houden : mag men dan zeggen dat zij de veropenbal'ing verandert, of dat zij nieuwe geloofsstuli.ken afli.Ondigt, wanneer zij
ons enl,{el verklaart wat in de veropenbaring te vinden is~
Bij de sekten die onder den naam van Christene Kerken
komen, bij voorbeeld, bij de Anglikaansche, de Protestantsche,
of de Griekscbe Schismatieke sekte treft men op geener wijze
de vereischte eenheid aan.
Zij staan immers niet onder Mn hoofd : de Griekscbe Kerk is
in twee onafbanli.elijke deelen verdeeld; de Protestantsche en
de Anglikaansche bestaan uit een oneindig getal onafhankelijke
gemeenten. - Wat de eenbeid in bet Geloof aangaat, de Protestantsche en de Anglikaansche Kerken bijzonderlijk zijn, onder
dit opzicht, aan de grootste verandet:lijli.heid onderworpen :

�IN 'T KORT DEWilZEN.

1431

ieder Protestant en ieder Anglikaan is, om zoo te zeggen,
nopens alle punten vrij te gelooven wat hij wil. De Grieksche
Schismatieke Kerk, min veranderlijk dan de beide voorgaande,
heeft toch ook de eenheid in het Geloof verloren, daar zij verscheidene geloofspunten verworpen heeft, zooals de voortlwmst
van den H. Geest uit den Vader en den Zoon, en het oppergezag
van den Paus van Rome.
De Roomsch-Katholieke Kerlt is ook zo heilig, want a) Chris-

tus, de heiligheid zelve, is haw· oppe;·lwofd, !war stichte1· :
dit bewijzefl ons de kruisbeelden en kruisteekenen die bij de
Katholielten overal in de godsdienstige zaken worden aangetroffen, - de leering, de ceremonien en de gebeden der Roomsche Kerk, die Christus immer als den lwning, den opperpriester
en opperleeraar erltennen, -de volstrekte onmogelijkheid waar
onze tegenstrevers zich in bevinden, om voor de Katholieke
Kerk een anderen stichter, een ander opperhoofd dan Christus
aan te wijzen.
Zij is nog heilig b) omdat zij het waarachtig geb;·uik van
de Illl. Sac1•amenten hee{t: zij neemt immers al de Sacramenten aan, die wij door de H. Schriftuur en door de Overlevering weten van Christus ingestelcl te zijn, en zij bedient ze met
die stof en die woorden welke, naar luid der geloofsbronnen, de
Zaligmakervoorgeschreven heeft.- Zij is heilig c) onder opzicht
hw·e,· lee1·ing : eenieder moet bekennen dat degenen, die bet
Katholiek Geloof volgen en in 't werk stellen, noodzakelijk heilig
Ieven, en dat de volmaaktste vrede op aarde heerschen zou,
indien alle menschen hun gedrag naar het Katholiek Geloof
schikten. -d) Onde1· opzicht van hw·en ~·oep : de sermoenen
en de onderrichtingen van de IWiesters, van de bisschoppen en
van den Paus, de Catechismussen en andere leerboeken van bet
Katholiek Geloof wekken tot niets anders dan tot een volmaakt
en l1eilig Ieven op. - e) In haw· beste deel : dat degenen, die
naar de stem der Katholiel\e Kerk luisteren, wezenlijk heilig

�1432

UET ROOMSCH·KATHOLIEK GELOOF

leven, en dat bun getal zeer aanzienlijk is, dat getuigt de
dagelijltsche ondervinding en de geschiedenis. Iedere eeuw
telt eene groote menigte van heilige belijders, maagden en martelaren die door heldhaftige deugden hebben uitgemunt, en dagelijks zien wij v66r onze oogen bet volmaald en heilig Ieven van
menigvuldige bisschoppen, 11riesters, kloosterlingen en wereldlijke menschen; dagelijks zijn wij getuigen van die bewonderensweerdige zelfopotrering 'vaardoor velen, aan wie alles op
de wereld toelacht, aile tijdelijke goederen verlaten'hom zich geheel aan den dienst van God of aan den even mensch toe te wijden.
De afgeweltene sektenzijn eyenmin heilig als een. In plaatsvan
Christus, de heiligheid zelve, hebben zij, voor waar opperhoofd
en stichter, eenen zondaar, eenen man, in wien de ondeugd in
plaats van de deugd uitscheen ; - de Sacramenten door Christus
ingesteld hebben zij ten deele verworpen of ten minste bedienen
ze ten deele op eene ongeldige wijze; - hunne leering en hun
roep, verre van heilig te zijn, leiden integendeel, (de natuur der
zaak, de ondervinding en de 1geschiedenis bewijzen dat genoeg),
tot wederspannigheid jegens de weLtige oversten, tot hoogmoed,
tot wulpschheid en allerhande zonden; - hun beste deel ltan
geenszins heilig wezen; want, aangezien hunne leering niet
.heilig is, moeten degenen, die ze volgen, noodzakelijk in zonden
vall en.
De goddeloozen beweren soms, dat de Katholieke Kerk niet
kan heilig genoemd worden, omdat een groot get.al barer leden
. een zondig Ieven leidt.
Om hierop te antwoorden zollen wij enkel vragen, of een
huisgezin heilig laat te zijn, omdat het leden telt die niet heilig
leven; of een stad ophoudt rijk te zijn, omdat er anne lieden in
gevonden worden? Tot de heiligheid der H. Kerk is geenszins
vereisch~ dat al hare led en heilig wezen, en het is- men merke
'dat nog· op - tegeil haren roep en wensch, dat sommige leden
in zonde Ieven.

�1433

IN '1' KOR1' IJEWEZEN.

De Roomsche Rerk is 3° katholiek of algemeen, a) onder
&lt;Jpziclzt van hm·e ve1·sw·eiding : dat is reeds hierboven
bladz. 1408 bewezen geweest. Bij de aangebrachle bewijsstukken zullen wij slechts het volgende voegen. In zijn boel\. over
den wm·cn Godsdienst, VII. 12 schreef de .H. Augustinus, dat, te zijnen tijtle, zelfs de ongeloovigen onze Kerk katltoliek of algemeen noemden, omdal zij uit hoofde barer zoo
groote uitgeslt·ektheid, bij de menschen meest onder &lt;lien naam
gel\encl was. Oak heeft de Kalholiel;.e Kerk te allen tijde al de
vereischte trttddelen gebruikt, len einde het Geloof Lot in de afgelegenste lan;len uer wereltl te verspreideu, en gedurig werden
hare pogingen met eeu gezegenden uilslag bekroond. '!'hans telt
zij omtrent 200,000,000 leden, veel meer clan al de sekten te
zamen. - Zij is nog algemeen b) onde1· opzichl van ha1•en
duw· : dit hlijkt uit haar onafgebroken en onwrikbaar bestaan
va11 den tijd vaxi Chrislus tot heden toe. alsmede uit hare leering, en uit de middelen die zij gebruikt, om zich tot het einde
der eeuwen in stand te houden.
I

I

1

1

1

Tegen deze algemeeuheiu zou men de gedurige en ue zoo
hevige vervolgingen, die de I\atholieke Kerk te onderstaan
heeft, lmnuen inbrengeu; doch die Tervolgiugen zelven doen
hare waarheid uitschijnen. Zij zijn immet·s de vervulling van
deze woorclen door dewelke Christus aan zijne iL Kerk duide~
Iijl\ getlurige vervolgingen voorspelde : .. een dienstlmecht,
.. zegtle Hij (Joan. XV, 20), is niet meerder dan zijn Beer :
" hebben zij Mij vervolgd, oak u zullen zij ven·olgen; " - en zij
geven tevens aan de H. Kerk de gelegenheid om te toonen. hoe
zij, in weerwil van allet•hande geweld, onwril\baar is blijven
bestaan : overal uitgestrekt te zijn. ware geene wonderbare
en bijzondm·e zaak, had zij daartoe geene moeilijkheden te overwiunen. - l\Ien bemerl\e ook, hoe men in die vervolgingen en
in bet onwrikbaar bestaan der H. Kerk niettegenstaande deze
vervolgingen, geheel het plan der goddelijke Voorzienigheid

�1434

HET ROOMSCH·KATHOLIEii GELOOF

klaar ziet uitkomen : God verslaat en verplettert de vijanden der
H. Kerk niet geheel en al, om z66 zijne werlting in de H. I\:erk
niette scbitterend te maken; maarHij staatzijne H. Kerk altijd
op zull;;e wijze bij, dat zij steeds hare algemeenlleid bewaart en
nooit wankelt, hoe hevig de aanrandingen mogen wezen.
Deze dubbele algemeenheid is in de Kettersche ofSchismatieke
Kerken geenszins te vinden. Deze zijn niet algemeen ondm· opziclzt van tijcl : de Grieksche Schismatielte Kerk ontstond eerst
in de IX0 eeuw; de Protestantsche en de Anglikaansche in de
XVI~ eeuw; en dan nog, de verschillige selden, wttaruit zij bestaan, blijven niet duren, maar verdwijnen de eene 1ia de andere.
Zij zijn ook geenszins algemeen onder opziclzt van ·uitgestrektlzeid : zelden treft men eene onkatholiel;;e Kerk aan die
zich over een geheel koninkrijk uitstrekt. :M:en telt slechts in
't geheel 70,000,000 Grieksche Scbismatieken en ongeveer evenveel Protestanten, en die Schismatieken zijn dan nog in twee
hoofdkerken, en de Protestanten in duizenden van elkander
onafhanltelijke lterkgemeenten verdeeld, zoodanig dat noch de
eene noch de andere op bun getal aanspraak kunnen maken.
De Roomsche Kerk is zoowel apostelijk als l;;atholiek : zij
is ouder dan aile selden, want deze aile zijn takken die zich van
haar hebben afgescheiden; en niemand lmn den tijd aanwijzen
waarop onze Kerk mi. Christus zou aanvang genomen hebben;
- de geschiedenis legt ons v66r oogen hoe zij door eene ongebrokene aaneenscbakeling van Pausen, bisschoppen en geloovigen die tot de Apostelen opklimt, wezenlijk die Kerk uitmaakt
wellte Christus met zijne Apostelen gesticht heeft.
Uit al wat wij reeds van de sekten gezegd hebben, blijkt genoeg
"dat zij op geener wijze apostelijk zijn. Waar is bij hen die ongebrokene achtervolging van oversten en onclerdanen opklimmend~ tot aan de Apostelen ~ Hunne geschiedenis. begint met
Photius, Luther, Calvijn of Hendrik VIII die ben van de Roomsche Kerk heeft afgescheiden.

.

�IN 'T KORT BEWEZEN.

1435

De Katholieke Kerk heeft 4° waarachtige mirakelen : wie
weigert clit te gelooven, mag geen enkel feit uit de geschiedenis
voor zeker aannemen. En men zegge niet dat de mirakelen,
waarop de H. Kerk zich beroept om hare eenzelvigheid met de
Kerk van Christus te bewijzen, waarschijnlijk geene ware mirakelen zijn : de verbazende strengheid en nauwkeurigheid, die de
kerkelijlw oversten gebruiken in het onderzoeken der miral&lt;elen,
als bet er op aankomt eene heiligverklaring te d.oen, zijn eene
zekere wam·borg van humw echtileid. Overigens, bet onwrikbaar bestaan der Katholieli:e Kerli:, in weerwil der gedurige en
zoo ilevige aanvallen die zij van al de wereldsche en helsche
machten had en l1eeft te lijden; hare wonderbare kracht om de
wildste, de booste en bedorvenste menschen tot de heiligheid
te brengen, hare wijde en bestendige uitgestrektheid zijn, - in
aanmerking ge1~omen dat zij geene wereldsche aanlokkingen
of macht te haren dienste heeft, - een gedurig tot de zedelijke
orde behoorend mirakel, dat wij allen dagelijks v66r onze
oogen zien.
De onkatholieke selden kunnen niet een wonderwerk bijbrengen dat eenigszins voor een mirakel kan doorgaan.
ALGEMEEN SLOT.

Uit al hetgeen wij geleerd hebben blijkt heel klaar :
1° Dat er een oneindige God bestaat die de Schepper is, de
Heer en Regeerder van Heme! en aarde, die ons eene veropenbaring kan doen, en dien wij, als Hij tot ons spreekt, moeten

gelooven;
2° Dat deze oneindige God door Christus wezenlijk tot ous gesprol&lt;en heeft; dat Christus' leering bijgevolg het woord Gods is;
3o Dat de goddelijke Zaligmal\er, om, zonder nieuwe veropenbaringen, aan zijne leering haar onfaalbaar karakter te behouden, deze l1eeft besloten in twee onfaalbare bewaringsmiddelen,
te weten, de H. Schriftuur en de Overievering;

�1436

HET ROOMSCH-KATHOLIEK GELOOF

4° Dat Hij, tot beho'ud nu van tle onfaalbaarheid der H. Schriftuur en der Overlevering, eene onfaalbare leermeesteres, eene
onfaalbare Kerk heeft ingesteld, wellw de leering in die twee
geloofsbronnen besloten, gedurig op eene levende wijze moet
voorhouden.
Immers, omtrent den zin der H. Schrift en der Overlevering
ltrul twijfel en twist ontstaan, en moest alleen ons faalbaar verstaud daar uitspraak over tloen, de veropenlJaring w.are welhaast verbasterd, geschondeu en beclorven.
5° Dat de Roomsch-Katholieke Kerk die onfaallJa~e leermeesteres. die onfaallJare Kerk is welke Christus heeft ingesteld.
Nog eens, - wij herhalen wat wij reeds in de Inleiding gezegd hebben - al deze punten ziju zoo klaar : bet bestaau van
God, de mogelijkheid eener goddelijke veropenbal'ing en onze
verplichtiug van God, als Hij tot ons spreekt, tj3 gelooven, zijn
waarhedeu zoo gemakkelijk om begrijpen; de echtheid van Christus' veropenbaring, de goddelijke oorsprong van de I-I. Schriftuur
· en van de Overlevering, de christelijke instelling van eene onfaalbare Kerk, de eenzelvigheid van de Roomsch-Katholieke
Kerk met de Kerk van Christus zijn feiten zoo gemald\elijk om
bestatige11, dat al wie het gebruik heeft van zijn verst.:md, en
zijne oogen wil openen, ze dadelijk moet erkennen en belijden.
En waarom dan, als de waarheid van den Katholieken Godsdienst in zoo'n helder Iicht staat, waarom zijn er zoovelen die
niet gelooven 1 vVaarom 1 Wel omdat er juist zoovelen zijn die of
door hoovee1~digheid of door hunne driften geblinddoekt zijn. De
meeste ongeloovigen zien niet, omdat zij niet willen zien, gelooven niet, omdat zij niet willen gelooven; omdat 6f hun geest
hoqgmoedig is 6f hun bert bedorven. - Gods veropenbaring
bevat mysterien, en om ze te gelooven moet men, boven den
n:iensch, een oneindig verstandig wezen erkennen, aan hetwelk
men zich .te onderwerpen heeft en wiens wetenschap men niet
kan doorgronden. Dit te erkennen, valt den hoogmoedige zeer

�IN 'T KORT BEWEZEN.

1437

moeilijk; hij immers zoekt niets anders dan onafhankelijk te
zijn van een hooger wezen, en zelf zijn eigen beer en meester te
zijn. In de vernedering dus, well\e het Geloof vereischt, is dikwijls de verklaring van de ongeloovigheid te vinden. Maar
dikwijls ook ligt de oorzaak dam·van in de bedorvenheid des
herten. Het Geloof houdt plichten voor, welke men niet zoekt
te vollwengen, en waarheden, waar men dientengevolge haat
tegen he.eft. " l!et licht, zegde eens de goddelijke Zaligmaker,

is in de we;.;eld gekomen, en de menschen hebben de duisternis mee1· lie(gehad dan het lie/it; want hunne we1·lwn ww·en
boos. A.l wie kwaad doet, haat het licht, en lwmt niet tot het
licht, opdat zijne werlten niet berispl wOi·den; maar die de
wam·heid (het goede) doet, lwmt tot het licht, opdat zijne werken O]Jenbaw· wOi·den, dewijl zij in God (naar Gods wil en
wet) gedaan zijn .. (Joan. III. 19-21). Wa1·e de il;;zucht of zclfszucht uit de wereld verbannen, de ikzucht van den geest en de
il\zucht van de zinnen, het getal der ongeloovigen zou vast en
zeker oneindig minder wezen.
Gij allen die gelooft, bedankt God uit ganscher herte, omdat
hij u het Geloof, die onschatbare gave geschonl;.en l1eeft; zegt
dagelijks : " Ik geloo(, Hee1·e, kom mijn ongeloo( tm· hulp ..
(.Mw·c. IX. 23). Blijft altijd ootmoedig en zuiver van bert : de ootmoelligheid en de reinbeid des gewetens zijn als bet zout dat uw
Geloof van aile verderf moet bevrijden; zij zijn de bron, de oor.sprong van de grootste verdiensten : die zich venwdert, zal verheven WOiYlen (Malth. XXIII, 12), ., die zich aan bet woor&lt;I'Gods
onderwerpt, die de geheimen van het Geloof op Gods getuigenis
ootmoedig aanneemt, zal, tot loon van zijn ootmoedig Geloof, diezelflle geheimen in het goddelijk Iicht klaar verstaan; en, " ge-

" lullkig degenen die van r·eine1~ he1·te zijn, want zij zullen
., God zien, ., Hem eeuwig aanschijn aan aanschijn aanschouwen (.Matth. V. 8).
Tracht ook, waar het nuttig kan zijn, de waarheid uws Ge-

�1438

HET ROOMSCH·KATHOLIEK GELOOF IN 'T KORT BEWEZEN.

loofs, bij middel van korte, maar aangrijpende woorden, aan
· anderen v66r oogen te leggen : eenieder moet voor de zaligbeid
zijns naasten zorgen, en de H. Scbriftuur zegt : " die m· velen

ter gerechtigheid onderwijzen, zullen blinken als sterren in
alle eeuwigheid, (Dan. XII, 3).
En gij, die. niet gelooft, houdt tocb niet langer dien blinddoek
v66r uwe oogen, die u belet de waarbeid te aanschouwen; opent
uw verstand voor bet licht des Geloofs, laat u bestralen door de
waarheid van de Christelijke veropenbaring, van 1le RoomschKatholieke Kerk, opdat gij ook eens het goddelijk licht der
hemelsche glorie, waar bet Geloof eene voorloopende schemering van is, eeuwig in den Hemel moget aanschouwen.

DIE GELOOFD ZA.L HEBBEN EN GEDOOPT ZA.L ZIJN, ZA.L ZALIG WORDEN; MAAR DIE NIET GELOOFD ZAL HEBBEN, ZAL YEROORDEELD
WORDEN.
DE RECHTVEERDIGE LEEFT UIT HET GELOOF.

(Marc. XVI, 16.)
(Rom. !, 17.)

�ALPHABETISCHE TAFEL.

A.
Aalmoes.

hoe Chrislus moet aanroepen worden
Welk een werk de - is, 1301, tegen 523,- van God in den eed 539.
welk gebod zo1Pdigt men, met in het
~tanrocptnu t:an JJfm·ta : wat men
geven van- te Rort to blijven 658, wan- daardoor verstnat 3H, l10e dikwijls 374,
neer men verplicht is - te geven 1302, 375, op welke wijze en door welke gebewelk recht de arme been tot de - 657. den deze mo~t geschieden, hoe m~n deze
Aanbidding.
- haar kan aangenaam maken 376, nut
Verschillige zinnen van bet woord - dczer - 387.
502, waarin de - beslaat 980, hoe de
Aanrocptng der Hclllgcn : wat men
H. Mis ecne allervolmaakste- van God daardoor verstaat ·199, is zij gcoorloofd
is 1015.
499, leering der H. l{erk nopens dit
Aandachtigheid.
punt 507, verschil tusschen deze - en
'Vat men verslaat door- 322.
de - van God 523, nut der Feestdagen
Aandachtlglzetd inl!et gebcd: waarom tot de der Heiligen 733, hoe de
zij vereiscbt is 323, moet zij aile ver· Heiligen welen dat wij ze aanroepen
strooidheid beletten 322, hoe Christus 50~.
ons voorbeeldcn van - gegeven h~eft
Aam·oeping van den dutvcl : naam
324, hoe zij door de beelden geholpen dezer zonde, en van degcnen die ze
wordt 517.
bedrijven 474, hoe wij door deze- God
Aandachtlgl!eltl in de "11ts: welke vcrlatcn 470.
vereischt is, waarom en hoe wij daartoe Aanschouwen.
verplicht zijn 739.
Wat is God- 14, 1337, hoc bet- van
Is bet zonde te hlasphemeeren ZOII· God onze zaligbeid 9·1 en bet geluk des
der- 535.
hemels uitmaakt 797, hoe de gelukzaligen
Aanrakingen.
aile goed vinden in bet- \'an God 1338,
Wat men verslnat door oneerlijke- kunnen wij bet geluk van bet - van
629, op welke manier en onder welke God bier op anrde begrijpen 1339, wat
personen zij kunnen gescbieden 629, men door bet nanscbouwen van God
hoe men kan weten of cene - oneerlijk nog kent 506.
is 632, door welk gebod deze verboden
\Vat de Heiligcn in den Heme! - 333,
zijn 628, waarom zij zonde zija 033, boo zij God - 282, 333, 1338, wie moewanneer zij doodzonde zijn 033.
ten Gods annschijn derven ''oor eeniAanroepi~g. '
gen tijd 162, en wie voor altijd 161, hoe
Aanroeplllg van God: wat is God ann- bet derven \'an Gods aanschijn eene
roepen 461, 402, en wat den eenigen wa- piju uitmaakt voor de verdocmden 1329,
ren God als God aanroepen 460, de- der naam dezer pijn 1336, wanneer Christns
H. D1•ijvnldigheid in bet Doopsel 902, als mensch Gods aanschijn begou· te

�1440

ALPHARETISCHE TAFEL.

genieten 171, kunnen \Vij God op narde 1337.

bier gehecht : wnnrom de H. I{erlt &lt;le1.e mag hechten nan den Ro:;enlwans 383,
wat er vereiscbt is tot bet verdienen
Absolutie.
Wat men verstant door de - (in het dezer- 386.
2o a an gewfjde vooru:el"}&gt;en : wanrom
Sacrament der Biecht) 1038, door welke
woorden zij geschicdt 1038, en welke deze - verlorcn gnnn door het vet·koopen dezer voorwerp&lt;• n 674.
hare uitwerkscls 1.ijn 1074.
so acm de tegenwoordfghelcl in de
Wie de - geldig kan geven 1039, wat
er noodig is om dezegeldig to ontvnngen goddelfjhe dlcnstell de~· parochiel&lt;erl' :
1044, wnarom het berouw danrtoe ver· welke deze zijn en op welko dagen men
eiscbt is 1053, wnt men moet doen· on ze kan vcrdienen 750.
40 aa11 de dt•fj ahtCll 494.
de- 1070.
·

Achterkla.p.
Zte klap.

Acoiytaat.
Wnarin bet- bt~staat 1118.

Agapen.

,

Wnt de- wnren 782,.hoo zij de Communie voorafgingen 782.

Agnus Dei.

Wat het- is ·lSI, tot ";elke klns van
geestelijke zaken bet - bchoort. 670,
Afgoden.
kracbt \'an bet - 482, getuigenis van
Betcekenis vnn dit woord 466, wat Be ned ictus XIV over dit punt 482.
men door - verstnat 465 en wat door Akte.
afgoderij 466.
De - vnn Geloof G5, &lt;le - van Hoop
Algerueenheid en zwanrte dezer zonde 307, voorbeeld van eene- van volmaakte
467, tegcn welk gebod zij geschiedt 465, Liefdc tot God 431.
wnarom bet I•t• gebod over de - hanVoorwanrde tot bet opdragcn van eene
delt 709, ann welke zoo den men ook den - vnn \'Olmankte liefde tot God 427,
nnnm gcen van afgoderij 468.
nut van deze opdracht 427.
Atlaten.
Wnarom de nktcn \'lin Geloor, Hoop
Wnt - zijn 247, lot welke klns ''an en Liefde bet volmnaktste werk zijn dat
gecs!elijko znken zij behooren 670, hoe- men nan God kan opdrngen 494, ntlnten
veelerlei zij zijn 24S, uit welken hoofde dezer drij - 494.
zij ons toegepnst worden 248, pijnen door
Wnt men verstnlll door de drij -van
de - kwijtgescholden 2-li, wat men van den biechteling 1038, hoe zij behooren
de - moet denken 259.
tot het uitwendig teeken van bet Sn·
Wie de - geen 249, van wie deze die crnment d~r Biecht 1038.
mncht bezit!en 250.
Is bet genoeg in de biecht eene -van
Welke de condiW!n zijn tot bet ver· berouw uitwendig op te zeggen 1052.
dien~n der - 251.
Almacht.
Toepassi\lg der - ann de zielen van
Vereischte conditi~n tot de - 109.
bet vngevuur : hoe zij dnnrdoor geholGods - 109, hoe Hij deze - getoond
pen zijn 2n, wnnrom deze toepnssiug heen 110, reden hiervnn 113, wat Gods
het.bijzonderste middel is tot de \'erlos- - ons moet inboezemen 110.
sing &lt;lezer zielen 298, of zij nltijd volgens
Wnnrom God de Vader, en niet de
geheel hunne weerde nan die zielen twee andere goddelijke Personen, zontoegepnst worden 298, wordt deze toe- derling nlmnchtig gcnoem&lt;l \\'Ordt 105.
passing belet door de doodzonde 298.
Altaars (sacrament des).

Adam.

Zic mensch.

BU::onde•·e- I o aan clen Ro:enltrans

Oorsproag \'an dozen

nanto 954,

�ALPI!ABETISCHE TAI~EL.

1441

waarom het genoemd wo1·dt lichaam
:Macht van de - hunnc bijzondcre
des HeeJ•en 774, l!et Il. Sac&gt;·ament 788, mnchl 212, macht van de zondcn tc vereen Sacrament der levenden 800, wat geven 10·12, leering van "L Concilie van
het -· is !J.18, verschil tusschen het - Trente nopens dit punt 1043.
en de andere Sacrameuten 953, weel·Instellingen der - : zij hebben het
digbeid 983 en belang 958 van het -, Symbolum opgesteld 01, het kl·uistee·
waartoe het - dient 850, uitwe1·ksels ken ingevoerd 35, de H.l\Iis na Christus
van het- 950, 1095.
opgedragen 100·1 en hare ceremonii!n
[l!stclltny van het - wanneer, hoe ingesteld 1005, de vnsten in voege ge952, waarom 955.
brachl i5S.
Ee1· die wij het - schuldig zijn, ::te
Nederdaling van den H. Geest over de
eer, waurom er atijd eene lamp voor - 193, wat de - toen ontvnngen heb.het- moet bran&lt;len 1031.
ben 945.
ChJ·/sllts' teye&gt;!wooJ·dtyl!eUl in hetGetuigenis &lt;ler - nopens Christus·
ztc tegenwoordigheid.
V~1·rijzenls: hoe zij dil lwnden beluiHet o&gt;1tvanyen van het - ::tc Com- gen 106, waarom zij ons niel "ltan&lt;len
munie.
lOS, J.106 noch wilden bedriegen lUi, 1405.

Amen.

Apostelijke traditie.,

Detcekenis van &lt;lit woordje 29, 349,
waartoe het dient 349.

Apostoliciteit.

Angelus.

.

\Vat het - is 3i4, waarom het ingesteld is 3i-1.

Zle Overlev~ring.

Wut er dam·toe vereischt is 233 .
- \'an de de H. Kerk ::te l&gt;erk.

Arbeid.

Antichrist.

"\Vie en hoe ve1·outschuldigt de - van
Deteekenis van dezen nnam liS.
te vasten 756.
Armoede.
Vervolging vau den- liS.
Welke heilige mannen te zijnen tijde
'Vat men verstnat door - 1-14, en
wnt door a.·nzen t·w, (lccst in de acht
.zullen kornen 179.
Apostel.
zaligheden 1275, en wat door de gewilDet~ekenis van het woor&lt;l 8.
Jigc - 1209. Zte t'e&gt;·de&gt;· : Evangelische
'Vie de Apostelen wm·en 8, wie de radeu, wclke - heeft Christus ondereerste was onder de - 209, wie nu de stanD HI, hoe men zondigt· met nrmen
te verdrukken 1250, hoe de - veronlplants der- bedicnen 212.
P1·ediking der - wnnr zij moesten schul&lt;ligt \'an het vasten 757.
volgcns Christus' gebod predil,cn 231, Assche (gewijde).
wan1· 8, en hoe 0, zij gepredikt hcbben.
'Vat men verslaal doo1• - 483, tot
1\lirnkclen der - : hebben zij mirnke- welkc !tins van geestelijke zaken zij belen gcdann 237, welke de bijzonderste l10ort 070, l'racht der gew~i&lt;le - 483,
zijn J.IOi.
wnnnecr zij gewijd wordt 483.

n.
Ban (geestelijke).

Hoe de H. Kerk de rnachl heeft van
"\Vat de- is 257,reden van dezen nnnm tegen iemand den - uit le spreken 258,
258, van wie en waarom hij uilgesproken vereischle con&lt;litii!n om den - in te
loopen 020, hoe dezen, die in den wordt 257, zijne uitwerksels 257.

�1442

ALPHABETifiCHE TAFEL.

zijn, bulten cle H. l{erk zljn 258, wan- cbristenen begraven worden in de kerneer men den - inloopt door bet ken ofgewijde plaatsen !307, 1308.
sl::mn van geestelijke personen 626 en Behulpzaamheid.
Wat men hierdoor verstaat 583, wat
waarom 627.
de- jegens ouders en oversten vereischt
Bedevaart.
·wat men door eene - vcrstaat 377, 583, waarom wij hnn dcze - rnoeten
hoe zij een gocd werk zljn 378, door wie bctoonen meer clan nan andere menzij ingestelcl zijn 378.
schen 584.
Middel door God gebrulkt om de- te Bekoring.
doen ontstaan 518.
\Vat men door- verstaat 3~5.
Beeld.
Hoe God ons in - leidt 3·15, 346, beWat men daardilor verstnat ·166, zijn teekenis derwoordenvanhet Vadc•·ons:
aile beelden afgoden 466, wnnneer het leidt ons niet in - ~~- Hulpmiddelen
mal&lt;eu der - tcgen bet J•t• gebod niet tegen de - : liet kruisteekon3S, de aanstrijrlt 508, wanneer het strijdt tegen roeping tot Maria 363, en tot den engel
dit gebod 509.
bewnarder 12·1, - tegen het Geloof,
Ve•·ee•"inuder-: rung zij geschieden Hoop en Liefde ·196, tegen cle zuiverheid,
511, waarom 513, verschil tusscben de algerneenheicl clezer- 638, water tedoen
eer die wij nan Christus' - en nan bet slant als men twijfelt of men in die H. Sncrnment des Altaars schuldig toegestemd hebbe 639, hulpmiddelcn
zijn 981.
tegen die- 640. •.
Voo,·deelen der - 514, 52·1, gebruik
Bekoringen d~r ster,·enden 1100, hulpder- 524.
middelen tegen die- 1106.
Hoe God ons door - wordt voorgeBekoringen in de biecht 1085.
steld 510. En waarom wij ons 'God mogen Belijden.
voorstellen door- 510.
Wnt - is 22, wut is de leering van
Mt•·almleu::e - \Vat men dnardoor Cbristus - 205, reden van h~t gezegde
verstaat 517, hoe zij van de andere - van den Catechism us : de geloovigen die
verschillen 371.
Christus' leering - (sprekende van de
Ou~uive•·c -. Wat men daardoor ver- !eden der H. ICerk) 204.
staat 630, door welk gebod zij verboden · Wnt is het Geloof- 937, hoe wijkunzijn 628, hoe men kan weten of het ann- nen 22 hoe wij moeten 937 ons Geloof
schouwen van een - oneerlijk is 632, - en wanrom 22.
waarom dit aanschouwen eene zonde
Belijdenis der zonde ::lc Biecbt, belijis 633, wanneer het eene doodzonde denis.
uitmaakt en wanneer nict 633.
Belofte.
K1•utsbcelden. Zte kruis.
Wat men verstaat door - 552, verBegrafenis.
schil tusschen -.- en \"oornemen 552,
Wnt men verstaat door de doodcn van welke - spreekt de Cntechismus
begraven in de 7 lichnmelijke werken vragende : Is bet deugdelijk iets te hevan bermhertigheid 1301, waarom het •Ioven ann God of zijne heiligen 552.
zulk een werk is 1301, Cbristus' - hoe
Vercischtevoorwanrden toteene goede
zij geschied is 151, waar en door wie - 553, en reden dezer voorwaardcn
Christus begraven werd 152.
55·1.
Beura(enfsderklctneTtinderen:waarHoe men zondigt met eene- niet te
om zij geschiedt zonder rou'll'gewnad volbrengen 555, grootheid dezer zon910, - der christenen : waarom de de 555, wanneer de verplichting eener

�ALPHADETISCHE TAFEL.

1443

i
- ophoudt 550, welkc voorzichtigheid kunnen verplicht ziju. 1195, hoe wlj
vcreisclll is in de - 550.
kunncn zondigen met deze te \'erzui·
- des Doopsels : wat men daardoot• men 1195, 1201, wanncer men van de
verstnat 923, nut van deze te \'ernien· - vcrontschuldigd is 1312, aan wie zij
wen 923, hoe en wan necr men deze zal meest tockomt 1312, regeleu te \'Oigen
vernieuwcn 92·1.
in de- 1313.
- vnn zuiverheid ztc zuivcrheid.
Bermhertigheid.
-van tt·ouw zie oudertrouw.
. - van God : waarin zij bestaat 428,
- dcr Evangelische raden zle rand.
hoc wij Gods - bewegen met te vasten
Beminnen.
703, hoelang God jegeus ons handel! met
Beteel\cnis van bet woord 421.
- 302, zonden die tegen Gods - ge'Vie wij moeten - 422, en om wclke schicden, hun naam 1230, hoe zij geredencu men ier!land kan.- 120, wat schicden, zlc de verschilligc zonden
is God - 10, -122; hoe wen Hem moet tegen den H. Geest.
- 17, ·122, wat is God - bo,·enal •132,
Hoe men kan zondigen met zich te
waarom men God moet - ·123. 120, bct·oemen op Gods - zlc vermetelheid.
waarom het rechtveerdig is God tc - van 1Vw·ta 373.
om Hem zelvcn 429, verschillige rcdenen
'Vat men verstaat door de bcnnllcrom God te - ·127, 429, wellt gebod be- ttgcn in de 8 zalighedcn en hoe zullen
last ous van God te -en waarom 403, zij beloond worden 1277.
welke drij werkcn wctrden hier uitgeH'e•·lwn vau - : wat men dam·door
drnkt door de woorden van dit gebod : verstaat 1298, nit welke reden 1299 en
boveual bemint eenen God 403. l\Ioet aan wie zij gedaan worden 1298, wat
men God meer- dan ons ceuwig geluk wij moeten den ken als wij deze werken
433, wat men moet docn om God met docn 1317.
dcr da.."ld te - &lt;142, zte ook nog Liefde.
Lichamclljl!e we•·J•en van - : hoe,·eel
'Vat is onzen naaste - 422, ·151, hoe er zijn 1300, uitlegging dezcr werken
434, en waarom 423, 019, wij hem 1300, ot·de der - 1301, wanneer zij almoeten ·-, waarom mij onzen naastc lermeest vcrdienstig zijn 1305 loon democtcn - gclijk ons zelven 435. 'Vat zer wet·ken 1306, 1316, waarom zij dezen
men daardoor verstaat 435.
loon verkrijgen 1307.
Geestclljl&gt;e we;·llcn van- : lloeveel er
Vereischte conditi~n om zoo onzen
nnastc te - ·136, wat wij moeten doen zijn 130~, nitlcgging dezer werken 1310,
om onzcn naastc zoo te - 437. Hoe orde onder deze werken 1311, noodzawij Imnnen wcten of wij waarlijk on zen kelijkheid dezer werken 1310.
Berouw.
naastc zoo - 454.
Beschrijving 2i2, voorwaarden 272,
1\loct onze liefdc nllcenlijk op God
rusten om den nanste te - om Gocl 42·1, 1045, 1051, en reden der voorwaarden
om met dt&gt;r daad onzen nanste te - om mn bet -. Het volkomen - : wat bet is
274, 1047, waarom bet zoo genoemd is
God, wnt moeten wij docn 442.
1\foct men dus alle menschen even 275, wat cr eigen aan is 272, waarom het
niet moeilijk is 285, is het genoeg znlk
vee!- 440.
Betcekenis dczerwoordcn: wij moeten een - tc bebben voor dat men .commnniceert als men in doodzonde is 784.
onze vijaD&lt;len - 440.
Het onvolmaakt - wat is bet 274,
Zle ook nog Liefdc.
10·17, waarom het zoo genoemd is 275,
Berisping.
Hoe wij tot de - van den naastc waarom bet gcene doodzonde ver-

�1444

ALPHABETISCIIE 1'AFEL.

geen 277, =nneer noglan~ bet eene 40 do doodzonden o,·er dewell{e men
doo•lzondevergeenzonderdeBiecbtl070. tw~ifelt ofzij bedrcven zijn geweest 106·1.
Y~t·scbil tusscben dit dub bel -: wclk 5o de doodzontlen door bet H. Oliesel
-me;, gemnkkclijl{er knn verwekken en vergevcn 1109. Hoe men zijne doodzon·wanrom 1079, 277, "'elk een- vereiscbt den, 1059, en hoe men zijne verzwegene
is in de Diecht 1047, over welke zonden doodzondcn 1064 moet -, wnarom men·
dit-zicb moetuitstrekken 1052, gevolgen de reeds door de Biecht vergevene zoovan bet gebrek \"an- in de Diccht 870, den nog mag- IOn, welk getal vnn
hoetlunighcden 1051 en noodznkelijkheid zonden lOGO, welke omslandigheden
'"an het- in de Biecht 1053, voornemen 1061, 1062 mon moet -.
en leedwezen in bet- ;;le die woordcn.
Orde te volgen in het - 1091.
Hoe men kan zondigen tegen den
Hoe men de onlmischbeid moet- G.J7.
H. Geest met het verachten van het -,
Wat men verstaat 'l-oot· ccne genemle
waarom 1245.
biecht lOSS, noodznl\elijkheid en nut
Beschadigen.
dezer biecht lOSS.
Beteekenis van bet woord 055, door
Noodzakelijkheid van bet - tot het
wat gebod het- of willen- in detijde- Sacrament IOG.J, hoe men dit bewijst
lijke goederen verboden is 655, en welk door de woorden der inslelling 100·1 en
- of willen - in die goederen verbo- door de overlevet·ing 1067, bewijs dat
den is G5G, waarom mogen wij onzen men iedere doodzonde moot - 1253.
naaste duarin niet - or willeil - 659,
'Vie mag - .IOH en wie moet boosheid dezer zonden 664, wanneer 771, hoe dikwijls mag men 776 en hoe
kleine beschudigingen doodzonde zijn dikwijls moet men - 770, Til, hoe dikGG5, waartoe de beschadiger verplicht wijls is bet nuttig te - 792, hoe men
moet- als men dikwijls biecbt 1090,
is 095, 699, wie mag iemand - G5S.
welk gebod spreekt van de biecht 717,
Besnijdenis.
Waartoo do- diende 873, hare uit- wanneer men door dit gebod verplicht
werksels 853, SS·l, waarom het geen is 773, en wie er toe verplicht is 773,
voldoet men er ann met slecht te- 774.
Sacrament was 853.
Wanneer 772 en ann wie men moet
Bespotting.
Hoe en tegen welk gebod zij geschiedt - 776. Nut van te - eenige dagen v66r
090, zv;:aarte dozer zonde 690.
het huwelijk 1154.
Hoe en door wie is Christus bespot Biecht (Sacrament der).
gewcest 146.
Wat de - is 1037, waarom zij een
Biechten (in den zin van belijdenis), sacrament is 853, 1037, wic de - io~:e­
'Velke zonden wij moeten - 1054, steld heeft, hoe, wanueer 1041, \vaarom
10d9, 1253. Is hct toegelaten ee01ge dood- 785, hoe men bet bestaan van de - in
zonde niet te - 870, 1055 •. Wanneer bet begin der H. !{erk kau bewijzen
door bet vcrzwijgen van eene dood- lOGO, namon van dit Sacrament en reden
zonde men slecht biecht en wanneer dozer namen 1037, lOH, waarom bet
niet 1055, wat men moet overdenken een Sacrament der dooden genoemd
als men bekoord is om eeoc doodzonde wordt 867, bet ontvangen van dit SacraDiet te - 1085. Redeo daurvan 1056. ment -::te biechten, waurom men dit Sal'cloet men- Io de doodzonden door bet crament in slant van doodzonde mag
volmaakt berouw reeds vergeven 277, ontvangen 865, mag men dit Sacrament
1055, 2o de vergetene doodzooden 1059, slechts in staat van doodzonde ontvanao de twijfolachtige doodzonden 1063, gen 867, wie dit Sacrament mag bedie-

�ALPHADETISCITE T,\J!'EL.

1445

ncn 1039. wnartoc dit Sacrament dient Blasphemie.
856, weldaad van de - 1079, hoe de Oorsprong van dil woord 529, en naam
de ziel vm·troost 838, 1078, wanneer zij dezer zonde 533.
bet Geloof instorl 47, nut der - tegen
Hoe men zich plichtig maakt nan de onkuischheid GH, uitwet·ks~ls van de 529, en hoe men in al deze gevallen.
- 1039, 107·1, 1078, 1095, vet•giiTenis der zondigl tegen het 2d• gebod 532.
zonden en pijucn door de - ;ie die
Geschiedt de - alleenlijk door woorwoorden, nooc.lzakelijkheid dct· - 771. den 532.
De drij deelen van de - IOH. Zlc in
Is het blaspbemeeren woorden van
't bijzonder deze woot·den. Noodzakelijk· godslastering uit te sprekenlo zonder ze
heid dezer deelen 1053, 1064, 1072.
te vet·staan 534, 20 zonder aandachtig- ·
Beletsels der - Zie Sacrament.
heid 535.
Biechtvader. •
Boosheid dezer zonde - 533, hoe God
Reden van deze,n naam 1083, hoe men ze gestraft heeft- 534.
den- moel aanzien 1089, hoe Leibn itz
Schrik die wij moeten hebben voor die
hem aanzag 1082.
zonde - 557, hoe wij moeten trachten
Jurisdictie van den- ::ic het woord. deze te beletten 558.
Zijne machtover de beloften 556.
Boeken.
Middclen door den - te geven nan
Wat men verstaat door onzuivere onkuische menschen 6·15.
630, tegen welk gebod strijdt hun gebruik
Waarom de - niet liegl als hij zegt 628, waarom bet lezen van die- zonde
dat hij niets weel van • helgeen hij ge· is 633, wanneer bet doodzonde is, wanhoord heeft in de biecht 692.
neer niet 033.
Bijbel.
Hoe kan men weten of een - oneerBeteekenis van- 81.
lijk is 630, wat er te peinzen is van
Zic H. ~chriftuur.
onze hedendaagsche romans 630.
Bisschop.
Welke zonde bet is slechte - uit te
Zijn ambt 212, de Bisscbop van Rome, deelen 615.
de Paus 206, 211, 1427,
Boetveerdigheid.
Verschil tusschen den - en de andere
Waarom drukt de Catecbismus bet
priesters 1122.
boetveerdigheid doen uit door l(jden 155,
Zijne macht 213, oorsprong dezer waarom wij na Christus' lijden nog macht 255, 720. Bewijs V8Jl dezen oor- moeten doen 155.
sprong 9·16. Instelling dezer macht 1420.
Nut van Cllristus' lijden ten opzichte
Verschil tusschen de macht der- en onzer- 156.
die van de Apostelen 212, 1o hebben zij
Door welk gebod is ons - opgelegd
mncht om nllaten te geven 250, 2o om 717,- op welke dagen moet zij geschie·
wctten te maken 720, 30 om iemand den volgens dit gebod 761.
bniten de Kerk te batmen 257, waarom Brood.
Wut men verstaat in het Vade1· ons
258, moet men ann den - gehoorzadoor ons dagelijksch- 341, welk- ge·
men 255.
De - is de gewone bedienaar des bruikt men voo1• het H. Sacrament 970,
Vormsels 92G, waarom Cht•istus bet zoo ::te verder gedaantc, vc1·andel·ing, congcwild heeft 926.
secratte.
Waarom hot bisschopschap geen bijzonder Sacrament is 1121.

�1446

ALPHABETISCHE TAFEI••

c.
Catechismus.

waarom men den vormling een doek
Beteekenis van bet woord 2.
voorbindt na deze zalving 939.
Zijn belang I, hoe zijne leering nco- Christen.
dig is nietlegenstaande de goddelijke
\Vat een -is 20, vereischte voorwaargratie 82•1, wie verplicht Is den - te den om- te zijn 21, reden dezer voorIeeren 1312.
waarden 21, 23, oorsprong ,·an deu naam
Hoe de - de heiligheid der H. I{erk van- en aan wie hij gegeven word! 24.
bewijst 215, oordeel van de H. Theresia
\Vie slechte en wie goede- zijn26.
over den- 19.
Plichten van eenen ~ 24, reden dezer
Hoe wij ons moeten gedragen in de plichten 25, hoe hij tot- die plichten geCatechismuslessen 90.
houden is 26.
- in den zin van Chrtstel(Jke leering,
Hoe de - zijnen zondag meet over::te dit woord.
brengen 596.
Catechumenen.
Bijzoaderste Geloofspunten van den
- 65.
Wat zij zijn 2.
Hunne bereiding tot bet Doopsel in de
Teeken van den - ::te kruis.
Collatie.
vorige lijden der ·H. Kerk 919.
·Ceremonil!n.
Welke - mag men 's avonds nemen
Wat men verstaat door - 871.
gedurende de vasten 753, op welk uur
Zijn zij tot de Sacramenten noodig 753.
877, waarom zij niet vereischt zijn tot Communie.
en van
Beteekenis van bet woord
bet bestaan der Sacramenten 878, nut
commwztceeren 780, waarom zij ge878 en weerdigheid 880 van de Ceremont~n van bet Doopsel : welke bruikt zijn om bet nutten van bet lide bijzonderste zijn 9.20, waartoe zij die- cbaam des Heeren uit te drukken 780.
Hoe dikwijls 774, waar 775, en op
nen 919, bet Doopsel bediend zonder
welken tijd 776, 987 men verplicbt is te
-899,900.
Ceremonii!n des Vormsels : waarvoor communiceeren, van wie deze verplichmen een.doek den gevormden voorblndt ting voortkomt 778 en welk gebod ban939, waardoor dit - hedendaags Is ver- dell over de -717, buiten dejaarlijkscbe
vangen 940.
- is men nog verplicht te communiCeremont€n van de Mls : verdeellng ceeren 779.
dezer- 1034, waartoe zij dienen 1007,
Hoe dikwijls mag men communiceereden van dit antwoord 1007, van waar ren 876 en hoe dikwijls is bet nuttig 70%,
zij komen 1005.
vereischte voorwaarden tot de - 779,
Chrlsma.
793 en tot de wekelijkscbe en dagelijkStof van bet - 935, wanneer bet ge: sche - 988, hoe men zondlgt door bet
wijd en gebruikt wordt 935, wat de verzuimen dezer voorwaarden 786.
zalving met- beteekent In bet DoopWaarom de staat van gratle versel 921.
eischt is tot de - 784, 785, 864, wanneer
Noodzakelijkheid der zalving In bet nochtans men te - mag gaan met eene
Vormsel 935, hoe bet - de ultwerksels doodzonde die nog niet gebiecht is 785,
van bet Vormsel voor oogen legt 935, boosheid eener onweerdige - 786, 793.

�ALPHABETISCHE TAFEL.

1447

Vereischte gesteltenis, v66r, geduOnder::oelt 1•an - Wat men verstaat
rende en ua de - 08·1, onze gevoelens door een neerstig onderzoek van in de - 1027, in wat ouderdom moot 1057.
men de - on(vangen 788. Zte kinderen.
Welk onderzoek van - vereischt is
Onder welke gedaante men de- ruoet tot de Biecl1t 1056, hoeveel tijd men moet
ontmugen 977,wiemoetondereene en wie besteden tot bet onderzoek van - 1057,
onder de twec gedaantcn communicee- wanr moet men dit onderzoek doen 1057,
ren 078, op welk gebod doze oplosslng middelen tot het onderzoek van - 1058,
rust lli8, reden van dit gebod 979.
gevolgen van bet geb1•ek van onderzoek
Is het Christus· blotd dat gegeven van - in de Biecht 1058.
wordt na de - 982, bestaat dit gebruik
J(nagtngen van- \Vat men danrdoor
nog hedendangs van wijn to geven na verstaat 1331, reden van dezen nanm 1331,
de- 982, in welke omstandigheden bet hoe knagingen van - eene pijn uitmanog bewnard is 91'12.
ken voor de verdoemden 1331.
Uitwerksels del'hcilige-083, 984, hoe
Tw(J{elachtlge, nauwge:ette, scrl&lt;pude heilige - dleut tot het bekomen dcr /eu:e consctentte, ::te de te volgen regedeugden 1296, beteekenls der heilige - len 641, 1171, 1172.
7-13, hoe zij hot afbeeldsel is der heilig- Consecratie.
makende gratie 819, 983 en vnn den heWnt de- is en hoe zij een bestandmel 103·1, wat zij uitdrukt ten opzichte deel is derMis 7·16, 999, noodzakelijkheid
van het Sncrificie der 1\Iis 1023.
van de- tot het Sacrificie der Mis, 1000,
Comnttmle van den l.'l'iester in de 1\lis, wanneer zij geschiedt 999, en doo.r welke
::te nutting.
woorclen 9i0, zijn deze woorden het uitGeestelfjlce - waarin zij bestaat 986, wendig teeken van het Sacrament des
hare uitwerksels 98(}, hoe die - moet Altaars 9·19, wie deze woorden moet
gedaan worden 987, haar nut gedurende uitspreken 970, uitwerksels dezer woorden 970, hoe zij deze uitwerksels hebben
de Jl.lis 1023.
973, wanneer de - begint 1035.
Concilie.
Wanneer een - onfaalbaar is 59, hoe
Hoe Christus geslachtofferd wordl
de algemeene- de goddelijke veropen- door de - 995, hoe Christus de - gebnring voorhouden 50, wie geroepen daan heel\ in het Laatste Avoudmaal
worden tot een algemeen - 213.
1003.
Waarom de - geen mirakel is 236.
Conscientie.
Wat men danrdoor verstant 1171.

D.
christelijke) - 398, 829, 1261, welke de
goddelijke - zijn 1262, reden van dezen
Wat de deugd is 305, 416, 125(l.
Verdeeling der - 1250, wat natuur- naam 399, 1262, waarom zij alleen zoo
lljke - en wat bovennatuurlljke zijn genoemd zijn 1263, hoe wij door die 1259, hoe cle bovennatuurlljke - de den dienst van God nanveerden 400,
heiligmakende gratle altijd vergezel- welke de vier boofdzedelijke - zijn
len 820, wat men door die - doet 399, 1264, hoe de andere zedelijke- met
309, uitwerksels dezer - 195, 198, deze vier verbonden zijn 403, wanrom
verdeellng der bovennntuurlljko (or deze zedelijke- genoemd zijn 3911, 1264,

Deugd.

�4148

ALPHABE1'1SCHE TAFEL.

uit welke- zij voortkomen 418, wnarom Dienst.
Water ve•·eiscbt is om i~mands- te
zij min weerdig zijn dan de goddelijke
- 419, hoe wij God dienen door die aanveerden 399, en wat pm hem vol·
maaktelijk te dienen 401.
-401.
1o Godsdienst :
Welke - de meeste is 419. Zie ook
\Vat men verstaat door God dienen
Liefde.
verband 1o tusschen de bovconatuur- 14, 336, 462, en wat door God dicnen als
Jijke -en de hciligmakende gratie 810, waren God 460, hoe men God moet
2o tusschen de goddelijke en zedelijkc · dienen 13i8, waarom 96, 451, waur en
- 1264.
hoe lang 17, te welken opzichlc wij
Verschil tusschende bovennatuurlijke God moeten dicnen 451, wanrom wij om
-en de vruchten 1292, en gaven van den God te dienen zijnen wil ruoeten voibrengen 341, waarom wij ook uitwendig
R. Gees~ 829.
·
Hoe de bovennatuurlijke - ons iuge- God ruoeten dienen 22!'
stort worden 1265, oplossing eener opVerband tusschcn G'ods heerschappij
werpiog tegen het bestaan der ingestorte en den - van God 338.
- 1206.
Is aile godsdienst goed 13iS, H97.
Hoe zij vermeerderd en verloren wor·
Het eerste werk van den - van God
den 1265, ·hulp tot het oefenen der- in 337, welke de bijzondere werken zijn
dol Oude 1159 en in de Nieuwe Wet 1160, van godsdienstigheid 566.
welke het beste middel is om zich op te
Wat er noodig is om God te dienen
gelijk Hij het Vl!reischt 856, in welk
wekken tot hct oefenen der - 1320.
Welke de bijzonderste - zijn die in gebed vragcn wij dat ann God 349.
de getrouwden moeten uilschijncn 1155,
Middelen ons daartoe geschonken 856.
hoe Jezus' Ieven een voorbeeld is vanl\1iddelen die wij in bet Vadc1· 01~
132, 154, J10e Hij ceo voorbeeld is van vrageu om God te dienen 342.
aile- in bet H. Sacrament 1027.
De deugden ten opzichte. van den
Waarom men zegt dnt de lichamen - van God 399.
der Heiligon wcrktuigen zijn geweest
Noodznkelijkheid der goddelijke deugvan vcle- 522, welke de ware spijs is den 416, 417, hoe zij vereischt zijn 830,
der - 1296.
hoe wij den - Gods aanvecrden door
deze deugden 399, wan•·om namelijk
Diaconaat.
Wnarin het- bestnat HIS.
bet Geloof noodig is 63, eo waarom de
Vereischte voorwaarden tot bet - Hoop 305, waorom de vurigheid in den
1122, door wie zij vereischt zijn 1124 en - van God afhangt van bet Geloof i3,
waaromzijmogenvcreischtworden 1125. wat wij in den - van God van noodc
Ve1·eischte ouderdom tot bet- ll23. hebben 306, 323, noodzakelijkbeid der
Diefte.
liefde.
'Vat verstaat men door- 660.
Hoe wij door de zedelijkc deugden
Tegen welk gebod geschiedt deze wezenlijk God dieocn 401.
zonde 660, waarom 663, waorom het
Belelsels in den - van God, welke
. 7d• gebod uitdrukkelijk handelt over bet deze zijn 3·13, 347, welke de hoofdbeletstelen 709, en hct 10do over de begeerte sels zijn en hoe zij weggenomen wQrvan te stelen 709, hoe men in - kan den 1271.
medewerken, en hoe dit verboden is GGO.
Smaak in den- van God 310.
Is bet geoorloofd gestolen goed te
Zonden tegen bet gubod van God te
koopen of to bewaren 661.
dienen 493.

�ALPHADETISCIIE TAFEl,,

Dagen op dewelke men zich meest
moet begeven lot godsdienstigheid 505,
van wnm· &lt;lit gebod vooJ•tkomt 567,
wellw zijn de godsdienstoefeningen die
op die &lt;lagon ~ehodcn zijn 5i5, hoe men

zondig-t mel deze le \'erzuimen.
'Vaarom men, als men God wei tracht
te dieuen, met geene heJ•tbel&gt;limmende
vrces moet bevangen zijn 837.
Hoe de Heiligen en hoe de menschen
Gods diennars zijn 500, van wie vrngen
wij in het On;e Vade&gt;' dat God gediend
weze 330.
2o Kerkelijke diensten.
"'at men dnul'&lt;loo•· verslaat 2·13, hoe

•

men zich moet gcdra~en in die - 558,

wanneer wij in de moeten zij n 576.

Discipelen.

tegenwoordig

1449

wnaruit de algemeenheid van de vloeit 1326, hoe zij &lt;.lc oo•·sprong kan
zijn van vele veJ•dienslen 1351, water le
gelooven is van de - 1325, nut van het
overwegen van de - 1322, de nalnurlijke vrees van de - 1353, reden om
dewelke God ons het uur ouzer onbekend heeft gelaten 1326, hoe de
Engelbewaarder ous tot eene goedc helpt 12·1.
Hulp van ~Iaria in het uur onzer- 363.
'Vnt me11 ve•·staat door g·~vanr van
sterven 1100, wanneer men dan moet
biechlen en waarom 7i0, welk gevaar
van ster,·en is vereischt tot het ontvangen van het H. Oliescl en wa:u·om 1100,
1098, wanneer in gemar van sterven
behoort men &lt;lit Sacrament te goven
en w"arom 1100, wanrom men &gt;an de

Wat de 72 - wnren en wie hunne dooden gecn kwand mag zeggen GSG,
opvolgers zijn, en ho~ dezen dit zijn 214. oordcel der &lt;loodcn, ::le oordeel, sacrament dcr dooden ::ie sacrament.
Discretie.
Beteekenis van het woord 789.
Eeuwigc-: wat men dnardoor verstaat
Jaren van - : wanneer men tot die 133, 329, wie er ann onderworpen zijo
jaren komt 789, verplicbling van den 329, hoe wij van de eeuwige - \'erlost
Catechism us te leeren en van de H. Com- zijn geweest 329.
muoie 790, en het Vormsel tc ontvanChristus'- J.l9, 1007, wanrom Christus
gen 929, als men tot die jaren geko- de - hecft willen verdragen 153, wat de
men is.
- io Cht•istus heeft uitgewerkt 150,
Waarom die jaren vereischt zijn tot vruchten van Christus' - 150, 329,
hel ontvangen van het H. Oliesel 1099. 851, hoe nile gratii!n uit Christ us' Dispcnsatie.
vloeien 834.
Hoe Ch!·istus' - voorgesteld is in bet
- in de huwelijksbeletselen 1149.
H. Sacrament 950.
- io de belofie 556.
Wnnrom de ceretuooii!n der Mis ioge- voor bet vasten aan wie men ze
moe! vragcn 757, wanrop er te !etten is steld ziju tot verbeelding van Christus
- 1007, welke die ceremoni&lt;!n zijn 1008.
In deze- 757.
Wat Christus gedaan been na zijne
- voor den Zntcrdag 761.
- \'oor het wcrken des Zondags, ann -159.
wie men ze moet vragen 573, welke - Dooden.
Door welk geho&lt;l 604, GIG en wanrom
jaarlijks gegevcn wordt voor den oogst
005 het verboden is iemand te -, zwaarte
573.
dezcr zonde 12·19, wie nogtans de macht
Dood.
Wat &lt;lc - is 1321, nan wie zij over- bezit van te - 607.
Hoe men raad en hulp kno geven om
komt 132-1, waarom wij er ann onderworpen zijn 117, wanrorn wij er nog ann iemnnd te - 609, waarom dit verboonderworpen zijn na het Doopsel 912, den is 009.

�1450

ALPHABETI:&gt;CHE TAl~EL.

Hoe l1et verbodcn is zicll 7.elvcn
Vergiffenis de1• zondo door bet - 2G2
271, 10i7, en der pijuen IOii. Zte ook
te.- 000.
erfzonde, wanrom wij un bet - nog
Doopsel.
\Vat bet- is 887, oorsprong van dezen onderwol·pen blijvcu ann do gevolgcn
naam 890, plants van bet - ouder de \'an do crfzondo 912.
Wccr&lt;ligheid 922 en eigcnschappcn
andere Sacramenten 887, reden daarvan
8sS, bowijs van dit antwoord 888, waar- ''an bet - 891.
Bcdicniug van hct - ann wie zij
om bet - een Sacrament der dooden is
867, verschil tusscben bet -' en do behoort 898, wie kun geldig doopen en
5 Sacramenlen de1• levenden 908, over- wie mag doopen 899, waarmedc moet
eenkomst en verschil van bet - met de men doopen 900, welko woorden moet
Biecht 910. Teeken van bet- : welk het men uitspreken In bet - 902, noozakeuitwendig teeken is 889, welk het merk- lijkheid dezer woorden 903, hoe allen
teeken \'DD bet - is 874, waarom dit noodig zijn 903, zin deter woorden 904,
nan het - eigen is 874.
op "'elk dee! des lichamns moet men
Verschillige - : hoeveel er zijn 262, doopen 90.1, wil van den bcdienanr als
893, wat er tot die - vcreischt is en bij op condilie doopt 906, 'l'lllt &lt;le bcdie·
hoe zij het - des waters ver\·nngen naa1• onder bet beletsel van gceslelijk
893, ontslaan zij van het - des waters maagscbap 1146, ceremonH!n van hct 893, waarom deze geene Sacrnmenten zte ccrcmonii!n.
zijn 896.
Belofte ,·an bet ...- ztc belofle.
Noodzakclijkhoid van het - 21, 889,
Waarom het - van Joannes geen
892, bewijs dezer noodzakelijkheid 892, Sacrament was 853.
aan wie bet- noodig is, waru·om en hoe Driften.
892, _waarom men zonde1• het - den
'Vat - zijn 1234, waarin zij bestaan
heme! niet kan binnen treden 301.
1235, verscbil tnsscben de - en de
Hoeveel keeren men het - n1ag ont- werkingen van bel ,·erstaud en den wit
vangen 870, 873, 905, waarom 873, 875, 123G, welke de verschillige - zijn 1235,
welke zonde bet is het - meermaals wanrin zij bestaan 1235.
te. ontvangen !lOG, wanneer het In welk vermogen zij bes.larul 1234, in
tweemaal mag ontvangen worden 906, welk verband zij met bet Ycrstand zijn
waarom 907, waarom men bet mag ont- 1238, noodzakelijkbeid der - in de
vangen in staat van doodzonde 8G5, moet menschelijke nataur 1235, zijn zij goed
men bet- in zulk cenen slant ontvnngcn of kwaad 1237.
867, wanrom wij het- moe ten ontvangen Drijvuldigheid.
voor aile andere Sncramenten 888 en
Beteekenis van bet woord 101, wna1•in
nnmelijk voo1• bet Vormsel 932, waa1•om het mysterie der I-leilige - bestnat
men in bet - namen van Heiligen geen 30, 101, waarom men de -Heilig noemt
942, moetcn al degenen die llet - ont- 101, hoe dit mysterie beteckend wordt
vangen hebben de geboden der H. Kerlt door het k1·Uisteekcn 31, vel'lle\·enheid
onderhouden 725, bereiding tot het ont- van dit mysterie 103.
vangen van het - 91G.
Hoe de aanroeping van do Heiligc Waarloe bet - dient 856, 908 wat wij bet uitwendig teeken is van bet Doopsel
door bet - vcrk1•ijgen 908, uiL;ve1·Itsels 902, wanrom 904 en hoc deze nanroeping
van bet.- 890, 1095, hoe wij door het - noodznkelijk is tot het Doopscl 890.
Gods kinderen worden 330, 895, welke
llledowerking der Hciligc - in beL
dengden wij door het- beltomen 47.
scbrijvcn der H. Boekcu 78, wat zij voot·

�1451

ALPHADETISCHE TAFEL.

Maria getlaan heeft 358, hoe zij in de Duivel.
W:tt een - is 120, hoe hij in het On::e
rechtveerdigen tegeuwoordig is 522, personen der Heilige - : nnmen ge:,;eveu Vader geuoemd wordt en waarom 3·18,
nan de drij. personen der Heilige - krachten Tan den - 238, 410, 412, 469,
190, waarom doze drij personen maar 472, 138·1, wnarom hij ons niet kan
een God wezeu 98, hoe zij van el- bedriegeu in het zien van een mirnkel
knudcr ondct·scheidcu zij n 104, hoe wij 411, 1385, onderscheid tusschen de wondoor het kruistceken 32 en in hcl Doop- derwerken des- en die derEageleu 1387,
sel 902 belijdcn dat et• drij Person en zijn li.&lt;'en des- bij de godvt·uclttige menen ccnGod, wan rom Christus gewild heeft sciJen 310, in welke zonde de - g(wallen
dat men dezc drij Personen noemc in zijn 119.
hel Doopsel 901, hoe do vohuaaktheden
Hoe wij den - kunnen vcrjagen 39
en uilwentligo werken der goddelijke en wie ons dum·toe veel helpt 123,
nalunr ann de &lt;!'t·ij goddelijke Personen wuurom wij den - niet mogen bemiutoebehoorcn 103, 107, 199, 201, waurom nen gelijlt ons zelven .J.I1, welke zonde
eenige vohnaaklheden nan ecnen Per- het is den - to aanroepen ·liO, wie den
soon det· IIeilige - zouderlin~ worden - aanzien voor hunnen meester, ::te
tocgcschrevcn 100, maar nict uitsluite- Toovennars.
Slat·e&gt;'lltj clcs lijk 10:;.
Tot welk~n Persoon spreekt men in
Wnt de slnvernij des -is 132, 1218,
het Vacle&gt;· o11s 328.
hoe zij nog genoemd wordt 33, waarom· zij
'Velkc de cerste, ac twcede eo derdo "chandelijke slavernij genoemd is 1219,
Persoon der Heilige -is, zie God de Va- wnarom de berooving der heiligmakende
der, God de Zoon, God de H. Geest.
grntie genoemd is slavernij des - 132,
Dronkenschap.
1219, wie ons van die slavernij verlost
Tcgen welk gebod de- strijdt 1227, hceft 131, 139, en wat wij hem dnnrom
1228, waarom zij zonde is 1227, 1228, schuldig z~jn J.11, welke zonde brengt
grootte dezer zondo 122S.
ous tot de slnvernij des - 1218.
Hoc zij 1eidt tot onkuischheid G~2.

E.
Echtscheiding.

Verklaring van de eerste conditio 543,
W01·dt het huwelijk door do- gcbro- slechte eerlen bij ~ebrek dozer conditio
543, grootheid dczer zonde 5H.
ken 115i, hare uitwcrksels 1157.
Ycrklnring van de tweede condilie 545,
Eed.
"'aarin hij gelegen is ~37, wic in den- red en dczet· condi!ie 5·16, slechte eeden bij
-unngcroepen 'vo1·dt 538, boc dcze ann- gcbrck dozer conditio 5-15, brengen zij
roe ping gcschicdcn kan 530, 5·10, vcr- eenige verplichting mede 547, zwnartc
plichting van den - r,.11, hoc men kan dozer zonde 5·17.
Yerkluriug \'an de derc1c conditio 5-19,
zoudigcn met den - nict te \'ervullen
MS, eindc van den - 539, is hij tot rcden clczcr conditie 550, wnnncer zij
ontbrcckt 5·19, zwanrte dezer zonde
dat "indo wezeulijk voldoende 539.
Yercischl~ conclitien van den - 541, 550, Gi9.
waarom de - met deze conditii!n good
'Vanncer wij den - moeten gebruikcn 559.
is 542, oplossing eener opwerping 5·12.

20

�1452

ALPHABETISCIIE TAFEL.

door de Heiligen eercn ·199; - die' wij
\Vat men verstnat door - 191, 288, hun schuldig zijn 584, wnnrom &lt;leze 336, 497, 527 en oneer 527, wilt door nit- niet stt·ijdig is Jo met Gods - 503,
en inwendige - 5SI, voorbcelden van 2o met hct Isto gcbotl -199, leet·ing der
uitwendigc - 582, wnt door oppcrsle - H. l{crk nopens dit punt 507, n•t·schil
19I, wnnrvnn de - die wij iemun&lt;l tusscbcn dezc- en de- die wi,i nan het
H. Sncrnment schuldig z~jn 981, hoe de
schuldig zijn, nfbnugt 392.
- nan God, welke - wij ann God Heiligen welen wat wij doen tot hunner
schuldig z~in ·198, wanrom 9G, we ike ~·1· - 504, wnat·om wl.i de Heiligen niet
boden spreken van de -die wij ann God lmnncn onteeren zondcr Go(! te onteercn
schuldigzijn710, 717, hoe wij ons moeten 539, nut der bcdevaarten tot het vereeren
kwijtcn van den plicht van God tc ''et·- dct· Heiligen 378, welke ecr wij ann de
eeren 558,, hoe wij God moeten verceren reliquict!n tier Heiligen schuldig zijn 520,
door de akten van Geloof, Hoop en bewijs dat wij deze moete'n vereeren 525.
Lief&lt;le 4G-I, hoe wij God vereeren met
Nut van het vet·eeren \·an de bceldcn
het kruisteeken20, hoe wij God vereeren der Heiligen 513; hoe wij ze moe len verdoot• den ee&lt;l 546, dagen vnstgestel&lt;l tot eeren 511, hoe dit vereeren tegen het
het ''et·eeren van God 561, bestonden Jslo ~ebod niet strij&lt;lt 512, 513.
deze ook v66r' !\lazes' wet 5GJ, wnt wij
-nun Maria 507, hoc wij Marin bUop die dngen moeten doen 566, wunrom zonderlijk Imnnen eercn 3&lt;G, - ann
de slafel,ijke wcrken en niet de andere den H. Joseph 138, - nan den engel
werken verboden zijn om God te kun- bewaarder I24, I25:·
nen. ecren 5i0.
Eerbied voo1· de H. Kerlt, ecrbiecl I'OOI'
Zondeii die geschie&lt;len tegen de- die hnre geboden in, voor hm·e overheden
wij God scbuldig zijn 528, 529, 537, 5-J-1, 216, voot· hare priesters I I30, 1131.
550, 555, wellte ondet• die zonden de
- ann de ou&lt;lers 580, redeu dezer gemeenste is 709, welke znken gt·oote- 580, 59I, gewicht dezer rcden o9-J, welk
lijlts tcgen deze - geschieden I2l·l.
gcbod handel! over dezc - en wnru·om
-ann den H. Geest, welke- zijn wi.i iO'J, wan rom wij onzc ouclct·s niet kunnen
hem schul&lt;lig 191.
ontceren zonder Gou te onteet·en 59·1.
- ann Jezus Christus, welke- wij
-des nunsten, waariu zij bestant Gi5,
ann zijn H. Hert schuldig zijn 392, hoe wclke zonden kunncn gcschicden tegen
Nicodemus en Joseph van At·imathea de- en door welk ;;elJod zij "''rbotlcu
Jezus' Iichaam \'Cr~eru hcbben I52,- zijn Gi5, waartoe men. \'&lt;'l'plieht is als
die wij nun Jezus' zicl en lichaam schnl- men den naaste in zijne - bcscbadigd
dig warcn nn zijne dood I50, - die !weft 700.
Christus ont,•nngcn hceft in den hemet Eerbiedigheid.
li·l,.hoe men dit bewijst Ii:i,- die Hij
\Vat men daal'cloot· rcJ•staat 321, wrop de am·de ontmngen hecfl 1293.
decling c.lcr - 321, wclk eene - ver~
Eet•bied \'Oor tic Sact'&lt;Uncnten RSI, hoc cischt is in het gcLcll en wanr·otu 3:.?.:?,
de cm·cmonii!n nutlig ziju tot het \'er- \'OCirbceld mn -- door Cln·istus ons g-eccren &lt;let· Sacrnmeuten SiS.
geven 32·1.

Eer,

-ann het H. Sacrament 5jR, 980,981,
Welk eene
\'Cl'eischt is in de Mi.;,
red en dezer- 980, verschiltusschen de- waurom 738.
die w~i nan het H. Sacrament en ann do Eerzucht.
andere Sncrmnentcn schul&lt;lig zijn 981.
\Vat meu daardoor verst ant I 2 ~. 1 ,
-ann de Heiligen, wat men ver~tuat welke zonde ons tot_ l&gt;t•cng'l 122·1.

�ALPHABETISCHE TAFEL.

1453

Eeuwigheid.
vloeiende verschil tusschen de - en de
Bewijs \"Un de- der ziel 10, vergelij- menschen 803.
kiug lusschen de - en den tijd 200.
Ambt det· - to jegens God 120, 2o je·
Gods- 10·1.
·
gens do menschen 120, vet·bnild tus- van den hemel 289, wnarom schcn die lwee ambten 121, hoe de hel gedachl van deze - eene bron is Gods wil volbrengen 339, zonde der van blij&lt;lschap voor de golukzaligen 13•13, 110, waarom God de - kon straffen 119,
waarom de hemel eeuwig moct zijn de afgevallen - :;tc duivel.
290.
Hoe heL gezclschap det• - eeu der
- van de hel 1333, t•cdcn dezet· - goederen uilmnakt vnu den hemel en
1335, hoe zij de grootsle p~in uilmnakt want•in dil gezelschnp bestnnt 1342.
der verdoemden 1333.
Engel-bewaarder 121, elke mensch
Eigendom.
heeft eenen - 121, boe men diL bewijst
'Val men \'eJStaal door - 210.
122, ambL van den - 123, wal wij bem
Ei:;cndomm~n det· H. Kerk 220.
schuldig zijn 12·1, 125.
Einde.
Erfzonde.
Dubbel - van den me•1sch en verWaarin zij bestaaL 2G2, 90S, 1178,
band lusschen die twee - 1 vereischle rcden van dczen nnam 118·1. wie met de
voorwaarden om tot dit - lc ko- - besmet zijn 2G 1, 1182, waarom 329,
mcn16.
11 iS, 1183, \'an wanneer en hoe 1183,
- der H. Ket·k, wanrin het bestaat, bcmtcle -nicts dat onrechtveerdig 11i9
of onredelijk is 1180, wie God van deen waarom het heillg is 223.
hen·ijd heeft 2G1, 358, 11S2.
Hoe wij zicn dat heL heilig is 225.
Schade van de - 1185, 1203, hoe zij
- \"an de wereld 176.
Elizabeth.
ons de wccrdigheid betuigl van ChrisWie zij was 353, well'e woordcu der tus· verlossing 120~, Yergiffenis van de
Eng,•lsclte Groetenis zij uitgcsproken - zlc: vergill'enis, die met de - sterven
zullen God nict zicn 1,61, waar de zielen
heefl en wnnneer 333.
vet·blijven, die met de -aileen besmet
Engel en.
ziju, ~ie ,-oorgeborgle. Moet men lecdBeteckcnis ,-an het woohl 121.
"'at- zijn 118, wnar en wanrvan zij wczen hebben o\·er de - als men gegcmankt zijn 118, wnt cr mn do - gc- doopt wordt 017.
worden is nn Jmnne schcppiug 110, go- Evangelie.
Belecl,enis mn dil woord SO.
tal der- 118, znivet·hcid der- G:;t, hoe
Op wclke mnnier men het kruisteemend"- vcrheeldl 121.
Kmr.hten der- ·llO, ·112, waarom zij ken maakt ann de beide - van de Mis
ons niet kunnen bP.lh·ic~cn in hcl zicn
vnn ceu Jnil·akel ·lll, l~S;j, wonderwerkcn cler- -112, t~S·l, 13SS, hoe men deze
wcrken J;an onclet':'Chl'idcn van die des
&lt;luivcls 1:187, w~lkc tlt~ vier gaYcn zijn
die eig&lt;'nli.ik
de natunr der- locllehooren en \"OOI' den mensch bnitcnnatuurlijkc gavcn zijn 110, S03, danruit

nan

en wat bclt~L·I~cnen wij daru·door 28, :;ie
II. Schrifluur.
Evan~\!lischc ra.den =ie rnad.

Excommunicatie.
Zlc ban.

Exorcizaat.
'Vaariu het bestaat 1117. OC&gt;roprong
van hel- 1117.

�1454.

ALPHABETISCHE TAFEL.

F.
Welke de gebodene - zi.in van de
Wnt men verstant door iemands- 288, tweede soort 733, redenbunne1· iusielling
675, boo wij tegen de - \'an onzcn nansle 732.
Welke - wij builen den Zondug moezondill'en, en tegen welk gebod dcze
zomle ··escbie&lt;lt GiG, weerde ,·an onzc - ten vie1·eu 564, van wam· deze- komen
G1G, wt~arom do 'acblol·klap; die do fuam 565, welke zijn do -die wij moeten viereo volgens bet eersle gebod der H.Kerk
scbeudt, verboden is 684, =tc ook eer.
728, wat men \'ersluat door afgeslelde Feestdag.
Hoevele soorten van - er zijn 729, 565, wat wij op de - moeten doen, =ie
"
welke gebodene fcestdagentol de eersle beiligdug.
Wenschen op de- door de Christeueu
klas bel1ooreu 730, wal wij moclen doen
omzewelteviereu13l, 749,reden hunnel' in de ecrste Lijden gedaun 73·1.

Faam.

instelling 129.

G.
Gaaf.

Ga,·cn van ChristuS:: ve1·rczcn lichaam
Wat.verstaat men door natnurlijke- \G9, ga,·en die ann l\laria aileen ge·
802, wat door builen- 803 en bovenua- schonken geweest zijn 358.
tuw·lijke- 804, reden dezer uamen 804, Gabri~l.
welke buiten- en bovennatuurlijkc \\'anneer de H. l{erk de boodschap
aan den mensch in de schepping ver- viert van den Engel - ann l\Inria 353,
leend geweest zijn 115, !JP wclke wijzo welke zijn de woorden ,.an den Engelzij hem v!'rleend zijn geweest 116, welke in de Engelsche groetenis, 353.
de noodige bovennatuurlijke - zijn om Gebed.
Wat het- is 312, tot welke klas van
den heme! te verdienen 805, :&amp;te oo~
geestelijke zaken het - behoort 670,
gratie.
Waarom het Geloof ·1G, de Hoop 305, verschiilige soorten van - 313, 'hut 313
de Liefde 420 eene - Gods zijn, welke en weerdigbeid van het uitwendig - en
gaven Gods gratia genoemd zijn SOl, en van het overwegend - 31-1, bet - is
wnarom de andere - dezen naam niet ook eene samenspraak met de Heiligen
dragen 802, welk eene - is noodzake- 314, welke twee · diogen le ouderscheiden zijn in aile - 501, hoe men moet
lijk de veropenbnring 1392.
Gaven van den H. Gcest. Wat men bidden 32~ en wanr 315, wat men moet
door die ...:. verstaat 829, tot welke klas vmgeu in bet- 317, hoe wij dit vragen
van geestelijke zaken zij bebooren 670, in bet Vaderons 3·11·, 3·11, wclk bet alwelke dezc zijn 830, ,·erband tusschen lerbeste - is 325, waarom het dikwijls
die - en de heiligmakende gratie 810, herhalen van hetzelfde - niet wishaagt
verscllil tusschen die -en de bovcnna- nan God 381, voorbeelden 381, waarom
tuurlijke deugden 8.29, uitwerksels 195, de H. l{erk al de - sluit door de woor198 en nut dezer - 83D.
den: door J. C. 0. H. H2, hoe Jezus ons
Welke de- zulleu zijn der verrezene voorbeeld is in het - 324.
licbamen 282, 523.
Noodzakelijkbeid van bel - 324,

�AI.PHAilETISCHE TAFEI•.

1455

w~lke zonden o'ns leiden tot het \'erzui- mnnicr .t-1·1, verschil tusschen d~ze drij
men van het - 1224, hoe hel - ·ceo bekcndmnkingen 1·17, in welken vorm
zondcrling mi&lt;ldel is om tc verkrijgen God de - gegcven heefL 447, gewoonwnt wij hopen 311, uitwe•·ksels vnn 1\et lijke ''orm 4-IS.
- : Welke zonclen dOOI' bet - \'Cr"CVCD
\Vic de - moeten onderhouden 72-1,
WOJ•den 209, wanrom vclc men:chcn kunnen wij de - ond&lt;'l'houden door
door l1et- niet verkrijgen helgene zij onzc nntuurlijke krachten 797, "'\)t er
vragen 319.
vcrcischl is om die - z66 tc ondcrhouVoor wie wij moeten hidden 1313, hoe dcn, dnt wij den heme! vcrdienen 799,
men behoort voor rlezen te hidden 131·1, SOl, wan rom ons gelult gelegcn is in bel
hoe Christus en de lleiligen hel ons ondcrhoudcn vnn de- 79·1, mocten w~i
leercn 13J.I, nut vau voor ecn' nuder te niets nnders doen dan hetgeen in de bidden 2-H.
stnnl-1-13, plichl van de - te kcnnen H8 .
Gebr.d~n vatt Marin en van de Heil'lc Gcbocl.
ligen 371, 502.
Wanrom het l•tc- is God te heminVerschiltusschcn de gcherlen nun God nco ·163, wnt hct gehicdl ·100, ·103,
opge(1J';t~cn f'n nnn zijne Heili~en :;o::t. ·19·1, 710, en verbi~dl 708, zonden tP.gen
Aandnchligheirl in het- :;te nandnch- hct- 404.
tigheid, nut dcr heeldcn tot het- 517.
2d• aeuorl.
Ge!Jccl cles JI,:e,·cn of Pate&gt;· nnslc&gt;·'\\'at hct bcvat 526, 710, verbnnd
Nnnlen van dit --. 326, oorsprong vnn tusschen de lwec ecrstc - 528.
bet- 320, uitmuutendhcid van hct 3dc Gcboct.
325, 3·W, hoe hct - niles hcgt·ijpt wat
\Vat hct bevat 577, 710, zijn verwij kunncn be.geeren 3·19, inhoud van band met de twee eerste p-eboden 577,
dit- 327, smnenhnug der Terschillig-e zonden tegen bet - 576.
vrugcn van het- 33S, 3-11, 3·12, 3·13, 3·17,
-1&lt;1• Gchocl.
348, uitlegging ,·nn het- 328 tot 349.
Wnt bet bcva~ 710, wnnneer dit ·Hoe men dit - moel ze:;gen 3·19, hoe niet verplicht 586, plants vnn dit door het--' hl~jkt voor wie wij moeten onder de andere geborlcn 590, wat men
bidden 13J.I, welk gebed wij g-emeenlijlt in &lt;lit- verstnat door Vade&gt;· c&gt;i Moecle•·
na het- vocgen 3.;o, wanrom 351.
579, belofte eigen ann dit - 588, reden
Gcbod.
588, wcerde dezer be1ofte 589, hoc zij
Beteekenis van dit woord 710, ver- nltijd vo1brncht word\590.
schil tusschen ecn gebiedend en ,·erhie5d• Ge/IOd.
dend -718.
Wnl bel' be vat 003, 027, 711, reden
De Tien - Gods.
,-nn dit - 005, plants van dit - 627,
Wnt zijn de - 716, we lite- in den gc- zouden die teg-en hel- geschieden 610,
biedendcn vorm en welke in den ver- boosheid dezer zonde 025.
biedenrlen vorm zijn 707, wat cr ons
6•1• Ge!Jod.
IJelast wordt in die twce \'erschillige
"'nt het bevat 628, 711, reden ,·an
soorten vnn - 710 en hoe zij ons ver- dit- O·JQ, zonden tegen dit- 028, 630.
pllchtcn 718, waarom de H. l{erk eene
7dc Gebod.
bepaling gednan heel\ nopcns de gcbieWnt het beval 655, 711, plnats bcdcndc - 718, ordc in de - H9, 705, kleed door bet id• - 074, bijzonvergclijking dcr- met hct Symbolum derste zonden tegeu dit - G59, redeu
·l-13.
dnar\·an 663, \'Oorwanrden tot eeue
Wie ze gegevcn been 4-13 en op welkc zonde tegen dit - 058, hoe men tegen

•

�1456

ALPIIABETISCHE TAFEL.

late G&lt;!bOcl.
dit- knn zondigen door het leenen van
Wnt het ons belast 717, 728.
geld 6GG en met geestelijke zaken te
2d• Gebod.
\'erkoopen 673.
'Vat bet ons belast 717, 725, reden vun
Sste Gebod.
Wat het bevnt, G7·1, 712, hoe het dit - 735, hoe het le onderhouden was
onderscheiden is \'lin het 2•lo, 5•t•, ;de GiG, in het begin der H. J{erk 735.
3dc Gcbod.
zonden tegen dit - G77, GSI, b~osheid
Wat hel ous belasl 717, 751, red en van
dezer zonde G79, 683, middelen tegen
die zonden 702.
dit- 751.
4de Gcbocl.
9d• Gcbocl.
\Vat er ons bcvolen wor&lt;lt door &lt;lit
Wat het bevat 712, t•cd~n van &lt;lit
- 7GG, hoc dikwijls moct men biechten
- 649, zonden tegen dit - G3·1.
volgens dit - 709, hoeemen &lt;lit moet
10d• Gebod.
Wal het be••nt G55, 712, bijzoudere vet·staun 7i3, voldo.el nien door eene
plants van dit - G7·1, zonden tegen slechle biechl 77·1, wie door dit - verdit - G59, reden danrvan GG3, ,·er- plicht zijn 772, 773.
cischte voot·waarden lot zulk cene zonde
5dc Gcbocl.
658.
Wat er ons bevolen is door dit- 77·1,
Ovet· wat handelen dus de - 705, 987, komt dit van de Kerl' aileen voort
over wat de drij cerste en over wat "de 778, voldoet men door eenc onweerdige
zeven laalsle 578, ho~ de - al onze communie ;;7, zon(~cn legen dit.- 7iS,
plichten voorstellen jegens God en den wie tot dit- verplichl zijn 788, waar de
naaste 70G, waarom zij niet handelen reizigers dit - · moetcn onderhoudcn
ovet· de lie(de tot ons zelven 450, hoe 776, die ljcl niet volbracht lteeft in den
wij nogtans in de - de plichlen jegens Paaschtijd is hij ontslnqen van dit 777, waat· men dit - moct ,·olbrengen
ons zelven vinden 713.
nls men in zijne pnt·ochickerl' niet kan
Clwi•tus' Geboclcn.
\Vat men ltim·doot· verstaat 25, waarom commuuiceeren 77.'&gt;, VP.rschil tusschen
de Christenen die - moeten ondet·hou- den lijd van vcrplichling der twee
laatste geboden 790.
den 25.
- der H. 1\erk nupens hel ontvangen
Gebode&gt;;t del' Il. /(crlt.
Wat zijn de- 71G, hocveel cr zijn 715, der H. Communie onder ccnc of twee
waarom zegt men ilut er vijf bijzondere gedaanten 978.
- z~jn 71G, doot• wie 719, en l!r,e 720 Gedaante.
Wat men daardoor vet·stant 192, 949.
zij ingestcld zijn, wrutrover de- hnndelen 717, wat God ons over die punten
Onder welke- de H. Geest zich verbeen geboden 717, nut der- 719, ver- toond heeft 192, waat·om 192, 1~3. onder
plichtende kracht dozer - 723, waar- wclkc - de engclen zich vertoond
nit zij voortkomt 726, verschil tusscbcn hebben liS.
deze •·erplichtende kracbt en die der
Gcclaantcn t:cm he/ ll. Sc!CI"ament.
Tien geboden 724, wie deze - mocten
Onder welke - Christus daar l&lt;':rcnonderhoudcn 7%3 en hoe zij er toe woordig is 9·18, wat men vcrstant door
•·erplicht zijn 725, wnarom ons geluk deze gedaanten mn brood en w~in 9&lt;0,
- gelegen is In het onderhouden det•- 794,. hoe de- Hill broor! en wijn l1et. uitweneerbied die wij moeten hebben voor die dig teeken van dit Sact·amcnt ten eleele
- 747, noodzakelijkheid van de - le uitmaken 949, Ito~ zij de zonderlinge
kennen 727.
gratie beteekcnen van dit Sact•ament

�ALPHABE'l'ISCHE TAFEl,.

14.57

!)50, hoo zij wei di~nen om to bolcekenen
dat Cht•istus de waat·achUge spijs is
onzet• zielen D5S, hoc zij Christus' dood
vc.rbccldcn ll56, !)!)5, hoe Chrislus' Ieven
"onder die - ecn volmnnkl voorbceld is
nller deug&lt;lon 1021, ccr die wij n&gt;tn deze
- schuldig zijn !)81.
Oorsprong dozer - !)iO hoe deze beslaannn de consecrnlio llil.
Onder welkc - wij moeten commu-

hoe zij overeenstHnt met de rechtveerdigheid ·lOu: hoe wij nan ooze oudcrs en
oversten moclen gehoorzamen 583, voorbeelden·nm- 583, hoc de H. Paulus OI}S
de - leert 508, hoc wij mocten g&lt;Jhoorznmen ann den rochter die ons wettel~ik
onderVI·aagt mil, watmen verstant door
\'Oikomene - 1270, ::ic ook Evangclische raden, wanneer wij niet
mogcu gehooi'Y.amen 585, welltc zonde
niceercn, .=ic con1munie.
leidl tot de ongchoorzaamhcid 1213,
Gedachten.
wclkc de gevolgcn zi,in van Adams onHoc wij doo•:_-lmnnen blnsphemeet·ou gchoorzaamheid 329.
533, wat men \'erslaat door hct behagon
Aan wie de I eden der 1!. Kerlt moetcn
nomen in onkuische- C.35, wnarom het gchoorzamen 20·1, moeten zij nan aile
zondc is 030, wanncor het zonde is ()31, oversten dcr H. Kcrk gehoorzamen 255,
hoe groot zij is C.40, on tcgen wcllt gcllod hoe zi.i n1octen gehoorzmuen 21 ;,.wat men
zij gcschiedt G3·1, hoe men de ons ovcr- verstnat door : ondet· de - stnnn van
komcndc slechte - moct nhnzien G3S, den Pans 20·1, en onder zijne - niet
moctcn wij de gelcgcnhed~n vluchtcn willcu staan 25-1, hoe men dozen nocmt
die ons slechtc- kunnen gevcn GIO.
die ou&lt;lcr de- van den Pans niet willen

Gedingen.

'

stnun :?5·1.

Zic processcn.

Geleerdheid.

Geestelijk.

Vct·ei~chte -lot de hcilige orden 1123,
reden clczet· voorwaarde 1123.

Gct·stclijl&lt;e zalwn : wnt men danrdoor

vcrstnal GiO, wanncer men zondigt met
zulke zaken tc vet•koopcn G71, nanm
dczer zonde Gi3, tcgen welk gebod zij
gcschiedt 613, wnnneer men geld mag
eischcn voor - znken Gil.
Hoe men zich mocl gedragen jegcns
de kelters in - zakcn, ·lSD.
Gl1estelij}{f! (JOtHlercn, wat men dnar.
doorverstaul31i, reden dezes naams317,

Geloof.
Wnt men verslant door geloovcn 21,
·15, 131)3, wnt er vereischt is om iets met

reden le gelooven 58, 13G3, wat is God,
nan God ·Ia, 5a, wal in God 65 en wat in
de H. !(erk 20·1 gelooven, welke twee
dingen wij in !Jet go&lt;ldcli.ik - moeten
ondcrscheideu -15.
'Wal de deugd des- is -1-1, welk eene
hoc tncn t.lezc gocderen 111ag begeeren in deugd het is en waarom 1262, waariu zij
bestaat ·li, 400, oorsprong- van de- 46,
het gebcd 318.
Gccstellji!C 1w•·soncu, wat men &lt;lnar- wnarom het de ecrste deugd is 72, 400,
door verstnnt 625, en wat door - verschil tusschen de - ciP Hoop en de
oversten 570, t·eden dezes naams 5i9, I.iefde ·IS, het- ten opzichte onzer znligwnarom hctmeerder kwaad is dezen te heid ·ll7, noo&lt;lznkelijkheid van bet- 63,
slann dan andcren Cl25, boosheid dezer hoe' het- noodig is in onze goecle werzondc 026, straiTen dezer zonde ;;le bni1, ken en wanrom 1282, verdtensten van
met welke- pet·soneu men g•en huwe- hel - 73, \160, met welke dcugd het moe!. gcpaard zijn en wanrom 4li, wnnlijk mag anngaan I 13\l.
neer en hoe het - ingestort wordt ·l7.
Gccste!Ultc ball, ::ic ban.
hoe het ver loren wordt 1266, hoe de
Gehoorzaamheid.
Wat men dno.rdoor verstaat 406, 583, menschen tot het - geholpen zijn in

�1458

ALPHABETISCHE TAFEL.

de Oude 1159 en in de Nieuwe Wet waarom wij ons- moeten belijden 74,
1160.
wat men 1•erstaat door het - belijden
Akte van -:;tc akto, verschil tusschen 937, hoe w~i het bel~iden door het kruisdedeugd en do akle van- ·15, we1ke'vol- teeken 39, welk ccn sacrament ons helpt
maaktheid· van Goc1 wij door het - tot hct belijden van het- 67, 69.
Verband tusscheu de prediking mn
erkennen 4Gl, 488, wat de overtuigin~; is
van de waarheid des - 53, 66, hoe men het- en do goddclijko gratia 825.
Wanrom onsieedwezen op het-moet
moet geloo1·en 48, en wat men moet
geloo1·eu 48, wat men verstaat door rus ten 266.
stukken des - 228 en wat door nieuwe Gemeens.chap.
stukken des - 229, wnnrom deze geen
Wat men claardoor verslaat 2·12,
bewijs zlin tegen de eenlieid des- 1-130, waarin de - der Heiligen bestant 242,
·moeten wij al deze stukken gelooven 53, wie deze - ondeJ• de Heiligen teweeg
hoe men niet mag twlifelen ann een stuk brengt 197, water uit de£c - vol~l 2-13,
des - 53, wnarom de twist nopens vcle water troostelijk. is in bet geloofspunt
punten des - niels bcwijst tegen de I'Un de - der Heiligen 259, - die tuseenheid des - 1429, welke puuleu des schen de ledeu der strijdende J(erk 243,
- wij zonderling moeten l•enncn 60, en der zegepralende J{erk 2H bestaat,
welke punten wij moeten weten als wij wnt profljt de - met de zegcpralende
bet Doopsel ontvangenna de ja1·~n \'au Kerk geefL ann do !eden der strijdende
verstand bcreikt te hebhen en waaroni Kerk 2·16, hoe die- geschiedt, zicafinten,
916, Symbolum des - :;te Symbolum, wie buitcn die- zijn"251, wanrom 252,
hoe iemand beroofd wot·dt van de welke de regels zijn van bet- 1424.
Eenheid des- 51 en reden dezer cen- der Heiligen 257 .
. held 52, eenlieid in de leering des- 227, Gevelnsdheid.
"'at men dnardo.or verstant 868, dubhoe zij onder de oogen valt 228, hoe zij
noodzakelijk is 220, 1429, waarom het bele- in het ontvnngen det• II. Sacra- nlet onredelijk iis 1390, 1396, 1397, men ten 8GS, komen zij beide in aile
noch dwingelnndij is 1395, noch de we- Sncramenten I'OOr 869, hoe zij de uiltcnschap of vrijheid hinde1·t 1396, nut werksels der Sacramenten beletten SG9,
der bcelden VOOI' den geest van - 515, wnaron1 871.
welk bet een _wanrachtig - is 56, Geweten.
waarop de waarheid des - steunt 1363,
Zie conscienlic.
hoe men de Ol'erluiging dezer wnnrheid Gezelschap.
bekomtl363, verschil tusschenl!el warirWanrom wij de slechte - moeten
achtig - en het - der ketlers H ::te vluchten 6·12.
ook ketlers, in welk - kan men za- Gierigheid.
lig worden 56, wie zij n de zen die
Wnarin zij bestaat 1225, wnarom zij
buiten hot waarachtig - sterven 299, ook afgode1·ij gcnoemd is 468, en de
waar hunne ·zielen. gaan na de dood bron van aile zondcn 1225, waarom zij
301, zekerheid des - 58, reden dezer eene hoordzonde is 1232, tot welke zonde
zekerheid 66, waarom God geloofweer- zi} ons brengt 1225.
·
dig is 1393, grondsteen van het - 165, God.
onverschilligheid in bet - : wat zij
Wnt- is Dl, 400, 1300, bewijs van
is 491, hoevcelerlei zij is ·101, ongeloof, Gods bestaan 1367, 1371, 1374, opwer::te het woord, verdeeldheid des - :;te pingen 1369, 1373, 1375.
seklen, opwerpingen tegen het- 67, 69,
Natuur van - 95, l10e de gratia ons

�ALPHABET1SCHE TAFEL.

1459

deelachtig mnnkt nan de goddelijke genoemd is, wanrom Hij no:; onze Heer
nntuur 811, eenheid dezer nntuur 97 genoemd is 139, 140, we lite volmnnktheid
1376, bewijs 1377, belljdenis door he~ en werken hem toegesclll'even zijn en
mnken van het k•·uisteelten 32, hoe Gods wnnrom lOG, zending van- 201, mensch·
eenheid de eenheid des Geloofs bewijst wording van - :;te dit woord, :;te ook
52, hoednnigheden vnu - len opzichte · nog Jezus Christus.
van heme! en aardc 91 en onzer· zali"Gad de II. Gecst.
heid 03, hoc deze lioedauigheden ond:r
Wie- is ISS, van welke Personen IIij
elkander verbonden zijn n2, 93, 04, Gods voorlkoml ISS, reden van zijnen naam
volmaaktheid : in 't algemeen :;te dit 189, zijne hoedanighedcn 190, welkc vol- ·
woord en in 't bijzonder ~le de verschil- maaklheden en werken Hem toegelige nnmen der ''olmnnklheden.
sch•·even wol'lleu en waa•·om 107, wan rom
Personcn in God, zie D•·ijvuldigheid, onze hciligmnking den - foegeschre,~en
Gods nawn. ··iVat men &lt;lnn•·door ver- is 109, 813, wat men verstnat door de
staat 33·1, 527, 'zondo van Gods nanm zonderlingc werking van den -135, zonop cene versrundelijke wijzc uitle spre- derlingc werking vnn den - in de
ken 532, waarom- on:;c Vade•· genoemd mensch wording vnn Ch1·isLus 135, mt:cste
is 328, 330, beteekenis dezer woortlen : werk vnn den - 197, waarom 198.
ge/tell/gcl :;tj 1tW 1WWII 335.
medewerking van den- in het schrijveu
Hulp door- geschonken in de mira- der H. Schriftuur 77, verschil tusschen
kelen 236, Gods teg~nwoordighoid ~le deze medewel'king- en de medcwerking
tegenwoordighcid, hOc wij ons - ver- in cle Overle\'ering 1416, nederdaling \'an
bceldeu eu waaroru &lt;lit geoorloofd is 510, den- over Christ us en de Apostclcn 102,
welkc, ten opzichte van -, de uitwcrk- verschil tusschcn deze duhbele nedcrsels zijn van de ~lis 1015.
daling 192, uitwerksels der nederdnling
'Vat hct wil zeg~en dat - met l\lnria van den- op de Apostelen 9·15, wnnneer
is 358, wanrom- met Ill aria is 358, onze de- tot ons komt 195, 200, zijne we•·ken
plichten jegens - tn 't algcmeen 13, 96, in ons 195, verschil tusschen zijne neder107, 70~, in 't /Jij:omlc&gt;' :ie Jie woortlen, dnling iu ons en zijne nede•·dalin:;: op
de vrees ·mn - 831. Gods kennis en het Christus en de Aposlelcn 200.
nanschouwen ,·an- :;le die woor&lt;lcn.
Zending van den - 201, wanneer Hij
in ons woont 199, red en van het gezcgde:
God de Jl mlc&gt;·.
- cerste Persoon der H. Dl·ijvul- wij ~ljn tempe/.&lt; van den - 199, hoe de
digheid 102, hoe en wanrom llij de - in de Heiligen woont 521.
Ecrdie wij den- schuldig zijn, ~leeer.
ee1·ste Persoon is 102, wanrop• Ilij
Zonden tegcn den-: wuarin zij beslann
Vader genoerud is 190, en wnarom nl1233, ret! en von dezen nanm 1238, welite
machtig 105.
oorsprong dcr tweo andere deze zonden zijn 1240, hoo zij aileen
Personcn 102. waarom IIU niet onder is tegen den - strijdcn 1246, wnt e1· hun
dan de andere twee Personen 103.
eigen is ten opzichte der vcrgilfenis 1239,
waarom men van - niot zegt dat llij wio deze zondcn meest bedrijveu 125·1.
gezonden is geweest 202.
Gaven van den - :;tc ganf.
God de z0011 •
Vruchten van den - wat men danrWie _ is 126, waarom Hij de tweede door verstaat 1289, reden van do7.ennfi!tm
Persoon is der H. Drijvuldigheid 127, re- 1289, welke dezc zijn 1290, orde van
den van zijnennaam 127, 189, waaroru 127 deze vruchlen 1290, verschil tusschen de
en sedert wanncer 126 Hij Jezus Christus vruchten vau den - en de deugden,

�1460

ALPIIABETISCHE TAFEL.

Sedert wnnncer de verclceling en de
evangelische raden en de acbt zaligheeigendom der - beslnan 659, hct gestodcn 1292.
len - ;fc dicfle, het beschndigen in de
Goddeloos.
- ::tc beschadigen, mag men hel gevonWat men dnni·door verstaat 252.
den - houden GG·l.
Zfc \"erder ongcloor.
Goddelijke-: hoewij die- deelacbGodgeleerdheid.
Yerschil tusscben de- en de Christe- tig worden 457.
Goedheid.
lijke leering ·1.
Gocdhei&lt;l van God: waarin zij bestaat
Godslastering.
428, hoe deze - \'OOr ons meest uil·
Zic blnsphemie.
schijnt 2Gl, hoe zij blijkl in de biecbl
Godvruchtigheid.
"'nnrin zij bestant, hare uilwerksels 1085, in het vergunnen van eenen Engel
831, wnarom men niet moet vreezen als bewaardet· ann aile llllo~nschcn 122, in
men zich op de - toelegl 310, hoe men de pnrabel van den verrorcn zoon J:l59,
de- van den smnuk in den dieust \'lln wnat·om de vergilfenis der dagelijksche
God moet ontlerscheiden 310.
zonden en der vergelene doodzonden
Goed (het).
door het H. Oliesel overeenstemt met
\\"atlln•ereischt is om het- te kunnen Gods - 1108, 1110, welke betrekldnp;
willen en uill'oeren S2G, wnarom men de i\Iis heeft met Gods - 101·1.
Go~dl!clll van JI a.·Ia 373.
hel - moet doen 1167, watmen verstant
Gramschap. •
door het - doen, tegenovergesteld met
bet kwaa'd scbuwen l 167, wat er den
\Val de - is 618, iG3, 1220, n•t·schil
mensch van noode is om het - te doen tusscben de- den haat ~~~ tlen nijd 1230,
799, SOl, hoe de dadelijke gratie ons tot hoe zij ongeregeld is GIS, tegen welk
bet - beweegt 81·1, wat men verstaat gebod zij geschiedt GIG, en waarom ()20,
door het-dat wij onzen naasle moeten wanneer z~j dootlzonde is UJa, waarom
zoek~n te bewijzen 43i, hoe God ons zij hoofdzonde is 1232, hoe men zich aan
oppet·ste - is 04.
- meesl plichtig maakt GIO, tot welke
Goederen.
zonde de - leidt 1230, hoc wij moeten
Welke de -zijn van den mensch 1271, zorgen van ons nooit in- Ill slellen G50.
hoe hij daaraan kan verznken 1272.
Nut van hel vnsten tegen de !!OddeGcestcli}lte - ;;tc geestelijk.
lijke - en wanrom iG3.
T(jdelijlte - : reden van dezen nanm Gratie.
056, hoe zij van de geestelijke verschillen
Betee)tenis van het woord SOl, wat
317, hoe men deze in het" gebed mag men danrdoot· versumt SOl, so:;, hoe
vrngen 318, waarom 318, hoe men dit het H. Sacrament :des Al:nars ons toont
doet in het Vade•· ons 341, 347, waarom wal de - is 983, zij i• het voorwerp
. God ons deze - somlijds weigert 320, onzer Hoop 307, red en mn haren naam
waarom vele goede menschen deze goe- SOl, andet·e naam ann do - g~geven 805,
deren nieL ontvnngen terwijl de slechte waarom al de gaven Gods dezen naam
ze bezitten 1160, aotwoot·d van den nietdrngen802, watde\·oltrellkingderH. Augustinus 1354, l"an wie n~ast God is 805, tot welke 11 las van geestel~jke
alle.,... komt 592, hoe de oudet•s vcrplicht zaken de - behoort G70, wnarom de zijn deze -ann hunne kinderen te vet·- onzen vrijen wil niet bencemt S28, bovenschalfen 599, welke- wij moe ten gebrui- natnurlijk le\"en door de - geschonken
ken om den nanste bij te staan in den 840, \'erbnnd .tusschen de -en de predi ·
nood 1303.
king en overweging van hct Geloor 225,

�ALPHADETISCHE TAFEL.

oorspi·ong ''nn de - 832, vcrhevenheid
van de - 98·1, hoeveelerlei zij is 803.
Wat de heiligmnkende _ is 196
80Rc, ~ 15, 8·17, r~&lt;len van dezcn nanm,'
806, uillcgging van do bcschrijving
dcr - 808, vorband lusschen de heiligmakcndc - en do bo,·ennnluurlijke
dem;dcn en gnven van den H. Geesl 810,
en tic liefde ·121, afbeeldsel der heiligmakcndc - in de Oudc 817, in de
Nieuwe \Vet 819, en in de hemclscho
gloric 812, hare uilwci·ksels ll5, IDS, 808,
uittcgging t!eze•·,uilwerk•el~ SII, hoe zij
ons kindercn v~n God maakl 331, 807,
waarom zondel' die - de mensch geen
vriend van God is ·158, 811, hoe wij door
de heiligmakcndo- de tempels worden
van den II. Gccst 199.
Wat de d:ulelijke - is 19G, 813, 8·18,

1461

Welke - ons doo1• r1e Biecl1l verlecnd
is 1039, hoe zij beleekend is 10·10, hoe
zij verschilt van de·- der andere Sa·
cramenlen 10·10.
\Vell•e - ons gegeven is rloor bet
H. Oliesel \095, hoe zij beleel&lt;end is 1095.
Welke -- ons gegcv&lt;m is door het
Prieslerdom 1113.
Welke -- ons gegeven is door bet
Huwelijk 1133, wal men daa•·t!oor moel
verslann 113-1, hare be~chri,iving 1150,
hoc zij beteekend wordl 1135.
Hoe de goede werken ons helpen, tot
het bekomen r1er - 1281, nil we\kcn
hoofdc Got! ons de - ve1·gunt 871, ontvangen wij - genoc~: tot de zaligheid
827, hoe wi,i de - nagen in hel T'acler
o11s 3-11, hoe de - vergund wcrd in de
Oude \\'et 884, 885, 1158.
r~den van dezen naam SOG, uitlegging der
Wanneer de heiligmaken&lt;le- ons gebcschi·ijving van die- 813, vcrschiltus- gcven wordt 330, hoe men ze voor de
schen deze - en 'de heiligmakende eerste maul kan bekomen 897, met welke
- 813, W!IUI'Offi zij bO\'Cnnatuurlijk is zekerheid wij weten dat wij ze bczilten
8J.I, zinnebee1den van de dadelijk'e - 836, waaruit deze zekcrheid vloeit 837,
823, ha1·e uitwcrksels 198, 815.
weldnnt! der heiligmakende- 173, hoe
::-.'oodzakelijkheid 1%, 806, 815, dezcr wij kunnen we ten dat wij door de dadedubbele -.
lijke - hewogen zijn 838, en hoe wij ze
\Velke - wij door de Sacramemen uiet gevoelen 838.
onlvangen S·li, wanl'Olll Clu·istu~ het
Uo•! de - in de Sacrnmeuten belet
zoo gewiltl IJCeft 85·1, waarom zegl men wonlt SG-1, SGS, 870, wat de dngeli,iksche
dat zij eene ~OIIclCI'lillge - gcven 848, zonden doen ten opzichte mn de - 1190,
hoe de Sacranteulen dezo - ge\'en 849, wnnrom 1191.
Hoe men' de heiligmakeude - verhoe zij ons die - gcvcn doo1• zich zel·
vcn 8ri0, wna•·om het Doopsel noodig is liest 356, 832, 121.1, hoe wij ze nadicn
teru:; bekomen 332, wat 111en vet·liest
tot het belwmcn tiel' - 802.
Welke - wij door het Doopscl ve•·- met tic heiligmnkende - te verliezen
krijgen 890, !Jil, hoc zij in hel Doopsel 1265, wam•om wU geboren worden
bcrooft! van tie heiligmakendc - 111,
bcteelicnt! wordt 891.
\Vell&lt;e - ons doot· het Vormscl gege· 329, 909, hoe wor&lt;lt de7.e bet·ooving
ven wordt 928,936, waarin zi,i beslnnl93G, gcnocmd, :ic duivel (slavernij), wnarom
hoc zij hclcekcnt! wordt 032, 93;), hoe zij w(j t!oor tie zonde van Adam beroofd
verschilt met tie -van het Doopsel 938. zijn van tie heiligmnkent!e - 1179,
Welke - ons doo•· bet II. Snc•·nment hoe er in dezc be•·ooving niels te
ties Alluars gegeven word t 950, 9;;9, vindeu is dat. onrechtveerdig of on·
hoc zij beleekent! wordt 050, hoe zij redel(ik is 1180, kan de heiligmnkende
verscl1ilt van de - des Doopsels en des - verminderd of wrmeerderd worden
832.
Vormscls 051.
L

�1462

ALPHABETISCIIE TAFEL.

men dit gebed van hult~n wct~n 352,
waarom men de - voegt na het gebed
des Heeren3:i I, hoe men de -moet zeggen 36·1.
Grootheid.
Gods- 334.
Gulzigheid.
Waaain zij bestaat 1226, legen welk
De -.in Murin, ::te ~laria,
gebo&lt;l
zU strijdt 711, 1221, 1228, grvotte
Groetenis (engelsche).
Uitmunlendheid \'nn de - 354, 315, dezer zon&lt;le 1228, waarom zij eene hoofdhoe &lt;lit gebe&lt;l genoemd is en wanrom zonde is 1232, lot welke zonden zU lei•it
352, oorsprong 353 en ouderdom van 12.29, is het ooit toegelalen zich vnu het
dit gebed 365, tot wie het gericht is 352, gebruik des verstands to, berooven 1221,
uitlegging van de - 355 tot 363, moet uitleg hiervan 1227.
Wanrom bet berouw uit kracht der
- rnoet 'l"erwekt worden 269.
Staat t·a&gt;l- : wcer&lt;ligbeid van de zen
slant 201, "'nnrom men in slant van moet zijn om nOaten le ,-er&lt;lienen 251,
en om ver&lt;lienslelijke goede werken te
&lt;loen 1282.

H.
Haat.
Wat de - is G19, 421, legen· welk
gebod de - strijdt GIG, waarom 620,
wnnueer de- doodzonde is 619.
-legen God, waarin hij gelegen is 493,
verdeeling vnn dezen - 493, legen welk
gebod deze zonde strijdt 465, 4P3, wnarom
deze- dll grootste zonde is 49·1, wanrom
hij eene zonde is tegen den H. Geest
nlhc.ewel hij onder deze zonilen niet
geno~md wordt 1241.
Ha.rdnekkigheid.
\Vaarin de - van den keCter bestaat
253, welke - in de boosheid is eene
zonde tegen den H. Geost i244, waarom
12~5, welke - in de boosheid is geene
zonde tegeu den H. Geest 1245.
Heerschappij.

zij :;eene !eden zijn van rle H. J\erk 252,
welke geboden zij rnoelen ondPrhouden
12·1, de af:;oderij bij de- 461, 7.i,in aileverdoemd I64.
Wanrom men geen huwe!Uk mag- aangaan met -1139, zou het geldig zijn I H3.
Heilig.
\Vat men verstaat door dit "·oord 507,
wat het beteekent in deze uitdrul;king :
Gehcillgcl ::(j uw naam 336, waarom men
de Kerll 221, 12·15 en hare !eden 242 noemt, beiligbeid der H. l{ea·k ::ie Kerk,
wat er vcreischt is op&lt;lat eene vergadering - weze 223, waaa·in de heilighcid
bier op nnrde beslaat 198, 636, middelcn
704 en vereischte voorwaarden tot «enIeven 826, hoe men knn oordeelen of
men - leen 839.

\Vanrin Gods- bestant 92, 337, ver. Wanrom de H. Geest - genoemd is
band tusschen Gods -en zijnen dienst 190, wuarom de hcilighei&lt;l Hem loege338, hoe wij Gods - erkenuen door hel schreven wordt 107.
sacriOcie 992, 1018 en wat er iu deze Heilig(en) (de).
erkenlenis besloleD ligt 993.
Hoe zij God zien 333, 822, hoe ChrisWnarom Jezus Christus 011::c Hec1· Ius' wooden tot hunne verblijding &lt;lienen
geooemd is 140.
170, hoe zij Gods wil volbrengen 339,
Heiden.
hoe zij Gods vrienden en diennars zijn
Wat men door- verstaat 252, waarom 500, wetenscbap der- 606, 1344, hoe zij

�ALPHABET!SCIIE TAFEL.

1463

!eden zijn dcr II. Kerk 217, hoe zij ons onr.e- toegeschre,·en is en wnarom 199,
245, en de zielen van het vng_evuur kun- 813, wie de II. Geest heilig maakt 197 en
nen helpen 2QG, hoc .?.ij bij God vom· ons hoe 198, wanl'Om onze - beL meeste
kunnen sp1·eken 503, en van Hem iets werlt van den H. Geest is 198.
verkrijgen 373, gcmeenschap der - :rtc
lleiligmnkende (ll'nlie ::tc grnliP..
het woord, hoe de - onze hoop mogom Heiligschenderij.
gcnoe1ml worden 30G, hoe zij onzevrienWaa1·in zij bestnnt 535, verschil tusden zijn 521.
schen de - en de blnsphcmie 535,
Ee~· die wij ann de - schuldig zijn, grootte dezer zonde 536, hoe God dnt
::te eer, is bet eene zonde de namen der betoond heefl536, wie zich nan- plich- op cene versmadelijke wijze uit te lig mnnkt 53G, G2G, - in de Sacrnruenten
spreken 532, verschil tusschen hunne 871, hoe men cene- kan bed1•ijven door
kennis van God en van hetgeen wij te het ontvangen van bet DOOJlSel QOG, dollr
hunner eer doen 5llG, het annroepen der eene onweerdige Communie 786, en door
- ::tc aanroepen,"hoe wij ze nanzien in bet ve1·koopen van geestelijko zaken G'l3.
onze gebeden 502, wat men verstaat door HeI.
beloflen nan - gedaan 553, hoe wij de
Vcrschilligc zinn(m van dit woord
- kunuen tot geluige roepen in den eed 162, 287, 299, wat de - is 1321, wnar
538, wnarom de feestdagen der - inge- zij is 101, eeuwighcid van de - :;ie die
steld zijn 732, nut dezer feestdngen 732, woordcn~ nut \'an de overwcging del'
'733, waarom de feestdng \'an ..-1llerhct- - 1322, nan wie de - toekomt 1324,
li(len ingesleld is 733."
inwoners van de- 1Gl, 299, hoelnng zij
Nut der kcnnis van bet le\·en der - in de - zullen blij,·en 1GI, zie ook ver52·1, hoe de beelden hun Ieven herinne- doenulen, wannee1· Christns tel' - is
ren 515, wat men ver~tnatdoorde goede nedergedaald 159, waa1·om 163, en hoe
werken en voldoeningen der- 2~5, (::ie 159, het vuu1· der - : waarin het bestaat
ook goede werken), waartoe het geven 1332,hoedanigbedeu van dil vuur 1332,hoe
van de namen der- dieut 9·11, wanneer bet vuur de ve1•doemden zal pijnigen 1383.
men dit doet 941, en waarom in geeue Hemel.
Wnt de- is 287, 1321, wat de woorandere omstnndigheden 942.
Hoe de gemeenschap der - een der den beteekenen: rijk der -337, verschi!goederen uitmaakt van den heme! 13~2, lige namen van den - 288, 30G, 330, 337,
beelden en reliquiel!n der - ::te deze 439, eeU\\'igheid van den - ::ie eeuwigheid, wnarom de - een bovennatuurwoorden. '
lijke loon is 302, zin &lt;ieze1' woorden :
Heiligdag.
Itcdeu van dezen nanm 561, wat men on=e vacle&gt;· die in de hemclen ;1}1333, hoe
bier vcrstaat door het woord dag 565, de -een afbeeldsel is der bciligmakende
bocveel soorten er zijn van - 561, welk gratie 822, hoe de - het ,-oorwerp is
gebocl spreekt \'an het \'ieren der -728, onzer hoop 307, wie na God de hoogste
wat wij op de- volgens Gods gebod565, plants bezit in 1len - 359, 361, 369,
57·1, en volgens de geboden der H. l{erk wnarom 359, 369, hoe 1\[arin iu, den -:- is
'135 moelen &lt;loen, wat wij uiet mogeu 367, waarin hctgeluk des- bestaat 797,
doen 567, op welke zonde bet verboden 1343, wnarin bet meeste ge\uk des is573, en wat ous betaamt te doen 57·_1. bestaat 1337, welke de andei'B goe&lt;leren
van den- zijn 13-11, \'OOr wie een bijStraiTen der hoiligdagschenders 597.
zondcre loon bestaat in deil- en waat•om
Beiligmaking.
Wnt heilig maken is 107, 222, aan wie 1343, zijn er kwalen in den - 1343, hoe

�1464

ALI'IIABETISCHE TAFEL.

bet ~eluk des -door Chritns is anngedui&lt;l indenchtznlighedcnl276, knn men
nog iets verdienen in den - 245, wclk
beron\\ uit d~ begcet·tc '"an het gcluk des
- voortkomt 27·1, waarom 276, wanrom
tlitgeen volmaakt bet·ouw is 275, nut van
bet overwegen van· l1et gelnk des
1322.

mensch 171, hoc Hij bij zijnc- hct krnistecken inge~tcld heen 30, wnt Christns
gcdnnn hcefl.gednrende de ·10 &lt;lagon v66r
zijne - 171, want• Hij is sctlet·t zij ne 17·1, - van l\Inria 308, wanrom zij
geschied is 308, is hct ccn punt van
Geloof 308, wanrom de fecstdng ,·an do
- mn ~Im·ia ingestcld is 733 .

. Ann wie de -. toelwmt 132·1, wie H. Her~.
hem kunnen be1.itten ·139, hoe hct met
Vom·werp 395 en doelwit dc?.Cr godGods volmanl\lhcdcn ovet·ecnstcmt den vruchtigheid 395, wnarom zij ingc,·oerd
mensch tot den - te roepcn 834, 1393, is door tic H. Kerk 39·1, waarom zij zoo
hoe Hij ons tot zijne kindcren annneemt Jnat is ingebrncht gewcest 395, hare
door ·hct bercidcn van den - 331, door geschiedenis 307 en goe~kem·ing 308.
wie en hoe ons de weg tot den - geWnarvan hot - het zinnebeeld is 303
toond isgewccst 132, hoc men moet stet·- en waarom 39·1, cer die wij aan hct H.ven om den - te bekomen 288, 302, schuldig zUn en waurom 302, waarom
wnarom wij den - niet kunnen vcr- wij lie~er hetll. - vereeren dan andere
dieuen &lt;lc.or onze natuurlijke krachten deelen van Christus' lichaam 3g3.
'i97, &lt;loot· we\ke goddelijke gunsten
\Vat men over deze \litdrnkkingen
kum1en wij hem verdicnen SOl, wnt de moet pcinzen: - van JeZI\s' bermhergoede werken doen ten opzichte van den tigheid, enz., 397. •
- 1282, 1285, wanrom 1280, wat et· ver- Hindcren.
llo~ men iemand door de \eugcntaa\
eischt is opdal .zij den - zouden verdie·
nen 979.
kan - 09·1, wie de wettigc macht bezit
Welke zonde ons onbekwaam maakt, om iemand te - 608.
om den - te verkrijgen, waarom 1186, Hoogmoed.
waarom de. kleine kinrleren zonder
"'aarin de - bestaat IOSO, mid&lt;lel
Doopsel geston·cn &lt;len- niet verkrijr;en tegcu den - \080. Zte hoo,·eer&lt;ligheid.

301.

Hoop.

Za\ bet geluk des - voor {11\en gelijk
ziju 13·19, waarin het verschil zal bestaan,
reden ,·an dit ,·erschil 13·10, wanrom
dit vcrschil nict tegenst'i-ij&lt;lig is met het
\"Oilc geluk des - 13-11, waarvan de
graa&lt;l van hemelsche glorie · anmngt
360, 13·10.

\Vat de - is 305, welke cene deug&lt;l
zij is en waarom, 1202, plants die zij
onder de dcugden bekleedt ·101, met
welkc deug&lt;l zi,i gcpnard moet g-ann en

Hemelvaart.
- ''au Christus, wannem· 171 en hoc
172 zij geschied is, ,·erschil tusschen
Christus' hemelmat·t, di~ \·an Maria
en van de Hciligen ua het oordccl 172,
en de opneming ,·an Ileuoch en Elias
·173, wannec1· de - ~an Christ us gevict•&lt;l
wordt 171, waarorn 730, wnt wij op dien
dug indnchtig moetcn zijn 'i31, is Jezus
ten heme\ gcl:lomen als God of al8

wanron1 ·117, OOI'sprong vmH.le- ~Or:i,dc

-ten opzichte van onzc zalighei&lt;l ·I 1i en
&lt;len &lt;lienst mn God 323, we\ke volmaaktheden van God worden door de - cr·
kend ·IG·I, wannccr men de - ont1·angt
30:1, hoe men zc verliest 12GO, wanneer
zij opnicuw ingestort WOI·dt 3CG, hoe de
mcn$Chen tot de - geholpen zijn in tic
Oudc Wet 115g en in de Kieuw,, Wet
llGO, zckcrheid van !lc- en re•len dczcr
'
zekerheid 307.
Ynn wie en wnt wij moctcn hopcn 30ti,
·100, middelen om tc verkrijgcn hctgeen

�ALPHABETISCHE TAFEL.

1465

wi.i h?pcn 309, hoe wij moe ten hopen 307,
1134, 1151, wie wordt verbonden en hoe
op Wle !16, 402 en waarom 96, wat men
1134, kan men die verbintenis bekomen
doet door de - 306, zouden te"en de zonder hct Snc•·nment 1134, wanneer zij
-309.
..
eindigt 1152, rcden van &lt;lit antwoord
Hooveer(ligheid.
1153, wanneer en hoe men outslageu kan
Beteekenis van dit woord 1222.
zijn van de verplichtiugen van 11et Wam·in de ·- beslnat 1222, waarom 1152, echtschei&lt;ling, ::tc ·het woord.
zij eenc hoofdzonde is 1232, tot welko
Hoe dikwijls nlen het- mng ontvanzonden zij ons bren~t. wanneer men gen en wanrom 876, wna~om men het in
dezc zomle bedrijfi 1222.
slant \'no g•·ntie moet ontvnugen, wan rom
Hostie.
men behoort to biechtcn ecnigcn tijd
Beteekenis vnn bet woord 9i4.
voor het ontvnngen van het -· 1154,
Wanrom dew 1mam gegeven wordt zorg die men moct hebben bij het ontnan de ge&lt;lnnnl•jvan b1·ood in het H. Sa- vangen van het - 115·1, v661· wie l1etcrament97-t, Christus' tcgenwoordigheid .moet geschieden I J.l7, nood1.akel~ikheid
oilder nllo deel&lt;-n dcr gcb••oken - 975, hiervnn I J.IS, oorsprong vau dit gebod
bewijs onzes nutwoo•·&lt;ls 975, wnn1·om 11·18, tijdslippen in dewelke men lwtChrist us' lichnam dom· het brckcn der- niet mng celebrecrcn 1153, reden van Jit
niet \'CI'mcni:.:vnldigd wordt 075.
verbod 1153, pcrsonen die het - niet
Zlc ook nog gedannte.
mogen ontvangen, 11-12, beletselen Yan
Huwelijk.
het - 1144, oorsprong dezer belcts~len
Wm bet - is n:i3, wam·om bet go- ll.J.I, hoe het tweed•• uitwc•·ksel belet
noemd is een Sacrament der levendeu wordt 1151, dispensntle in de belctselen
9G6, instellin~ mu hct - 113G, wna•·toe 11-19.
het- dicnl 8~&gt;7.
Personen n1et clewclk&lt;' men h~t ,....
Gewir.hligheid van het- 11r.s, uit· niel mngnangnan 1138, en met clewclke
werksels mn hcl- 1133, eerste uitwerk- het - mn gee ncr weerdc zou wezen
sci : 1ie ;:rntic ~le &lt;lit woor&lt;l. Tweede I H2, den~dcn olie men in de get•·ouwdcn
uitwe~·ksel : de \'CI'hinlenis, wnt zij is moet \'inden 1155, het hurge•·lijk- 1157.

J.
Jezus Cllristus.

eenheid van persoon in - 1:10, 1·11, hoe
"'io - is ·1, ItG, beleek&lt;'nis van dczen men - moet ecren 391, ~ic ook ce•·, wnt
nanm 12i, waarom hij nog genoemd is: wij - schnl&lt;lig zijn 142, hoc •wij hem
eeni;:e Zoon rlcs Yn&lt;lers 130, wnt men moelen nanrocpen in ouzo gebedcn 523.
!Jehoort I&lt;' olociJ nls men den nnnm \'Oil
'Vnarom - op de wercl&lt;l ;:ckomen is,
- hoo1·t uilsp1·elten 558, hoeclanighetlO~l ::ie tuenschwording, hoc al de \"OtlrzcgY:tn - 1-10, wnt Hi.i is als God 128, en gingen van zijne l\.omst vel'\"llld zi.in g~­
wat nls mensch 12!1, hoc do God&lt;leloozen weest HOO, wum·om men zcgt dat hem nnnzit•n ::no;, bcwijs zijner Gotlhci&lt;l !IOOI' den H. Gcest gelei&lt;l is g-cwcest202,
H2, \'Cl'sl'ltillnsschen Go&lt;l, den mensch, wnur Uij llll is 174, wannec1· bij het
den );;ngcl en - 12n, hoe zijne wijshei&lt;l Yruler o11s gcmnakt hccfl ~~6, cnlh&gt;e Ilij
blijkt in de instelling mn do zcvcn Sa- do tien gcbodcn Go1ls gege,·cn been HO,
crnm&lt;'ulon s~.1, YOOI'zcggingen doo~· - wam·om Hij aileen de Sacrament~n kon
gednnn 1-101, -· nnlul'en, ~ic unluu•·, iuslellen S52, hoe Hij de be&lt;licnanl' is

�1466

ALPHABETJSCHE TAFEL.

van de Sacrnmenten SSI, hoe Hij de
1•'• 1\iis gedaan heeft 1002, en hoe H~i
00 .,. de voornaamste olferanr is in bet
H."sacritlcie 1009, liefde en H. Hert van
_ ::tc die woorden.
Hoe- bet onzienlijk hoofd is van de
H. J{erk, ::fe O\"erheid.
Lijden, verrijzenis, hemelvaart, van
- ;;ie die woorden.
Nederduling '"an - ter Hel, ::te He!,
nederdaling van den H. CJeest op·;;te H. Geest.
Rechterschap van- ::te oordeel.

Jood.

hoe zij de goddelijke gn1.lie konden ,·erkrijgen 884, hoe men het gebod moet
verstaan dat hun gegeven was van
geene beelden te maken 511, wanneer
deJoden het pnnschlam moesleneten 778,
hoe zij gezondigd bebben 12-14, nfgoderij der - ·167, hun gedrag jegens
Cbristus 146, 147, hoe hnnne handelwijze Christus' VCIT:jzenis bewezen heeft
168, voorzegging vun Cbristus nopens
hetjoodsche volk 14()2, wanneer dit volk
zich tot het geloof zal bekeeren 179.

Joseph (H.).
Hij _is de voedsterva~er. van Jezus,

\Vat men verslaat door eenen - 252, . maar niet zijn nalum·lijke vader 138,
waarom hij geen lid is der H. Kerk 252, vereering van den - 138.
welke geboden _zij moeten onderhouden Jurisdictie.
72'1, waarom men geen huwelijk met
Beleekenis van het woord 767, wat
eenen -mag aailgaan 1139, zou dit huwe- men duardoor ve1·staat 7G7, verdeeling
lijk geldig zijn 1143, korte geschiedenis der - 767, aan wie zij toebehoort 766,
van.het Joodscbe \"Olk 445, hoe het be- hoe zij in den biechtvader vereischt is
stuur van dit volk een afbeeldsel is der 768, wanrom aile p;ieslers geen- hebHeiligmakende g1·atie SIS, Gods werken beu 768, wanneerzij allen- hebben 769,
ten opzichte van dat volk 818, hoe zij de heeft de priester ook - over vreemdetieu geboden ontmngen bebben 445, lingen 768.

K.
Kardinaal.

God 16, 92, verschillige wijzen vnn God
le kcnnen 69, noouzakelijkheid van
Katholiek.
God te kennen 17, kennis van God in
Wie- zijn 24.
den heme! 506, 1314, en op de aarde
Waarom de Kerk katholiek genoemd 14, waarom en hoe wij God moelen
is, ::te Kerk, beteekenis van dezen naam kenncn 16, hoe wij de volledige 230, wanrom de sekten niet - zijn 232, Gods, tot de zaligheid vercischt, verkrij1425, 1432.
gen 161, hoe God zich zelven kent
Keersen.
102.
Gebruil( der- voor de beelden 512,
Wat men verstaal door iemnnd te
waarom men eeoc brandende - geeft bekennen 461 en '1\'at door God te bekenaan den gedoople 922.
nen ·161, 502, wat is God bekeunen als
Gcwfjde - : wnt men daardoor ver- den eenigen waren God ·160, ''"aa1·om het
stnat 482, lot wclkc klns van zaken zij ooze plicht is va.n God te bekeunen 402,
behooren 670, bunnckracht483, wnnue&lt;Jr hoe men Hem moet bekennen en waarom
zij gewijd worden 482, 183.
1378, hoe wij Hem door onze gebeden
Zijne macht over de ntlaten 250.

Kennis.

502 en door den ecd 5-!2 erkennen, hoe
Wat men \'erstnat door de kannis van de ketlet•s weigeren God le erkenuen 497.

�1467

AJ.PHABETJSCHE TAFEL.

Xerk.

door de H.- ons de goddelijke veropenbaring voorhoudende 49, waarin deze
voorhouding gelegen is 70, wnarom deze
203.
IJc - van Clwls!us. Hoc men bare geloofsvcrklaringen gceno H. Schrift zijn
instelling door Christus IJewijst 1419, 79 en hoe de Ievcnde leering dcr H.-van
welke de waarachtige- is 23, 20·1, 71G, de Overlevoring vcrschilt 1423, waar de
bare verschillige namen 23, 20l, wie H. - hare punten van Gcloof gnat
men vcrstaat door Onze l\locder de putten 75, wie de H. - bijstnal in dcze
beiligc -,en reden 1·an dezen naam 354, voorhouding 197, hoc doze voorbouding
bare IJestanddeelcn 20·1, bam· doe! 23, geschiedt H23, hoe zij ons voorhoudt de
boeken dio dee! makcu van de H. Schrift
205, 858, wat haar eigen is 20·1.
SO, bet gelnl der Sacramenten 858, onfaalIJc tcchencn dm• II. - 219, 1424.
)o Eenheid det· H. : waarin zij baat·heid der H. - ::le bet woord, waargclcgen is 22,, 1424, hoc zij onder onze om zij ons niet kan be,lriegen 59,
oogcn valt 22S, hoe zij geiJicvcn is in de wetgevende macht der H. - 722, bare
tijden der tegenpausen H2S, waarom gcboden, :;/e gebodcn, van wie zij deze
de nieuwe geloofspuntcn de eenheid macbt ontvnngen heeft 720, hoe zij deze
niet veriJrcken 229, waarom zij een tee- macht van in bel begin gebruikt heeft
722, zijn a! hare gel.Joden recht en goed
ken is dcr ware - 229.
2o Hciligheid dct· H. - : waarin zij ge- 723, mag zij de g~IJoden Gods veranlegen is 221,1425, hoe zij klaarblijkend dereu 563, macht der H. - nopeus de
is 224, waarom Itet slecht Ieven -van IJelctselcn vau bet Huwelijk 114-1.
eenige !eden der H. - gcen bewijs is
Lcllen de•· II.-: :;le lid, wat men vertegen dczc heiligheid 226, hoe de heilig- staatdoor de strijdende, lijdende, zegenheid een tccken is det· ware - 224, ho~ prnlende - 218, wie buiteu de H.- zijn
men bewijst dat de - aileen dat teeken 251, en waarom 252, 2M, 256, 258, 259,
waarom men om Christen te zijn lid
bezit 1428.
3o Kutholiciteit der H. - : waarin zij moet z~jn dcr H. - 23, is men nij zich
gelegen is 231, 1425, hoe zij kcnbaar is ann de- te onderwerpen ofniet 1421.
231, HS3, waarom de vervolgingen niets
Bedienaars dcr H. - : l"e•·schillige
bewijzcn tcgcn de algcmeenhcid der klassen 1116, de hoogste grand ondet•
H.- 1433, waarom zij een teeken is van dcze IJedienanrs, :le priester, vcreischte
de ware- 231, 1-125, hoe wij de uitbt·ei- voorwn:u·den in de bcdienanrs der II.ding der H. - in bet Vader o11s nagen 1122, bcstier der H. - , :;tc Ol'et·beicl.
338, hoe lang de H.- moet dut·en 1421.
Voorzcggiogen gedaa1~ in het Oud
Apostoliciteit der II. -'- : wnarin zij Testament 1399, en doot· Christus HOI
gel~gcn is 233, hoe zij kenl.Jaar is 234, nopens de H. 1414, wanrom zij een teeken is dcr
\Vat de 1!. - doetin de bcdiening de••
ware -234.
Sncramen ten SGO.
Vcrschillige zinnen van bet woord -

40 Mirakelen der H.-: wnt cen miraDee! door de H. - in de Engelsche
kel is, ;;;(e bet woord, hoe men IJewijst gt·oetcnis bijgcvocgd 354 •.
dnt de H. - ware mirnkelen lteeft 1435,
Hare leering nopens de godvruchtigmenigvuldigbeid der mirakclen in de hcid tot bet llerlvnn Jczus 395, mlsche
H. - 237, welke mit•akclen uilschijnen -, zle sek ten.
in lma•· Ieven J.IOS, wnnrom zij cen Kerken (gebouw).
tee ken zijn dcr ware - 237, 1-125.
Wat do- zijn 3G9, tot welke klas van
;1[acllt de&gt;· ll. - : wat men vcrstnat znken zij behooren 670, is Christus en

21

�14(?8

ALPHABETISCHE TAFEL.

Maria daar tegenwoordig 370, verschil
tusschen het H. Sacrament en 1\farin"s
beelden in de- 370, hoe wij ons moeten
gedragen in de - 558, wanrom wij eene
groote nchting moeten hebbcn voor de
- 1318, waarom zij de plants zijn van
het gebed 315, wnnrom men de Christen en eertijds begroef in do - 1308.

gebruik in de eerste tijden van de Communie te ge~·en ann de kleinc - 781,
wnnneer de - moeten biechten 773,
wie moet beslissen wauneer een - de
1sto Communie mag doen 789, wanneer
moeten zij nnnvecrd wot·dcn 790, zorgen
tot het bereiden tot de 1•to Communie
der - 79~. piichten der- jegens bunnc
Kerkhof.
ouders, cnz .. , ::te ouders.
,tangenomen lttwl : wat er dnnrtoe
'Vnarom men dnar de Christenen
begraan 1308, eerbied die wij voor de- vereischt is 807, hoe Adam en Eva Gods
- wnren 115 en hoe wij Gods - wormoeten hebben 1318.
den 330, 331, 805, 881, welke dingen
Kerstdag.
Beteekenis van het woord 137, reden deze nnnneming uitmnket. ~30, verschil
vun dezen feestdng 731, wnt wij op dicn tusschen de unnneminr: liij God en de
dng indncbtig moe ten zijn 731.
nnnncming bij de menschen 807, noodKetter.
zakeiijkheid dezer nnnneming 799, kunWat een - is 253, verschil tusschen nen wij zo verdienen door onze natuureenen - en eenen schismaliek 259, lijkc ltrachten 800, hoe zij met Gods
volmnaktheid overeenstemt 83·1, hoe zij
waurom hij buiten de H. Km·k is 25·1.
Wunrom zij geen goddelijk geloof uit de heiiigmakende gt·atie vloeit 811,
hebben 54, hoe men hun geloof moet hoe de H. Communltl deze annnemlng
annzien 56, hoe zij dolen no pens de betuigt 820, hoe men deze aanneming
mogelijkheid van zaligheid "tis gelijk in klanrlijk knn voorstcllen 115, weerdigw~lk geloof 56, welke geboden zij ver- heid van den titel van Gods 922,
plichtzijn teonderhouden 724.
verschii tusschen den titel van -en den
Ons ~edrng jegens de - 488, 489, hoc nanm van Zoon Gods welkeu Christus
wij danrin kunnen zondigeu 489, wanrom draagt 130, wnarom de nauneming recht
men het huwelijk niet mar: aangaan met geen tot den heme! 17G, SOO, wnnrom
eenen - 1139, zou het geld1g zijn 11-14, uit hoofde dczet· annnem ing de Engelen
kettersche bijbels, ::ie H. Schrinuur.
ons moeten behulpzaam wezen 121.

Ketterij.

Klap.

Wat eene -is ·185, tegcn welk gebod
\Vnt men verstnnt door onzuivercn -,
zij strijdt en waarom 485.
tegen welk gebod hij geschiedt 628,
Kinderen.
wnnneer hij doodzonde is, wanneer
Hoe de kleine - !eden der II. Kerk, niet 633, waarom hij zonde is 633, hoe
Christeneu kunuen zijn 23. kleine - men kan wcten of- oneerlijl&lt; is 632.
die stet'\'Cll zouder Doopsel : wanrom zij
Achlc•·l&lt;laJ&gt; : wat - is GS2, 683, wanbuiten de Kerk zijn 299, wllllr zij naartoe nee1· hct \'ertellcu van een onbekend
gann 30l,::ic nog voorgeborchte, waarom kwnnd - is 682, tcgcn well&lt; gcbod hij
11it niet onrechtveerd ig is 301, hoe de gesci1iedt G80, wnarom 68·1, zwnarte der
mnrteldood de kleine- tot de zaligheid zonde GS·I, wauneer de - doodzonde
is G83, want·toe hij gchoudcn is die
kan helpen 262, 894, 805.
Wanr de kieine - gnan die ster\'en zich nan - plichtig gemuakt heetl.
na het Doopsel ontvangen te hebbcn2S9, 700.
hoe de kleine- in de Oudo Wet de vcrHoe men knn zondigen met te luistegitrenis verkregen der erfzondo 884, ren nanr den - 685.

�ALPHABETISCHE TAFEL.

Kleur. ·
l{leuren van den Roze.nkrnns en reden
dezer- 389.
Kleuren tot. het misgewnad voorgeschreven 1032, wnnnee1· deze verschillige- gebruikt worden en waarom 1032.

lam 1033, knmkter vun dit - 1020,
hoeveel man!. het moest geoffer&lt;l worden 1021, wie danr de offeranr wus 1021,
wanrom de nutting dnar niet vcreischt ,
was 1021, uitwerksels van het- 1019,
1020.

Koopmanschappen.

Kruising.

Wnt men dnnrdoor verstnnt 570, OG2,
wnarom zij op de feestdagen verboden
zijn 571, welko- op die dagen toegelnten zijn 571; wnnneer zij allen toegelaten
zijn op die dagen 571 en waarom &amp;72.
Hoe men in de - bedrog kan gebruiken GG2, tegen ~-elk gebod deze zonde
geschiedt 659 en waarom GG3.

Voor wie. deze straf inge&gt;leld was
HS, hoe zij uitgevoerd werd HS, Clu·is-

tus'- J.IS, woorden van Jezus nan het
kruis J.IV.

Kwaad.

Wat den mensch van noode is om
het - te vlieden 799, SOl, in welk Sacrament wij de krachlen ontvangen om
Kruis.
volmnnklelijk aile - te vluchten 9-H,
1\..-utsteel&lt;en.
wnt men als het grootsle - moet nau·wat betteeken des H.- is 27, wanrom zien 2136, waarom de duivel genoemd is
bet geen Sacrament is 8·17, 852, hoc men cle lu&gt;Jacle 3·18, van wat - begeerea wij
bet - maakt 27, woorden die bij bet verlost te zijn als wij zeggen : t"e;·Lo•
maken van het - uitiesproken worden ons van den luvml&lt;! 34 7.
28, zin dezer woorden 28, oorsprong 3-l
'Vat verstaat men door iemand en bewijs daarvan 35, beleekenis van doen ·136, welke zonde men bedrijO. met
bet- 30, hoe men dit bcteekent 31, 32, God - te willen 493, tegen welk gebod
hoe het - het teelten is van den Chris- deze zonde geschiedt 493, wat men verten 27, is bet eene condilie om Christen stant door het - met goed te loonen 624,
te zijn 27, gebruik dat men van het- jegens wie 021 en hoe G24 men daru-toe
moet maken 36, 43, wnarom 37 en op verplicht is.
"'at men verstaat door iemand- te
·welke wijze ·12, wnarom men het gebruikt in het bedienen der Sacra men- wenscheu GIS, wnuneer dit eene verruaten 879, en wnarom namelijk in het ledijdiug is 017, tegen welk gebod deze
Doopsel Q20, }let - in de lllis 1008, zonde geschiedt GIG en wanrom 620.
- van icman&lt;l sprekeu, :;te achterproOjt van het - 38, hewijs van dit
proftjt 39, mncht en bewijs van de mncht klap, lasterin~ en verwijting, hoe de
zonde van - te spreken door God ~edes - ·10, nftnten van het - ·13.
J(rutsbccWen -11, 42, wat zij ons lceren noemd wordt 52!l, 533.
156, 157, wat zij ons hcrinneren 515, Kwetsen.
Wnt men dnardoor verslaat G04,
957, gei'Oelens !Jij het aanschouwen mn
'bet- 1101, nut van deze te geven ann waarom het verhoden is zich zelven G06
de stervenden ·12, de -: in de 1\Iis 1008, en anderen 605 te -, en door welk
hoe het kruis in het Iaatste oordecl gebod G03, GIG, wic de macht heen
iemand te- GOS, hoe wij tot hct - rand
verschijnen znl ISO.
of hulp kunnen geven en waarom dit
SaCI'Iflclc clcs l(l'l&lt;iMs.
Vergel~iking van het- met het Sacri- verboden is 009.
ftcic der :Uis 997, 1020 en met het Pansch-

�1470

ALPH,\BETISCHE TAFEL.

L.
eene- v1m God veropenbaard is 1380,
Wat men dnardoor verstaat 083, op waa1•in de Chl'istelijke - bestaat 3 en
welkeverschilligo manie1·en zij :;eschiedt waurow zij nog genoem&lt;l is znlige wet
681, tegen wP.lk gebod de --: geschiedt ''an Christus 21, hnar oorsprong on
680, waarom zij verboden is 684, zwaarte voorwerp 4, hare veJ•deeling en 1·eden
dezer zonde 684, 686, hoe de H. Scbrift de~er verdeeling II, baa1· bewijs door de
deze zonde aanziet 70!, waartoe men voorzeggingen 1398 en de mirnkelen
verplicht is als men zich a~n - plichtig 1404, waar zij te vinden is 1411, aan wie
zij eigen is 204, bel aug I, heiligheid 223,
gemankt heeft 101. ,
1431 en \'erhevenheid 1"'0 der ChristeGods -, ::111 blaspbemie.
lijke -, reden van dit b;lang 5.
Lectoraat.
Prediking van de Christelijke -,door
Waarin bet- bestaat 1117.
wien, wnar en wanneer 6, op welke
Leedwezen.
'Vat men daardoor verstant, 263, 2i2, wijze 7, 446 zij gescbied is, haar in917, 1045, op welke 1•eden het- moet vloed op de zeden 1410, hoe men deze
s1eunen !64,en hoe deze moet beschouwd - moet aanveerd~n 5, wnarom een
worden 266, uit welke kr~chten het Christen deze - moet gelooven en bemoet ver"•ekt word.en 269, tot welke lijden 22, wat me; verstaat door ziju
zonden bet - zicb moet uitstrekken Ieven te s chikken nnar de Christelijke
268, 1045, onder welke betrekkinge"n wij - 25, wnnroru het betaamt dat een
- kunnen bebben over ooze zonden Christen zoo ziju le,·en schikke 25.
Dogmaltsclle Ice,. : welke punten zij
1046, over ·welke 7.0ndo men - moet
hebben als men bet Doopsel ontvangt bevat 5.
Zedenlec•• : welke pun ten zij ~evat 5,
na do jaren van verstnnd 917, welke
uitwerksels des Doopsels door gebrek waaruit zij geput wordt 810.
aan - belet worden 918, moet men om Leugentaal.
'Vat - is 091, verklaring dezer defi- te bebben de zonden vergelijken met
andere groote kwalen en moet bet - nitie Gill, is de - zonde en. waarom 693, .
krachtiger zijn dan al ander stlijt 207, tegen welk gebod zij strijdt en wanrom
hoedanigheden van bet- 263, hoe groot 693, zwnnrte dezer zonde 693. knn de geschie&lt;len zouder groote schade en
bet - moet zijn 266.
Welk - de dagelijksche zonden ver- welke zonde is zij in clit ge\·al 694.
-in bet recht,-::tc recht.
geen 209.
Leening (van geld).
- buiten bet recbt, ::telastering.
Wanneer zij zonde is 067, 668, waaroin Lichaam.
069, tegen welk gebod gescbiedt deze
Wat bet - is 13, sterfelijkheid van
zonde 666, hoe deze zondo nog genoemd bet- 13, hebben de l~ngelen een-118.
is 669.
waarvan God bet-van Adam en \'DO Eva
Welke de .titels zijn in de- om meer gemaakt beeft 1H, uitwerksels der oute vragen dan hetgeen wij geleend heb- kuischbeid in het- 646, wnt er vereischt
ben 667.
is om zich ''olmaaktelijk te gedragen
Leering.
ten opzichte Yan zijn eigen - 1291,
Hoe men met zeke1•heid kan weten of waartoe degene ''erplicht is die iemand

Lastering.

�ALPHABETISCHE TAFEl ..

1471

in zijn - beschadigd hceft 6UD, de ver- geruaakt \vorden door den H. Geeot IUS,
schillige manieren van bet - te hinde- zijn bet de - der H. Kerk aileen die de
ren, ::te dooden, kwctsen, enz., hoe H. Geest heilig maakt 197, waarom bet
zullen de doode - wederom levend slecht Ieven van sommige katholieken
wor&lt;len 2i9, w:mrom zcgt men do ,·er- tegen de heiligheid der 1\cl'k niet ~trijdt
rijzenis cles vlccsclles 2iS, gesteltenis &lt;ler 226, l-133.
vcrrczene - 280, hoednnighedeu ,·an de
l\lacht van den Paus over de - der godvruchtigen 282, 13-1-1, 1346 en der If. ICerk 211, hoe hij een - uit de
van de - der vcrdoenulen 28-1, ::te nog ICerk mag hannen, ::ic ban.
"'aarom men geen huwelUk mag nan·
vor1·ijzcnis, hoe Maria ons helpl in niles
wat bet- prolijtig is 3G2.
l!aan met d~genen die geen - der
- &lt;le•• lleillrlcn : hoc zij de tempels H. Kerk z\in 1130.
van den H. Ge~~t ziju geweest 522 en de Lieden.
wcrktuigen \"11&lt;1 vcle deug&lt;len 522, l1et . Wat men verslaat door !,!emeene vcrceren van hunne -. ::te reliquie~n. in de H. l{erk ~3. hoe en waarom het
wanneer de- den heme\ zullen binnen- hun verboden is de H. Schrifl. te lezen
lreden 30S, is hct - \"Ill! lllaria in den 85, wanneer z\i deze mogen lczen en
wanrom 85.
heme\, waarom 368.
Cl!l'lstu.•" l!clumm : wan rom het glo· Liefde.
rieus genoemd is IG'J. is de Godheid
Wat de- i5 400.419, welk eene deugd
met het - gebleve11 m\ zijne dood 150, de- is en waarom 420, 1202, verband
hoc bet ,·e•·eeL·d is geweest in de begra- tusschen de - en de bermhertigheid
venis 152, ~lc ooll dit woord, ~m·en van 1306, weet"&lt;ligheid van de - en !"eden
bet vct-r~zen -van Clu·istus IU!l, li2, is &lt;lezet· weerdigheid 4\G, waarom z\i
zijn - in den lJQmel ~us, met welk - koninl!in en \"O\makende ,·orm derdeugChristus tegcnwoordig i~ in het U. Sa- den genoemtl is ·liP. \'I"Darom zonder de
cL·ament9u3, is het in hel H. Sacrament - het Geloo(ende Hoop ons niet kunnen
van bet bload gescheiden 9lH, wordt het zalig maken 4li, hoe zij boven de zedeniet ,.e,·menigntldigd door het breken lijke &lt;leugden is .ns, hoogachling van de
van de lloslie 9i5, hoe bet - zal vet·· - 458, oorsprong van de - 420. hruu·
\"Oorwerp 42!, waarom in weerwil van
schijnen in bel lantste oordeel 180.
Lid.
dit dubbel \"Oorwerp de - maar Moe
Wie - is der U. l{erk 107, 205, 21 i en deugtl uitmankt 423, haar werk 421,
wie niet, en waarom 252, 254, 256, 258, welke vo\mnnktbeid van God wij door
hoe .Je \eden der H. Kerk gcnoi!lnd zijn de - erkennen ·16-1, zinnebee1den van
eu waarom 2·1, 242, ,·et•schilllge soorten de - 393, wanneer deze deugd ons
van \eden 2\i, hun nnam 21!1, \"ereischte ingestort is, hoe zii \"erloren en hoe
voorwanrden om - te zijn det· H. Kerk zij opnieuw ingeslort wordt 421, wat
205, 252, gemeenscbnp van de - det• wij verliezen doot· bet ,·erlies der 11. Ket·k 241, 2·13, 2·15, hoe men met zich 1265, hoe de menschen tot de - geholaf to scheiden van de - der H. J{erk pen zUn in de Oude 1159 en in de Nieuwe
schismaliek knn worden 256, dee\ dat do Wet 1160, wnt wij moeten doeu om de- lu~bbcn in bet gocd dat ct• in de Kerk in ons te onderhouden H!, beschrijving
geschledt 2·13, dee\ dnt zij hebben in de van bet Ieven door de - beslierd 455,
hoe &lt;le vurigheid van de - verminderd
vrucbten det• l\lis 1010.
Hoe de J{ork beilig is in hare - wordt 1107, "·aarom Cht•islus zoo dik·
223, 1431, hoe de - der H. J{erk heilig wijls van de '- beelt gesproken 453.

�1472

ALPlfADETISCHE TAFEL.

Hoe\·clerlci de - tot iemand knn 1188, waarom 1189, wat de dagclijksche
zonden doen ten opzichtc dcr - 1190,
ziju, 427.
Lie{de tot God : hoevelerlei zij is daaruit vloeieode gevolgcn ll91, hoe
~30, wnt de vohuankte is 27·1, 400, wij tegen den H. Geesl kunneu zoodigeu
hoe deze - genoemd wordt 430, waarom met Gods- jegcns den nanste te benijzij eeoe wn1·e nieodschap met God is den 124·1, hoe ooze lleiligmaking u it
~57, voortretfelijkheid dezer 456, Gods- voortl,omt 200.
Jezus'- ll61, hoe Jezus zijne - zonbewijs hicrvao 457, hoe gemakkelijk
deze - is 430, waoueer, \"OOr wie 893, en derling getooud heeft 154, gedachtenis
op welke wijze 895 zij het Doopsel ver· van Jezus'- 955, wclke godvrtichtigheid
vaogt, waarom zij oochtans oict vol- Jezus'- voor oogwit heeft 395.
doeode is om zonder he.t Doopsel ons Lijden van Christus (bet)
Wat Hij in 't algeme;o geleden heeft
bekwnam te rnnkeo tot het ontvangen
der Sacramcnteo SS8, wat de om•ol- 144, in welke ontuur Christus geleden
maakte - is 400, hoe zij genoemtl is heeft 145, reden om dewelke Cbristus
400, wordt zij door de volmaakte - niet he eft will en lijden 154, hoe zijn uitgeslote~ 431, uit welke - bet volko· nijwillig was 150, uitwerksels van het
- 155, reden hiervan 155, afbeeldsels
men berouw moet voortkomen 274.
Om God boveu al te beminnen wat der vruchten van het - 15S, overweging
moet ooze- overtretfen, op welke wijze van - 157, hoe het H. Sacrament
en wnarom 433, moet de - tot God eene gedachtenis Js van - 956, hoe
Turiger zijo dan aile andere- 434, onze het kruisteeken een gebed is door
plichteo ten opzichte der - tot God - 39.
door de lien geboden \"Oorgehouden 4-19,
'Vat Cbristus geleden hecft van de
::te ook nog bemionen.
Joden 146, bij Pilatus 147.
Lte(de tot cle11 &gt;waste : hoe God de
Cbristus' kruising J.IS, ::ie ook dit
reden is dezer - 423, ,·erbaod tusschen woord.
deze - en de - tot God 425, 452, ooze
Christus' dood J.l!l, ::ie ook di t woord,
plichten ten opzichte dezer - door de ho~ de cercmonii!n mn de Mis Christus'
lien gcboden YOOr((ehouden ·1·10, hoe zij dood verbeclden 1008.
ons verbiedt den naaste verergernis te
Christus' begravenis 151, ::ie dit
geven 615, welke hulp wij hem uit - woorrl.
moeteo geven tot het bewareo zij ner Loon.
goederen 712, ::ie ook nog bemiooen.
'Vaarvao de - Yan een wcrk a01angt
Lte{cle tot ons :elvcn : hoe zij verbiedt 798, mag en moet men - hopen in den
zich zelvcn te doodeo te kwetsen of te dienst van God 323, wclkeu ·_ 173,
binderen OOG, plicbten ten opzichte der waarom 302, hoe Christus van dicn - door de lien geboden voorgehoudcn gcspl·oken hectl. 303, hoc hij eP.nc reden
713.
kan wezen van ons hcrouw 264·, 2G5,
Gods lfe{de jegens den mensch : wie hoe hij dan moct nanschouwd worden
in zijne- ziju en waarom 288, wie l'r 266, hoe het gedcnken ann dien - een
buiten zijn 299, wat men verstant door middcl kan zijn tegen de onkuischheid
te sterven in Gods - 288, hoe dcze - 617,reden van eenen bijzondcrcn- voor
· het Ieven is onzer ziel 1209, l10e God martelaars, leeraars en mnagdcn 1343,
zijne - getoond heetl. 428, en hoe Hij ze ::te ook nog het woord heme!.
meest getoond heetl. 141,_ welke zonden
Loon der goedc wcrken 1285, ::tc dit
nemeu Gods - weg 1208, eo welke niet woord.

�ALPHADETISCHE TAFEL.

14i3

Loon der wcrken van bermbertlgheid 6ai, hoe men zondigt met hem dien 1300, 1316.
te Wlligereu 601, waarom 662, 1251.
Recht van den werkman tot zijnen-

lll.
Maagdom.

Maria.

·waarom bet een bijzonderen loon in
Hoc z~i Jczus' Moeder 130, 358, Gods
den heme! zal bcltomen 13H.
llroeder is 130, 300, waarom zij gcnoemd
Maagschap.
is de H. ~laagtl 351, 361, vol van gratie
\Vat men door - verstaat I 139, hoe- 355, onze llloedcr 364, hoe zij almachtig
velerlei bet •- is 1139, welk - bet genocmd is 36·1, eerelitels van - 363,
lluwelijk verbicdt en ongeldig maakt plants die zij onder de Hei\igen en Enge1140, IJ.J3 en waarom !HI.
len beklcedt 507, wat deze woorden
Geestclijlt -, wat men &lt;lnardoor ver- betcekencn : - vol van u•·atte, 355, van
staat ll·l5, reden van dezen naam 1146, welke grati~ er bier spraak is 356, hoe
tusschcn wie het - bestaat 11-15, van - meer gratie bezlt dan eenig ander
waar hct beletscl van - voortkomt en schepsel 355 en onder welke betrekkinwanrop bet steun~ ll40.
gcn heeft zij meer grntie ontvangen 350,
Macht.
hoe "zij de ontvnngene gratie vermeerZinnebeeld van de- 20D, we\ke rang- derd heen 357; wat God meer voororden van - doot· Christus ingesteld gedaan heen dan voor andere menschen
zijn 1419.
358, wnarom zij meer gebenedijd is dan
~ der Apostelen 212, 259.
aile andere vrouwen 300.
- det· bisschoppen 213,215, oorsprong
Wanr- nu is 367, hemelvaart van-,
dezer - 255, hoe zij van die der Aposte· ::ie hemelvaart, plants die - in den
len verschilt 212.
heme\ bezit en reden dezer plants 359,
- der Pausen 208, 211, 215.
309, eer die wij aan - schuldig ziju 360,
- der pnstoot·s en priesters 214, 215, waarin 362, 3il en hoe 362- ons helpt,
oorsprong dezer -255.
wat men verstaat door hare verdiensten
-in cle II. Kerlt : hare wetgevende - 3i2, kracht van hare gebeden 373, 387,
720, aan wie zij toebehoort 120, !mar bidt zij dikwij\s voor ons 3i3.
oorsprong 720, onufbankelijkheid 721,
B~elden van - in de kerkeu 310.
onfaa\baarheid 723, noodzake\ijkheid Ma.rteldood.
dezer - 722, rangorde &lt;let• - in de
Waarom zij geen Sacrament is 89G,
H. Kerk 215, van wic de overheden der hoe 2G2, 893 en voor wie 262, 894, 895 en
H. Kerk hunne - bezitten 593, hunne op welke w~jze zij bet noopsel vervangl,
- over de allaten 2·19, over de beloflen hoe wij dit weten 895, hoc zij genoemd
556, nan wie deze- toebehoort 556, ann is in dit geval 893, kunnen wij door de
wie de - van den ban uit te spreken - de heiligmake11de gratie bekomen
toekomt 257, oorsprong dezer - 258, 831, welke pijnen door de - vergeven
- van biechL te hooren 70i, :;te juris- worden 890, waarom 891.
dictie.
Waarom de martelaars een bijzon·
\Vie de - heeft iemand te hinderen, deren loon zullen bekomen in den
te kwctsen, te dooden GOS.
heme! 13·13, hoe de waarheid der

�1474

ALPHADETISCHE TAFEL.

H. Kerk bevestigd is door de martel· strijden 1180, hoe God den mensch kon
do!&gt;d 1409.
herstellen na zijnen val 833, hoe de Matigheid.
Gods geboden kende 4H, hoe nile rnen·wanrin zij bestnat 402, 403, wat men schen nit den- voorlltomen 10i.
door de - vcrstant als m~n ze nls bij- Mensch wording (van Christus).
'Vnarin dit myslerie bestnnt 30, J.l2,
zondere deugd aanschouwt 404, bijzonderste deugdcn ·107 en gaven van den verheveuheid ,.a·n dit mysterie 31, hoe
H. Geest die tot de - behooren 407, het beteekend is door het kruisleeTruchtcn van de- 711, welk gebod ons ken 32, red en dezer bcteeltenis 33.
de- \"Oorhoudt ill.
Noodznkelijltheid der - 134, 833, en
M!lditatie.
reden der - 332, 833, ann wie zij eigen
Wnt de- is 314, hnnr nut 314.
is 135, weldnnd dcr - HI, hoe zij de
Meening.
menschelijkc nntuur vet·e~clt 131, hoe
·Welke- in het bedieuen der Sacra- de - gcschied is 135, 3GJ., opwerping
men len \'ereischt is 8GO, reden hiervnn 359, verschillusschon Clu·istus' gehoorte
861, hoednnig zij moet zijn 860, is een en de gehoorte der andere menschen
Sacrament geldig zouder deze- 861.
13i, wanneer Chrislus gcboren is 137,
Meineed. ·
wanneer de H. Kerk het myslerie der
'Vat men danrdoor verstnnt 551, - viert 13G, en wanueer zijne geboorte
137, hoe het H. Sacrament ecne voorlzwaarte dezer zonde 551.
Mensch.
zetting van de - is 9:'{&gt;.
• Wat de- is 11, verschil tusschen den Messias.
Beteekenis van het woor(l12i, wnarom
-en nl de andere schepselen 12, zijn
oorsprong 12, gedachten die uit het God de Zoon- genoemd is 121, hoe het
overwegen van dezen oorsprong moe ten blijkt dat Christus de - is HO, hoe de
voortsprnitcn 124, deelen mn den - 12, - kcnbnar is getuaakt geweest ann
zijn levenstijd 13, zijn einde, ::te het Jonnnes -Baptista 192.
woprd, zijne nitet·sten 1320, ::te het Meter.
woord, zijn oordeel, ::tc het woord, welke
Ztc Peter.
- zullen verrijzen 2i8, plichten van den Mirakel.
- jegens God 13, 96, 107, hoe hij den
Wnt cen - is -lOS, wnt er tot een wil vnn God moet volbt·engcn 330, hoe vet·eischt is 235, 1381, hoe zij verschillen
wij dit vragen in het Vade&gt;· ons 320, mn de wonderwerken der En:;elen, der
hoe men Gods hestann bewijst door de dui\'elen 413, 1383, en der tooverkunst.
getuigenis der - 1313, opwerpingen ·105, wnarom de werken der Engelen
tegen dit bewijs 13i5.
geene - zijn ·1388, hoc zij een teeken
Ec&gt;·ste mensch. Zijne schepping : zijn van wnarheid 237, 1382, opwet·ping
wnarvan hij gemankt is 1J.J, 117, in wei- 1382, waarom de - uiet strijden met
ken ataat hij geschapen is geweest 115, Gods volmanktheid 1386, noch met de
329, buitcn- en bovennatuurlijke gnven standvastigheid der untuurwetten 1386·
hem verlcend .115, 803, 832, 1185, op
Hoe wij met zekerheid een - kunncn
welke voorwnarde hij die gnvim ontvnn- kennen ·109, 1383, kunnen dit nile mengen heeft 116, 832, 1179, gebod min den schen 1385, opwerping 411.
eersten mensch gegeven JIG, reden van
Zijn er- in de U. Kerk 238 en in de
ditgebod: J.l7, val van den- en danruit sekten 238, wie de gave van - te doen
vloeiende gevolgen 117, 833, hoe zij tegen vergunt 197.
Gods rechh·eerdigheid of wijshei(l niet
Bijzonderste - van Christus ; , de·

�ALPHABETISCHE TAFEL.

1475

- die bij zijne dood geschied zijn ontvangen onder de
de geloovigen
151.
978, ::te ook nutting.
Verdeeling der- ten voordeele zijner
Ceremonmn der -, ::te ceremonie,
leering gedaan 140·1.
gewaad voor het celebreeren val1 de
Mis.
- 1031, wat het beteekent 1032, wnnrom
Beleekenis van het woord 990.
de nnam van misdagen gegeven word t
'Vat de- is 990, welk een Sncri(Jcie de aan de {eestclaoen' 137.
- is en welk zijn karakter 1020, bett·ek-IWO&gt;'C/1: wnt men dttardoor \'erstaat
king tusschen de - en de Stlcramenten 736,hoe men du- moet hoot·en om aan het
1021, I'Crgelijking tusschen de -en de gebod der H. Ket•lt te I'Oldoen 737, 738,
Sacritlcit!n van het kruis 739, 99i, 1001, wat is - hooren met goede manieren
1020, en van de Oude Wet 996, beta- 738, wat men doen moet om de- te hoot·en op eene volmaakle wijze 742, 1022.
meli,ikheid van,het beslaan der II. in de Nieuwe 'Vet 997, wat er in de_:_
Wat men moet doen gedurcnde de
opgcdragen wor&lt;lt 1020, boe Christus bijzon&lt;lerste deelen der - Hl'25, waarop
geslachtotferd wordl in de - 99·1, hare men gedurende de- moet denken 741.
bijzonuersle dee len 999, noodzakelijkWanneer men verplicht is- te booren
heid dezet· dee len 1000, wat men verstaat 575, 735, i-19, waarom 576, nut van
door een gewichlig dee! 7·16, uitwerksels dikwijls- te hooren 1025, zijn wij vervan de - le ouzen opzichle 1012, IOJ.l, plichl eene geheele - te ho01·en 7H,
ten opzichle van atjderc menscheu en waarom 744, welke deeleu wi,i niet
van tic zielen des vngevuurs IOJ.I, ten mogen achlerlalen 7~5, wal men moet
opzichle van God 1015, bewijs van dit doen als men gedurendc zulk cen dee!
antwoortl 1015, hoe en waarom de zie- afwezig geweesl is 7·16, is het genoeg
len van 't vagevuur geholpen worden . twee deelen van l\~ee l'erschillige- te
door de- 297, 1015, leering van 't Con- hooren 7H, wat er le oordeelen is van
cilie van 'frenle nopens dil punt 1015.
degenen die te laat komen in de- 747,
'Vic de vruchlen mn iedere - out- wat men behoot·t tc doen als men devangt 1016, hoe zij gegeven worden 1018, niet kan bijwonen 750, 102G, wanr men
nit wclkcn hooftle zij voorlkomen 1017, de - moet hooren G·l9.
Hoe men zondigt met het verzuimen
en hoe zij ons door anderen toegepasl
van de- 575, 577, of van een gewichtig
knnncn worden 1026.
Wie de I''" de - gednan heeft, wan- dee! der- 7·15 op de feesldngen.
neer en hoc 1002, wie ze na Cht·isms Maeder.
opgedt·agen hebben 100·1, hoeveel otfeZte ouders.
ranrs et• zijn in de - 1009, 1021, verschil Mysterie.
tusschen deze otferaars 1000, wie nog
Wat cen- is 30, ~7, 1379, voorbeelden
otferaars mogen genoemd worden in 67, reden van het bestaan der- Gi, 1879,
eenen oneigenlijken zin 1010, aan wie moet men de - gelooven 6S, is hel niet
de- opgedrngen wordt 99·1, hoe men onredclijk 1397, d\\'nasbeid van de - te
nochlanszegtdntde-opgedragen wordt verwerpen 6S, hoe God ons de - ken·
ter cere van ll!nria en van lleiligen 1028, banr knn maken, zondct• ze ons len
nut van de - le doen opdragen 1026, volle le doen verstnan 13SO, waar wij
ze zullen verstann 68.
1017,244.
Hoe Christus in de - ons tegenwoor- der H. Dr~i,•uldigheid, Mcnschwordig gestel&lt;l wordt 995, onder welke ge- . ding, enz., ~le die woorden.
Do vijftien- van den Rozenkrans 379.
daante de priesters Christus moeten

�l4i6

ALPHADETISCHE TAFEL.

N.
Naaste.

Menschelijlw-: hoe de -door ChrisWie ooze
is 438, waarom 440, Ius' menschwording veredeld is gereden van dezen naam 441.
weest 131, welk dubbel Ieven knn men
Liefde tot onzen ....:, ::te Liefde en be- in de - onderscheiden !1!15, wat men
minnen.
verstaat door natuurlijk en bovennnOoze (llichten jegcns onzen - 705, tuurlijk Ieven 83!1, 840, wat er vereischt
welke gebodcn onsdie plichten ''oorhou- is tot bet natuurlijk en geestelijk Ieven
den 44!1, 578, 705, water vereischt is om 856, wat men verstaat door bo,·ennavolmaaktelijk met den - te handelen tuurlijke gaven en deugden, :;ie deze
1291, wanneet• wij onzen - moeten bij- woorden, waarom God ~ieze gavcn niet
staau 1302, op welke wijze 1303, waarom eigen gemaakt heeft ann "de - 835.
wij hem moeten bijstaan in 't bewaren
"'anroro wij door ouze '7"' de vrienden
zijner goederen 712, wat wij voor den ''an God uiet kunnen wezen 458, noch
zijne geboden onderhouden, gelijk de
- kunnen verdienen 1288, 1294.
Welk gebod verbiedt ons den - znligheid bet vercischt 797, noch verte ·beschadigen, ::te beschadigeo, welke dienen dat God ons tot zijne kinderen
zaken strijden grootelijks tegcn de wei- aanneme 800.
vaart van den - 1214, welke zonde
- (orde in de we1'eld), zijn de natuur1eidt ons onmiddellijk tot de ..-erschillige wetten veranderli,ik 1374, 1384, is de
zonden tegen den - 122·1, waarom het standvnstigheid dezer nntuurwctten
verboden is zich te behagen in bet on· geene opwerping tegen de mogelijliheid
gcluk van den - 620.
der mirakelen 1386.

Naijver.
Waarin de - bestnat 1226.

Natuur.
Wat men door - ..-erstaat 97, 949,
verschil tusschen de menschelijke en
goddelijke -98, hoe deze beida in ChrisIus vereenigd ziJn 129, 141.
Goddelijlte - 95, de eenheid der goddelijke - 98, is de goddelijke - nlet
veranderd door Cbristus' menschwording !GO, hoe de Heiligen in de godde1ijke - zien wat wij doen om ze te vereeren 505, hoe wij Gods - deelachlig
worden 811.
Ch•·tsttts' natw·en,hoeveel- Christus
heeft 129, 1•11, sedert wanneer heeft
Christus twee - 130, volgens welke Christus nedergedaald is·ler hel 159, wat
de dood in Christus'- teweeg gebracht
heeft 150, volmaaktheid zijner menschelijke - 130, boa zij in de :Mls geslacbtotrerd wordt 994.

Nijd.
Wat de - is Gl!l, 1225, verschil tusschen den - de veronlweercliging- en
dennaijver 1226, tegen welk gcbod deze
zonde strijdl GIG, waarom G20, wunrom
hij eene hoofdzonde is 1232, tot welke
zonden hij ons brengt 1226, wanneer
hij doodzonde is G20, wam1ce•· cene
zonde leg en den. H. Geest, en wanneer
niet 1244, ui twerksels dczer zoude G50,
hoe wij den - moetcn vermijdcn G50.

Nood.
\Vat men door - verstant als men
spreekl van zweercn uit - 5·13, van beL
we1·kcn uit - op de geboden heiligdagen 5i2, en van bet doopeu in den
- 898, wie in den -mag doopen SQS,
Wnl men vcrstaat door uitersten -en
grooteu- 1302, en wa t door gewonen130·1, hoe moeteu wij den naasto bijstann
als hij zi&lt;:h in - bevindt 1299, 1302,
1303, 130·1.

�ALPIIADETISCHE TAFEL.

147i

Noodzakelijkheid.

gebod van - te zijn, om te communiWat men verstaat door- des gebods ceeren 782, reden van dit gebod 78S,
en des middels 62.
7SG, wie van dit gebod onlslngen is 782.
- des mtddels : punlen die wij uit Nutting.
- des middels moelen kennen 62, t•eden
Waarin zij bestnat 999, hare beteeke·
daarvau G3, - des middels van het nis 1002, 1021, door wie de - moet
Doopsel 930, waarom het Vormsel op geschieden in de 1\lis 990, 1003, uitzondezelfde wijze niet noodzakelijk is 930, deringen ann den regel 1000, noodzake1131, wanrom wij het zekerste moeten lijkheid der - in de Mis 1000, waarom
verkiezen in de zaken die wanrschijnlijk zij vereischt is in de lllis en niet \'eruit- des middels vereischt zijn 1173.
eischt was in het Sact•ificie des !Cruises
- cles gebocls : ::te de verschiliige ge- 102p, wnt men moet doen ondet· de- 743,
boden van Golen van de H. Kerk.
vo1doet men nan het gebod van Mis te
Nuchter. .
hooren n1s men·afwezig is gedurende de
Wat is - zijn 781, oorsprong van bet - 746.

o.
waarom zij een be1etse1 is voor de
Wnl hel - is &gt;'093, waarom hel een Sacrnmenten 871, we1ke uitwerkse1s
Sact·amenl der le\"cndengenoemd is SGG, be1el zij 870.
instelling van het -, hoe wij deze ken- Ondertrouw.
Wat de - is 1137; wat zij '!eweeg
nen 109G, waartoe bel dient 857, nitwerksels van het - 1095, 1100, nos, brengt 1137.
heeft dil Sacrament altijd a11lie nilwet•k· Onfaalbaarheid.
Gocls - : waarin zij bestnat 59.
sels 1110, t·eden dezer uitwerkse1s 1107,
- des Gcloo{s : opwerping tegeu deze
1110, 1111, hoe dikwijls mag men hetonlmngen S7G, 1102, waarom 1103, is -G9.
- de•· H. Ke!"lt 59, reden dezer- 71,
men ''crplicht bet - le ontvangen 1104,
voot·wam·den tot bet ontvangen \'an dit 1·122, bewijs dezer- 59, i2, 1421, hoe de
Sacrament 1098, waarom de stant van - der H. l{erlt eeo bewijs is \"an de
gralie vereischt is SG·I, na het op eene eenheid des Ge1oofs 52.
- van den Part.S : wanri n 239, hoe 240,
heiligschendende wijze ontvangen te
hebben, mag men bel nog eens ontvan- wanneer 59, 211, 240, hij onflllllbaar
gen gedurendo deze1ftle ziekte 1103, is, bewijs dezer - 1-122, wanneer de voorwaarde om bet - met vt•ucht te van den Paus verklaard is gewcest
onlvangen 1101, 11!7, onreue1ijke vrees 211.
van bel - te ontvangen 112G, wnarom Ongelijk.
Beteekenis van dit woo1•d Gi3,- waarintegendce1 men moet begeet·en dit
Sacl'llmcnt te ontvaligen 112G, !&gt;Iicht der van het ;de, 'S•t• en 10•1• gebod spt-eken
zickenoppassers no(&gt;cns het bezorgen GSS, 656, 6i5, wat men verstaat door van het- 1127 voordeel van l~et- bij vergeven 1315, weik - moet men vergeven 1315, hoe men danrloe verplicht •
eene haaslige dood 1112.
is 1316, welk - moet men aan zijne
Onbekwaamheid. ·
Wat men verstnat door de - die de vijanden verge,·en 622, hoe wij nile ult"•erksels der Sact•amenten belet 870, aan ooze vijaodeo moeten vergeven G23.

Oliesel. (H).

�14i8

ALPHABETISCHE TAFEL.

Ongeloof.

Oordeel.

Wat het- is 1321, nan wie het- too·
komt 132·1, alwetendheid van Chri~tus
in het - 183, ISO, zwarighei&lt;l mn het
- 1327, nut van het overdenken des
- ISG, !322, hoe het een middel is om
geene zouden te 1·erzwijgen in de
Biecbt 1080, hoe1·elerlei bet- is 1321.
Jlet aluemeen o( lacttstc - : wie
Onkuischheid.
Wat men daardoor verstaat 029, Christus zal oordeelen in het - ISO, en
wanrom zij z66 en ook nog onzuiverheid wan rover lSI, 1328, wat men vet·staat
geuoemd wordt G31, tcgen welk ge~od door de levenden die H\i znl oordeelcn ·
deze zonde strijdt G28, 711, vet·schil 183, hoe Cht·istus danr z~l komen lo9,
tusschen het denkcu op deze zondeu en waarpm Hij zijne wonden zal toonen in
op de andere zouden 637, wat men bet- loO, 1·onnis van Christus in het
verst nat door ~n,·olmankte of onvoltrok- - 184, reuen van hct - ISO, plants 185
kene zondeu van- 031, welke - dood· en &lt;lag 176 van ht't -, w"arom deze dag
zonde is co welke oiet 033, waarom de onbckcnd is 177, teekenen die het zullen voorkomen 178., kennis van
- eeuo hoofdzondc is 1232, welke eeoe wraakroepende zonde is 1250, hoe nile menschen in het 183, 186,
men knu weten of iets ecoe zon&lt;lo van gesteltenis &lt;ier nnrd.,_ ua het - 13·10.
- is 032, oeigiug· tot de - 038, uitHet bl}"ollde&gt;' -:hoe het geschicden
ll'erksels dezerzonde 045, middels tegen zal 182, verschil met het laatste - 182.
de- 6·12, hoe het vasten eeu middel is
\Vnt men verstant door lichtveerdigtegen de - 762, hoe wij ons van de - ass, hoc bet tc onderscheiden is vnn het
moeten houden en waarom 052, wijze kwnad vermoerlen 6SS, waarom het
van deze.zonde tc bicchten 6.J7.
zonde is ·688, wnnn&lt;'Cr het geene zonde
Ann welkc zonde men zich plichtig is G90, wnnneet· gcschicdt deza zonde
maakt met den wil te hebllen van - ass, tegcn welk gcllod oso, re&lt;ien daarte doeo 634, tegen wei k gebod dezc van 689, regel te houd,•n over lie zwn:u·te
zonde geschiedt634, zwaat·lo dezcr zonde van ltet lichtveerdig - ODO. hoe de
035.
H. Scht•ift deze zonde nanziet ;oa.
Onmatigheid.
Wie met goed - zweerl542, hoe men
\Vaarom deze zondc ook afgoderij zondigt met te zwe~1·en zonder goed
genoemd wordt 408.
-544.
Zfe gulzigheid.
Oorlog.

Waarin bet- gelegen is •190, hoe het
knn geschicdcn 491, de uitwendige tee. kenen vnn - -191, oorznak vnn het 1436, tegen wclk gt&gt;bod het- strijdt en
wanrom 405, wan neer het eene zonde is
tegen den H. Geest en lvnnron\12·13, en
wanneer niet 12·13.

Onrechtveerdigheid.
\Vat men door - verstnat 058, welke
- verboden is door het ide en !Ode gebod G50, middel om de- te vluchten 701,
wat men verstaat door do.- \'crduldig
lijden 1310.

Is hij geoorlonfd GOS, wat· er ann de
solduten geoorloof&lt;l is in den - G07, wat
zij moeten docn in den twijfel of derechtveerdig zij of niet 608.

Ootmoedigheid.

Tot welke hoofddcugd de - uehoot•t
408, red en om deze deugd nan tc winnen
Wnarin zij bestaat 690, tegen wellt 1292, lioe Jczus een voorbeeld. is van
gebod zij geschiedt 690, zwaarte dezer -1203.
zonde 691, hoe de H. Schrin van deze Orden.
zonde spreekt 703.
\Vat men vet·stnut door de laget·e en

Oorblazerij.

�ALPHADETISCHE TAFEl •.

1479

groote- II 16, waarin 1.ij bestaan II 10, rangorde van bet bestier der H. ICerk
waarom zij zoo genoemd zijn 1131.
ingesteld is, deel van Christus in bet
Ostiariaat.
bestier der H. Kerk 210.
Wuarin bet bestaat 1110.
De ot·e•·lleden lle•· II. Ii:e•·J' :van wie de
Ouders.
overheidsambten ingesleld zijn 215,welke
\Vat men door de- verstaat 570, hoe in 't algemeen de verschilli~re overheden
onze - Go &lt;Is pl~ats vervangen 581, 503, zijn in de rangorde der bPstier·macht in
hoe wij onze- moeten aanzien 595, 507, de H. Kerk 215, \·erschil tusschen deze
onze plichten jegens onze - tin 't alge· overheden 49, hum1e mncht, :;te mncht,
meen) 581, in 't b~jzonder, :;te de ver- oorsprong hunner macht 593, macht der
schillige woorden, reden dczer plichten H. J{erk O\'er de toelating van bet Jezen
595, belofte door God gedaan voor bet der H. Schriftuur 83, over de belofien
kwijten dezer ~lichten 588, hoogachting 556, en over de aflaten 249, eerbied voor
dezer belofte. 580, hoe zij \'Oibracht de - der H. Kerk 210, hoe zij de
wordt 590, moeten wij al de geboden ceremoni~n van de l\lis veranderd
onzer - volbr·engen 58·1, 586.
hebben 1000.
Plichlen der- jegens hunne kinderen
Bw·ne•·lfjlle - : zij heeft geene macht
500, o01·sprong dezer• plichten 000, hoe in het bestier der H. Kerk 215, hare
zij hum1e kinderen moeten onderwijzen macht van iemand te dooden, te bin dein het Geloof en wie dit moet doen als ren of te kwetsen 009 of te beschndigen
zij daartoe te l'or~ blijven 915, plicht 058.
van hunne kinders te bereiden tot de Overlevering.
)ate Corumunie 790, 704, hoe zij zich
Zin van dit woord 88, :;te aposlegemnkkelijk van hunne plichten kunnen Jijke traditi~n.
kwijten 001, wnt zij ruoeten doen om Overs pel.
deugdzamc ldnderente hell ben 1155, hoo
Hoe men deze zonde bedrijft 628, t~­
zi.i zich plichtig lmnnen mnken ann gen welk gebod zij slrijdt 028, Nl
vt·eemde zouden 1199, 1201, 1202, waarom waarom die zonde aileen genoemcl.
de- gehouden zijn hunne Jtinderen te wordt in het 6d• gebod 709.
berispcn 1312.
Overste.

Oudvaders.

\Vat men door- verstaat 579, en wat
\Vat men door· - verstaat 103, voor- door geestelijke en wereldlijke 579, hoe
geb01·chte der- enz., :;tc voorgehorchte. zij Gods plant; vervnngen 581, 593, 726,
hoe zij genoemd zijn in het 4do gebod
Overdaad.
\Vat men verslaat doot· zich te ont- 580, hoe wij onze- moeten aanzien 595,
houden van - 0~2, waar·om men zich 597, welke in 't algemeen onze plichten
van aile- moct onthouden 6~2, uitwerk- zijn jegens onze - 705, in 't bijwnder
:;/e de verschillige woorden, waarom
sel vnn de - 6·12, :;te gulzigheid.
men hunnegebodenmoet vo\brengen 726
Overheid.
-del' 11. J(c&gt;·IL : wio het onzienlijk wnnneet· men hum1e geboden niet moet
205 en wie bel zienlijk hoofd is der vo1brengeu 584, 580, moeten wij ook nan
H. Kerk 208, hoe en wnarom Chrislus de - der H. Kerk gehoorzamen 255,
hetonzienlijk hoofd is der H. Kerk, 200, welke deze zijn 7Hl, :;te ook nog overheid.
hoe wij dit weten 224.
Plichten der - 001, hoe zij zich van
J-Iet zienlijk hoofd der H. l{erk, :;tc
Pnus.
hunne plichteu moeten kwijten 599, en
Ynn wie 1419 on wnnneer 1-120 de hoe zij dat gemakke\ijk kunnen doen

�1480

ALPHABETISCHE TAFEL.

601, plichten die zij hcbben .iegens berispen 1312, hoe zij zich plichtig ku~­
humJe ondcrdnnen die God lnsteren 558, nen mnken ann vrecmde. zonden 1198,
wnut·om zij hunne onderdnnen moetcn 1199, 1201, 1202.

P.·
Palmen (gewijde).

het aileen is 1427, verschil tusschcn den
- en de andere overheden ·10, hocveel
- er zijn in de H. I{crk 227, ~28, ~29,
wanrom de tegenpausen uiets hewiJzcn
tegen de eenheid der H. Km·l' 1-128,
Paschen.
ambt van den- 20&amp;, 208,, z~ine m:tcht
'Val men op- viert!GG, plants van- 208, 211, oorsprong dezet; macht 720,
onder de feestdagen JGG, hoe lang duurt 1420, het Pnusdom moet lot het einde
de Paaschlijd i7G, waartoe men gedu- der eeuwen duren 210, 142·1.
reude dien tijd &gt;"et•plicht is 77&amp;, wuarom
Verschil tusschen Cht•istus" macht en
men daartoe ,·erplicht is op dien tijd de macht van den- 208, macht van den
777, de groote vasten geplnatsl ·v66r - - ove1· de allaten 249, om wetten te geHoc bet Panschlam in de Oude Wet ven 720, om iemand in den ban te slaan
Christus' dood vct·beeldde 1033.
257, onfnalbaurheid Vf.ln c!en -, ;;ie dit
woord.
Pastoor.
'Vat een - is 213, hoe zij opvolgers
'Vie de 1••• - is geweest, door wie en
zijn der 72 discipelen 214, macht der-. hoe hij werd aangesteld 208, 1·119, hoe
214, oorsprong dezcr macbt 255, wnt de men degenen noemt die onder de ge- moet doen eer dat hij de kinderen hoorznamheid van den - niet willen
a:am·cel"dt tot de Jsto Communie 790,wat stnan 25·1.
men verstnnt door onzen eigen- 7GG, Penitentie.
moet men gehoorzamen aan zijnenHet Sacrament der -, ;;te Biecht,255, zijne tegenwoordigheid in bet of voldoening, ;;tc voldoening.
Huwelijk 1148.
Persoon.

Wat - zijn 483, tot wclke klas van
geestelijke znken zij behooreu &amp;70,
wanuccr hunne wijding gcschiedt 483,
kracht der- 483.

Paternoster.
Wnt men verstaat door - 380, oorsprong van dezen naam 380, kracht der
gewijde - 383, waarom het getal der
bollekens niet mag veranderd worden
in de gewijde -3SG, ;;tcook Rozenkrans,
eit ge/Jcd des llcc1"cit.

'Vat men door eenen - verstaat n,
de drij goddelijke -, ;;te Drij,·utdi;:hcid,
hoevecl - er zijn in Jezus Christ us 130,
wat men verstaat door Godgewijde- !;3G.

Peter (en meter).

Beteekenis dezer wool·den91-t,in well:e
Sacramenten zij gebruil:t wor&lt;lcn en
Paus.
waarom Dj4, hunne plicht 91·1, reden
Beteekenls van dit woord 206, van daarn111 915, wannee1· zij dezen plicht
- van Rome 20&amp; en van spl"ei!Cil ex Ca· moeten volbt·cngen 924.
thedra 50, 230, wat de -is 207, waarom Petrus (H.).
hij genoemd Is Stadhouder van Christus
Hoc Christus den-nis Paus heeft aan20&amp;, 208, bet zienlijk hoofd der 11. Kerk gesteld 208, 1-119, hoe de Apostelen daar%08, de wettige navolger van Petrus 210, van overtuigd wnren 209, hoe - zijne
hoe men bewijst dat hij de wetlige oppermacht getoond heeft 210, welkc
navolger van Petrus is 210, en dat llij was zijn'3 macht 209, wic zijne opvol-

�ALPUADETISCHE TAFEL.

1481

gers zijn 20S, 211, hoe men bewijst Plagen.
dat de ware opvolgers vnu - aileen in
Welke de- zijn die het oordcel zullen voorafgaan 178.
de H. Kea•k te vinden zijn H27.

Pijnen.
\Vat men ventnnt door tijdelijke

Priester.

Beteekenis van het wooa·d 1035, 1119,
247, wnnrom zij schulden 343, en zoo- ""at men door eenen- verstnat 213,hoe
den 293 genoemd zijn, wnt men vea·stnnt zij de opvolgers zijn der 72 discipelen
door do- van het vngevuur 291, zwnnrte 213, verhevenhcid van het pa·iestea·lijk
dezer - 292, 1193, 1.ij zijn niet eeuwig ambt 1128, wio - wm·en in de Oude
295, wcllle de - dea• hel zijn 133, 162, Wet en v66a· do Oude Wet 1120, macht
1329, hun nunm 1336, wnnrom zij ccnwigo van den- in 't nlgemeen 21-1, door wien
dood g.mocmd zijn 13·1, wnnrom zij en wnnneer is de pricsterlijke mncht in
ceuwig zijn 1334, hoc de pijn van schnde de H. Kea·k ingestcl&lt;l geweest 1·119,
die van ge\"Oel ~vcrta·eO. 1336, hoe &lt;le mncht die hij meea· heeO. dan de nm\ere
- eene a·eden z(in \"oor het berouw over dienaars der H.Kea·k 1120, vcrhcvenheid
de zondcn i!G-1, 265, hcrouw dnt nllcen- dezer mncht 1129, het hoo~epriesterdooi
lijk nit do \'l"oos der - voortkomt or bisschopschnp 1121, hoe men bcwUst
27·1, 2iG, mag het \"Oimnnkt berouw dnt cle - aileen du mncht hebben om de
geenszins op zulk eeoc vrecs a·usten zondeu te vca·geven lOGS.
275.
Ambt cles - : hij is de bediennnr vnn
Tot welke - de dagelijksche zouden het Doopsel89S, van het H. Oliesel 109·1.
verbinden 1188, 119:!, waarin dczc beHij is Christus' !liennnr in hel offeren
stnan 1192, grootheid dezer - 1193, tot der !'IIis 1009, 973, wnarom 1010.
welko - de doodzonde ons brengt en
Welke - mogen gcldig de nbsolulic
wanrin zij beslnnn 1219.
gcvcn 1039 en (\iensvolgens ann weiYerocvtuy &lt;lc•· - : welke - wor&lt;len ken -mng men bicchten 7GG, :;te ookjudoor de absolutle iu de Biecht ,·ergcven risdictie, wnnneer cen - het Vormsel
1075, wnnrom 1075, worden d:\:\r nile - mng bcc\icncn 92G.
vergcven 1075, wnnrom niet 1076, beOnder welko gednnnte moct de wijs dnnrvun 1076, wat er to doen stnnt communicecren in de )lis en wnnrom
om geheel verlost to zijn van clio - 978, vruchten van de lllis \'Oor den 1077, wellte - \\'Orden \'ergevcn door de 1017, vruchten van clo Mis die wij vea·voldoening in de Biccht 1073, hoe zij krijgen door het geb~(\ van den - 1026.
dum· \'crgcven worden 1073, wclke - Priesterschap.
worden d'lor bet H. Oliesel vergcvcn en
'Vat het - is 1112, wnnrom het
'1\"\\IU"Oill 1112, wellle door hct Doopsel m·de gcnoemd is 1131 en con Sacrament
009, wnnrom Cha·istus dit gcwilu heeft dcr levendun SGG, inslelling \'an bet 010, welke- door de H. l\lis 1013, en 1115, wnt er nnn hct - eigen is 87-1, zijn
welke door de marteldood 896 vergeven merkteeken 87·1, 1113, zijne andca·e uitwoa·den, welke- worden vergeven do01• werksels 1i 13, wnnrtoe bet - dient 857,
de goode werken 1280, door de nfinten rnngorde der pa·iesterlijke macht door
247, en hoe men voldoet voor de -"door bet- gegeven 215Hoeveel mnal men het ...:... mng onthet vasten 764. ·
Clu•tatus'- : hoe deze nl de - dea· vangen 873, wnarom 873, 875, vcrcischte
menschen overtreffen H5, ":llnrom \"Oorwnnrden om hot - te ontvo.ngen
Christus. deze heeO. willen lijden 1122,door wie deze \"ea·elscht zijn 113·1 en
wnarom zij mogen vereischt worden 1125.
153.

�1482

AT,PJIABETISCHE TAI&lt;'ET..

Process en.

gen 571, wnnrom 572, hoe er bedrog kau
'Vat men danrdoor verstaat 571, geschieden in - 662, tegen welk gebod
waarom zij op feestdagen ,·erboden zijn geschiedt deze zonde 659 en .waarom
571, wanneer zij toegelaten zijn op die da- 662.

Q.
bunne instelling ;~.9, van \vie zij ingeBeteekenis van bet woord 759, wnt steld zijn 759, wuartoe men op de men dnnrdoor verstaat 759, reden van gehouden is enz., ::te Vasten.

Quatertemperdag.

R.

•

Raad.

. Gods - blijkt door bet lnntste oordeel
Hoe men kan· zondigen met - te 186.
geven ·1198, wie bijzonderlijk op zulke
Bijzonderste zonden tegen de- 659,
eene wijze zondigt 1198.
waarom de - verbiedt iemand te beEvangellsclle ''aden: wat zij zijn 1269, scbndigen in zijne goederen 712, wanreden van dezeu naam 1269, verschil tus- neer de zonde van iemaud te beschadischende-,de 8 Zalighedenen devruch· gen doodelijk is 66~, hoe men tegen de
'ten van den H. Geest 1292, welke - er -knn zondigen met eenen kwaadspreker
bestaan 1269, wanneer Christus ze gege- niet te beletten 685, hoe bet overspel
ven beeft 1270, belofte der - 1272, 1273. tegen de - is 629, welke eed strijdt
Recht.

tegen de- 545, en wnarom moet de eed
Wnt men verstaat door strikt - 657, om goed te zijn met - geschiedon 546.
waarop hebben wij zulk- 657, wat verChrlstelfjhe : - wat men dnnt·door
stnnt men door iemand hinderen bin- verstnnt !1, !166, reden van dezen naam
Den of buiten bet - 675, hoe misdoet 1167, welke dingen behooren tot de
men tegen het S•'• gebo~ in bet - 677, - 1167, welke - wordt ons door de
waarom 677, wnarom bet zonde is 079, erfzondc benomen en waarin bestaat
zwanrte dezer zonde 679, wnt men moet deze- 1185.
doen om uiet te zondigen tegen het Red e.
801• gebod in bet - 678, hoe men tegen
Zte verstnnd.
het Sslc gebod misdoet buiten bet- 681. Reliquieen.
\Vat men door kanoniek of kerkelijk
Beteekenia van bet woord 519•
....: verstant 716.
\Vat- zijn 315, 519, hoe wij weten
Rechtveerdigheid.
dat - wezeDlijk echt zijn 519, weerde
Wnarin zij bestnnt 402, 403, wat men der- 520,hoo zijn de kerken doot• deverstnnt door de - als men ze als bij- meer bekwaam tot bet gebed dan andere
zondere deugd aauziet 404, welke deug- plaatsen 316, eer die wij de - schuldig
den 405 en gaven van den H. Geest zijn, ::te eet·.
behooren tot de - 831, hoevelerh!i de Restitutie.
'-is 405, wat verstaat men door honBeteekenis van bet woord 696.
ger eu dorst hebben naar.de- 1276 en
\Vat is - doen 696, wanneer en
vervolging lijden om de _ 1278, 'hoe
waarom men - moet doen G96, nan wio

�1483

ALPIIADETISCHE TAFEL •

697, •op welke wijze 697, op well,cn tijd 698, wnnn~er moel de - nnnslonds
geschie&lt;len u9S, voor welke zonden geldt
de- 701, zwanrte l'nn het gelJod van te docn 701, uit welke deugd &lt;lit gelJod
VOal'lkomt 701.

Rooverij.
'Vat is - GGO, tegcn welk gebad geschiedt de -- GGO, wanrom GG3, hoe de
medewcrkiug in - verlJoden is en op
welke wijze zij kan geschieden 060.

Rozenkrans.
'Vat men door den-verstaat379,1'eden
van dczen mum~43SO, geschiedenis zijner
instelling 389, uitmuntendheid van den

387, hoe de he1·haling van hetzelfde
gelled in den- nan God niet mishaagt
381, welke de mysteri~n zijn van den 379, waarom in den- Mn1·ia dikwijlder
aange1·aepen wordt dan God 386, hoe de
lleiligen den- gebruil((en 388.
Getnl del' bollekens van den - 385,
beteekeuis van dit getal 385, mag dit
getal veranderd worden 3~5, waartoe
die bollekens dienen 383, helJben zij
eenige kracht 382.
Gewijde -en hunne kracht 383, 1vaar·
om het getal der bollckens der gewijde.niet mag veranderd worden 385.

s.
Sabbatdag.

geweestlater herleven 871, gralii!n door
Deteckenis 1·an dit woord 501, zijne de - gegeven, ::tc gralie.
Yeraudering in den ;ondng, ::le zoudng,
Hoeveel keerenmeu de- magontvan·
hestand de - nior :Mazes' 'Vet 564, gen 872. en wan1·om 873, welke - moeteu
waat·om het ~d&lt; gebvd aileen den - ontvangen worden in stant van gratie
noemt i09.
en welke niet 864, vereischte.voorwanr·
Sacrament.
den tot bet ontvangen der -, ztc de ver·
Deteel&gt;enis van hct woord S-15.
schilligc -.
"'at een - is (in de Nieuwe 'Vet)
Jledieniny([c1'-: wie Cl' de bijzonder·
8·15, SS7, tot welke klas van zaken de ste bedienhar mn is SSI,dllal·uit vloeien- lJehoor&lt;'n 670, door wien en waarom de gevolgen voor de - SS\, hoe men
zij ingesteld zi,in 85·1, hun gelal 85~, lJewijst dat de bedienaar der- Christ us·
opuoemiug der ze\·cn - 855, waar01n plaatsvermnger is 973, wat e1· vereischt
Chl'i"tn" zeven - hecft willen instellt&gt;n is van w~g-e den bedienanr f)UO, SG2,
856, hoe wij weten Wt&gt;lke en hoeveel er waarom 683, nut der heilighcid in den
zijn B;Ji, W!l'~t)lijli.ing der- lllN die der bedienaar 863, wat h~j moet doen SGO,
Oude Wet ~S3, WIHU'Oill onze- niet be- waarom hij, in twijfel of ee·ne 2aak
slonden in de- Oude Wet ss:.,weldaad en \·ereischt is tot de geldigheid van een
wcerdc det· - s~o, 11~8, uitwerksels -bet zekerste moet verkiezen ll73,moet
der - 8·1''• R:iu, SGG, wam·uit v.ij voort- hij de k1·ncht dm· - kcnnen 861, wie
komen S-10, SG2, 863, hoe IVOI'den · dezo over de - valle jurisdictie heen in
uitwe•·kscls voo1· oo:;en gesleld 870. gnnsch de H. Ke1•k 211, en wie in een
welkc de lJeletselen zijn dezer uitwerk- lJisdom 213.
Waar bet echt gebruik der- te vin·
sels 863, oo•·spl'ong deze1• lJeletsels 871,
hn11110 vercleeling en reden deze1• \·er- den is 222, hoe wij dil we!en 224, wnt
deeling SG6, reden der namen die hun hierdoor bewezen wordt 222, H31.
gegeven worden 860, kan een - waa1• Sacrificie.
\Yat men doo1· een - in 't nlgemeen
de uitwerl,sels nict vnn bekomen zijn
~2

�1484

ALPIIABETISCHE TAFEl•.

verstnnt U90, en wnt door het - der ren 12, en Hem ondcrworpcn zijn ~3,
. nilluwc \Vcl2·12, het- dcr i\Iis, ;;ic Mis, wclke - onze nnnstc zijn ·139, hoc cen
,·erschil tusschen - en otrerande 991, mimkelle bovcn gnat aile krnchten der
beteekenis van het - U93, lOIS, waarin - 235, hoe aile - als geluige lntnuen
bet olfe1·en van een - beslnat 1008, wnt :;eroepen worden in den eed 538.
men in het- opdraa:;t 991, ann wie 992, Schismatiek.
enboe991, U94,plants diehet- bekleetlt
\Vat een - is 254, vereischle vooronder nile godsdienstoefenin:;en 576.
wmu·den .25G, wnarom hij :;een lid is
\\'elk bet weerdigste - is da~ beslaan der H. Kerk 256, well&lt;e geboden moeten
kan 9U7 en welk - was er vereischt om zij ouderhouden 72·1, wanrom men :;een
voor de zonde teenemaal t.. voldoen, huwelijk mug unn:;aan 1il.et eenen welk een- behoorde in de Nieuwe Wet ll39, zou het geldig zijn I H3.
opgedra:;en to worden 1019, wnnrom de Schriftuur \H.) .
.,... der Oude Wet niet \'Oldoende waren
"'aurin de- bestaat 7G,!T?re nnmen 7G,
om vergilfenis der zonde te bekomen wnarom zij hclli(J genoemd wordt 79,
9Gl, U9i, 1018, uitwerksels ,·nn bet- hare betrekkingen met de Overleve1·ing
derMis 1020, ;;ic ook nog Mis.
1·118, wanncer, van wie en hoe zij :;e·
schre,·en is geweest 77, wie hare sch1·ij ·
Sacrilegie.
vers geholpen heeft 197, bcvat de H. Zie heiligschenderij.
al de geloofsstukken 85, wnarom de Schade (de pijn van).
Wnt men daardoor verstaat 291, afgezien van hare goddelijke ingeving
waarin zij bestaat 291, 299, zwaarte geloofweerdig is 1·102, hoe Chrislus de
dezer pijn 291, zij is grooter dan de pijn - erkend heeft J.ll3, vereischte coudivan .cevoel 1336.
lii!n opdat cen boek - zij iS, J.ll2,
Schandaal.
waarom deze voorwaarden vercischt zijn
Oorsprong' van dit woord, ;;ie vercr- iS,middels om tc weten welke boeken de
- uitmaken SO, 1414, reden dezer miclcern is.
Schatten (der H. Kerk).
dels SO, wuat·om de kcttersche bijbels
Welke de - zijn waa1·uit zij de ge · geeue - ziju 81.
Joofspunten gaat putten 75, 1411, noodLezing der - 82, 85, sn, duiste1·heid
zakalijkheid dezer- 1417.
der - 85, ha1·e uilgcstrel&lt;theid SG, uut
Welke de - zijn waaruit zij aflaten van de - 1413, eerbied voo1• de- sn.
verleent 250.
Waarom de ketlers de - vcrvulschl
Schepper.
hebben 81, waarom het ,·erboden is
Wat dit woord beteekeut 92, 110, hoe zulke ketlersche bijbels te koopen, te
God- is, hoe wij dit weten 92, "'at God lezen, enz. 80.
geschapcn heeft 110, waarom 111, op Schuldcn.
hoeveel tijd Ill, hoe wij &lt;lit weteu 110,
Welke ooze
zijn jegens God 342,
112, hoe Hij geschapen hceft a! wat in hoe wij dezc kunnen betnleu 2;.o, wie
heme! en aarde heslaut ll2, waarom onze schuldcnnt·eu zijn 3·15, hoe wij den
zect men dat Gods almachligheid meest naaste zijne - moeten vcr:;even 3H en
in de scheppiug uitschijnt 113, hoe ·God waarom 3·15.
nls - onze Yadet• is 330.
Wanneer men zondigt met zijne -niet te betaleu en tegeu wclk gebod GGI.
Schepsel.
\Vat een- is 438, en wat een redelijk Scrupule n.
_ 12, 438, verdeeling det· aardsche \\'at - zijn ll74, middels tegen de 12, waarom zij allen aan God toebehoo· 117-1.

.

�ALPHAIJETISCHE TAFEL.

1485

Sekten.
·107 en welke gaven van den H. Geest
\Vat - zijn 23, verschil tusschen &lt;le 831 tot de - beho01·en, voorwerp van
- en de ware I{erk 239, hoe men be· deze deugd ·102, ·103, hare wet·ken 831.
wijst dat zij de teekenen der ware Kerk Sterven,
niet bezitten 223, 230, 232, 238, 1428, ver·
Zle dood.
deehlheid des Geloofs in de - 230, Subdiaconaat.
aanveerden zij de Sucramentcn 222.
Waarin het bestant 1liS, vereischte
Simoni e.
voorwnarden Il22 en oudcrclom Il23,
\Yal men verstaat door - G69, oor- door wie dcze voorwnardPu verei,cht
sprong van dczen naam 673, legen welk zijn 112·1, en wanrom zij mogen vercischt
zijn 1125.
gebod tlczc zonde slrijdt 672.
Sinxendag.
Sub tiel.
Oorsprong van dit woord 104, well'e
\Vat men dnm·door vet•staat en wie
gcbcurteuis dc•H. Kerk op - vicrt 193, deze gave zullen bezittcn 282, 1345.
10·1, uitwerksel§ van de ncderdnling van Superstitie.
den H. Geest op- 945.
\Vat men daardoor verstnat ·176, voor·
Snelheid.
beelden \'an - 470, waarom cr geene Waarin de - van Christus' \'Crrezen is in bet :\.gnus Dei en andere gewijde
liclmam 172, en der vet·rezene lichame11 zaken 481, noch in het gelal der bolleder menschcn 282, 13·15 bestaat.
kens van den Rozenkrans 384, 385, 386,
Soberheid.
noch in de ceremoniiln der Sacramenten
Waarom zij niet ~enoemtl wordt ;;ui· 8_78, tegen wclk gebod strijdt de - en
ve&gt;·l!cUl 637, waar(oe zij dient 631, tot waarom ·165, 478, hoe wij de - moeten
•crfoeien 495.
welke deugd zij behoort 407.
Symbolum.
Spotternij.
Beteekenis van dit woord 61, de verWaarin zij bestaat 531, welke zonde
de-met God of zijneHeiligen uitmaakt schillige- G2.
- des Geloo{s : opstellers en •erdee531.
ling van hct- 61, orde dcr arlikels vau
Stelen.
het- 6·1, hoe men gehouden is het - te
Ztc diefte.
Sterkte.
kenneu 62, hoe men hetmo~topzeggen65,
\Vat men door de - als bijzondere wat het - ons leert 443.
deugd 'l'erstaat 404, welke deugden

T.
Taal.
1029, wanrom men de lllis niet mag
Verschil tusschen levcnde en doode celebreeren in levende- 1030.
-83.
Teeken.
Wat men in 't algemeen daardoor
In welke- mag eeuiedcr de H. Schrill.
lezen 83 en waarom 85,in welke - mag ,·erstaat 26, 220, 8-16, en wat door een
niet eenieder zo lezen 84 en waarom 85, uitweutlig - 8·16 en wonderlijk - 235,
wie mag in de moederlijke -de H.Schrill. hoe de blasphemie kan geschie&lt;len door
- 533, verschlllige - \'llll den christen
lezen 83, 8·1.
In welke - moet de Mis gecelebreerd mensch 2i, het bijzonderste onder deze
worden 1029, oorsprong van .&lt;lit gebruik - , ole 1u-11ts, welke- superstitie uit-

�148li

ALPJ!ABETISCHE TAFEL.

maken 47\i, -liS en welke niet 471, kracht recht,·eerdigen tegen~·oordig is 199,
det• - lloor de H. Kerk ingesteld ·178, 5~1.
welkeuitwendige-lle Sacrameuten zijn
Clwistus' - : wanr H~i te:;enwoordig
846, hoe het- vnn het Sacrament eene is 17;;, wanneer zal Hij nog eens zienlijk
gratie beteekent, zte grntie, welke bel tegenwoordig zijn op de am·de 176, zijne
uitwenclig - is \'an het Doopsel 889, - in het H. Sacrmneot 175, 315, 962,
Vormsel 927, 938, Sacrament des Almm·s hoe Hij danr tegenwoordig is 962, met
948, Biecht 1037, H. Oliesel 1093, Pries- welke natuur,met welkeziel en lichnam,
tersclw.p 874, 1114, Huwelijk 1135,kracht ill welke gestellenis, 963, onder welke
dezer- 477.
gedaanten 9·18, hoe lang Hij dnar tegenTeekenen \'an de H. Kerk, welke deze woordig blijft 916, door wat middel
zijn (in 't algemeen) 219, in 't hijzonder, worllt Hij danr tegenwoorllig gesteld
:;te Kerk, wnnrom zij geane Sacrameo- 910, wat er vereischt is tot Christus'
ten z\in 841, hoe zij de wanrheid bewijzen tegenwoordigstelling In het H. Sacrader Roomsche Kerk 221, 23$, noodzake- ment 972, is Christus te z~.men tegen·
woordig in den Heme! en in bet
Jijkbeid dezer teekenen 219.
-van Gods veropenbaring 1380.
H. Sacrament 964, is Christus tegen- van bet Oordeel 17i.
woordig onder aile de stukken der
Me•·Meeken: wat men verstaat door gebroken Hostie974, reden 915, hoe wij
bet - van sommige Sacramenteu 848, weten dnt Cbristus tegeuwoordig is in
873, waarin dit- bestnat 873, tot welke het H. Sact·ament 965, hoe en wnarom
klns van zaken het behoort 610, weer&lt;le wij dit moeten geloo;en bij het outvan dit - 882, beschaming der ver- vnngen 'l'an dit Sacrament 780, 793, wat
doemde over dit - 883, welke Sacra- wij nopens Christus'- in bet H. Sacramen ten prenlen dit - in de ziel 8i3, menl niet kunnen Yerstann ~Gi, welke
wanrom het hun eigeo is 874, - van -.;oorbeelllen de zank eenigszi,,s kunnen
bet Doopsei!H2, Vormsel 94-1, Priester- Yerklaren 968, waarom wij aan Christus·
schap 1113, kunnen wij het merkteeken - moeten gelooven 9G7, hoe CJu·istus'des Doopsels niet ''erkrijgen door het in bet II. Sacrament de zonderlinge
Doopsel der begeerte of des bloerls 889, gralie beteckenl van bet Sacrament des
:waarom bet niet verloren gaul door de Allnnrs 950.
z~nde 875, waarom bet eene reden is om
-van ilfat•ict : is zij tegenwoordig in·
maar eens die Sacramenten te mogen de kerken 3i0.
ontvnngen 875, wnarom nogtans het Testament.
locgelalen is iemancl tc herdoopen op
Beteekenis ,·an het woot·d 7i, :le
conditie 9Q1.
ook Wet.

Tegenwoordigheid.

Toeval.

Verschillige wljzen der- Gods 100.
Gods alom- 99, lOi, !GO, 195, wan rom
men niettegeustnaode zijne alom-mag
zeggen : ooze Vader die in de heii'clen
zijt 333, en dat ooze ziel, als zij met de

l{an het bestann van de wereld 112,
13il, of de ver\'ulling vau d~ voorzeggingen I 389 nan heL - toegeschreven worden.

Tonsuur.

heiligmakcnde gratic is Yersierd de ternWnnrin zij bestant 1119, en wat zij
pel Yan God is 812, nut van op deze- beleekent 1119,
te denken 107, wnarom bet een middel Toovenaars.
is tegen de onkuiscbbeid 643.
Bestnan zij wezenlijk 471, wnt kwaad
-van dm .II. Gecst :hoe Hij in de zij doen ·169, "'!18-rom zij zich ann den

�,\I,PII,\IlETISCHE 'I'AI'EI•.

148i

&lt;lni1·e: verbindcn ·IG-t, hoe dcze verb in. V&lt;&gt;Ol'beclden van- SO, I'Crschiltn•schen
tcnis geschicdt 470, hoc hunnc wm·ken de -, de H. Schrift SS en de lcvende
van de mil·akels vct·schillcn 495, is het leering der H. Kerk 1-123, betrel,kingen
gcoorloof&lt;l bij de- te gnnn ·l'i·l, wu:u·om tusschcn lie H. Schrifl en de Ovet·leveniet 475, zonde die men dnnt·door be- ring- 1-118, hoe lie 01·erlevcring gedrijfl 475.
schie•l is 87, 1-115. hoc Christus l.P. inTooverij.
geslcld heefl 1410, wnar zij te vinden is
'Vat - is 470, welkc - genoemd is J.IIG want· zij begint J.ll7, eet·bied die
i,j(lctc wrtaJ"nenzing -17·1, tegen welk ~e­ wij moeten hcbben voor de - 90, hoe
bod slrijdt de - en wanrom ·IG5, -IG9, zij het g•·tal tier Sncramenten be470, op welke wijze kun •le - geschie- tuigt 858, Clu·istus' tegenwoordigheid in
den ·175, wnnrom wij. Gr,d noodzakeli,ik het II. Sacrament 9tl5, de noodznkeli.ikdoor die zont:\! verlnteu -170, -175, hoe de heid van dedoodzondcn te biechten 10G7.
werkcn van :.._ verschillen van de voor· Turk.
Wat men dant·door verstant 252,
zeg~ingen ·11J5.
Traagheid.
Wnarin zij bcstaal 12:l0, hare vcrdceling 123il, wnarom zij eene hoofdzonde
is 12~2, waartoe zi,i ons brcn!!l 1230.
TraditH!n (Ap~stelijke).
\\'nt- of Ove.rlevcrin~ is 76, 8'7, 1·115,
nnmen der- 76, waarom de- oo1' genoemd zijn goddelijl\c Tt•aditi~n SS,

wnarom hi.i gcen lid is der 1-1. l{erk 252,
well'e gebodcn lli,J moet onderhouden
72·1, wnnrom men geen huwelijk met
cenen - mag anngaan 1139, zou hcl gel·
dig z(in ll-13.
Tweegevecht.
'Val men dnardoor vcrstant GOS, mag
men hct nangnan GOS.

u.
Uitersten.
ol'erkomen 1325. nut van bel overdenWntmcn l'erslanl door de- des men- ken dezcr - 1320, waarom 1322, hoe
s~hen 1320, hoel'ccl er zlin 1321, wicn z\i dikwijls het behoort er op te den ken
toekomcn 1323, tijd op denwelkcn zij 1360, :le in 'l bijzonder de 4 uitersten.

v.
Vader.
Op hoevecl wijzen iemnnd onzc - kan
zijn 32S, 330, waarom God onze - geaoemd wordt 338, waarom zeggen
wli nan God in het 011:;e Vmler :
on:;e - en niet m(Jn - 338, wnnrom de
eerstc Persoon der H. Drijvuldigheid -·
genoemd wordt 190, hoe men onder den
naam van - en moeder nile oversten
verstaat in het 4d• gebod 580, wie deis van Christus 138, wie men door de
oudvarlcrs verstaat lot 1lewelke Christus

nedergedanld is 163, voorgeborchteder
oudvaders, :;te het woord, - in den zin
van ouders, ::le ouders.
Vagevuur.
Wat bet - is 163, 290, wnnr het gelegen is 291, hoe lang het znl bestnnn 29G,
schrik die wij van het- moeten hebben
302, pijnen van het - 291, is Christus
in 't - nedergednald 163.
Zielen die naar het- gaan 294, hoe
lang zij dnar blliven 295, hoe zij daar
gezuiverd worden 292, door wie zij kun-

�14.88

ALPHAIJETISCIIE TA1'EL.

nen verlost worden 296 en hoe 297, 1015,
well&lt;. rnedelijden wij \'OOr die zielen
moeten hebben 303, hoe zij dee! maken
·,·an de H. l{erk 217.

Valschheid.
"\Vat men duardoot• \'et·staat 678, tegen
welk gebod strijdt de - in het recht
67i, 679, hoe zij gestrnft is geweest door
God GSO, wat rnim moet doen om die
zonde te vluchlen 678, welke - kan in
processen en koopmanschappen geschie·
den 662.
Is het zonde iets met e~d te bevesligen
dat valsch is 550, tegen welk gebod
geschiedt deze zonde 550.
Van iemaud eene - zeggen, ::te laste·
ring, leugentaal.

Vasten.

hoe onze- de regel ziju van den gt·aac,l
onzer hemelsche glorie 13·10, hoc tie
dood eeu oorsprong knn zijn van 1352, wnl er dnartoe vereischt is 1352,
hoe wij onze - vet·liezen en wederbekomen 1216,kun nen wij nog iets verdienen
in het vagevuur 292, of in den hemet
241i, 372.
Hoe w(j Christus' - deelachtig moe ten
worden 155, hoe aile gralii!n uit Chrisms'- vloeien 834, krnchten en uitwerl(se\s van Christ11s' -, ~le 1\iden, Jezus
Chrislus, enz.
\Vat men verstaat door :'llnria's 3;), hoe wij door hare- geho\pen \\'01'den 372, hoe' Maria ons hare - toevoegt
372, draagt zij dikwijls hare - ann God
voor oos op 373, w01·dt zij dan all(id verhoord 3;3,

\Vat- is 751, wat men daardoor kan
verslaan 377, hoe het een goed werk is Verdoemden.
"\Vie zijn de - 2119, 132·1, waarom zij
377, wie schuldig i~ te - 7r..t, welke zijn
de jaren om le - 755, red en van den ver- geen lid der H. Kerk zijn 218, kunnen
eiscblen ouderdorn 755, wie veronlschul- zij nog vergilfenis bekomen hunner zondigd zijn 758, wunneer de kindet·en en den 2Gl, mag men de - beminnen of
dienstboden \"erootschuldigd zijn 757, met hen medelijdcn hebben .J.J1, waarom
waarop men m~est moet !etten in de dis- God de -- heel'l. willen scheppen 1356,
pensalien voor het- 757, nut van het- hoe zij zullen \'crr(jzen 28·1, beschaming
762, reden hiervan 762, bewijs uit de der - over bet met·kteeken der Sacl'!lH.Schril'l. 765,welke spijzen in den-ver- rnenlen &lt;lat zij ontvangen hebben 883 en
boden zijn 752, 753,754,hoe,·eel maaltijden over de wonden mn Christus 170,
zijn er in den - toegelaten ;;;2, wauneer vonnis, he\ en pijnen der -, ole die
men eeoe volle mnaltijd mag nemen woorden.
753, hoe lang deze mag duren 754 Verdriet.
welke de algemeene wetten zijn der
\Vnt men daardoor verotaat 1-14, wat
H. Kerk nopens de veertigdaagsche - wij moelen doen in het- 157, welk 75l!, dispensatie \'Oor het bisdom van Christus heeft willen lijden l.J.J.
Gent 752, welke de vastendagen zijn Verergernis.
758; waarom zij iogesteld zijn 758, 759,
Wat men dnardoor verstaat Gil, op
760, hoe men deze dageu moet on&lt;ler- hOP.\'eel mnnieren do - kan r;eschie&lt;len
houden 791.
Gil, wanucer men deze zonde bedrijft
Verdiensten.
G\2, wie in 't bijzonder zich ann Wat is verdienstelijkheid 1285, boe- plichtig mankt 615, welke vreemde zonvelerlei is zij 1285, wat is God ons s.cbul- den ook eene zonde van - uitmaken
dig voor ooze goede werken en waarom 1196, tegen welk gcbod zij geschiedt
1285, waaruit onze werken verdienstelijk GIO en waarom Gl4, boosheid dezer
zijn 1287, 1288, door welke- verkrijgen zonde GJ3, waartoe hij verplicht is die
wij de uit\VCI'ksels der Sacramenten 849, - gege\·en heeft 699.

�AI.PI!AIIETISCIIE TAFEl•.

Vergadering.

1489

wclk gebod zU gcschiedt GIG, wnnrom
Bctcekenis \"llll het woo•·d 20·1, wclke 620, hoc gemcen zij is G1i.
- kerk gcnocmd wordt 20·1, wnn1·in de Vermetelheid.
eenhcid ccncr- beslunt 226, wnt Cl' \'Cr·
Wnnrin zij bcslaat 309, 492, 1242,
eischt is lot do heiligheid ccner - 223. welke - is zonde tcgen den H. Gccst
Vergiffenis.
en wnarom 12·12, lcgen welk gebod zti
'Vnariu de- bestaat SGS, \'l\11 wclke slrijdten wnarom ·192, waarom hct eene
zondenmcn - knn bekomcn in de Kcrl' - zou zijn nict tc vergHen nan zijnc
260, hoe de - onzer zonden het \"Oor- schuldcnaren 3·1:i.
wc•·p is onze1· hoop, wanrom wij ue Vermoeden.
- onzer wnden \"ast moeten hopen 308.
"'at men door het It wand - vcrslnnt
'Velke - bekomt men a) do01· het GSi, welk- vel'11oden is GSi wanrom 688,
Doopsel 908, 1 doo1· het H. Snernment door wclk gebou GSO, wanrom 689,
des Allanrs. (160, doo1· de Mis 1012, wnnneer het geenc zonde is 690, hoe men
bcwijs 101~. door de Diecht ;/e Jliecl1l, Vl\11 het kwaad - moet oordcclen 690,
door het Ir. Oliesel zie \\"at \"erder, hoe de H. Schrift deze zonde annb) door hel bcrouw, 2i7, 10·17, 1070, ziel i03.
c) door het Yaslcn 76·1, d) in hel mge- Verontweerdiging.
vuur 293.
Wn•u·in de - bestaat 1226.
-der crfzondc 262,908 :icook dit wooru. Veropenbari ng.
- de1· dagelijh"t:he zoudcn 203, well'
Wanrin zi,) bestaal ·16, kcnuis vnn God
leedwezcn \'ergecft de dagelijksche zon- door de recle, door de \'CI'Openbnring en
den en waarom 209, hoe zij tloo1' het doot· hct Iicht der gloric GO, ve1·gclijking
H. Olicsel verge\'cn worden 1100, rc&lt;len det· -mel het aanschouwen \'!lll God in
dnarmn llOi, hoe zij door de goeue denhcmel822,ve•·schil tusschendc voo•·wcrlten \'erge\'cn worden 1280 en uoor houding der H. K01·k en de- gedaan
bet gebed 209.
doo•· Clu·i~lus en de profeten iO, wnt
- uer tloodwndc in de Oudc 'Vet 1079, de- is len opzichle mn de overle,·ering
in de uieuwc "'et 270, waurom eene 1-11~ en de~· II. Sclu·ifluur J.ll3, wanrom
doodzon•lc zondcr de andere niel kan zij gecne naluu•·lijl'e gave kan zUn 1392,
vcrgcvcn worden 2il, hoe \'Cl'getcnc hoe men de mogeiUkheiu eener - knn
d(louzonden \'Crgeven worden 10:;9, hoe bcwijzen 13i7, wnnruit het volgt dnt God
zij \'Cl'geven zijn in de Diccht zie die macht bezit en welkc wna1·heden Hij
Biccht,welkc doodzon&lt;len \'crgc1·en wor· lmn veropenbnren 1319, waarom zti
den door hct II. Oliesel !lOS, 1109, 1110, tegeu Gotts w(ishcicl niet st•·ijdt 1391
wal crop te mer ken is nopens tic - de•· tcekcuen cener goddclijl;c - 1380, de
mh·akclcn 1381, hoe de l~onderwer­
zondcn tegen den Il. Gecst 123~.
lloc de - knn geschicden als de zon· kcu tic•· Enge1cn 1387 en de \'Oorzeg·
dtm reeds verg,wen zUn 8G7, nn tle -dcr gingen 1389 de mach! hcbben van
zonden hlij,·cn er nog tlikwijls pijnen cenc - te bcvcstigen, opwe•·ping hierbcslnan 2·18, waarom lot de - onzer tegen 1389.
Waar de Chrislclijke - le \'inden is
zondcn vercischt is dal wij onze schul·
Hll, hoc men deze kent ·Ul, wanneer en•
dennrcn vergcven 345.
Dankbaarhcid ann God ;·oor de - hoe zij geschicd is 49, wnnneer Christns
- \'Ollrokken is geweest 14 1i, vooronzcr zondcn 285.
slclling d!'r - cloor de H. Kerk 50, op
V6rmaledijding.
'Vat men danrdoor verslnat Gli, tegen wclke wijze deze geschicdt 50, bewijs

�1490

ALPHABETISCIIE TAFEL.

der chrislelijke - 1398, J.I04, is men 47, uitwerksels der onkuischhcid in hct
verplicbt dezc to aanveerden 139·1, - 6·16, wclke de ellcnclen zijn van het
waarom 71, waarom wij met de - niet -en hoe wij dnnrin geholpen worden
te nnnveerden God nls Jeugennchtig 1311. hoe het - lot d!' doodzonde vcraanzien 486, wam·om men aile punten eischt is 1211, wnt de mysterien zijn len
der - moet' aanveerden 55, hoe de opzichte van ons- Go, hoe zij tegen ons
gratie ons helpt tot het annveerden der - niet zijn 67, hoe de nntuur van ons
- 809, 823, hoe de ketters de - verwer- - het beslaan der mysterien bewijst
pen 486, hoe men de zonde noemt vnn 1379, wan rom het legen het - uiet is de
degenen die geheel de - -rerwerpen 491, myslerii!n te gelooven 67, 1304, 139i,
nut der- 809, 822, 1390, strijdt hot niet wnnrom ltet met Gods wi.ishcid niet
met Gods wijsheid cene - te doen tegenslrijdig is ons het - lc gc1·en en
nndat Hij ons al reede het verstand hnd nndien de veropenbaring 1391.
gegeven 1391, weldnad der - 73, waurHoe de 10 geboden God~. door het aan zij ons deelachtig maakt 816:
ons kenbnar zijn gcmnnkt geweest H·l.
Hoe de - ons God leet·t kennen 462,
Die bet- verlot·c•i heeft mng hij nog
hoe de H. Schrifl en de Overlevering, het H. Olicscl ont1·nngen 10na, of de
alsmede eene onfanlbnre l{erk noodig gebodcn der H. Kerk en dcr nntuurlijke
zijn, om Christus' leering zonder nieuwe wet diegenen ve~plichtcn die het geveropenbaringen ongeschondcn te be· bruik van het- nict bezitten 725.
wnren J.IIS, H23.
Verstrooidheid.

Verrijzenis.
Beteekenis van bet w·oord 279.
Cl!rtstus'Wnarin zij gelegen is 165, wnnneer zij
gebeurd is 166, hoe men- bewijst 166,
1404, wanncer zij gevierd wordt 166,
belang \'an - 165, 140~.
-des vleesclles.
Wat men hier verstant door het woord
vleesch 278; wnarin de - bestaat 278,
macht door dewelke zij zal geschieden
280, wanneer zij geschieden znl 280,
nut van bet gedacht der - 285, gesteltenis der ve1•rezene lichamen, zie
licbnam.

Wnt er te peinzen is van de - in het
gebed 322, hoc Christus ons geleerd
heert de - te vluchten in het gebcd 324.
Voldoet men ann het :;ebod vnn l\lis
te hoorcn als men g"edurcnde de ~lis
vrijwilli:; l'erstrooid is 7·10.

Verwijting.
Wnt zij is 683, tegcn well' gebo•l zij
:;eschiedt 680, wannecr zij doodzoncle is
683, hoe men vnn de zwaarle dezer zonde
moct oordeelen 68·1.

Vigiliedagen.

Beteekenis van het woord 760.
\Vat men daardoor verstant 760, hoe·
vee! er zijn .in ons lnnd en hoeveel in
Verstand ofRede.
sommigo andere 760, hoe men op de Wat het - is 12, verschil tusscben de moet vasten, ::tc Vnstcn.
werkingen van bet- en de driflen 1236, Vijand.
hoe het - le zamen met de dritlen be·
Hoe wij ons moeten gedrngen jegcns
slant 1238, wanneer men tot de jaren onze - 344, 622, wanrom 624, lloe wij ze
van - komt enz., ::te discrelie, wat de moeten beminnen 440.
gratie 840, wat de dadelijke gralie 196, Vloek,
814 en wat de heiligmakende grnlie 809
Zte blasphemie.
,n ons - teweegbrengl, welke gaven van Voldoening of penitentie.
den H. Geesl voor het - dienen 830,
Wanrom de- in de Biecht penitentie
wat bet Geloof in het- teweeg brengt genoemd is 1071, beteekenis van bet

�ALPHABETISCIIE TAFEL.

woot·d penilcntic !Oil, hoc zij vereischt
is lot hct Sacrament 10i2, wam·om zij
een volmakend decl is dcr Biecht
1073, hoe wij gchoudcn zijn de - te
volbrcngen !Oil, wanneer men ze
volbrcngcn moet 10i3, voldoct men met
zijne penitentie tc volbrengen in slant
van doodzondc IOi·l, kracht der 1013.
l'ol&lt;locntuycn: hoe Christus voor onze
zondcn I'Oldaan hccftcn wunrom 15·1, hoc
wij met Christus' - tot de Zllligheid

1491

tus ons dit geleer&lt;l heeft door zijne
voorbeelden 324 en door zijne leering 381.

Voorgeborchte.
- dcr kindereu 162, 299, wic naar het
- dcr kindcren gnat 301, is Christus
dam· nedergedaa1d Ja5, waar dezen
zullen gaan na het lantste oordee1 1324'
- det· oudvaders 163, is Christus dnnr
nedet•gcdnald en wanrom 164, zijn er
daar pijnen 299, 301.

Voornemen.

Vcrschil tusschen - en belofte 552,
welk- bevat het berouw 2i2, 10·18, 1050•
doot· de - der Heiligcn 2·15, hoe zij ons want·om hct moet gcpaard gaan met bet
toegcvoegd worden 2·1G, hoc Maria ons leedwczen 2i3, 1050, moet dit- uitdrukhare- toevocgt 3i2, W:llli'Oill de schat- I'eli,il' zijn 2i3.
ten dcr allaten nooit knnnen uitge{&gt;Ut Voorzegging.
worden 248.
\Vat eene - is en wnt cr tot eeneVolmaaktheid.
vercischt is 1388, hoe zij vet·schillen met
Hoe groot Gods -is ·129, hoe men dit de werken der tooverkunst ·195, hoe zij
bewijst 13iG, hoc 1\&gt;ij zijne - erlwnnen ccnc veropenbaring bavestigcn 1389.
&lt;loot· de goddclijke deugdcn -10·1, hoe
Verdeeling det·- &lt;lie Christus' leering
eenige volmaal,theden zonderling nan bcvestigen 1398, de bijzonderste - van
den ecnen of aan den andcrcn persoon Christus 7, J.IOI. hunne vervulling 149,
worden tocgeschre1·en 105, 106, waarom 1401. de vervulliog der voorzeggiogen
wij God beminnen om zijnc - •120, voor Clu·i~tus gedann 1403.
hoe 264, en waarom 265 Gods - ecno Voorzichtigheid.
rcden is op dowelkc bet volmaakt beWelk eene dcugd de - is ·102, waarin
rouw moct steuncn, ann wclke godde· z~i bestaat ·102, ·103, hoe zij al de zedelijkc - wi,i declachtig worden door de lijke deugdcn bestiert ·103, wat men verheiligmakende gratic 809 en hoe wij staat doot· de - als men ze naoziet als
bijzondere tleugd 404, welk de bijzouderdam·aan declnchtig worden 809.
Welke zonde hct is nan God of nan ste so01·ten \'Rn - zijn ·105, welke zijn
zijne Heiligon icts toe tc schrijven dat de bijzonderste deugden 405, en wclke
met hunnc - strijdig is 530, of iets van zijn de gaven van den H. Geest 831 die
hunno - to loochencn 5~1, hoe de mi- nan de - toebehooren.
rakelen tegen Gods - niet strijdcn Voorzienigheid.
1380, hoc onze bestcmming tot den
Hoe Gods - in de H. Kerk uilschijnt
he mel cr nict legen strijd t 834.
39G, J.t33.
\Vaarin do - van den mensch bestaat Vormsel.
1271, hoe de mensch meest gcholpen
\Vat het - is 925, oorsprong van
wordt tot bet bekomen dezer ...:.. en dezen naam 929, waarom bet genoemd
waarom 1271.
is een Sacrament der levenden 866,
Volstandigheid.
verschil tusschen bet- en denmterc Sa.
Wo.t men door- verslaat 323 en wat crnmenten 926, 928, bewijs van de insteldoor de deugd van - 407, waarom de- ling des - 045, waarom het - een
vereischt is in het gebed 323, hoe Chris- Sacrament is 02S,merkteeken van het kunnen ge1·a~·,en 1;15, wnt men verstant

�1492

ALI'HABETISCHE TAFEL.

zte di~ woord, wam·toe hct- dicn~ S5G, Vriendschap.
ui~werksel van bet - 928, 936, 943, 1095,
Vereiscbte voorwaarden tot de- •156,
nntuur dezer uitwerksels 9H, lmitege- wellte- er tusschen 'de rechtveerrli·
wone uitwerksels in 't begin der gen en God bestaat 500, ;te ook bet
woord liefde en beminnen, hoe wij Gods
H. Kerk 945.
Voor wie bet- bestcmd is 92i, nood· vrienden worden 811, kunnen wij weten
zakelijkhcid van bet - 930, reden of wij Gods v1·ienden zijn 83G, hoe God
dezer noodzaakel~ikheid 931, hoeveel zijne- loon~ in de H. Communi~ 102-1,
keeren men bet - mag ontvangcn en welke - er bestaat tusschen God en de
wanrom 873, Si5, 934, waarom bet in Heiligen 500, hoe de Heiligen onz~ ·orienstnat van gralie moet ontvangen worden den z~in 521.
'Velke onze - moet zijn met den
86·1, '1\'anneer men het - moet ontvangen 929, wanneer men eerlijds 931 en naaste ;;fc liefde en bem~nnen, waarom·
wanneer men nu dit Sacramen~ ontvangt men zicb moet wncbten \'!lll bijzondere
930,-931, begeerte van het- te ontmn· - met de ketters 489.
gen 943, hoe wij bet ontvangen van het- Vrijdag.
Instelling van den - i61, wnnrom men
indnchtig moeten zijn 9·13.
Wie de bedienaar is ''an het - 92G, op den - moet vleescb dcr\·en 7GO, uitvalL deze o'nder het beletsel van geeste- zondering nan de wet van den nijduglijk m1•agschnp IHG, water von noode 761, met welk inzicbt moet men &lt;len is tot bet- 932, met welke stofgescbiedt onderhonr\en ill!.
de znlving_ in bet- 934, zic ook Chrisma Vruchten.
en Zalving.
'Vat men verstant dor&gt;r gewijde - 483.
- van den H. Gees!, zlc God de
"'aarom men namen van Heiligen
geeft in bet- 942.
H. Gees!.

Waarzeggers.
Hoe zij van de toovenaars ve1·scbillen
474, is het geoorloofd h~i de - te gnan
474, wnnrom niet ·115, nan welke zonde
men zicb dnardo01· plichlig mn~tkt ·175.
Wanhoop.
Wnnrin de- bestnnt 492, 1241, tegen
welk gebod zij strijdt 492 , wnarom
men niet mag wanhopen 261, welke
- zonde is tegen den li. Geest 1241 en
waarom 1241.
Water.
WaL men verstnat door waarachtig
- 900.
Jlfet welk :-- men moet doopen 900,
waarom het- gekozen is tot stof van
het Doopsel 902, hoe het Tereischt is tot
het Doopsel 901, moeL het gewijd zijn

901, hoeveel - men moet gebruiken in
het Doopsel 905.
Gewljrl -, tot welke klns van zaken
het - t~ebeboort 670, krncht •18·1 en
allaten van het - 495, wonneer menmoet gebruiken 484, gebruik van het in hct begin der H. Kerk 483.
Weekheid.·
Wie en hoe verontschnlrligt de - mn
het vasten 756.
Wensch.
Wat men verstnnt door Jmnde- GIS,
tegen welk gebod zij geschicden GIG en
waarom G20.
WnL wij onzen naaste moeten wenscben 436.
Wereld.
Wie de - geschapen lleeft llO en op

�,\J,PIIADETISCIIE TAFEL.

1493

hoeveel tijd Ill, hoe men weet dut zij de- der heiligen 245, welke- worden
geschapen is 112, hoe in de schepping. zaligheden genoemd 127·1, :;tc dot woo1·d,
de1·- Gods nlmacht uitschijnt 113, is de WUIU"vnn de \'Oimauktheid van ccn schepping ccn luirnkcl 236, welke m·de ufhnngt275,hoc nile bctnmelijke we1·ken
is cr in de - 1372, hoe dcze o1·de Gods - kunnen zijn 311, hoe God ons icts
• bestann bcwijst 1371, wat b1·engen de sch.uldig is voor onze - 1285, hoe en
goddeloozcn tegcn dit bewijs in 1373, wam·om HU bet is 1286. 1287, gctuigenis
bestnat de- uoodznkclijk 13US, hoe de van Christus O\'el' den loon de1· - 303,
nutuur de~· - Gods bcst11au b.Jwijst \'ruchten del· - 2•15, 372, 1280, 129·1 ver·
1367, welkc \'Crschillige Ievens er zijn in eischte vooi'Wat\l'den tot hct bekomcu
de - 839, Wilt men verstaat door dezer \'I'Uchtcn 128!, grootte 1295 en ver·
uitcl·sten de1• -en water dan gebeurcn band dczer vruchten 1283, hoe zij
zal 170, zal d~- \'el'nictigd wo1·den 176, middelen zijn om te verk1·~jgcn w11t wij
hoe zal zij. \"el•slonden worden 17S, verhopen 311, hoe zij de dngel~jksche
kennen w~j den dag mn het cinde der- zonden vergeven 270, 1280, hoe wij door
en wnm•om mankt God ons dezen nict de- de zieten \'Ull het vage\·uur kunnen
bekend 177, stunt der- na hct lnntste hclpcn 2!J7, wcll•e vruchtcn wol·dcn aau
OOI·decl 13·16.
die zieten tocgcpast en welke blijven ons
Werk.
eigen 298, vruchten dcr- gedaan voor
'Vat men \'erstaat door slavelijk - den naaste 1288, kr.acht c!el"- te zamen
568, oorsp1·ong ,._'ln dczcn unum 5US. met hct gebcd 377, nut de1·- nls zij in
wnt men vcrstaat door \'rijc- 569, welk stant van doodzondc gedaan zijn 1216,
- zijn op de heiligdngen verboden 5G7, hoe w~j de \'l'l'dienstcu der - kunnen
wnnrmu 51i!l, O(l wc·ll\.e zonde 573, ool"- verliczen 1216, wnn.•om 1217. wanneer
sprong van dil\'erbo&lt;l 56fi, ho~ men door wij ze nadieu terug bckomen 1216.
bet ophonden \'llll dit- de heilig&lt;1agen
Wat men ve1·staat door een - ter eerc
viert 566, wannee1· deze werkcn uls zij \'an Marin gedanu 376.
geschiedcn doodzondeu zijn.cn wnnueel'
Wclk dec! hcbben w~i in de - der
niet 5i3, wnnneel' zij toegelaten zijn 571 hciligen 246, en welk dee! hebben de
en wua1·om 572, zi,in zij niet toe:;elnten om heiligen in ooze - 2·16.
l'Cden vun vcrmank 509, nan w ie en
Hoe kon ,lezus dour het. klein~te
wannecl' men dispensntie moet vragen \'001' onze zonden voldoen 15·1.
om tc wcrkcn op de heiligdngcn 573.
Wet.
Wu:u·om men bchoOI'l het k1·uisteeken
"'at men verstnat door de Nieuwt&gt; en
te maken \'OOI'alle- 37, well&lt;:c de \'Oor· de Oude -21, verschiltusschen deOude
unamstc z~in voor dewell&lt;:e men dit en de Nieuwe - nopens de Sncl·ameuten 885, 996, waarom de Oude - zulk
tecken bchoo1·t te mnkcn 37.
\\'at e1• \'Cl'Cischt is tot com bovennn· een ve1·heveu Sacl•ificic niet kou hebben
tuUI·Iijk - 1!10, hoc onze - den h&lt;!IIICI nls de Nieuwe - 998, wnat•om in de
kunucn vcrdicnen 814, iu het laatste Oude - de nitwendige goclsdienstige
om•dcel zullnn nile onzc - gel•erul zijn tcekenen doot• Gml ingesteld geeu Snvan icde1·ecn 183, hoe men kan weten of cramcnten wnren 853, Gods ,·erschillige
handelwijze in de Oudo en in de Nieuwe
ecn- OneCI'lijk is 632.
Wcrken vun deu H. Gecst 198 :;te ook -1159.
Gods -, :;tc Geboden.
nog heiligmnking.
Goede tcerl1cn : wat men dam·door Wijding.
Wat men door verstaat 243, 2i0, 311, 1270, en wat door

eeuer geestelijke

�1494

ALPII.\nETISCHI&gt; TAFEl..'

::n'alic 828. wat het geloeofin d~n- teweeg
brengt ·li, uitwerksel~ van de onlmischhei&lt;l in den - 646, wctke de ellenden
zijn ••:m on zen - en hoe wi,i in dezc
geholpen worden 1311.
"'elke- vereischt is tot eet:c &lt;loodzonde 1211, hoc men Qver de zondc moet
oordeeleh wanneer men over d~ vo·ijheid
van den - tw~ifelt 121-1, hoe wij door
onzen - de krachten der Sacramenten
lmnnen heletten 871.
Gocls - 339 : want·om wij onderwor
pen moe ten z~in ann- 9r~. onderwerping
nan - in de door! 1353: verhand tusschen den dicnst van God en het volbrengen van- 341, hoe men- moet
volhrengen 339, hoe ric Heiligen - voibrengen 339, verschil tusschen het volbrengen van - door do mensrl!Cn en
door de Heilip;en 3-10, wnarom wij in
niles - moeten vnL1lrengPn 1205, verbnn•l tusschen het volbren(!en van- en
het \'l'agen mn hct dai!elijksch brood
3·12, wat wij nngen zcggende : Uw Wil.
geschiede op de nnr&lt;lc nls in den heme I
Verschil tusschen de werkingen van 341, ho" moet eene daad tegen - gc ·
den- en de drifien 123G, welke gaven schierlen om zonde te zijn 1170.
van den H. Geest ann den- tocbehoo· Woekerij.
Beteekenis van het woord 669. wan·
ren 830, wnt de gratie in onzen - bewerkl 8·10, wat de heiligmnkendc p;rntio neer zi.i geschie&lt;lt enz. :;ie lecning.
809, en wnt de cladelijke gratia in onzen Wonden.
- leweegbrengt 196, 814, hoe de- vrij
Wnarom Christus zijne - in zijn globlijfi onder de werkit1g der god&lt;lelijke rieus lichuam behouden heen, 169.

zank verstaat 316, waarom dcze - geen
Sacrament is 852, Ju·acht der gewijde
dingen 382, 478, hoc men ze moet ge·
bruike·n 49·1, en hoe men ze moet gebrni·
ken om hunne vruchten te bekomen, ·185,
wanneer·IS5 en wuarom ·186 hun gebruik
geene · superslitie uitmankt, wnnneer
hun gebruilt supet•slitie zou we zen ·ISO,
485, voorbeelden van gewijde zaken ·ISO,
welke gunsten worden gevrnng&lt;l in de
- ''an die •·oor .. erpen. 481, hoc de
H. Ii:et·k het verkoopen dezer voorwer·
pen \"erbiedt 67·1, wut men ,·erstant door
godgewijdc zaken, plv.atsen en perso·
nen 670, wnt door gewijde pnternostm·s
383, (.:icookclitwoord),vruchtvan deeener ket•k 316, wnnneer de - van het
Cht:ismn geschiedt 035.
"'clke de - zijn die onder den nanm
van Priester.Jom kQmen 1114, welke van
die -Sncrnmenten zijn 1118. hoe dezegeschieden 1117, 1118, mng een ieder
deze- ontvangen 112;?, is clc- van den
bisschop een Sacrament? 1122.

z.
Zachtmoedigheid.

323, en het noodzakelijkste 32-1, 889,
802, wnnrom men niet z1tlig knn worden zonder Christen te zijn 2·1 en zondcr
het wuarachtig Geloof 57, dwnnsheid
der tegenstrijdige leering 487, 1378,
Za.ligheid.
wie nochtans zljne - knn bekomen
Wnt men door dit woord kan verstaan zonder uitwendig het waarachtig Geloof
824, wat de - is 1, en wnnrin zij beslaat te hebbcn 57, wnarom men niet znlig
94, vereischte rniddels tot de - 824, kan worden zondet' de punten te kenwelk "het grootste middel is tot de - nen van noodznkel~jkheid des middels
Wat men door de - verstant in de
8 znligheden 1276, tot welke deugd zij
toebehoort •107, hoe zal zij belcond
worden 1276.

�AI.PHABETISCHE TAFEl..

03, hoe de - meermanls arhangt van
bet ontvnngen des H. Oliesels 1128, door
welke zondcn wij de middelen tot de verwct·pen 1254, noodzakelijkheid det·
Liefde tot de- ·IIi, hoc onzc- met de
Liefde tot Got! verbonden is ·133, nut van
het ovet·dcnken der ·t uiterslen voor de
- 1320, welke de bt·on is dcr gralie
tot de - 834, wat God is ten op·
zichte onzet· - 93, hoe God ons lot de
- hclpl 827, hoc ;\lnt·ia 362, 371, en hoe
de engelllcwaarder 123 ons helpl om
onze - te llekomcn, !ltlll welk gcbod
God de beloftc lteefl gehecht van het be·
komen der- 5SS, wnn1·om onze - ver·
eischt dnt God ous dikwijls de lijdelijke
goede1·en weigert 321, 1~55, hoe wij in
bet Vacle1· 011s de ve1·lossing vragen mn
nile heletsels der- 3·17, 3·18.
'Vnarom men God niet meer moet lle·
minnen dan onze - 433, wnt men \'erstaat door bidden vobr de - des nnas·
ten 1310.
Dc S :;allqhcclen : wat zij zi,in 1274,
reden van dezen naam 1214, hoe zij van
de 12 \'l'Uchten van den ll. Gecst \'er·
schillen 1292, opnoeming en uitl~ggiug
der- 1274 tot 1278, orJe tusschen de
- 1278.

1495

Zang.
\\"at men doot· onccrlijke - \'et·staat
630, hoe men knn wetcn of een - oneerlijk is 0~2, tcgen welk gcbud 1.ij ge·
schie&lt;len 628, waat·om zij zo11de zijn 633,,
wannec1· zij doodzonde 1.ijn 633.

Zaterdag.
Waarom men vleesch op den - moet
den·en 761, wanneer hct geoorloofd is
vlecsch te clcn 761, dispensatie over
den- 701.

Zegening.
"'aarom ~ij met het kruislceken ge·
duan worden ·10, hoe de dooden in kerken en kerkhoven begraven, deelttcht_ig
zijn san de- dezer plnatsen 1309.
Yoot• de verschillige gewijde voot·wer·
pen ::ie aldie woorden : :;ie ook wijding.

Zieken.

'Vat men verslaat door - bezoeken
1301, en welk werk is dit 1300, hulp
door Maria nan de - geschonken 363,
welke- het H. Oliesel mogen ont,·nngen 1098, hoe dil,wijls zij dit Sacmmenl
mo~en ontvangen 1102, hulp den- door
het H. Oliesel geschonken 1112, hoe
WOI'&lt;len zij door dit Sacratncut verlicht
1105, uitwerksel \'lin dit Sac1·ament ten
opzichte van de gewndheid 1110, wanZalving.
neet· znl de gezondheid den - zalig
Wat heteekent'de- met Ch1·ismn in zijn Ill!.
bet Doopsel 921.
Wie door ziektc \'erontschuldig&lt;l zijn
Hoe 1.ij geschie&lt;lt in het Yormsel 93S, te vnstcn en hoe 750._
wnartoe zij dicnt !l3S, hare noodzal&gt;e· Ziel.
Wat d~- is 13, IS, hare onsterfelijk1ijkheid 935, mel welke stof mo~t •ij geheid 13, 18, wannecr zij geoordeeld znl
dnan w01·den 93·1, ~ic l&gt;ok Ch1·isma.
Waarin de - bestant in het ll. Oliesel wordcn 182, want· de ziel~n det•Christe1093, hoe 1.ij verschilt met de - in het nen gnnn 287, hoe de - de1· ver·
Vormscl 109·1, hoe 1.ij &lt;lc gmtie betee· doemden doot· het \'llut' kunncn gcpijkent van hcl Sacrament 1095, doo1· wie nigd worden 1333, hoe de - met God
en op welke deelen des lichanms moct vot•eenigd wo1·dl 812, bewijs 813, afzij geschied~n 109·1, is 1.ij vereischt op llceldsel dezet· verecniging 821, hoe de
al de gcnoemde dcelen 109·1, met welke heiligmake ndc gratie van onze - den
olie geschiedt deze - 1096, wic in de tempe! van God mankt 812, wat de godOude Wet.geznlfd werden 127, waarom delijke lief&lt;le ten opzichte &lt;'nzet• - is
God de Zoon genoemd is Christus of de 12011, hoe het H. Sacrament des Altaut·s
de wunrachtige spijs is onzet• - 958.
geznlfde 128.

�1496

ALPIIABETISCHE TAFEL.

Clwt.,ll&lt;s' - , waar zij naar do &lt;loocl zijn 1334, schrik die wij moeten heb·
van Chri:&gt;tus gegaan is 159, was de god- ben voor de - 303.
hei&lt;l van zijne - niet geschei&lt;len 150,
b) DagclijlrsciiC- : wat deze zijn, 27i,
195.
1187, reden van dezen nanm 1189, is zij
cen ware zondol en waarom 118i, hoc zij
Zinnen.
Kunnen engelen of duivelen onze - van de &lt;loodzonde verschilt 1189, 1220,
niet begooche\en, wnnncer wij meenen kwaad dezer - 1190, grootle dezcr 1204, middelen tegen de - 120:&gt;, waar
een mirakel te aanschouwen 1385.
de zielen naartoo gaan als zi,i met Pijnen &lt;ler- in de Hel, ::ie pijnen.
ster,·en 294.
Zondag.
Reden zijner instclling i30, is de Hoe men kan weten of ecne - dooddcze1ftledngalsdeSabbatdug1\61,waarom zonde of dngelijksche - is 1213, welke
wij den -en niet den Sabbatdag moeten de - is die met de Liefde niet knn beviercn 502, wie deze ,·eranderin'g gedaan staan 433, hoe groot de - .. is die tegen
beefl. 719, hoe zij de wetgevolnde macht de liefde des naasten geschil!dt 438, hoe
bctulgt der· Ol'ei;ste der H. l{erk 722, aile - tegen de lief&lt;le is H2, zonden
wnnrom de H. l{erk kon 562 en mocbt uit onwetendheid II i5, hoe men eene
563 deze verandering doen, wanneer - bedr(jft met eene daad te Yerrichten
heeft zij deze gedaan 563.
. twijfelende of zij - is 1171, hoe men
Welke- moet men vieren 561, hoe dezen twijfel moet alleggen 1172.
\Vat men vers[aat door gclegenheid
men de- moet vieren, ::te Heiligdagen,
hoe een christen mensch zijnen - zal der - 1048, hoe deze&lt; verdeeld worden
overbrengen 596, wat wij op den - in- 1048, welke gelegeuheid moel men
dachtig moeten zijn 731.
vluchten om een genoegzanm berouw te
Hoe dit woord van- in gebruik was bebben 1049, 1087, waarom 1049, mid·
bij de Heidenen 504.
delen om deze gelegenheden te vluch·
Zonde.
ten lOBi.
Wat de - is 1045, 1168, waarom zij
uitwerksels der - 343, Welke - de
schulden genoemd zijn in bet Vader kracht der Sacrnmenten beletten 86·1,
Ons 343, water tot de- vereischt is fiou, wnnneer 86·1, en waar&lt;•m 871, pijnen
1212, l10e Gods wijsheid blijkt in de der - ::ie pijuen.
mogelijkheid waarin de mensch zich
VergilTenis der - ::te dit woord, hoe
bevindt van te zondigen 1358, verdeeling God ons helpl om de - te verlaten 828,
der- 1176.
'
hoe Jezus voor de - kon l'oldoen met
I. E1•(:;onde: :;te dit woord.
bet klein~te goed wcrk 154, welk bet
II. Dadelljl&lt;e - : wat zij zijn 262, 1170, beste mid&lt;lel is om zich op te wekken tot
reden van dezen nanm 1177, hoe zij ver- haal der - 1320, hoe hel vasten de deeld worden.263, 1177.
bevecht 765, hoe de zielen na dit Ieven
a) Dood:;onde : wat zij is 277, 1208, gezuh·ertl worden l'Ull hunne- 292.
wanrin zij bestnat 1251, reden van dezen
Belij&lt;lenis der - :;te dit woord en
nanm 1208, wanrom zij ook nan eene leedwezen der -, hoe wij de - moeziekte mag ve1·geleken worden 1209, water ten annschouwen in bet leedwezen 266,
· vereischt is tot eene - 1210, uitlegglng tot welke - het leedwezcn zich moet
dezer voorwanrde 1211, wnarom aile uitstt·ekken 208, waarom 208, hoe de
zouden geeu - zijn 1189, uitwerksels \eelijkheid der - eeoc t•cden is om
der -1215, 1252, waartoe zij ons bt·engt leedwezen te hebben 265, welk berouw
1218, wnarom zij eeuwig moet geslraft ~oortkomtuitden afschuw van de leelijk-

�ALPHARETISCIIE TAFEl..

1497

heiddet•- 27·1, wanrom 27G, wnarom het nnam 12·18, wanrom niet nile zonden zoo
geen volmnakt berouw is 275, :;te oolt genoemd worclen 1248, wat et• vereischt
nog lcctlwczen en bet·ouw.
is tot eene- 12·18, welke de1.c zijn 1249
De vc&gt;·scllillloc -.
en waarom 1249, 1251, worden zij altijd
I o - tC{iCI! de l 0 {Jeboden Gocls en de hier op aarde gestrnn, red en danrvan
1248.
5 oebOclcn de&gt;· II. J{e&gt;'lt, :;te ~ebod.
2o lloo(&lt;l:;onclcn : wat men daardoor Zuiverheid.
verstnat 1220. wnnrom zij zoo ~enoemd
Wat men verstaat door de deugd van
zijn 1220, ~eta! der - 1222, reden van - ·107, wnnrom zij zoo genoemd is 631,
dit getnl 1232, zwanrle dezer - 1231, en ook nog eogelnchlige deugd 651, bei·
bijzontlet·c reden om ze te vluchten 1254. lige deugd 652, wnt men verstanL door
3° V&gt;·ecmde - : wnt - zijn 1193, de eeuwigc- 1270, ;;le ook Evang. ra·
reden vnn dezen naam 1196, wnt er den, wanrtoe zij ons genegen maakt
hun eigen is 14 9·1, op hoeveel manieren 631, achting die wij moeten hebben voor
men kan herpPII tol de - \'lin een' de- 651, nut der dagel(jksche olferande
ander 119·1, waarom &lt;le - ons aangere- van de - 653, zonden tegen de - ;;te
kend worden 1190, W&gt;H er '&lt;'ereischtistot onkuischheid.
Belo(te van - : wat men danrdoor
hetbertrijven der-1 Hli,zwnartedezeren afschrik die wij voor de - moeten v~rstaat 653, welke - er vereischt is tot
hebben 1206, hoe zij geschieden 1197. het ontmngen der heilige orden 1124,
De vreemde zonden en de zonden van wnarom zij vereischt is 112·1, hoe zij geschandnal 1196.
schiedt 112·1, hare uitwerksels 1143, wat
40 Zomlen tegen den II. Geest, :;te zij doet ten opzichte van het huwe\ijk
1139, I J.l3.
H. Geest.
50 rvraalwoepel!dC ;;O&gt;ule : wat men Zweren.
danrdoor verstaat 1247, reden van dezen
Zte Eed.

�DRUKFEILEN EN BIJVOEGSELS.

llladz. rt;;.

175, lO beteekend dee! hebben
lees,
is, deel hebben.
Hl2, 32 in het water
uit het water.
208. 25 l!aus van Rome
I-I. Petrus.
264.
Bijvoegsel. Kwam mente vragen of ons berouw volmaakt zou wezen, indien wij leedwezen hadden alleenlijk om reden van de liefde die Christus als mensch
voor ons gehad heeft, het is klaarblijkend, wat er te
ant\'.OOOrden is : dit be1·ouw kan niet volmaakt zijn,
daar het niet op God zelven, OJ! de volmaaktheden Gods
in zich zelven beschouwd, maar slechts op iets, dat
door Gods volmaaktheden teweeggebracht is, zou
steunen.
442, 28 Na de woorden te zondigen, voeg het volgende : ten
mi~1ste als de zonde tegen de reden strijdt waarop de
deugd steunt.
535, 34 BU"voegsel. Men merke op, dat wij ons niet tegensprekeu, als wij bladz. G35 zeggen, dat de blasphemie door
woorden, en de heiligschenderij doo1· werken geschiedt,
nadat wij bladz. G33 geleerd hebben, dat de blasphemie
niet alleenlijk door woorden maar ook door teekenen
kan geschieden. Want door woorden verstaan wij bier
ookallerhande teekenen door dewelkewij onze gedachten
uitdrukken : zulke teekenen of eigenlijke woorden zijn
immers een en hetzelfde. En zoo bij voorbeeld wauneer
iemand heilige zaken onder de voeten trapt, niet alleenlijk om er zich meester van te maken, mam· ook om er

�1500

DRUKFEILEN EN BIJVOEGSELS.

Rindt. reg.

\Tiede te spotten, maakt hij zich niet slechts aan eene
heiligschenderij maar tevens aan eene lJiasphemie
plichLig.
621.
Bijvoegsel. Het vermaledijden, het kwaad wenschen.
de gramschap, de haat en de nijd strijden ook nog
· recbtstreeks tegen het vijfde gebod, dewijl wij door die
zonden den naaste ten minste door droefheid in zijn
Ieven willen hinderen : door al die zonden immers
willen wij dat de naaste ongelukkig wez~ en lijde :
welnu bet geluk maakt ongetwijfeld rechtstreeks deel
van bet Ieven, 't well~ het voorwerp is van bet vijfde
gebod.
625, 13 en ook nog.
lees,
en ook nog ten minste.
693, 25 Bijvoegsel. Tegen bet gste gebod, "t welk den naaste
in zijne faam verbiedt te hinderen, strijdt alle leugentaal, omdat zij, hoewel do faam des naasten niet aanrandende, toch over andere zaken slecht doet oordeelen, en dat bet op dezelfde wijze tegen de orde sLrijdt
-iemand een valsch gedacht over eene zaak, welke het
ook zij, als over eenen persoon te geven. ofschoon er
dikwijls in clit laatste geval daarbij nog strikt onrecht
geschiedt tegen dezen persoon.
Bijvoegsel. Om de verdeeling der goddelijke gaven
804.
wei te begrijpen, moet men het volgende voor oogen
hebben : al die gaven worden in 't algemeen verdeeld
in natuurlijke en in bovennatutwlijlw. gaven : de
natuurlijke zijn in deze verdeeling al degene, die aan
de schepsel~n eigen zijn. terwijl de bovennatuurlijke
diegene zijn, welke aileen aan de goddelijke natuur als
eigendom toebehooren. - De natuurlijke gaven wor~
den onderverdeeld in sb·ikt natuwrlijke die gewoonlijl~ onder den naam van natuurlijke gaven komen, en

�DRUI\FEILEN EN BIJVOEGSELS.
Rl~dz.

1501

reg.

in buitemiatuudijke : de eerste zijn de eigendommen
·van ieder geschapen wezen in 't bijzonder, en de
tweede zijn de eigendommen van een !10oger geschapen
wezen, die aan een'ander van Jageren stand medegedeeld worden.
816.

Bijvoegsel. l\Ien zou kunnen vragen, hoe ten minste
onze easte akte van Geloof kan bovennatuurlijk wezen,
indien, gelijk wij leeren, een werk om bovennatuurlijk
t&amp; zijn, noodzakelijk op eene reden, aan de veropenbar~ingontnomen, moet rusten. Het antwoord hierop is niet
moeilijk. Aile akten van Geloof rusten noodzakelijk op
zulke eene reden; hetgene wij immers door het Geloof
aannemen, dat aanveerden wij niet voor zooveel wij
bet door het verstand kennen, maar wei voor zooveel
het ons van God is veropenbaaed en om reden van de
onfaalbare geiuigenis Gods. Bijgevolg rust iedere aide
van Geloof noodzakelijk OJJ de ·De;·openbm·ing Gods
zelve.

853, 18 instorte
865.

lees,

instortte.

B(jvoegsel. Nopens het bekomen van de vergilfenis
der doodzonde door een Sacrament der levenden te
goecler trouw onivangP.n, merke men nog het volgencle
op~ a) dat bet om 'teven is waaruit die goede trouwvoortkomt, 't zij uit onschuldige onwetendheid, 't zij uit
vergeetachtigheid, 't zij uit bedwelming van den geest;
b) dat degene die het Sacrament te goeder trouw ontvangt, noodzakelijk ten minste een onvolmaakt leedwezen moet hebben, want anders ware de vergiffenis
gansch onmogelijk; c) dat die leering ongetwijfeld waar
is voor bet H. Oliesel, daar dit Sacrament de vergetene
doodzonden vergeeft; d) dat het redelijk schijnt, ingezien de goede wil van den mensch die bet Sacmment

•

�Bij hot aankomligcn van ons woi•k _hebbcn wU vier Synoptiseho
Tafels der gosehicdenis van hot Ollll Testament heloofd, die moctcn
liienen tot inlcitling en vollrol\1\ing do!' looPing van olen Catechismus : goheel hot Oud Testament is immci'S de hei·citling van het
En111gclie 0. H. J. C. \'olen van hen die ons ontwOI'(l gezicn haohlcn,
hchben ons aangczet om t.lic Tafols meer uii to hi'Citlcn en c1· am·oll'ijl;.sche kam·ten in to lasschcn len cimlc de hciligc !(Oschietlcni~
hctcr tc docn VOI'Slaan. Dicn mao! volgden wij gccrne. Doch tlaar
•lie \'CI'UlCOI'olCI'ingcn ole 1\oslcn \'CCI l&amp;cbbcn docn aangi'Ocicn (ole
lwarlen hebben nu elk eencn metm· hooglc op vijf en zostig ecntimclci'S ln·cclllc), is hot ons onmogclijk gcworden doze zomler hi.iwndci'c bctaling bij den Catcchismus tc vocgcn; zoovcc! to mcc1'
1lat ons wel'l\, in ons prospectus op elf lwmleNI blmlzijtlcn b,crekcllll, e1' dui:end en vijf lwncle1Yl zal begi·ijpen. Oant• niomand,
ontloz· onze insclu·Uvm·s voo~zeke1' zou willen, dat. wij boven onz()n
arbeid nog geltl zouolen tocdi·agen, hebben wij, volgens hooge1·en
J"aad, VOOI' de insclll'ijVcJ'S 1len (ll'ijs 1\01' vic1· Synoptischc Tafcls tc
;~.amen, O(l

CCllCil fl'Unk gcstc(d, IJctaalbam• IJij he( Oll(VangCil \"&lt;Ill

hcl dm·de en laatste hoekdcel.
Oezc Synopiische Tafcls woi·olen nu geoh·ukt, en zullcn omh·ent
olen 15 Juni vci·schijncn. Om zc met de post le verzcnden, zullen zij
moelen geplooid worolcn : wie zc bij gelegenhcid zclf wil komen
nomen of door icmand anllCI'S docn nomen, hchoeft cnl;.cl bij mhltlel
ecner corrcspontlcncic-lmart aan den uilgcvei', •len Hccr C. Poolman, Hoogpoot·t, Gent, te Iaten wctcn, dai hij zc met de post nict
zou opllenden.
Gent, 1jen 13 April 1882.

Jl, Lnmbrccht, S. 1'. ]),

�5CHE:.LD U'W DIE.NAAR5 t\'WUT.
VOORWif:.,OM '5VADE.R5GUN~T

E:.NZE:.OE:.N,
NAA5T UW GE:.NADE:.TPOON
GE:.~TE:.GE:.N

DE:. MAAGD E:.N MIDLAPE:..S5E:..
DLE:.IT.

LT 615

LT609

�.1.

I

BID GOD VOOR DE ZIEL
van Movrouw

Maria· Margarita SCtiELDEMAN
echtgennte van

Mijnheer CYRILLE DESMET,
geboren te Lichtervclde, do 21 Februari 19CO en
zeer Qodvruchtig in de Ht:::~er cnTslapen te Ooi'lem.

de 18 Augustus 1949, gest~rkt en g0ITOO!:I door de
genademiddeJe-n van Onze Mcedf&gt;r de H. K12rk.

Zij was lid van de Ecrste-Vrijdagbond en van
de vier Broederschappen.

MARlA was een uitmuntende I?Ct.tgenote en moe-

dar. Zij diende in liefde en lm1de in kracht. Z1j v:as
zachtmoedig. fijngevoelig en bognjpend Nooit was
zij aanstellerig, over haas rig oi lastlg. Zij kwam in
haar nieuwe thuis als een engel van goedhe1d, &lt;-?n
won aanstonds de oprechte wedEllrJicfje \'On hoar

man en van hoar kioderon. Iederecn voolde zich
bij baar gelukl:ig, opgebeu1 d en georoost. Z•i was
de ~:lterke vrouw, op wie hoar echtgeooor alti)d en
volledig betrouwen kon. Voor hoar kinderen was
zij een V')orbeeld van godsvrucht en phchtbcsEf f&lt;O
werklust. ln boar langduri;re ziekte was zij wonderboar moedig en geduldig en met zichtbare gevoelens van gelatenheid en vrede hec:ft zij lich voorbereid op do pijnlijke scheiding van haar geliefden.
Saichlend en ecbt cbristohjk was baar Ieven en
haar dood.
Zeer beminde Echtgenoot, laslig is de beproeving
en zwaar bel kruis dat do go~ de God nu weer op
uw acboudors laal noerkomen. Maar Hij weet da1
Oij bel mel Zijn hulp dragen kiml. Wei en wee heb·
bon we samen gedeeld. Wij zullen bet voort zo doen.
Voor uw l:inderen hob ik getracht een liefdevolle

en loeqe .mjdo mocder te zijn. Stel 'll.:aeds uw betrouwcn op God. zoek uw troost bij Jezus en Maria in
h~t ge-bed. en uw last zal dragelijk on Iichter worden
en eens zion wij elkander weer, Bid ieder dog voor
uw afqeslorvene cchlgenoten.
Beste Kindoren en Kleinkinderon, bij U en voor U
heb 1k I wee jaar en half geleefd. II: .ag U zo gaame,
Cij weet het, Gij hebt hat ondervonden. Vergeet mijn
lidde, mijn raadgevingen, en mijn voorbeeld nooit.
Z18t nu vader dubbel gaarne, we~st zijn troost en
hr~lpl hem altijd om zijn kruis te verlicbten en zijn
he:-haal:::ie boproeving te verzachten. Vaartwel. mijn
TAerqehefdo Kind~rcn ~n Kleinldnderen, en bidt
1cder dag voor uw eigP.n moeder en voor mij, die
hoar bij U kwam vervangen. Wij spreken voor U
allen ten bes:e in de hem~l.
Bcmindc Broeder, Zuster, Bloedverwanten en Familieleden, Gij weent over mij, G1j beklaagt mijn
gezin. Doch 1lr stierr gerust, omdal ik ~teeds Gods
w1l heb volbracht. Bidt voor mij, Gil vooral mijn
Sr.hoonzuster io het kloosler.

H. Hart van Jezus, ik heb betrouwen op Ul
Onbevlekt Harl van Maria, wees mijn zaligheid I
Mijnhoer Cyrilla DESMET,

haar ecblgenool;

Mijnheer en Mevrouw Arnold DESMET·COUSSEMENT
en kinders: Anny en Ivan,
Mijnheer en Mevrouw Roger DE]AOER·DESMET,
Mijnheer Roger DESMET,
Meiuffer Denise DESMET,
haar kinde ran en ldeinkinderen;
De familii!n DESMET, SCHELDEMAN, VANMALDE·
OHEM en ALBERS;
Dankon U om uw gebeden en uw
blijken van krialelijke deelneming.

·············-··························.. ·····...........................................
Wed. L. De Brabandere, Ooigem.

�BID VOOR DE ZIEL
van

Hoogeerwaarde Pater
Frans SERCU
Gcncraal Overste van de Kongregatle van
hct Onbcvlekt Hart van Jllarla (Scheu!)

Gcboren te Ardoole
sprak ziln Gelortcn ult
wcrd priester gewild
vcrlrok naar China
·gckozcn tot Gencraal Q,·erste
overlcden In het novlclaat te
Zuun

8 dec. 1899,
8 sept. 1919,
28 sept. 1924,

25 aug, 1925,
I lunl 1957,
31 lull 1961

�t

c OmniG ucstra in charitatc fiGnt •·
I Cor. 16.14.
In charltatc n·an ficta •· ·u·cor. 6.6.

c

Zoals de kindercn van ccn ~rool, schoon J.te ..
zin door hel \'crlics van hun onmisbare

vad~r

of moeder diep lletroffen worden, zo heeft de

scheutistenCamitie, over de wcrcld v~rspreid, het

plotse afsten·en aan!lovoeld \"an haar Goneraal
0\·erstc, die op ecn bijzondcrc wijzc ook haar
vader was. Vol !leloof aanvaard.n wij d;t offer
uit de handtn van God, die Vad•r en Licfde is.
De Kongrel!alie hecft zelden leden gekend,
wier "'ezen zo doorstraald was van licfde en

blile gocdheid. Vaderliike, broed,.lijke, onweerstaanbare goedheid. ,\Is O•·erote wist hii. op
ecn ongeC,·enaarde wijze. bc\·clcn en gchoor..
zamen in liefde te \'erbinden en de slevige band
der onderlinge samenhori!lheid noll te \'Crolerken. De ganse Kongregalie. met at haar leden
in het mocdcrland en in de mis.ies. droell hii
In zijn hart door zijn liefdevolle kennis en meelevend begriJpen. ledoreen bewonderde hem om
ziln priesterliike, religieuze en missionarisgecsl.
Hil wist ziJn zo diep en uitstralend inn,rlilk Ieven te vcrenigen met cen inncm:nd.:: ccnvoud.

Het beste van zijn Ieven gaf hil aan de opvocdinll en de vorminll van prieslers. Eerst
meer dan vilfentwinli!l jaar in China : als leraar
en dlrekteur van het semlnarie, als provinciaal
overste en \'ikaris Jleneraal van Siwantze tot h:J ult zijn lleliefde mlssie verbannen
werd. Daarna viif Jaar in ons theologicum le
Leuven, waar hii zich als 11eestelilk Ieider en
rektor len voile kon geven aan d: oplelding
van nleuwe scheulistcn.
lro een laatste algemene brief aan de konfra·
lers, schrcef hli met Paulus : • Dankbaarheld
llevoel lk Jellens. Hem, die mil krachl heeft lie·
sc~onken, Kristus Jezus, onze Jleer, dat Hil
moj lrouw heeft lleacht door mil In bedicnin11 le
stellen •· (I Tim. 1,12). In de volle getrouw·
held van ziin zware ambt heeft de gocde Cod
hem lot Zich l!erocpen om hem het loon der
eeuwi11e rust te lleven.
Onbevlckt Hart '"an l\laria, bid voor hem.

��:·- -

.

&lt;0-r~~-~-:;~;1

:· :·:-;.~cil~·;iH):~· .. :::~~~o.r~-~~

··"---~~:~~---6~~3~!::~~?2~
PRAYER

(!) GENTLEST Heart of I,esus, ever
p:es.::nt m the Bles::cd Sacrament,
::;.\·.-::: consumed with burmng love for
r:,c poor captive souls in t'u:gatory,
c.ovc mercy on tho soul ol Thy cie-

::a:-tcd !':ervant.

ilc not severe 1n Thy judgment but
le' &gt;"-O!lle drops of Thy Precious Blood'
:-:::!1 upon !he devou:-ing Hames. and
:ic Thou 0 ce!cifu! Sa\riour send Thy
angels to conduct her to a place of
··&gt;!rcohment, light and peace. Amen.
they the souls ol all the !a:thful de;:o::::;ed, through the rr.crcy of God, rest
m peace. Amen.
Eternal rest grant unto her 0 Lordi
=nd let perpetual light shine upon her.
Sao:red Heart of Jesus, havo· mercy on
'"" Immaculate Heart of Mary, pray
!or her. • St. Joseph, fnend of thf
S=ore::! Heart of Jesus, pray for her.
( 100 dcys for each aspiration)
~

+

RAYMOND P. McMAHON
655 Hicks Stroet

Brooklyn, N. Y.
TRianglo 5-0898

�Lmtt.\I'IIE A~ctr.N~E 1.\: MooEIINE tm

C. PEETtms

A I.OUY.\IN.

1"c11tc des 15, lG ct20 Deccmb1·e 1892.
/J,( /J-/ / /?A '

'

Dozt Mr r ~ /U4-..&lt;U'!.. a ~
pow· acltat des nwnt:!1·os suivants :
--

fJj -~ ?JPL

-

/Mv·

�ti di ~r.nnnr;innnuma itt knnsi ti r·bs
ti nRlnl1es n ?fln&amp;nr,inn:ma.mu i ti kM.si ti Dlos
ir~into c, sr.arr:::r.;' e b:.yr,t £\ tunr~:mlcn c",rt~:i t:l. ~)ilinna
:'i isusul'5c,t n l:u1:1£mhras "iti pudno ~:. nHluvm.:~ tm£:-:._r
ti ~nnr..r;~;_,c,l ::, calces iti £:rncin n1~a iteu tl Dios iti pncl.a a tao
ti kinntnn;&gt;;;l:en ti nnkem ne;n &amp;~tulinued i ti ki!1.dal':e 5
ti S&amp;Ein F.. ~&amp;nn;:;'•ulJ&amp;Wi E.t/. J.:anibus~:.mm ti ~iu.:;

•

ti ?&amp;JTI!:",&amp;:':::.tay iti ::'f'.C.a a 1;c.o nr;c. f:..G.';&amp;po laenf; iti a~r:;.t a mmn&amp;patay
ti pan&amp;f&gt;;iJnsol iti annan~; ti lnsnr; a saan r.. l"l&amp;ituJ~Of' iti 1 ~nsa::;and ti kinatao
ti ;.-anangirurt1r.1en kac~r;iti mlp&amp;nr;lm-r, :1cc1::)&amp;l'J lcen ulila a nul:nkaasi
ti cl i =-'t.nap;ba::ad i ti tanr;can ti 1)anno;: cla::;i ti r.umpnan,:·;e;ed

�APPENDIX
ad cxplicationom do sexto Dccalogi IlrrecOilto.

l. Fundamentwn tfltius doct1·inw ci1·ca sextwn JWCeceptum: Sextum prreceptum prohibet omnem inordinationem in usu
venereorum, h. e. in actibus ad generationem humanam inservientibus, et in qurorenda delectatione, quam Deus istis actibus
annexuit. Rectus autem venereorum usus ita detiniri potest : ut
actus venerei et venerero delectationis fruitio sint licita, hroc
duo requiruntur : a) ut actus, qui ponuntur, sint..._commixtio
carnalis completa, aut saltern ad earn hie et nunc ordinentur;
atque b) ut hroc commixtio carnalis completa non Jlat nisi in
legitimo matrimonio. Etenim generandi vires et delectati-o actibus venereis annexa a Deo sunt data, ut generatio fiat, et quidem debito modo fiat, respectu habito ad bonum prolis; ac
proinde alii actus venerei poni non possunt ac commixtio carnalis completa. aut actus ad earn tendentes, cum ex ea sola
possit sequi generatio; et prroterea hroc commixtio carnalis
completa non potest a quibusvis hominibus fieri, sed ab iis solum, qui legitimo juncti sunt matrimonio, cum ex matrimonio
solo possit obtinet·i generatio sicuti opo1·tet, sub respectu boni
pro lis.
2. Quinam actus vene1·ei juxta tn-redictam 1·egulam, sunt
1wohibiti? Ob defectu~ prioris conditionis ad liceitatem actus
v~nerei requisitro, sequentes actus sunt peccata contra am prroceptum : pollutio,. sodomia, commixtio cum bestiis, et etiam
tactus, aspectus, lectiones aut sermones obscoma, qure hie et

�-2-

nunc ad commixtionem carnalem 11011 tendunt. Hi enim posteriores actus, tact us scilicet, aspect us, lectiones et sermones
obsccena, e sua natura destinata sunt ad commovendum corpus
in ordine ad commixtion em carnalem completam; atque ideo
ipsi se habent ad commixtionem carnalem completam ut res
incompleta ad completam.
Ob defectum autem posterioris conditio11is, habetur peccatum
contra 6m prreceptum in adulterio, in fornicatione, in incestu,
in sacrilegio, in stupro. In hisce enim actibus habetur quidem
commixtio carnalis completa, sed extra matrimonium.
3. Quanta aulem, est gravitas istm·wn 1Jeccal01·wn, quro
contra 6m 1J1Yeceplwn fiunt? A) Onmes actus, qui sunt mali ob
defectum posterioris conditionis. sunt cerle g1·avia peccata,
quia bonum prolis, ob quod requiritur ut generatio in matrimonio fiat, est indubie res gravis.
B) Quod attinet ad actus venereos, qui peccata sunt ob defectum pri01·is condition is : l o Pollutio directe voluntaria, sodomia et ~mmixtio cum bestiis, sunt gmvite1· prohibita; quia
si liceret per hos actus delectatione venerea frui, negligeretur
gravis ilia res generationis, qure tot et tanta incommoda secum
fert, et ita delectatio venerea, qure nempe a Deo est data, ut generatio fieret, destitueretur suo effectu.
2° Dein tactus, aspectus, lectiones et sermones si graviter sint
obscrena, et ex necessitate aut ex alio moti&gt;o sutflcienti non
•
cohonestentur,. graviter etiam sunt prohibita;
quia de se vim
habent corpus ad venerea graviter commovendi gravemque procurandi veneream delectationem; ac proinde eodem titulo prohibentur ac actus prrecedentes : si enim liceret in hisce actibus
veneream delectationem qurerere, negligeretur generation is opus
et delectatio ilia etiam destitueretur effectu, ad quem est destinata.
3° Illi autem actus : tactus, aspectus, lectiones et sermones
obscrena, si sint leviter obscrena, sed ip eum finem peraguntur,

,

�-3-

ut nempe delectatio venerea obtineatur, etiam, saltern ubi non
inter conjugatos vel a conjuge solo fiunt, constituunt peccatum
mortale, ob idem motivum mox propositum. Si vera fiant, non
ad delectationem veneream habendam, sed in alium quemdam
finem haud sufficienter rem cohonestantem. non constituunt
quidem peccaturn mortale, quia delectatio venerea non intenditur; sed tamen veniale, ob inordinationern, quoo in insutncientia
rnotivi habetur.
4° Aspectus, tactus et serrnones obscreni inter conjuges sine
intentione copula! et intuitu delectationis obtinendre habiti, si
de se ad pollutionern non conducant neque proximurn gravis
peccati periculum secum ferant, censendi sunt non quidern ab
omni, sed tamen a gravi culpa immunes. Excusandi enim videntur llujusmodi actus a culpa gravi, quia sunt quredam remota
ad futuros actus carnis prreparatio : per ipsos enill! nutritur et
conservatur mutuus amoret facilius feruntur n~.trimonii onem.
Verum ab omni peccato excusari nequeunt, quia non sunt proprie et stricte dicta commixtionis carnalis rl6reparatio, atque
ideo aliquam continent deordinationem. - Similes actus obscroni ad pollutionem rle se non conduce1ites et cum proximo
gravis peccati periculo non connexi, quos conjux absente comparte secum intuitu delectationis ponit, probabiliter ob idem
motivum a gravi, non tamen a levi excusandi sunt peccato.
4. Quid autem est censendwn de actibus istis, qui c sua

•

nattwa ·vencrei non sunt, sed tamen vene1·eam commotionem
et clelectationem p1·oclucunt; an licite JIOSSWntts lzos actus
poner·e? Si actus isti sint pro nobis occasio proxima in delectationem veneream consentiendi, et sufficiens ratio non habeatur
eos, debitis ad peccatum vitandum adllibitis mediis, nihilominus
ponendi, graviter peccamus eos ponendo. - Extm llunc casum
autem,• ::;i eos ponimus intuitu delectationis obtinendre, peccamus gravitcr, ob motivum de delectatione mox propositum; si eos ponimus ob aliud motivum sed inhonestum, peccamus

�-4leviter ob defectum motivi sufficientis; - si tandem eos ponimus ob motivum honestum, non peccamus.
5. De loco, quem mate~·ia caslitatis in Decalogo obtinet.
Ex illis omnibus, qure hie notavimus, clare liquet sextum prroceptum totum circa ordinem in rebus ad generationem humanam spectantil.Jus servandum, versari; ac proinde, hoc prreceptum recte poni post illud de homicidio. Per homicidium nocemus
vitre hominum jam in ten·a existentium; per peccata au tern circa
res ad generationem spectantes, nocemus hominibus nascituris.
6. De peccalis luxw·iw conli·a natw·mn. Quidam luxuriro
•
actus vocal'i so lent pecC&lt;'l.ta conli·a natw·am. Hoc nomine nimirum appellantut· omnes \uxul'iro actus. qui non sunl commixtio
carnalis complela aut ad eam disponet·e non possunt; scilicet
pollutio, sodomia, commixtio cum bestiis; et mtio hujus appellationis est, quod ist.i actus non solum contra 1Ytlionem, sicut
crotera omn~a peccata, sed etiam contra naturalem appetitus
sensitivi instinclt'um, qui clirecte commixtionem carnalem completam et opera ad eam inservientia postulat, essentialiter
pugnant, seu ali~ verbis, quia pugnant cum ph~rsica virium generationis et delectationis venerere destinatione.
De pollutione hie observetur, quod etiam pollutio feminea.
quamvis in ea vet·um semen non deperdatur, tamen peccatum
contra naturam est censenda. Cum enim hrec pollutio eamdetil
illam corporis commotionem et eamdem hanc deleclationem
contineat, qure mulier in commixtione carnis eexperitur, liquet,
ipsam non secus ac pollutionem viri, esse verum actum carnis
solitarie positum. nullatenus vero aliquam prreparationem qure
ad actum carnis disponat, ac proinde ipsam juxta prredictam
regulam necessaria esse peccatum contra naturam.

�NAIL::B.AG A GASAT '1'1 KARARUA

nagasat dagiti napanglaw a nakemda laeng. ta isudanto ti
makinlcukua ti pagarian sadi langit
si
nagaaat dagit1 natulok ken naamo ti nakemda a e1s1ngpet
ta isudanto ti agtagi!rua i ti daga
nagaaat dag1ti agsangsangit iti napudno a panagbabawida
ta hudanto ti makalak-am i ti liwli'wa
nagasat dag1ti sikakalikagum a mangaramid iti nalinteg
a maip~pan iti Dios. ta isudanto ti magongonaan
nagasat dagiti manangngo.aai. ta isude.nto t! makaragpr.t iti
pe.nangngaasi

nagaaat dagiti aidadalua t1 pusoda. ta isudanto t1
makakita iti Dioa
nagasat dagiti sitatalna ti nakemdo. a di masingas1nga ti
panagayatda iti Dios. ta isudnnto ti mainaganan nga
annak t i Dios
nagasat dagiti agsagaba iti pannakairurumenda gapo iti
nalinteg nga ayat iti Dioa; ta isudanto ti makaala iti
pagarian sadi langit

�Linteg: panagraem itl Dio1: religion
kadagi ti agturay
panagtulnog, panagyaman, panagayat iti pudno,
urbanidad, kina-parabur
.
Ingel: panang1nanama (oonfianza), anep, tured (p&amp;oienoia),
panagtaginayon
Parbeng.t kinateppel wenno kinadalus, parbeng iti pannangan,
iti panaginum, anus, pakurang wenno pal.."UUIlbaba,
parbeng iti panangdusa, salukag, timbeng iti
panagtignay (modostia), timbeng 1tl pammasayaat
PATIGMAAN TI SANTO EVANGELIO
ti ayat iti panglaw ngn aggapo iti puso
ti panagteppel ti bagi ken karaDU iti uray ania a pagderpan
ti lasag
ti santo ngn annugot iti pagayatan ti Dios ken dagiti
napaypayso a sunonn

�pakanen ti mabisin
painumen ti :nauaw
1lupotan ti awan lupotna
pagdagusen ti awan pagdagusanna
suknalan ti masakit
subboten ti bnlud a kine.yawan
ilcali dagiti natay
dusaen ti managbasol
sursW.oan ti di makaammo
ikakaaai iti Dios dagit1 nabiag ken natay·
bagbagaan tl MAkasapul 1+.1 pammagbaga
liwliwaen ti n&amp;ladingit
itured ti dumyeng a pammarigat ken kurang ti pada a tao
pakawanen ti ranggas_ ti pa.da a tao

�ti oar1dad wenno ti ayat iti Dioa ken iti pada· a tao
a maipuon iti Dios
ti D&amp;ilang-itan a rag-o ti .aakem
ti panagtalna
ti panagitured
ti bileg ti nakem nga agur-uray iti kaasi ti Dios
t1 kinaimbag ti nakem
ti kappia. wenno ti pangka~kaysa ken panagtutuons ti
tf ldnaiUilo ti nakero ken anua
,.
/ nakem ·
ti pammati
ti takneng
ti panagteppel
ti dalua ti bagi ken k:ararua itl basol ll!a annong ti lasag

�</text>
                  </elementText>
                </elementTextContainer>
              </element>
            </elementContainer>
          </elementSet>
        </elementSetContainer>
      </file>
    </fileContainer>
    <itemType itemTypeId="1">
      <name>Print</name>
      <description/>
      <elementContainer>
        <element elementId="4">
          <name>Location</name>
          <description>[Example: 10.3 Box 1 Folder 1 Item 3]</description>
          <elementTextContainer>
            <elementText elementTextId="200898">
              <text>90.9 Box 47 Folder 2</text>
            </elementText>
          </elementTextContainer>
        </element>
      </elementContainer>
    </itemType>
    <elementSetContainer>
      <elementSet elementSetId="1">
        <name>Dublin Core</name>
        <description>The Dublin Core metadata element set is common to all Omeka records, including items, files, and collections. For more information see, http://dublincore.org/documents/dces/.</description>
        <elementContainer>
          <element elementId="50">
            <name>Title</name>
            <description>A name given to the resource</description>
            <elementTextContainer>
              <elementText elementTextId="200885">
                <text>90.9 Miscellany contains the Papers of Rev. Fr. Francis H. Lambrecht, priest-member of CICM Missionaries in the Philippines who was also an anthropologist and did research and published various articles and books about customs and traditions of the people of Northern Luzon, Philippines. The papers consist of, among others, notes and drafts of these research works and lectures such as songs, hudhud or epics, dictionaries, rituals, folktales. Also includes some rare books, correspondence, and materials concerning the Christian religion. Some of his writings include the following: 106 Ifugao Abu'wab tales documented by Frans Lambrecht, C.I.C.M. from 1932 to 1957; Studies on Kalinga Ullalim and Ifugaw Orthography; The Mayawyaw Ritual; Linguistics: Studies on Kalinga Ullalim and Ifugaw Orthography; Ifugaw villages and houses; The hudhud of Dinulawan and Bugan at Gonhadan; Ifugaw-English dictionary; The Kalinga Ullalim II, etc.</text>
              </elementText>
              <elementText elementTextId="200886">
                <text>Verklaring van den Mechelschen catechismus / door H. Lambrecht.</text>
              </elementText>
            </elementTextContainer>
          </element>
          <element elementId="45">
            <name>Publisher</name>
            <description>An entity responsible for making the resource available</description>
            <elementTextContainer>
              <elementText elementTextId="200887">
                <text>C. Poelman</text>
              </elementText>
            </elementTextContainer>
          </element>
          <element elementId="40">
            <name>Date</name>
            <description>A point or period of time associated with an event in the lifecycle of the resource</description>
            <elementTextContainer>
              <elementText elementTextId="200888">
                <text>1881-1883</text>
              </elementText>
            </elementTextContainer>
          </element>
          <element elementId="49">
            <name>Subject</name>
            <description>The topic of the resource</description>
            <elementTextContainer>
              <elementText elementTextId="200889">
                <text>Catechisms</text>
              </elementText>
            </elementTextContainer>
          </element>
          <element elementId="41">
            <name>Description</name>
            <description>An account of the resource</description>
            <elementTextContainer>
              <elementText elementTextId="200890">
                <text>3 volumes</text>
              </elementText>
            </elementTextContainer>
          </element>
          <element elementId="95">
            <name>Notes</name>
            <description>Additional information about the resource</description>
            <elementTextContainer>
              <elementText elementTextId="200891">
                <text>CICM Archives has volumes 1 and 3 (first and third part).</text>
              </elementText>
              <elementText elementTextId="200892">
                <text>The official title page of volume 1 bears a stamp of Fr. Mt. [Maurits] Vanoverberg Bauco (Mt. Province) and a holy card Mater Dei Souvenir de l'Ordination Sacerdotale, Confreree a Edouard Hennebert 9 Juin 1906.</text>
              </elementText>
              <elementText elementTextId="200893">
                <text>The volumes need immediate repair or rebinding.</text>
              </elementText>
              <elementText elementTextId="200894">
                <text>90.9 Box 47 Folder 2 contains volume 2.</text>
              </elementText>
            </elementTextContainer>
          </element>
          <element elementId="44">
            <name>Language</name>
            <description>A language of the resource</description>
            <elementTextContainer>
              <elementText elementTextId="200895">
                <text>Dutch</text>
              </elementText>
            </elementTextContainer>
          </element>
          <element elementId="51">
            <name>Type</name>
            <description>The nature or genre of the resource</description>
            <elementTextContainer>
              <elementText elementTextId="200896">
                <text>Monograph, books</text>
              </elementText>
            </elementTextContainer>
          </element>
          <element elementId="42">
            <name>Format</name>
            <description>The file format, physical medium, or dimensions of the resource</description>
            <elementTextContainer>
              <elementText elementTextId="200897">
                <text>Print</text>
              </elementText>
            </elementTextContainer>
          </element>
        </elementContainer>
      </elementSet>
    </elementSetContainer>
  </item>
</itemContainer>
